Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6554
2026-07-15
Civiel recht; Arbeidsrecht
12173763 \ AZ VERZ 26-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven. Werknemer werd verweten dat zij de lesauto tijdens haar re-integratie voor privé doeleinden heeft gebruikt maar dit is onvoldoende aangetoond door de werkgever. Bovendien geen zero-tolerancebeleid t.a.v. privé gebruik zodat er geen sprake is van dringende reden.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.142 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: 12173763 \ AZ VERZ 26-25
Beschikking van 15 juli 2026
in de zaak van
[werkneemster]
,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werkneemster] ,
gemachtigde: mr. G. van den Bosch,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
vertegenwoordigd door [persoon 1] en [persoon 2] .
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met producties,
het verweerschrift met producties,
de brieven van 3 en 5 juni 2026 met nagezonden aanvullende producties van [werkneemster] ,
de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
de spreekaantekeningen van mr. G. van den Bosch.
1.2.
Vervolgens is beschikking bepaald.
2De feiten
2.1.
[werkneemster] , geboren op [geboortedag] 1996, is op 1 maart 2023 in dienst getreden bij [werkgever] . De functie van [werkneemster] was rijinstructeur met een loon van € 2.704,00 bruto per maand.
2.2.
Bij indiensttreding heeft [werkneemster] een overeenkomst getekend waarin is overeengekomen dat de lesauto uitsluitend voor zakelijk gebruik aan haar ter beschikking wordt gesteld. In deze overeenkomst staat onder meer het volgende:
“Artikel 3: privé-kilometers
1. De werknemer mag absoluut geen gebruik maken van de auto voor privégebruik. Ook niet de fiscaal toegestane 500 kilometer per jaar.
(…)
Artikel 4: Sanctie
1. Bij overtreding van het verbod wordt door de werkgever een passende sanctie
opgelegd. Deze sanctie bestaat uit een geldboete die in verhouding staat met de te
betalen belasting in verband met de bijtelling en het verhaal van de werkgever van
de bij hem nageheven loonbelasting.
(…)
Artikel 5: beëindiging
Het recht op het gebruik van de auto kan door de werkgever worden beëindigd
indien uit controle of steekproef blijkt dat de werknemer zich niet aan bovenvermelde
afspraak heeft gehouden. De werknemer blijft verantwoordelijke voor eventuele naheffingen die voortvloeien uit de overtreding.”
2.3.
[werkneemster] heeft zich op 5 december 2025 ziekgemeld. Op 13 januari 2026 is [werkneemster] gestart met haar re-integratie. In het kader van haar re-integratie is aan [werkneemster] een lesauto met kenteken [kenteken] ter beschikking gesteld.
2.4.
Op 6 maart 2026 heeft [werkneemster] zich weer volledig ziekgemeld.
2.5.
Op 9 maart 2026 heeft [werkgever] de aan [werkneemster] ter beschikking gestelde lesauto bij haar thuis opgehaald.
2.6.
Op 13 maart 2026 is [werkneemster] op staande voet ontslagen.
2.7.
[werkgever] heeft het ontslag op staande voet per brief bevestigd. In deze brief staat het volgende:
“(…)
Na melding van terugval in ziektebeeld op maandag 9 maart 2026 hebben we onderzoek gedaan naar gebruik lesvoertuig ziekteperiode 5 december 2025 tot 9 maart 2026 naar door jezelf geregistreerde kilometers en uitgevoerde tankmomenten. Geplande en uitgevoerde rijlessen werden dagelijks gecontroleerd.
Bij controle van door jezelf geregistreerde kilometers in ons plansysteem bleek dat er minimaal 1000 kilometers niet traceerbaar zijn. Met name in de periode 3 tot 13 januari 2026 is 2 x getankt en zijn geen rijlessen uitgevoerd. Je hebt ervoor gekozen om tijdens ziekte lesvoertuig te gebruiken voor andere activiteiten dan lesgeven, dit is diefstal en fraude Dit heeft geleid tot een diepe onherstelbare vertrouwensbreuk en daardoor dringende reden tot besluit ontslag op staande voet.”
2.8.
