Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6513

2026-06-16 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/431045 / FA RK 25-333
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-16
Publicatiedatum
2026-07-17
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/431045 / FA RK 25-333
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ontkenning vaderschap, vaststelling vaderschap en geslachtsnaamwijzing. Pools recht. Aan termijnoverschrijding ogv art. 8 EVRM voorbij gegaan

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.593 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT



Team Familie- en Jeugdrecht


Zittingsplaats: Breda


Zaaknummer: C/02/431045 / FA RK 25-333
Datum uitspraak: 16 juni 2026



beschikking over gegrondverklaring ontkenning vaderschap, vaststelling ouderschap en geslachtnaam

in de zaak van




[de moeder]
, hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. J.M. Szczerbak, gevestigd te Den Haag.


Als belanghebbenden in onderhavige zaak worden aangemerkt:


de minderjarige


[minderjarige]
, geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2022,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
vertegenwoordigd door mr. J.M.G. Cox in haar hoedanigheid van bijzondere curator,


ten aanzien van het verzoek gegrondverklaring ontkenning vaderschap:




[de juridische vader]
, hierna te noemen: de juridische vader,
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats,


ten aanzien van het verzoek vaststelling vaderschap en vaststelling geslachtsnaam:




[persoon]
, hierna te noemen: de vermoedelijke biologische vader,
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats.


1. Het verdere procesverloop


1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:



de in deze zaak gegeven beschikking van de rechtbank van 17 juni 2025 en alle daarin vermelde stukken;


de brief van mr. J.M. Szczerbak van 7 oktober 2025;


de brief van mr. J.M. Szczerbak van 16 januari 2026;


de brief van mr. J.M. Szczerbak van 5 maart 2026;


het rapport van Verilabs van 16 maart 2026;


de brief van de bijzondere curator van 1 april 2026;


de brief van mr. J.M. Szczerbak van 10 april 2026;


het gewijzigd verzoek van de moeder van 4 mei 2026.




2De nadere beoordeling


2.1
Bij voormelde beschikking van 17 juni 2025 heeft de rechtbank een DNA-onderzoek gelast met betrekking tot de vraag of de vermoedelijke biologische vader daadwerkelijk de biologische vader is van [minderjarige] en daartoe Verilabs als deskundige benoemd. De rechtbank heeft het voorschot van dit onderzoek op € 695,= (zeshonderd en vijfennegentig euro) (inclusief BTW) bepaald. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat voornoemd voorschot vooralsnog ten laste komt van ‘s-Rijks kas. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van het rapport van de deskundige en zich iedere verdere beslissing voorbehouden.



2.2
Aan de rechtbank ligt nog het (gewijzigd) verzoek van de moeder voor tot, samengevat,
- gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader betreffende [minderjarige] ;
- gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de vermoedelijke biologische vader betreffende [minderjarige] ;
- vaststelling dat [minderjarige] na de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap na te noemen geslachtsnaam zal dragen: “ [geslachtsnaam van persoon] ”;
- de griffier te gelasten een afschrift van de te wijzen beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de Gemeente Tilburg op voet van het bepaalde in artikel 1:20e lid 1 BW met het verzoek om de geboorteakte van [minderjarige] te wijzigen;
- te bepalen dat de kosten van het DNA-onderzoek van € 755,= voor de helft door de vermoedelijke biologische vader en voor de helft door de moeder worden gedragen.



2.3
Daarnaast ligt aan de rechtbank voor het zelfstandige voorwaardelijke verzoek van de bijzondere curator namens [minderjarige] , voor het geval de moeder niet-ontvankelijk zou zijn in haar verzoeken, tot:
- gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader ten aanzien van [minderjarige] ;
- gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de vermoedelijke biologische vader ten aanzien van [minderjarige] .



2.4
Verilabs heeft in het rapport van 16 maart 2026 geconcludeerd dat op basis van het DNA-onderzoek met een waarschijnlijkheid van meer dan 99,99% is aangetoond dat de vermoedelijke biologische vader daadwerkelijk de biologische vader is van [minderjarige] .



2.5
Namens de moeder is ter onderbouwing van haar gewijzigde verzoek nog aangevoerd dat met de uitkomst van het DNA-onderzoek wordt bevestigd dat de vermoedelijke biologische vader daadwerkelijk de biologische vader is van [minderjarige] . Gelet hierop handhaaft de moeder haar oorspronkelijke verzoeken. Voor zover de rechtbank tot toewijzing van deze verzoeken zal overgaan, is de moeder van oordeel dat de zaak zonder mondelinge behandeling kan worden afgedaan. De moeder gaat ook akkoord met de hoogte van de kosten van het DNA-onderzoek. Gezien de uitkomst van het onderzoek is zij van mening dat de kosten hiervan gelijkelijk tussen haar en de vermoedelijke biologische vader dienen te worden verdeeld. De vermoedelijke biologische vader heeft tegenover de moeder aangegeven hiermee akkoord te gaan. Daarom verzoekt de moeder aanvullend om de kosten van het DNA-onderzoek gelijkelijk over hen te verdelen.




