Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6535

2026-06-16 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/448837 / JE RK 26-957
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-16
Publicatiedatum
2026-07-17
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/448837 / JE RK 26-957
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voorlopige ondertoezichtstelling van een ongeboren kind.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.788 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT




Familie- en Jeugdrecht



Zaaknummer: C/02/448837 / JE RK 26-957
Datum uitspraak: 16 juni 2026




Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling




in de zaak van




RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,



over





[het ongeboren kind]
,
hierna te noemen: het ongeboren kind.



De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .



De kinderrechter merkt in deze zaak als informant aan:



de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI.





1Het verloop van de procedure


1.1.
In het procesdossier zit het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 juni 2026.



1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026. Bij die zitting zijn verschenen en gehoord:


de moeder;


de vader;


een vertegenwoordigster namens de Raad;


een vertegenwoordigster namens de GI.







2De feiten


2.1.
De moeder is zwanger van het nog ongeboren kind. Zij is uitgerekend op 29 juni 2026.





3Het verzoek van de Raad en de onderbouwing daarvan


3.1.
De Raad verzoekt om het ongeboren kind voorlopig onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van drie maanden, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2.

[persoon] , de oudere broer van het nog ongeboren kind, is onder toezicht gesteld van de GI en hij is uit huis geplaatst omdat er in 2024 ernstig letsel bij hem is vastgesteld waarvan het nog steeds onduidelijk is hoe hij dat heeft opgelopen. Uit medisch onderzoek vanuit het LECK is naar voren gekomen dat het letsel waarschijnlijk niet is veroorzaakt door een ongeluk. De ouders kunnen, naar de mening van de betrokken artsen, tot op heden geen mogelijke en verifieerbare verklaring geven voor het ontstane letsel. Het strafrechtelijke onderzoek naar de vader vanwege het ontstane letsel bij [persoon] loopt nog en de psychodiagnostische onderzoeken die zijn gestart, zijn nog niet afgerond. Hierdoor is er op dit moment nog onvoldoende zicht op de aanwezige risicofactoren binnen het gezin die van invloed kunnen zijn op het nog ongeboren kind. Daarnaast is er nog geen concreet veiligheidsplan opgesteld voor de situatie vanaf de geboorte van de baby, waardoor het onduidelijk is welke veiligheidsafspraken er gemaakt moeten worden, welke hulpverlening er nodig is vanaf de geboorte van de baby en op welke manier het toezicht op de baby en zijn veiligheid zal worden gewaarborgd.



3.3.
De Raad stelt dat de ouders op dit moment bereid zijn om de nodige hulpverlening te accepteren. Echter, in het verleden hebben zij zich niet altijd aan de veiligheidsafspraken gehouden. Momenteel komt er ook veel op hen af. Naast het voorbereiden op de geboorte van de baby zijn de ouders namelijk bezig met een traject gericht op de terugplaatsing van [persoon] bij hen thuis. De moeder heeft een lage verwerkingssnelheid, waardoor zij soms wat meer tijd nodig heeft om de juiste keuzes te maken. De hulpverlening voor de vader vanuit [zorginstelling] , gericht op het verbeteren van zijn emotieregulatie is pas onlangs gestart en het strafrechtelijk onderzoek is nog niet afgerond. De samenwerking met de ouders is daarom positief te noemen, maar ook kwetsbaar.



3.4.
De Raad is bezig met het verrichten van een onderzoek naar de noodzaak van een (definitieve) ondertoezichtstelling van het ongeboren kind. Gezien de ernst van wat er in het verleden met [persoon] is gebeurd, omdat de veiligheidskaders rondom het nog ongeboren kind nog niet zijn opgetuigd én de moeder naar verwachting binnen een afzienbare termijn zal gaan bevallen, is de Raad van mening dat er nu direct ingegrepen moet worden. De Raad verzoekt daarom om het ongeboren kind voorlopig onder toezicht te stellen van de GI. Op deze manier kan en zal de GI alvast betrokken raken bij het ongeboren kind, om de omstandigheden vanaf het moment dat hij geboren zal worden voor hem zo goed als mogelijk te maken.