Op verzoek van de gemachtigde van [werkneemster] , heeft [werkgever] het ontslag bij brief van 19 maart 2026 nader onderbouwd. Zij heeft daarbij stukken overgelegd die de reden van het ontslag volgens haar onderbouwen. In de brief staat onder meer het volgende:
“Km stand dag van ziekmelding 5 december 2025 voertuig [kenteken] 310.804 km.
Km stand bij ophalen voertuig [kenteken] op privéadres van uw cliënte [adres] [woonplaats] 9 maart 2026 om 9.49 uur km stand 312.768.
09-03-2026 312.768 km
05-12-2025
310.804 km
Gereden 1.964 km
Gemiddeld rijden onze lesvoertuigen categorie B 30 kilometer per lesuur van 60 minuten. Dat is ook de norm in ons beleid en bij controles. Het gemiddelde aantal gereden kilometers over het hele jaar 2025 van uw cliënte is 29 km per uur.
Uw cliënte heeft volgens urenoverzicht 34.45 uur gewerkt tijdens ziekteperiode van 5 december 2025 tot ontslag op staande voet 13 maart 2026. Redelijkerwijs is dan in ziekteperiode 5 december 2025 tot 13 maart 2026 een maximale totale kilometerstand te verwachten van 34.45 uur x 29 km gemiddeld per uur is 1008 km.
Anders dan de eerdergenoemde tankmomenten is er niet 2 maar 3 x getankt rondom ziekteperiode zie bijgaande facturen. Volkswagen Polo Diesel rijdt 780 kilometer uit een volle tank als je 3 keer tankt kan je 2340 kilometer rijden, 1008 kilometer rijlessen en de rest privégebruik.”
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[werkneemster] verzoekt:
een verklaring voor recht te geven dat er geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet;
een verklaring voor recht te geven dat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat zij daarom op grond van artikel 7:653 lid 4 BW geen rechten aan het concurrentie- en relatiebeding in de arbeidsovereenkomst van [werkneemster] kan ontlenen;
[werkgever] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 2.954,99 bruto;
d. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 72.487,68 bruto;
[werkgever] te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 4.450,01 bruto;
[werkgever] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van de te wijzen beschikking een bedrag van € 1.200 te storten op de pensioenrekening van [werkneemster] ;
[werkgever] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van de te wijzen
beschikking aan [werkneemster] een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie te verstrekken, waarin het bedrag en betaling van sub c tot en met e is verwerkt;
[werkgever] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de onder sub c tot en met e genoemde vorderingen vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening;
[werkgever] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[werkneemster] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. Volgens [werkneemster] heeft zij de lesauto niet gebruikt voor privé doeleinden. Uit de stukken die [werkgever] bij haar brief van 19 maart 2026 heeft gevoegd, blijkt dit ook niet. Ten eerste blijkt uit de facturen van [werkgever] niet dat er met de auto is getankt in de periode van 3 tot 13 januari 2026 zoals in de ontslagbrief staat. [werkgever] heeft haar conclusie dat [werkneemster] privé gebruik heeft gemaakt van de lesauto verder gebaseerd op de aanname dat er gemiddeld 29 kilometer per lesuur wordt gereden, maar zij heeft daarbij geen rekening gehouden met het feit dat [werkneemster] nog aan het re-integreren was. Tijdens de re-integratie reed [werkneemster] na iedere les naar huis. Bovendien deed [werkneemster] administratieve werkzaamheden op kantoor waarbij ze ook tussendoor naar huis ging om te rusten. [werkneemster] maakte dus veel meer woon-werk kilometers dan in een reguliere werkweek. Voor zover [werkneemster] wel privé gebruik zou hebben gemaakt van de lesauto, levert dit volgens [werkneemster] nog geen dringende reden voor ontslag op. Er is geen sprake van een zerotolerancebeleid bij [werkgever] . In de overeenkomst waarin het privégebruik wordt verboden, wordt een sanctie op overtreding van dat verbod gesteld. Deze sanctie bestaat niet uit ontslag maar uit een geldboete of de beëindiging van het gebruik van de auto.
3.3.
[werkgever] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [werkgever] voert ‑ samengevat ‑ aan dat [werkneemster] tijdens haar re-integratie les gaf aan drie leerlingen, wonend in het oefengebied [plaats] . Hierdoor werden de afstanden klein gehouden. De kilometerstand van de auto bij het ophalen van de auto op 9 maart 2026 duidt op privégebruik door [werkneemster] en dit levert een dringende reden op voor ontslag.