2.6
De bijzondere curator heeft in haar brief van 1 april 2026 nog aangevoerd dat, gelet op de uitkomst van het DNA-onderzoek, de door de moeder ingediende verzoeken dan wel de door haar namens [minderjarige] ingediende verzoeken tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader en vaststelling van het ouderschap van de vermoedelijke biologische vader dienen te worden toegewezen. Ook wat haar betreft kan de rechtbank de zaak verder schriftelijk afdoen.



Internationaal privaatrecht (IPR)




2.7
Vanwege het feit dat de moeder, de juridisch vader, de vermoedelijke biologische vader en [minderjarige] over de Poolse nationaliteit beschikken, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek.



Internationale bevoegdheid




2.8
In artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat dat met uitzondering van zaken als bedoeld in de artikelen 4 en 5, in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingediend de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, indien hetzij de verzoeker of, indien er meer verzoekers zijn, een van hen, hetzij een van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbende in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.



2.9
De moeder en [minderjarige] hebben hun woonplaats in Nederland. Daarom is de Nederlandse rechtbank bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.



Relatieve bevoegdheid




2.10
Op grond van artikel 265 Rv is de rechter van de woonplaats van de minderjarige of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige, bevoegd om van het onderhavige verzoek kennis te nemen. De moeder en [minderjarige] zijn woonachtig in de gemeente Waalwijk, zodat deze rechtbank bevoegd is kennis te nemen van het verzoek.



Rechtsgeldigheid huwelijk




2.11
In artikel 10:31, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, voor zover hier van belang, dat een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, als zodanig wordt erkend. In het derde lid van dit artikel staat dat voor de toepassing van het eerste lid onder recht mede worden begrepen de regels van internationaal privaatrecht. In het vierde lid van dit artikel staat dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.



2.12
De rechtbank is, mede gelet op de echtscheidingsbeslissing van deze rechtbank, van oordeel dat tussen de moeder en de juridische vader sprake is geweest van een rechtsgeldig huwelijk.



Gegrondverklaring ontkenning vaderschap en juridisch vaderschap




2.13

In artikel 10:93, eerste lid, BW staat dat, of familierechtelijke betrekkingen als bedoeld in artikel 10:92 BW in een gerechtelijke procedure tot gegrondverklaring van een ontkenning kunnen worden tenietgedaan, wordt bepaald door het recht dat volgens artikel 10:92 BW op het bestaan van die betrekking toepasselijk is.

Juridisch vaderschap




2.14
In artikel 10:92, eerste lid, BW staat dat, voor zover hier van belang, of een kind door geboorte in familierechtelijke betrekkingen komt te staan tot de vrouw uit wie het is geboren en de met haar gehuwde persoon of gehuwd geweest zijnde persoon, wordt bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vrouw en die persoon of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de vrouw en die persoon elk hun gewone verblijfplaats hebben, of indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. In het derde lid van dit artikel staat dat voor de toepassing van het eerste lid bepalend is het tijdstip van de geboorte van het kind dan wel, indien het huwelijk van de ouders voordien is ontbonden, dat van de ontbinding.



2.15
De moeder en de juridische vader hadden ten tijde van de ontbinding van hun huwelijk de Poolse nationaliteit. Dit betekent dat het Poolse recht van toepassing is.



2.16
In artikel 62 § 1 van het Poolse wetboek van Familie en Voogdij (Fw) staat dat als vader van een kind geldt de echtgenoot van de moeder, als het kind staande het huwelijk of binnen 300 dagen na de beëindiging of nietigverklaring van dat huwelijk is geboren.



2.17
Op basis van de overgelegde stukken staat vast dat de moeder en de juridische vader op [datum] 2014 te [plaats 2] (Polen) met elkaar zijn gehuwd. Dit huwelijk is op 7 juli 2022 ontbonden. Omdat [minderjarige] is geboren op [geboortedag 1] 2022, te weten binnen 300 dagen na ontbinding van het huwelijk, is de juridische vader volgens het Poolse recht ook daadwerkelijk de juridische vader van [minderjarige] .



Gegrondverklaring ontkenning vaderschap




2.18
Op de vraag of familierechtelijke betrekkingen als bedoeld in artikel 10:92 BW in een gerechtelijke procedure tot gegrondverklaring van een ontkenning kunnen worden tenietgedaan, is eveneens het Poolse recht van toepassing.