4De standpunten


4.1.
De ouders hebben, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De ouders vinden een voorlopige ondertoezichtstelling eigenlijk niet nodig omdat er volgens hen al een noodplan is opgesteld en de kraamzorg al is geregeld. Ook hebben de ouders goed contact met de pleegmoeder van [persoon] . Aan de andere kant begrijpen de ouders dat er zorgen zijn door wat [persoon] in het verleden is overkomen. Daarnaast zien de ouders het belang dat de hulpverlening die wordt ingezet goed op elkaar zal aansluiten. Het is niet wenselijk dat er voor [persoon] gedwongen hulpverlening betrokken is en dat er voor het ongeboren kind hulpverlening binnen het vrijwillig kader zal worden ingezet, met alle onduidelijkheid en risico’s van dien. De ouders benoemen tot slot dat het raadsrapport dat in deze zaak is ingediend een aantal onjuistheden bevat. In het verleden wilden de ouders niet meewerken aan een gezinsopname. De reden daarvan was dat zij op dat moment een zieke kat hadden die zij niet alleen konden laten. De nodige hulpverlening kon in het verleden niet starten, omdat de vader geen hulpvraag had. Inmiddels is er wel een hulpvraag geformuleerd. De ouders werken verder overal aan mee en hebben goed contact met de jeugdzorgwerker die de ondertoezichtstelling van [persoon] uitvoert. Ook staat de moeder wel degelijk open voor een intelligentietest, maar in de komende maanden wil zij zich eerst focussen op de baby.



4.2.
De GI heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Volgens de GI werken de ouders goed mee. Het plan is om de omgangsregeling tussen de ouders en [persoon] in de komende periode uit te breiden, zowel doordeweeks als in de weekenden. De moeder zit wel momenteel in de laatste weken van haar zwangerschap. De GI ziet dan ook dat er veel op de ouders afkomt. Aangezien de GI betrokken is als uitvoerder van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [persoon] , mag en kan zij formeel geen hulpverlening inzetten voor het ongeboren kind. De GI vindt het belangrijk dat er één hulpverleningsinstantie wordt ingezet voor het bieden van opvoedondersteuning die zich kan en zal richten op de ouders én op beide kinderen. Daarnaast vindt de GI het belangrijk dat de kind(eren) meerdere dagen per week naar de opvang kunnen en zullen gaan, om de ouders te ontlasten. De pleegmoeder van [persoon] is nauw betrokken bij het gezin en kan hier mogelijk wat in blijven betekenen. De GI benadrukt tot slot dat zij de vrees van de ouders dat het ongeboren kind uit huis zal worden geplaatst begrijpt, maar zij benadrukt dat hier op dit moment absoluut geen sprake van is. De maatregel is juist bedoeld om de baby zo veilig en goed als mogelijk bij de ouders te laten verblijven.





5De beoordeling door de kinderrechter


5.1.
Nu het belang van het thans nog ongeboren kind zulks vordert, merkt de kinderrechter het op grond van artikel 1:2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) als reeds geboren aan.



5.2.
Uit artikel 1:257, eerste lid BW volgt dat de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 255, eerste lid, is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.



5.3.
Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, blijkt dat er nog steeds zorgen zijn over het letsel dat [persoon] , de oudere broer van het ongeboren kind, in 2024 heeft opgelopen. Uit medisch onderzoek dat vanuit het LECK is verricht, is komen vast te staan dat het letsel waarschijnlijk niet is veroorzaakt door een ongeluk. Het letsel is dus mogelijk opzettelijk of door ongepast handelen toegebracht. De ouders kunnen, naar de mening van de betrokken artsen, nog steeds geen logische verklaring geven voor het ontstane letsel. Het strafrechtelijke onderzoek dat in verband daarmee is gestart naar de vader, is nog niet afgerond. De behandeling van de vader vanuit [zorginstelling] is pas onlangs gestart en is dus ook nog niet afgerond. Ook is er nog geen concreet veiligheidsplan opgesteld voor de situatie vanaf de geboorte van de baby, waardoor er op dit moment nog geen duidelijke afspraken zijn gemaakt en er nog geen hulpverlening betrokken is om ervoor te zorgen dat de baby veilig straks zal zijn bij de ouders. Gelet op dit alles is de kinderrechter van oordeel dat er acute en ernstige zorgen zijn over het nog ongeboren kind, waardoor hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, terwijl de baby vanaf de geboorte volledig afhankelijk zal zijn van zijn ouders als zijn verzorgers en opvoeders.



5.4.
Er is op dit moment sprake van een goede samenwerking tussen de GI en de ouders. De omgangsregeling tussen de ouders en [persoon] zal steeds verder worden uitgebreid. In de komende periode zal er worden ingezet op een (stapsgewijze) terugplaatsing van [persoon] bij de ouders. De ouders hebben aangegeven dat zij openstaan voor de noodzakelijk geachte hulpverlening voor [persoon] en voor het ongeboren kind. De samenwerking met de ouders is dan ook positief te noemen. Daar tegenover staat dat er momenteel veel op de ouders afkomt. Met het oog op de aanstaande bevalling is het bovendien belangrijk dat er op korte termijn een aantal dingen goed geregeld wordt (zoals het vaststellen van een veiligheidsplan en het inzetten van hulpverlening voor de ouders én voor de beide kinderen). Van belang is dat de situatie zo duidelijk als mogelijk zal zijn, zodat een en ander zo goed als mogelijk kan en zal worden geregeld voor het nog ongeboren kind (en [persoon] ). De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat de hulpverlening voor de ouders én beide kinderen in ieder geval in de komende periode vanuit hetzelfde kader en onder dezelfde regievoering zal worden ingezet. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat er een ernstig vermoeden bestaat dat het ongeboren kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat gedwongen hulpverlening noodzakelijk is om deze bedreiging weg te nemen dan wel verergering daarvan te voorkomen. Daarmee wordt, naar het oordeel van de kinderrechter, voldaan aan de wettelijke vereisten voor een voorlopige ondertoezichtstelling van het ongeboren kind. De kinderrechter zal het verzoek toewijzen en het ongeboren kind voorlopig onder toezicht stellen voor de (verzochte) duur van drie maanden, dus tot [datum] 2026.



5.5.
In de komende periode zal de Raad het onderzoek naar de noodzaak van een (definitieve) ondertoezichtstelling van het ongeboren kind afronden. Het zou kunnen dat de Raad zal concluderen dat een ondertoezichtstelling niet nodig zal zijn. Als de Raad dit wel nodig zal vinden, dan kan de Raad te zijner tijd een verzoek tot ondertoezichtstelling van het ongeboren kind bij de kinderrechter indienen. De kinderrechter zal dit verzoek vervolgens mondeling ter zitting behandelen. De kinderrechter benadrukt dat de voorlopige ondertoezichtstelling (en later misschien de ondertoezichtstelling) niet betekent dat de ouders het op dit moment niet goed doen of dat zij niet (genoeg) hun best doen. Integendeel, alles is er juist op gericht dat de terugplaatsing van [persoon] een zo groot als mogelijke kans van slagen zal hebben en dat het ongeboren kind een zo goed als mogelijke start in zijn leven zal krijgen in het gezin van de ouders. Het belang van beide kinderen én de ouders staat hierbij voorop.



5.6.
De Raad heeft verzocht om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. In dat geval is de beslissing per direct van kracht, ook als daartegen een hoger beroep wordt ingesteld. De kinderrechter zal dit verzoek echter afwijzen, omdat uit artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat tegen de beslissing over een voorlopige ondertoezichtstelling geen andere voorziening openstaat dan cassatie in het belang der wet. Dit betekent dat een hoger beroep in deze zaak niet mogelijk is. Het afzonderlijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren van die maatregel is daarom niet nodig.







6De beslissing van de kinderrechter


De kinderrechter:



6.1.
beschouwt het ongeboren kind als geboren;



6.2.
stelt het ongeboren kind voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, met ingang van 16 juni 2026 tot 16 september 2026;



6.3.
wijst het verzoek voor zover het ziet op het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beslissing af.









Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, bijgestaan door mr. Wallerbos als griffier, en schriftelijk vastgesteld op 29 juni 2026.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.