4De beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat [werkneemster] heeft berust in het ontslag zodat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd. Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [werkneemster] een billijke vergoeding moet worden toegekend, en of [werkgever] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. Om die vraag te kunnen beantwoorden moet worden beoordeeld of het aan [werkneemster] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
4.2.
Voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet moet sprake zijn van een dringende reden. Het ontslag moet daarnaast onverwijld worden gegeven en de reden die aan het ontslag ten grondslag ligt moet daarbij direct aan de werknemer worden medegedeeld. Verder is van belang dat een ontslag op staande voet een ultimum remedium is. Een ontslag op staande voet heeft verstrekkende gevolgen voor een werknemer zodat een werkgever daar zorgvuldig mee om moet gaan.
dringende reden
4.3.
Partijen verschillen van mening over de vaag of [werkneemster] privé gebruik heeft gemaakt van de lesauto. Het ligt op de weg van [werkgever] als werkgever om aan te tonen dat er een dringende reden bestaat die het gegeven ontslag rechtvaardigt.
4.4.
[werkgever] heeft haar stelling dat [werkneemster] privé gebruik heeft gemaakt van de auto in haar ontslagbrief mede gebaseerd op twee tankbeurten in de periode van 3 tot 13 januari 2026. In die periode was [werkneemster] nog niet begonnen aan haar re-integratie. Gesteld noch gebleken is dat de lesauto met kenteken [kenteken] in die periode al aan [werkneemster] ter beschikking was gesteld. Uit de overgelegde rekeningafschriften blijkt overigens ook niet dat er in die periode is getankt met die lesauto. [werkgever] heeft ter zitting erkend dat dit een fout betrof. Dit onderdeel van de aan [werkneemster] verweten gedragingen is dus niet komen vast te staan en kunnen niet bijdragen aan het bestaan van de gestelde dringende reden.
4.5.
De kantonrechter is verder van oordeel dat [werkgever] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij in haar berekening rekening heeft gehouden met alle extra woon-werk kilometers die [werkneemster] tijdens haar re-integratie heeft gemaakt. Hierdoor valt niet uit te sluiten dat de gereden kilometers zakelijk zijn gereden. Het aan het ontslag ten grondslag gelegde privé gebruik van de lesauto is daardoor niet komen vast te staan.
4.6.
Ook voor zover [werkneemster] wel privé gebruik zou hebben gemaakt van de lesauto, levert dit geen dringende reden voor ontslag op. [werkneemster] heeft terecht aangevoerd dat een ontslag op staande voet in de overeenkomst niet wordt genoemd als mogelijke sanctie op overtreding van het verbod. Los daarvan is ter zitting gebleken dat er – anders dan [werkgever] heeft betoogd – geen zero-tolerancebeleid wordt gevoerd op overtreding van het verbod op privégebruik. [werkgever] heeft tijdens de zitting immers erkend dat er vaker privé gebruik gemaakt wordt van lesauto’s door werknemers. Dit is ook besproken op het overleg van 10 november 2025, waarvan het verslag als productie is overgelegd. In dit verslag staat: “Lesauto is niet voor privé gebruik! Er zijn een aantal keer lesauto’s gesignaleerd buiten werktijden. Dat is niet de bedoeling. Mocht het een keer voorkomen dat het niet anders kan, graag laten weten aan [persoon 3].”
4.7.
[werkgever] heeft ter zitting nog aangevoerd dat er ten aanzien van [werkneemster] sprake was van een laatste druppel die de emmer deed overlopen maar dit blijkt geenszins uit de ontslagbrief. Het ontslag is alleen gegrond op het privégebruik van de auto. In de ontslagbrief worden geen andere omstandigheden en/of eerdere gebeurtenissen vermeld die hebben bijgedragen aan het gegeven ontslag op staande voet. Of deze omstandigheden en/of gebeurtenissen in samenhang met het gestelde privégebruik een ontslag op staande voet rechtvaardigen, hoeft dan ook niet te worden beoordeeld.
4.8.
Al met al is de kantonrechter van oordeel dat de aan het ontslag ten grondslag gelegde dringende reden niet is komen vast te staan zodat het ontslag op staande voet onrechtmatig is gegeven. De gevraagde verklaring voor recht wordt daarom toegewezen.
vergoeding wegens onregelmatige opzegging
4.9.