2.19
In artikel 62 §3 Fw staat dat het vaderschap alleen via een gerechtelijke procedure kan worden ontkend. In artikel 69 §1 Fw staat dat de moeder binnen een jaar vanaf de dag waarop zij zich bewust werd van het feit dat het kind niet van haar echtgenoot afstamt een verzoek tot ontkenning van het vaderschap kan indienen. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling stelt de rechtbank vast dat de moeder zich hiervan al bij de geboorte van [minderjarige] bewust was. Nu [minderjarige] op [geboortedag 1] 2022 is geboren en de moeder op 21 januari 2025 haar verzoek heeft ingediend, is de termijn waarbinnen de moeder het verzoek tot ontkenning van het vaderschap moest indienen, overschreden.



2.20
De rechtbank overweegt dat het stellen van termijnen in beginsel geen ongerechtvaardigde inmenging in het ‘family life’ is van betrokkenen in de zin van artikel 8 EVRM, nu de in de wet gegeven termijnen noodzakelijk zijn in een democratische samenleving teneinde de rechtszekerheid te waarborgen en voorts ter bescherming van de belangen van het kind. In het onderhavige geval valt echter niet in te zien op welke wijze de rechtszekerheid, op grond waarvan genoemde termijn in de wet is opgenomen, wordt geschaad indien wordt vastgehouden aan deze wettelijke termijn. Niet is gebleken dat de juridische vader de rol van vader van [minderjarige] op zich heeft genomen. [minderjarige] en de juridische vader hebben elkaar zelfs nog nooit gezien of gesproken. De vermoedelijke biologische vader heeft deze rol wel op zich genomen en doet dit nog steeds. Bovendien is met de uitkomst van het DNA-onderzoek komen vast te staan dat de vermoedelijke biologische vader daadwerkelijk de biologische vader van [minderjarige] is.


2.21
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval een wijziging van de afstammingsrelatie voor alle betrokkenen voor meer rechtszekerheid zal zorgen. Daarnaast zal dit aansluiten bij het belang van [minderjarige] om de biologische en juridische werkelijkheid met elkaar in overeenstemming te brengen. De moeder en de vermoedelijke biologische vader wensen namelijk de band tussen [minderjarige] en de vermoedelijke biologische vader te formaliseren. De rechtbank stelt dan ook vast dat [minderjarige] in dit geval geen bescherming behoeft op de wijze zoals in artikel 69 § 1 Fw is bepaald, maar dat hij er belang bij heeft dat tussen hem en zijn biologische vader een familierechtelijke band kan worden gevestigd. Nu het belang van [minderjarige] niet wordt beschermd, maar juist wordt geschaad door de naar het Poolse recht geldende wettelijke termijn, vormt in dit specifieke geval de termijnstelling een ongerechtvaardigde inmenging in de zin van artikel 8, tweede lid, EVRM. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de moeder dan ook ontvangen in haar verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap.



2.22
In artikel 67 Fw staat dat de ontkenning van het vaderschap gegrond kan worden verklaard indien wordt bewezen dat de echtgenoot van de moeder niet de vader van het kind is. In dit kader stelt de rechtbank vast dat op basis van de uitkomst van het DNA-onderzoek is komen vast te staan dat de vermoedelijke biologische vader daadwerkelijk de biologische vader van [minderjarige] is. Hiermee is bewezen dat de juridische vader niet de (biologische) vader van [minderjarige] kan zijn.



2.23
Gelet hierop concludeert de rechtbank dat aan de naar Pools recht geldende wettelijke vereisten is voldaan voor de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader. Zij zal het daartoe strekkende verzoek van de moeder dan ook toewijzen.



Vaststelling vaderschap




2.24
Of en onder welke voorwaarden ouderschap van een persoon gerechtelijk kan worden vastgesteld, wordt, ingevolge artikel 10:97 BW, bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van die persoon en de moeder of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de persoon en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Het tijdstip van de indiening van het verzoek is hierbij bepalend.



2.25
De moeder en de vermoedelijke biologische vader beschikten ten tijde van de indiening van het verzoek over de Poolse nationaliteit. Dit brengt met zich mee dat de rechtbank op het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap het Poolse recht zal toepassen.



2.26

In artikel 84 § 1 Fw staat dat de moeder kan verzoeken om het vaderschap vast te stellen. In artikel 85 §1 Fw staat dat de vader van een kind wordt geacht degene te zijn die in de periode niet eerder dan 300 dagen en niet later dan 181 dagen voor de geboorte van het kind geslachtsgemeenschap met de moeder van het kind heeft gehad. Dit vermoeden van vaderschap is weerlegbaar. Op basis van de uitkomst van het DNA-onderzoek is echter komen vast te staan dat de vermoedelijke biologische vader daadwerkelijk de biologische vader van [minderjarige] is. Hij weerspreekt het verzoek ook niet en wenst eveneens dat zijn vaderschap wordt vastgesteld. Gelet hierop wordt aan de wettelijke grondslagen voor vaststelling van het vaderschap naar Pools recht voldaan. De rechtbank zal dit verzoek van de moeder dan ook toewijzen, onder de opschortende voorwaarde dat de beslissing tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan. Deze beslissing is naar het oordeel van de rechtbank in het belang van [minderjarige] .

