Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6463

2026-07-16 Bestuursrecht BRE 25/4357 V en BRE 25/5936 V
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-16
Publicatiedatum
2026-07-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Verzet
Zaaknummer
BRE 25/4357 V en BRE 25/5936 V
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzet - niet ontvankelijk - griffierecht niet tijdig - beroep niet tijdig

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.925 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Bestuursrecht



zaaknummers: BRE 25/4357 V en BRE 25/5936 V


uitspraak van 16 juli 2026 van de enkelvoudige kamer op het verzet van




[opposant] h.o.d.n. [bedrijf], te [plaats] , opposant, tevens eiser,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),


en uitspraak in de beroepszaak tussen


opposant, tevens eiser,



en




de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, geopposeerde, tevens verweerder.





Procesverloop
1. Opposant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 27 februari 2025 inzake de de Derde tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW), vijfde aanvraagperiode en tegen het besluit van 27 februari 2025 inzake de Vierde NOW, zesde aanvraagperiode.


1.1.
Bij uitspraken van 22 april 2026 heeft de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk verklaard.



1.2.
Opposant heeft tegen deze uitspraken verzet ingesteld.



1.3.
De verzetschriften van opposant zijn ter zitting behandeld in Breda op 30 juni 2026. Opposant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaand bericht van 16 juni 2026, niet verschenen.




Inleiding
2. De rechtbank heeft in de beroepszaken uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.


2.1.

In deze verzetzaken dient uitsluitend te worden beoordeeld of de rechtbank in de uitspraken terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Aan de inhoud van de beroepsgronden kan de rechtbank in deze zaken alleen toekomen als het verzet gegrond is.

Beoordeling van het verzet tegen de uitspraak inzake BRE 25/4357

3. Bij uitspraak van 22 april 2026 heeft de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk verklaard omdat opposant buiten de beroepstermijn van zes weken het beroepschrift heeft ingediend.




3.1.
Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Opposant geeft in zijn verzetschrift van 12 mei 2026 aan dat zijn boekhouder destijds als gemachtigde optrad en dat hij hem expliciet de opdracht heeft gegeven om alle noodzakelijke rechtsmiddelen aan te wenden, inclusief het indienen van beroep. Opposant meent dat hij te goeder trouw in de veronderstelling is geweest dat dit was gebeurd. Ter zitting heeft opposant aangegeven dat hij er door de brief van 1 mei 2025, inhoudende een vooraankondiging van het inschakelen van een deurwaarder, pas achter is gekomen dat zijn voormalige gemachtigde geen beroep heeft ingesteld. Het is opposant niet bekend waarom dit niet is gebeurd. Opposant meent dat hem de termijnoverschrijding niet volledig kan worden toegerekend, zeker niet nu hij niet op de hoogte was van het verzuim.



3.2.
Verder heeft opposant ter zitting verteld dat één van zijn ondernemingen geen recht op subsidie heeft gehad na de coronacrisis. Daarbij legt opposant uit dat zijn voormalig gemachtigde, als zijn boekhouder, de twee ondernemingen die opposant heeft, althans heeft gehad, bij elkaar heeft gevoegd onder één fiscaal nummer. Opposant heeft toen samen met zijn huidige gemachtigde de boekhouder gebeld en de administraties gesplitst. Ter zitting is opposant gevraagd of hij hierna nog vertrouwen had in het werk van zijn boekhouder, waarop zijn gemachtigde antwoordde dat hij hem destijds ook al had aangegeven dat opposant moest zorgen voor een andere boekhouder. Opposant gaf vervolgens aan dat hij niet wist dat hij verantwoordelijk zou zijn voor zijn werk en anders allang iemand anders had gezocht voor de werkzaamheden.



3.3.
Voorts geeft opposant aan dat hij in de periode van februari tot en met augustus 2025 te maken heeft gehad met persoonlijke omstandigheden waardoor hij niet in staat was om de voortgang van administratieve en juridische zaken te controleren. Hiervoor vertrouwde hij op zijn toenmalig gemachtigde. Ter zitting heeft opposant nader toegelicht dat hij mentaal, fysiek en financieel veel problemen heeft gehad en nog steeds veel problemen ervaart op deze gebieden.



3.4.

Volgens artikel 6:11 van de Awb blijft een niet-ontvankelijkverklaring op grond van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft in de uitspraak van
30 januari 2023 een lijn uiteengezet hoe de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding moet worden beoordeeld. De rechtbank heeft in de uitspraak van 22 april 2026 terecht overwogen dat het handelen of nalaten van een gemachtigde in beginsel voor risico komt van opposant. Dit is in de hiervoor genoemde rechtspraak als uitgangspunt bepaald. Hoewel de rechtbank met opposant meevoelt, staan de door hem genoemde persoonlijke omstandigheden hieraan niet in de weg. Opposant wist op de zitting ook niet te vertellen waarom zijn toenmalige gemachtigde niet op tijd beroep heeft ingesteld.




3.5.
In wat opposant heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 22 april 2026. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beoordeling van het verzet tegen de uitspraak inzake BRE 25/5936
4. Bij uitspraak van 22 april 2026 heeft de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht.


4.1.
Opposant voert in zijn verzetschrift van 14 mei 2026 aan dat het niet tijdig betalen van het griffierecht verschoonbaar is in de zin van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb. Daarbij legt opposant uit dat er verwarring is ontstaan door de verschillende nota’s die de rechtbank heeft verstuurd. Voor de zaak BRE 25/4357 heeft opposant op 27 september 2025 een bedrag van € 358,- aan griffierecht betaald. Tevens heeft opposant op 20 november 2025 een nota griffierecht ontvangen van € 358,- voor de zaak BRE 25/5936. De rechtbank heeft dus in beide zaken het hoge tarief voor bedrijven geheven. Nadat de rechtbank was gebleken dat de beroepen zijn ingesteld door een eenmanszaak, is in tweede instantie een correctie uitgevoerd door het te veel betaalde bedrag in de zaak BRE 25/4357 terug te storten. Het te veel betaalde bedrag is volgens opposant teruggestort per 14 januari 2026. Ook heeft de rechtbank op 4 december 2025 een nieuwe nota griffierecht verstuurd voor de zaak BRE 25/5936 ter hoogte van € 194.



4.2.
Per mail van 11 december 2025 vraagt opposant om verduidelijking van de griffienota’s, waarop de rechtbank per brief van 29 december 2025 heeft gereageerd. De rechtbank heeft de situatie in beide zaken uitgelegd en onder meer aangegeven dat het griffierecht van BRE 25/5396 nog niet is betaald. Wegens het uitblijven van de betaling van de nota van 4 december 2025 is er een herinnering verstuurd op 2 januari 2026. Op 8 januari 2026 heeft opposant een betaling gedaan met omschrijving BRE 25/4357. Door de vermelding van het verkeerde zaaknummer is deze betaling niet gekoppeld aan de zaak BRE 25/5936, maar aan BRE 25/4357.



4.3.
Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, moet de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dit is alleen anders als het niet (tijdig) betalen de indiener van het beroep niet kan worden verweten. Gelet op voormelde gang van zaken blijkt opposant de intentie gehad te hebben om tijdig het griffierecht te betalen. Opposant heeft namelijk vóór het verstrijken van de termijn uit de herinnering van 2 januari 2026 daadwerkelijk betaald. Dat opposant een verkeerd betalingskenmerk heeft vermeld is in dit geval niet geheel aan hem te wijten. Daar staat namelijk tegenover dat de rechtbank pas in tweede instantie het griffierecht op de juiste wijze heeft geheven en door het versturen van verschillende nota’s bij opposant voor verwarring heeft gezorgd.



4.4.
Het verzet slaagt. Dat betekent dat de uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.




Beoordeling van het beroep BRE 25/5936


5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.



5.1.
Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is verzonden/gepubliceerd. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.



5.2.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank een niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.



5.3.
Eiser heeft het beroepschrift buiten de beroepstermijn van zes weken ingediend. Tijdens de behandeling van het verzet is geconcludeerd dat de termijnoverschrijding inzake het beroep met kenmerk BRE 25/4357 niet verontschuldigbaar is. Omdat er sprake is van hetzelfde feitencomplex als in BRE 25/4357, met betrekking tot de late indiening van het beroep, oordeelt de rechtbank dat de termijnoverschrijding ook in dit beroep niet verontschuldigbaar is.



Conclusie over het beroep

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


















Beslissing
De rechtbank


verklaart het verzet inzake BRE 25/4357 ongegrond;


verklaart het verzet inzake BRE 25/5936 gegrond;


verklaart het beroep BRE 25/5936 niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van


I. Ambachtsheer, griffier, op 16 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.





griffier rechter




Afschrift verzonden aan partijen op:






Rechtsmiddel
Tegen de uitspraak voor zover betrekking hebbend op het verzet, staat geen rechtsmiddel open. Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.



Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.


ECLI:NL:CBB:2024:31.


Artikel 6:7 van de Awb.


Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.


Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.


Artikel 6:11 van de Awb.