Ook de verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn. [werkgever] heeft niet weersproken dat deze vergoeding € 4.450,01 bruto bedraagt zodat dit bedrag wordt toegewezen. De verzochte wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 13 maart 2026.
billijke vergoeding
4.10.
Het verzoek van [werkneemster] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.
4.11.
[werkgever] heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van de verzochte billijke vergoeding van € 72.487,68 bruto zodat dit bedrag in beginsel kan worden toegewezen. Op dit bedrag wordt de gefixeerde schadevergoeding in mindering gebracht omdat hiermee het inkomstenverlies over de opzegtermijn reeds wordt vergoed. Dit betekent dat aan [werkneemster] een billijke vergoeding wordt toegekend van € 68.037,67. De verzochte wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 13 maart 2026.
transitievergoeding
4.12.
Het verzoek om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werkneemster] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [werkgever] heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van de gevraagde transitievergoeding van € 2.954,99 bruto, zodat dit bedrag wordt toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 14 april 2026.
non-concurrentie en -relatiebeding
4.13.
Hiervoor is geoordeeld dat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld bij het opzeggen van de arbeidsovereenkomst. Op grond van artikel 7:653 lid 4 BW kan een werkgever in dat geval geen rechten ontlenen aan een non-concurrentie en -relatiebeding in de arbeidsovereenkomst van de werknemer. De gevraagde verklaring voor recht wordt daarom gegeven.
pensioenregeling
4.14.
[werkgever] heeft gesteld dat in het werkoverleg van 10 november 2025 de komst van een pensioenregeling is meegedeeld. Iedere werknemer moest daarvoor een pensioenrekening openen bij Brand New Day. [werkgever] heeft toegezegd dat zij bij een fulltime dienstverband jaarlijks een bedrag van € 1.500,00 zal storten op deze rekening. Omdat [werkneemster] een dienstverband had van 32 uur per week, stelt zij recht te hebben op een bedrag van € 1.200,00. [werkgever] heeft dit bedrag echter niet op haar pensioenrekening gestort.
4.15.
[werkgever] heeft ter zitting erkend dat [werkneemster] recht heeft op dit bedrag maar zij stelt zich op het standpunt dat [werkneemster] het rekeningnummer van haar pensioenrekening nog niet aan haar heeft doorgegeven. Hierdoor heeft zij het bedrag nog niet kunnen storten. [werkneemster] heeft dit erkend. De kantonrechter zal het verzoek van [werkneemster] daarom toewijzen, met dien verstande dat [werkgever] wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 1.200,00 binnen veertien dagen nadat [werkneemster] haar rekeningnummer bekend heeft gemaakt aan [werkgever] .
bruto/netto specificatie
4.16.
[werkgever] heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek om een deugdelijke bruto/netto specificatie te verstrekken waarop de billijke vergoeding, de transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding is verwerkt. Dit verzoek zal daarom worden toegewezen, met dien verstande dat [werkgever] een redelijke termijn van veertien dagen wordt gegeven om aan deze veroordeling te voldoen.
proceskosten
4.17.
De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] grotendeels ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] . De proceskosten aan de zijde van [werkneemster] worden begroot op € 1.274,00 (€ 265,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat er geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet,
5.2.
verklaart voor recht dat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat zij daarom op grond van artikel 7:653 lid 4 BW geen rechten kan ontlenen aan het non-concurrentie- en relatiebeding in de arbeidsovereenkomst van [werkneemster] ,
5.3.
veroordeelt [werkgever] om aan [werkneemster] een billijke vergoeding te betalen van € 68.037,67 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 13 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.4.
veroordeelt [werkgever] om aan [werkneemster] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 4.450,01 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.5.
veroordeelt [werkgever] om aan [werkneemster] een transitievergoeding te betalen van € 2.954,99 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.6.
veroordeelt [werkgever] om – binnen 14 dagen nadat [werkneemster] het rekeningnummer aan [werkgever] bekend heeft gemaakt – een bedrag van € 1.200,00 te storten op de pensioenrekening van [werkneemster] ,
5.7.
veroordeelt [werkgever] om binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking aan [werkneemster] een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie te verstrekken, waarin de onder 5.3 tot en met 5.5 genoemde bedragen zijn verwerkt,
5.8.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.274,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.9.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.10.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.11.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
Artikel 7:672 lid 11 BW.
Artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW.
Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113.
Artikel 7:673 lid 1 BW.
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: 12173763 \ AZ VERZ 26-25
Beschikking van 15 juli 2026
in de zaak van
[werkneemster]
,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werkneemster] ,
gemachtigde: mr. G. van den Bosch,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
vertegenwoordigd door [persoon 1] en [persoon 2] .
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met producties,
het verweerschrift met producties,
de brieven van 3 en 5 juni 2026 met nagezonden aanvullende producties van [werkneemster] ,
de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
de spreekaantekeningen van mr. G. van den Bosch.
1.2.
Vervolgens is beschikking bepaald.
2De feiten
2.1.
[werkneemster] , geboren op [geboortedag] 1996, is op 1 maart 2023 in dienst getreden bij [werkgever] . De functie van [werkneemster] was rijinstructeur met een loon van € 2.704,00 bruto per maand.
2.2.
Bij indiensttreding heeft [werkneemster] een overeenkomst getekend waarin is overeengekomen dat de lesauto uitsluitend voor zakelijk gebruik aan haar ter beschikking wordt gesteld. In deze overeenkomst staat onder meer het volgende:
“Artikel 3: privé-kilometers
1. De werknemer mag absoluut geen gebruik maken van de auto voor privégebruik. Ook niet de fiscaal toegestane 500 kilometer per jaar.
(…)
Artikel 4: Sanctie
1. Bij overtreding van het verbod wordt door de werkgever een passende sanctie
opgelegd. Deze sanctie bestaat uit een geldboete die in verhouding staat met de te
betalen belasting in verband met de bijtelling en het verhaal van de werkgever van
de bij hem nageheven loonbelasting.
(…)
Artikel 5: beëindiging
Het recht op het gebruik van de auto kan door de werkgever worden beëindigd
indien uit controle of steekproef blijkt dat de werknemer zich niet aan bovenvermelde
afspraak heeft gehouden. De werknemer blijft verantwoordelijke voor eventuele naheffingen die voortvloeien uit de overtreding.”
2.3.
[werkneemster] heeft zich op 5 december 2025 ziekgemeld. Op 13 januari 2026 is [werkneemster] gestart met haar re-integratie. In het kader van haar re-integratie is aan [werkneemster] een lesauto met kenteken [kenteken] ter beschikking gesteld.
2.4.
Op 6 maart 2026 heeft [werkneemster] zich weer volledig ziekgemeld.
2.5.
Op 9 maart 2026 heeft [werkgever] de aan [werkneemster] ter beschikking gestelde lesauto bij haar thuis opgehaald.
2.6.
Op 13 maart 2026 is [werkneemster] op staande voet ontslagen.
2.7.
[werkgever] heeft het ontslag op staande voet per brief bevestigd. In deze brief staat het volgende:
“(…)
Na melding van terugval in ziektebeeld op maandag 9 maart 2026 hebben we onderzoek gedaan naar gebruik lesvoertuig ziekteperiode 5 december 2025 tot 9 maart 2026 naar door jezelf geregistreerde kilometers en uitgevoerde tankmomenten. Geplande en uitgevoerde rijlessen werden dagelijks gecontroleerd.
Bij controle van door jezelf geregistreerde kilometers in ons plansysteem bleek dat er minimaal 1000 kilometers niet traceerbaar zijn. Met name in de periode 3 tot 13 januari 2026 is 2 x getankt en zijn geen rijlessen uitgevoerd. Je hebt ervoor gekozen om tijdens ziekte lesvoertuig te gebruiken voor andere activiteiten dan lesgeven, dit is diefstal en fraude Dit heeft geleid tot een diepe onherstelbare vertrouwensbreuk en daardoor dringende reden tot besluit ontslag op staande voet.”
2.8.
Op verzoek van de gemachtigde van [werkneemster] , heeft [werkgever] het ontslag bij brief van 19 maart 2026 nader onderbouwd. Zij heeft daarbij stukken overgelegd die de reden van het ontslag volgens haar onderbouwen. In de brief staat onder meer het volgende:
“Km stand dag van ziekmelding 5 december 2025 voertuig [kenteken] 310.804 km.
Km stand bij ophalen voertuig [kenteken] op privéadres van uw cliënte [adres] [woonplaats] 9 maart 2026 om 9.49 uur km stand 312.768.
09-03-2026 312.768 km
05-12-2025
310.804 km
Gereden 1.964 km
Gemiddeld rijden onze lesvoertuigen categorie B 30 kilometer per lesuur van 60 minuten. Dat is ook de norm in ons beleid en bij controles. Het gemiddelde aantal gereden kilometers over het hele jaar 2025 van uw cliënte is 29 km per uur.
Uw cliënte heeft volgens urenoverzicht 34.45 uur gewerkt tijdens ziekteperiode van 5 december 2025 tot ontslag op staande voet 13 maart 2026. Redelijkerwijs is dan in ziekteperiode 5 december 2025 tot 13 maart 2026 een maximale totale kilometerstand te verwachten van 34.45 uur x 29 km gemiddeld per uur is 1008 km.
Anders dan de eerdergenoemde tankmomenten is er niet 2 maar 3 x getankt rondom ziekteperiode zie bijgaande facturen. Volkswagen Polo Diesel rijdt 780 kilometer uit een volle tank als je 3 keer tankt kan je 2340 kilometer rijden, 1008 kilometer rijlessen en de rest privégebruik.”
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[werkneemster] verzoekt:
een verklaring voor recht te geven dat er geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet;
een verklaring voor recht te geven dat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat zij daarom op grond van artikel 7:653 lid 4 BW geen rechten aan het concurrentie- en relatiebeding in de arbeidsovereenkomst van [werkneemster] kan ontlenen;
[werkgever] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 2.954,99 bruto;
d. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 72.487,68 bruto;
[werkgever] te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 4.450,01 bruto;
[werkgever] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van de te wijzen beschikking een bedrag van € 1.200 te storten op de pensioenrekening van [werkneemster] ;
[werkgever] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van de te wijzen
beschikking aan [werkneemster] een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie te verstrekken, waarin het bedrag en betaling van sub c tot en met e is verwerkt;
[werkgever] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de onder sub c tot en met e genoemde vorderingen vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening;
[werkgever] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[werkneemster] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. Volgens [werkneemster] heeft zij de lesauto niet gebruikt voor privé doeleinden. Uit de stukken die [werkgever] bij haar brief van 19 maart 2026 heeft gevoegd, blijkt dit ook niet. Ten eerste blijkt uit de facturen van [werkgever] niet dat er met de auto is getankt in de periode van 3 tot 13 januari 2026 zoals in de ontslagbrief staat. [werkgever] heeft haar conclusie dat [werkneemster] privé gebruik heeft gemaakt van de lesauto verder gebaseerd op de aanname dat er gemiddeld 29 kilometer per lesuur wordt gereden, maar zij heeft daarbij geen rekening gehouden met het feit dat [werkneemster] nog aan het re-integreren was. Tijdens de re-integratie reed [werkneemster] na iedere les naar huis. Bovendien deed [werkneemster] administratieve werkzaamheden op kantoor waarbij ze ook tussendoor naar huis ging om te rusten. [werkneemster] maakte dus veel meer woon-werk kilometers dan in een reguliere werkweek. Voor zover [werkneemster] wel privé gebruik zou hebben gemaakt van de lesauto, levert dit volgens [werkneemster] nog geen dringende reden voor ontslag op. Er is geen sprake van een zerotolerancebeleid bij [werkgever] . In de overeenkomst waarin het privégebruik wordt verboden, wordt een sanctie op overtreding van dat verbod gesteld. Deze sanctie bestaat niet uit ontslag maar uit een geldboete of de beëindiging van het gebruik van de auto.
3.3.
[werkgever] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [werkgever] voert ‑ samengevat ‑ aan dat [werkneemster] tijdens haar re-integratie les gaf aan drie leerlingen, wonend in het oefengebied [plaats] . Hierdoor werden de afstanden klein gehouden. De kilometerstand van de auto bij het ophalen van de auto op 9 maart 2026 duidt op privégebruik door [werkneemster] en dit levert een dringende reden op voor ontslag.
4De beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat [werkneemster] heeft berust in het ontslag zodat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd. Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [werkneemster] een billijke vergoeding moet worden toegekend, en of [werkgever] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. Om die vraag te kunnen beantwoorden moet worden beoordeeld of het aan [werkneemster] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
4.2.
Voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet moet sprake zijn van een dringende reden. Het ontslag moet daarnaast onverwijld worden gegeven en de reden die aan het ontslag ten grondslag ligt moet daarbij direct aan de werknemer worden medegedeeld. Verder is van belang dat een ontslag op staande voet een ultimum remedium is. Een ontslag op staande voet heeft verstrekkende gevolgen voor een werknemer zodat een werkgever daar zorgvuldig mee om moet gaan.
dringende reden
4.3.
Partijen verschillen van mening over de vaag of [werkneemster] privé gebruik heeft gemaakt van de lesauto. Het ligt op de weg van [werkgever] als werkgever om aan te tonen dat er een dringende reden bestaat die het gegeven ontslag rechtvaardigt.
4.4.
[werkgever] heeft haar stelling dat [werkneemster] privé gebruik heeft gemaakt van de auto in haar ontslagbrief mede gebaseerd op twee tankbeurten in de periode van 3 tot 13 januari 2026. In die periode was [werkneemster] nog niet begonnen aan haar re-integratie. Gesteld noch gebleken is dat de lesauto met kenteken [kenteken] in die periode al aan [werkneemster] ter beschikking was gesteld. Uit de overgelegde rekeningafschriften blijkt overigens ook niet dat er in die periode is getankt met die lesauto. [werkgever] heeft ter zitting erkend dat dit een fout betrof. Dit onderdeel van de aan [werkneemster] verweten gedragingen is dus niet komen vast te staan en kunnen niet bijdragen aan het bestaan van de gestelde dringende reden.
4.5.
De kantonrechter is verder van oordeel dat [werkgever] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij in haar berekening rekening heeft gehouden met alle extra woon-werk kilometers die [werkneemster] tijdens haar re-integratie heeft gemaakt. Hierdoor valt niet uit te sluiten dat de gereden kilometers zakelijk zijn gereden. Het aan het ontslag ten grondslag gelegde privé gebruik van de lesauto is daardoor niet komen vast te staan.
4.6.
Ook voor zover [werkneemster] wel privé gebruik zou hebben gemaakt van de lesauto, levert dit geen dringende reden voor ontslag op. [werkneemster] heeft terecht aangevoerd dat een ontslag op staande voet in de overeenkomst niet wordt genoemd als mogelijke sanctie op overtreding van het verbod. Los daarvan is ter zitting gebleken dat er – anders dan [werkgever] heeft betoogd – geen zero-tolerancebeleid wordt gevoerd op overtreding van het verbod op privégebruik. [werkgever] heeft tijdens de zitting immers erkend dat er vaker privé gebruik gemaakt wordt van lesauto’s door werknemers. Dit is ook besproken op het overleg van 10 november 2025, waarvan het verslag als productie is overgelegd. In dit verslag staat: “Lesauto is niet voor privé gebruik! Er zijn een aantal keer lesauto’s gesignaleerd buiten werktijden. Dat is niet de bedoeling. Mocht het een keer voorkomen dat het niet anders kan, graag laten weten aan [persoon 3].”
4.7.
[werkgever] heeft ter zitting nog aangevoerd dat er ten aanzien van [werkneemster] sprake was van een laatste druppel die de emmer deed overlopen maar dit blijkt geenszins uit de ontslagbrief. Het ontslag is alleen gegrond op het privégebruik van de auto. In de ontslagbrief worden geen andere omstandigheden en/of eerdere gebeurtenissen vermeld die hebben bijgedragen aan het gegeven ontslag op staande voet. Of deze omstandigheden en/of gebeurtenissen in samenhang met het gestelde privégebruik een ontslag op staande voet rechtvaardigen, hoeft dan ook niet te worden beoordeeld.
4.8.
Al met al is de kantonrechter van oordeel dat de aan het ontslag ten grondslag gelegde dringende reden niet is komen vast te staan zodat het ontslag op staande voet onrechtmatig is gegeven. De gevraagde verklaring voor recht wordt daarom toegewezen.
vergoeding wegens onregelmatige opzegging
4.9.
Ook de verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn. [werkgever] heeft niet weersproken dat deze vergoeding € 4.450,01 bruto bedraagt zodat dit bedrag wordt toegewezen. De verzochte wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 13 maart 2026.
billijke vergoeding
4.10.
Het verzoek van [werkneemster] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.
4.11.
[werkgever] heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van de verzochte billijke vergoeding van € 72.487,68 bruto zodat dit bedrag in beginsel kan worden toegewezen. Op dit bedrag wordt de gefixeerde schadevergoeding in mindering gebracht omdat hiermee het inkomstenverlies over de opzegtermijn reeds wordt vergoed. Dit betekent dat aan [werkneemster] een billijke vergoeding wordt toegekend van € 68.037,67. De verzochte wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 13 maart 2026.
transitievergoeding
4.12.
Het verzoek om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werkneemster] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [werkgever] heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van de gevraagde transitievergoeding van € 2.954,99 bruto, zodat dit bedrag wordt toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 14 april 2026.
non-concurrentie en -relatiebeding
4.13.
Hiervoor is geoordeeld dat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld bij het opzeggen van de arbeidsovereenkomst. Op grond van artikel 7:653 lid 4 BW kan een werkgever in dat geval geen rechten ontlenen aan een non-concurrentie en -relatiebeding in de arbeidsovereenkomst van de werknemer. De gevraagde verklaring voor recht wordt daarom gegeven.
pensioenregeling
4.14.
[werkgever] heeft gesteld dat in het werkoverleg van 10 november 2025 de komst van een pensioenregeling is meegedeeld. Iedere werknemer moest daarvoor een pensioenrekening openen bij Brand New Day. [werkgever] heeft toegezegd dat zij bij een fulltime dienstverband jaarlijks een bedrag van € 1.500,00 zal storten op deze rekening. Omdat [werkneemster] een dienstverband had van 32 uur per week, stelt zij recht te hebben op een bedrag van € 1.200,00. [werkgever] heeft dit bedrag echter niet op haar pensioenrekening gestort.
4.15.
[werkgever] heeft ter zitting erkend dat [werkneemster] recht heeft op dit bedrag maar zij stelt zich op het standpunt dat [werkneemster] het rekeningnummer van haar pensioenrekening nog niet aan haar heeft doorgegeven. Hierdoor heeft zij het bedrag nog niet kunnen storten. [werkneemster] heeft dit erkend. De kantonrechter zal het verzoek van [werkneemster] daarom toewijzen, met dien verstande dat [werkgever] wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 1.200,00 binnen veertien dagen nadat [werkneemster] haar rekeningnummer bekend heeft gemaakt aan [werkgever] .
bruto/netto specificatie
4.16.
[werkgever] heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek om een deugdelijke bruto/netto specificatie te verstrekken waarop de billijke vergoeding, de transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding is verwerkt. Dit verzoek zal daarom worden toegewezen, met dien verstande dat [werkgever] een redelijke termijn van veertien dagen wordt gegeven om aan deze veroordeling te voldoen.
proceskosten
4.17.
De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] grotendeels ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] . De proceskosten aan de zijde van [werkneemster] worden begroot op € 1.274,00 (€ 265,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat er geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet,
5.2.
verklaart voor recht dat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat zij daarom op grond van artikel 7:653 lid 4 BW geen rechten kan ontlenen aan het non-concurrentie- en relatiebeding in de arbeidsovereenkomst van [werkneemster] ,
5.3.
veroordeelt [werkgever] om aan [werkneemster] een billijke vergoeding te betalen van € 68.037,67 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 13 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.4.
veroordeelt [werkgever] om aan [werkneemster] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 4.450,01 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.5.
veroordeelt [werkgever] om aan [werkneemster] een transitievergoeding te betalen van € 2.954,99 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.6.
veroordeelt [werkgever] om – binnen 14 dagen nadat [werkneemster] het rekeningnummer aan [werkgever] bekend heeft gemaakt – een bedrag van € 1.200,00 te storten op de pensioenrekening van [werkneemster] ,
5.7.
veroordeelt [werkgever] om binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking aan [werkneemster] een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie te verstrekken, waarin de onder 5.3 tot en met 5.5 genoemde bedragen zijn verwerkt,
5.8.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.274,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.9.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.10.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.11.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
Artikel 7:672 lid 11 BW.
Artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW.
Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113.
Artikel 7:673 lid 1 BW.
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.