Voorwaardelijke verzoeken bijzondere curator namens [minderjarige]




2.27
Omdat de rechtbank de verzoeken van de moeder tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap en tot vaststelling van het vaderschap zal toewijzen, komt zij niet toe aan de voorwaardelijke verzoeken van de bijzondere curator namens [minderjarige] . De rechtbank zal deze verzoeken dan ook afwijzen.



Geslachtsnaam




2.28
Op grond van artikel 10:19, eerste lid, BW, worden de geslachtsnaam en voornamen van een vreemdeling bepaald door het recht van de staat waarvan hij de nationaliteit heeft. Dit betekent dat Pools recht toepasselijk is op de geslachtsnaam van [minderjarige] .



2.29
In artikel 89 § 2 Fw staat dat een kind, in geval van gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, de geslachtsnaam draagt die door de rechtbank is aangewezen met toepassing van artikel 89 § 1 FW. In artikel 89 § 1 Fw staat dat indien het vaderschap door erkenning wordt vastgesteld, ​​het kind de achternaam draagt die is aangegeven in de unanieme verklaringen van de ouders, die gelijktijdig met de voor de erkenning van het vaderschap noodzakelijke verklaringen zijn ingediend. De ouders kunnen de achternaam van een van hen opgeven of een achternaam die is gevormd door de achternaam van de moeder te combineren met de achternaam van de vader van het kind. Indien de ouders geen unanieme verklaringen hebben ingediend betreffende de achternaam van het kind, draagt ​​het kind een achternaam die bestaat uit de achternaam van de moeder en de achternaam van de vader daaraan toegevoegd. Nu de moeder en de vermoedelijke biologische vader gezamenlijk hebben verklaard dat zij wensen dat [minderjarige] de geslachtsnaam van de vermoedelijke biologische vader, te weten [geslachtsnaam van persoon] , zal hebben, zal de rechtbank verstaan dat de [minderjarige] , na het in kracht van gewijsde gaan van deze beschikking, de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam van persoon] ’ zal hebben.



Beëindiging taak van de bijzondere curator




2.30
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.



Proceskosten




2.31
De kosten van het onderzoek door de deskundige Verilabs bedragen € 755,= (inclusief btw). Dit is vanwege het aparte bezoek van de vermoedelijke biologische vader aan Verilabs hoger dan het bedrag dat door de rechtbank als voorschot was bepaald. De moeder heeft aangegeven dat zij akkoord is met deze kosten en de vermoedelijke biologische vader heeft hiertegen evenmin bezwaar gemaakt. De rechtbank zal bepalen dat zij ieder de helft van de kosten van de deskundige dienen te voldoen. Deze kosten dienen op grond van artikel 244 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te worden voldaan aan de griffier van de rechtbank. Partijen zullen hiervoor een factuur ontvangen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR).



2.32
Gelet op de aard van deze procedure zullen de (overige) proceskosten worden gecompenseerd.



2.33
Het voorgaande betekent dat als volgt wordt beslist.







3De beslissing


De rechtbank



3.1
verklaart gegrond de ontkenning van het vaderschap van [de juridische vader] , geboren [1988] te [geboorteplaats 2] (Polen), ten aanzien van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2022 te [geboorteplaats 1] ;



3.2
stelt, onder de opschortende voorwaarde dat de beslissing tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan, het vaderschap vast van [persoon] , geboren op [geboortedag 2] 1994 te [geboorteplaats 3] (Polen), ten aanzien van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2022 te [geboorteplaats 1] ;



3.3
verstaat dat de minderjarige [minderjarige] , na het in kracht van gewijsde gaan van deze beschikking, de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam van persoon] ’ zal hebben;



3.4
stelt de kosten van de deskundige vast op € 755,= (zevenhonderd en vijfenvijftig euro) (inclusief btw);



3.5
veroordeelt de moeder en [persoon] , geboren op [geboortedag 2] 1994 te [geboorteplaats 3] (Polen) ieder tot betaling van de helft van de kosten van de deskundige, zijnde een bedrag van € 377,50 (driehonderd en zevenenzeventig euro en vijftig cent) ieder, welk bedrag na ontvangt van de nota met betaalinstructies van het LDCR moet worden voldaan;



3.6
compenseert de (overige) kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;



3.7
beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd;



3.8
draagt de griffier op, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking te doen toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Tilburg om daarin aantekening te doen van deze beschikking;



3.9
wijst het meer of anders verzochte af.


Deze beschikking is gegeven door mr. Van Gessel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026, in aanwezigheid van de griffier.










Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
















verzonden op: