Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6458
2026-07-15
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/02/446969 / HA ZA 26-187 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Nakoming garantiestellingsovereenkomst; tussenpersoon; tekortkoming in de nakoming; geen matiging boete; vordering wordt grotendeels toegewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.124 tekens)
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/446969 / HA ZA 26-187
Vonnis in verzet van 15 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
de rechtspersoon naar Frans recht
CARDIF-ASSURANCES RISQUES DIVERS S.A.,
te Oosterhout, woonplaats kiezende te Den Haag,
eisende partij,
gedaagde partij in het verzet,
hierna te noemen: Cardif,
advocaat: mr. V. Kortenbach,
tegen
[persoon]
,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
eisende partij in het verzet,
hierna te noemen: [persoon] ,
advocaat: mr. S. Süzen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 30 april 2025, met zes producties;
het vonnis van 10 september 2025, waarin [persoon] bij verstek is veroordeeld. Dit betreft de zaak met kenmerk C/02/438733 / HA ZA 25-455;
de verzetdagvaarding van 27 maart 2026, met negen producties;
het tussenvonnis van 6 mei 2026;
de conclusie van antwoord in verzet, met twee producties;
de mondelinge behandeling van 1 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [persoon] werd tijdens de mondelinge behandeling bijgestaan door een tolk in de Turkse taal.
1.2.
De conclusie van antwoord in verzet omvat één pagina met tekst en enkele producties. Cardif was niet in de gelegenheid gesteld om een dergelijke conclusie in te dienen. Nu het wel mogelijk was om aanvullende producties in te dienen en gelet op de beperkte omvang van de conclusie is tijdens de mondelinge behandeling, met instemming van [persoon] , afgesproken dat het stuk desondanks wordt toegelaten. [persoon] is tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om op de nadere stellingen en producties te reageren.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[persoon] heeft een woning gekocht ( [adres] ) voor € 325.000,-. De koopovereenkomst is op 6 februari 2024 ondertekend. Op de koopovereenkomst zijn de voornamen en achternaam van [persoon] verwisseld ( [achternaam] is onjuist genoteerd als zijn voornaam).
2.2.
In artikel 5.1 van de koopovereenkomst is bepaald dat de koper tot zekerheid voor de nakoming van zijn verplichtingen een bankgarantie dient te stellen voor het bedrag van € 32.500,-, welk bedrag aan de notaris moet worden uitgekeerd zodra deze daarom verzoekt. Verder is in de overeenkomst bepaald dat de koper bij niet-nakoming een boete van 10% van de koopprijs aan de verkoper verschuldigd is (artikel 14.3). Voor het voldoen van deze boete kan het bedrag van de genoemde bankgarantie aangewend worden (artikel 14.5).
2.3.
Op 28 maart 2024 is op naam van [persoon] een garantiestelling aangevraagd bij Cardif voor de koop van de woning. Op dezelfde dag is de garantiestelling waarborgsom verleend voor een bedrag van € 32.500,- voor de periode van 28 maart 2024 tot en met 2 mei 2024. De premie bedroeg € 300,-. Ook op de garantiestelling en aanvraag daarvan zijn de voor- en achternaam van [persoon] verwisseld.
2.4.
In de voorwaarden van de garantiestelling is opgenomen dat Cardif het garantiebedrag aan de notaris betaalt wanneer deze daarom vraagt. Verder is opgenomen dat het garantiebedrag 30 dagen na uitkering aan de notaris terugbetaald moet worden aan Cardif door de aanvrager.
2.5.
Op 26 april 2024 heeft de notaris Cardif verzocht het bedrag van de garantie uit te betalen. Cardif heeft het bedrag overgemaakt.
2.6.
De koopovereenkomst is ontbonden. Als gevolg daarvan is [persoon] een boete van € 32.500,- verschuldigd geworden. Dit bedrag is aan de verkoper voldaan met het bedrag dat door Cardif aan de notaris was betaald.
3Het geschil
3.1.
Cardif heeft gevorderd dat de rechtbank [persoon] zal veroordelen tot:
betaling van € 32.800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 24 augustus 2024 tot de datum van algehele voldoening;
betaling van € 1.334,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van de dagvaarding tot de datum van algehele voldoening;
veroordeling van [persoon] in de proceskosten.
3.2.
Cardif vordert nakoming van de garantiestellingsovereenkomst. Zij stelt dat [persoon] heeft nagelaten het uitgekeerde garantiebedrag van € 32.500,- aan Cardif terug te betalen. Daarnaast is [persoon] de premie van € 300,- nog verschuldigd.
3.3.
In het verstekvonnis zijn de vorderingen van Cardif volledig toegewezen en is [persoon] veroordeeld in de proceskosten.
3.4.
[persoon] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van Cardif alsnog worden afgewezen, met veroordeling van Cardif in de proceskosten.
3.5.
[persoon] heeft – kort gezegd – het volgende aangevoerd. [persoon] is de Nederlandse taal niet machtig en heeft zich bij het kopen van het huis laten bijstaan door een adviseur, de heer [adviseur] . [persoon] was niet op de hoogte van een garantiestellingsovereenkomst. Volgens [persoon] is het niet doorgaan van de koop niet aan hem te wijten en doet hij een beroep op overmacht. Hij heeft berichten van de makelaar over de koop aan [adviseur] doorgestuurd, waarop [adviseur] hem verzekerde dat het goed kwam. Toen [persoon] de boete moest betalen kon hij [adviseur] niet meer bereiken. [persoon] stelt dat hij door [adviseur] is opgelicht. Subsidiair verzoekt [persoon] de boete te matigen.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Verzet
4.1.
Het verzet is op de juiste wijze ingesteld. Over de tijdigheid van het verzet geldt het volgende. Het is niet gebleken dat het vonnis in persoon is betekend. [persoon] heeft gesteld dat hij pas bekend is geworden met het vonnis toen werd begonnen met de tenuitvoerlegging daarvan. Dit is vermoedelijk het gevolg van een onjuiste tenaamstelling in het vonnis. De advocaat van [persoon] zou het vonnis pas op 3 maart 2026 hebben ontvangen. Het is niet gesteld of gebleken dat [persoon] daarvoor al van het vonnis op de hoogte was. Het verzet is daarom tijdig ingesteld.
Totstandkoming garantiestellingsovereenkomst
4.2.
[persoon] heeft gesteld dat hij ‘niet op de hoogte was van het bestaan van een garantiestellingsovereenkomst’. Daarbij valt op dat de voor- en achternaam van [persoon] in de aanvraag zijn verwisseld en de handtekening op de aanvraag niet overeenkomt met de handtekening op de koopovereenkomst. Uiteindelijk is echter niet voldoende betwist dat deze overeenkomst door [persoon] , dan wel in zijn naam is gesloten. De redenen hiervoor zijn als volgt. Op de mondelinge behandeling is namens Cardif toegelicht dat de garantiestelling enkel via een tussenpersoon aangevraagd kan worden. Deze tussenpersonen beschikken over inloggegevens van het systeem van Cardif. Wanneer daarin bepaalde velden worden ingevuld, wordt de garantiestelling automatisch verleend. Op de aanvraag van de garantiestelling van [persoon] is ‘jehypotheek.nl’ als tussenpersoon vermeld. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat dit adres toebehoort aan [tussenpersoon] , dat in [plaats 2] gevestigd is. [persoon] heeft verklaard dat hij met [adviseur] naar een kantoor is gegaan. Het adres daarvan heeft [persoon] tijdens de mondelinge behandeling opgezocht, en dit bleek het adres van [tussenpersoon] in [plaats 2] te zijn. [tussenpersoon] is in e-mails van de makelaar ook steeds in de CC meegenomen. Er was dan ook kennelijk sprake van een erkend tussenpersoon, waar [persoon] ook zelf is geweest. Bovendien staat vast dat [persoon] een huis wilde kopen en dat het stellen van een garantie een verplichting is die uit deze koopovereenkomst voortvloeit. Er wordt in deze procedure dan ook van uitgegaan dat [persoon] wel degelijk de garantiestellingsovereenkomst is aangegaan.
Tekortkoming in de nakoming
4.3.
Tussen partijen is niet geschil dat [persoon] het garantiebedrag niet aan Cardif heeft terugbetaald. Volgens [persoon] is dit geen tekortkoming in de nakoming. Hij stelt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld en afhankelijk was van derden voor de uitvoering van de verplichtingen uit de koopovereenkomst. Omdat hij de Nederlandse taal niet machtig was en financiële deskundigheid ontbeerde, heeft hij vertrouwd op [adviseur] , die hij ook heeft betaald om hem bij te staan (€ 2.000,-). [persoon] stelt dat [adviseur] hem heeft opgelicht.
4.4.
Het terugbetalen van het garantiebedrag is een verbintenis van [persoon] als schuldenaar in de overeenkomst met Cardif. Nu het bedrag niet is betaald, is sprake van een tekortkoming in de nakoming van die verbintenis. De vraag is vervolgens of de door [persoon] aangevoerde omstandigheden de conclusie rechtvaardigen dat de tekortkoming niet toerekenbaar is, en het beroep op overmacht slaagt.
4.5.
[persoon] verwijt [adviseur] dat [adviseur] er niet voor heeft gezorgd dat [persoon] aan zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst heeft voldaan door de financiering tijdig in orde te maken. Het regelen van de financiering betreft echter een verplichting tegenover de verkoper van de woning en niet tegenover Cardif. Voor zover [persoon] bedoelt dat het niet nakomen van de verplichtingen tegenover de verkoper van de woning ook heeft geleid tot het niet nakomen van zijn verbintenis tegenover Cardif, geldt het volgende. Uit artikel 6:76 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat [persoon] jegens zijn wederpartij aansprakelijk is voor door hem voor het uitvoeren van de verbintenis ingeschakelde hulppersonen. [adviseur] kan aangemerkt worden als een hulppersoon van [persoon] . [persoon] zou zijn schade daarom zelf moeten verhalen op [adviseur] of andere door hem ingeschakelde tussenpersonen. Het is niet gebleken dat er omstandigheden zijn die meebrengen dat Cardif aansprakelijk is voor tekortkomingen van de tussenpersoon.
4.6.
Het voorgaande neemt niet weg dat op Cardif als financieel dienstverlener wel een zorgplicht jegens [persoon] rust, waarbij gewaarschuwd dient te worden voor overkreditering en andere financiële risico’s. Desgevraagd is door [persoon] echter nadrukkelijk niet de stelling ingenomen dat Cardif de garantiestelling gelet op de financiële situatie van [persoon] nooit had mogen verlenen.
Matiging van de boete
4.7.
[persoon] heeft verzocht de boete te matigen. De boete is echter een beding uit de overeenkomst tussen [persoon] en de verkoper van de woning. De verkoper heeft een beroep gedaan op deze clausule en heeft het bedrag van de boete – als gevolg van de garantie – ook al ontvangen. Cardif vordert geen boete, maar betaling van het garantiebedrag. In de relatie met Cardif komt [persoon] daarom geen beroep op matiging toe.
4.8.
Ter zitting is namens [persoon] betoogd dat de boete uit de koopovereenkomst op grond van artikel 6:248 BW geheel of gedeeltelijk voor rekening van Cardif moet komen, omdat de boete onlosmakelijk is verbonden met de garantie. Hoewel er enige samenhang is tussen beide, ligt de oorzaak van het verschuldigd worden van de boete volgens [persoon] in onkunde van of oplichting door [adviseur] en/of een andere tussenpersoon. Cardif heeft hier dus geen rol in gehad. Er is door [persoon] onvoldoende gesteld om te concluderen dat het desondanks redelijk zou zijn een deel van de boete voor rekening van Cardif te laten komen.
Hoofdsom
4.9.
Uit het voorgaande volgt dat [persoon] het garantiebedrag van € 32.500,- verschuldigd is. Door [persoon] is niet betwist dat hij ook de premie van € 300,- nog moet betalen. In totaal wordt daarom (€ 32.500,- + € 300,- =) € 32.800,- toegewezen.
Rente
4.10.
Volgens de garantieovereenkomst moest het bedrag binnen 30 dagen na betaling door de notaris aan Cardif terugbetaald worden. Dit betreft een fatale termijn in de zin van artikel 6:83 onder a BW. Cardif heeft rente over de hoofdsom gevorderd vanaf 24 augustus 2024. Dit betreft een later moment en dus is de rente in beginsel toewijsbaar.
4.11.
[persoon] heeft aangevoerd dat hij is benadeeld door de verstekprocedure. De rechtbank acht het aannemelijk dat de onjuiste naam op de dagvaarding, en daardoor ook op het verstekvonnis, ertoe heeft geleid dat [persoon] niet op de hoogte was van de procedure. Hierdoor is de rente opgelopen. De onjuiste naam in de dagvaarding is weliswaar weer een gevolg van de fout in de aanvraag van de garantiestelling, maar daar staat tegenover dat Cardif kennelijk heeft nagelaten op enig moment de identiteit van [persoon] te controleren. Daarnaast is gebleken dat de advocaat van Cardif de zaak enige tijd heeft laten liggen en, toen er gedagvaard werd, heeft verzuimd de advocaat van [persoon] (met wie in het buitengerechtelijke traject al wel contact was) daarover in te lichten. Gelet op deze omstandigheden zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf het moment dat [persoon] bekend mocht worden verondersteld met het verstekvonnis, te weten op 3 maart 2026.
Buitengerechtelijke kosten
4.12.
Cardif heeft een vergoeding van buitengerechtelijke kosten gevorderd van € 1.334,00 inclusief btw. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat [persoon] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
4.13.
Cardif heeft aan [persoon] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding (€ 1.334,-) is hoger dan het tarief dat is vermeld in de aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW. De vergoeding wordt daarom toegewezen tot het tarief dat in de aanmaning is vermeld (€ 1.100,- exclusief btw). Daarom zal een bedrag van € 1.331,- worden toegewezen. De wettelijke rente hierover zal, om de redenen vermeld in overweging 4.11, worden toegewezen vanaf 3 maart 2026.
Vernietiging verstekvonnis
4.14.
Het oordeel in de verzetprocedure komt grotendeels overeen met de veroordeling in de verstekzaak. Nu in het verstekvonnis van 10 september 2025 een onjuiste naam is vermeld, zal het vonnis toch geheel worden vernietigd en wordt een nieuwe veroordeling uitgesproken.
Proceskosten
4.15.
[persoon] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskostenveroordeling uit het verstekvonnis dient daartoe als uitgangspunt. Daar komen de kosten van Cardif van de verzetprocedure bij. Hiervoor wordt één punt salaris van de advocaat naar het thans geldende tarief begroot voor de mondelinge behandeling. Voor de conclusie van antwoord in verzet wordt geen punt toegekend. Voor de nakosten wordt het op dit moment geldende tarief berekend. De proceskosten worden hierdoor begroot op:
- dagvaardingskosten
€
162,98
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat (verstek)
€
786,00
(1 punt)
- salaris advocaat (verzet)
€
836,00
(1 punt)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.968,98
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
vernietigt het verstekvonnis van 10 september 2025 met zaaknummer C/02/438733 / HA ZA 25-455,
en opnieuw beslissend
5.2.
veroordeelt [persoon] om aan Cardif te betalen een bedrag van € 32.800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 3 maart 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [persoon] om aan Cardif te betalen een bedrag van € 1.331,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 3 maart 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [persoon] in de kosten van de verstek- en verzetprocedure van € 4.968,98 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [persoon] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [persoon] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgh en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/446969 / HA ZA 26-187
Vonnis in verzet van 15 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
de rechtspersoon naar Frans recht
CARDIF-ASSURANCES RISQUES DIVERS S.A.,
te Oosterhout, woonplaats kiezende te Den Haag,
eisende partij,
gedaagde partij in het verzet,
hierna te noemen: Cardif,
advocaat: mr. V. Kortenbach,
tegen
[persoon]
,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
eisende partij in het verzet,
hierna te noemen: [persoon] ,
advocaat: mr. S. Süzen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 30 april 2025, met zes producties;
het vonnis van 10 september 2025, waarin [persoon] bij verstek is veroordeeld. Dit betreft de zaak met kenmerk C/02/438733 / HA ZA 25-455;
de verzetdagvaarding van 27 maart 2026, met negen producties;
het tussenvonnis van 6 mei 2026;
de conclusie van antwoord in verzet, met twee producties;
de mondelinge behandeling van 1 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [persoon] werd tijdens de mondelinge behandeling bijgestaan door een tolk in de Turkse taal.
1.2.
De conclusie van antwoord in verzet omvat één pagina met tekst en enkele producties. Cardif was niet in de gelegenheid gesteld om een dergelijke conclusie in te dienen. Nu het wel mogelijk was om aanvullende producties in te dienen en gelet op de beperkte omvang van de conclusie is tijdens de mondelinge behandeling, met instemming van [persoon] , afgesproken dat het stuk desondanks wordt toegelaten. [persoon] is tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om op de nadere stellingen en producties te reageren.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[persoon] heeft een woning gekocht ( [adres] ) voor € 325.000,-. De koopovereenkomst is op 6 februari 2024 ondertekend. Op de koopovereenkomst zijn de voornamen en achternaam van [persoon] verwisseld ( [achternaam] is onjuist genoteerd als zijn voornaam).
2.2.
In artikel 5.1 van de koopovereenkomst is bepaald dat de koper tot zekerheid voor de nakoming van zijn verplichtingen een bankgarantie dient te stellen voor het bedrag van € 32.500,-, welk bedrag aan de notaris moet worden uitgekeerd zodra deze daarom verzoekt. Verder is in de overeenkomst bepaald dat de koper bij niet-nakoming een boete van 10% van de koopprijs aan de verkoper verschuldigd is (artikel 14.3). Voor het voldoen van deze boete kan het bedrag van de genoemde bankgarantie aangewend worden (artikel 14.5).
2.3.
Op 28 maart 2024 is op naam van [persoon] een garantiestelling aangevraagd bij Cardif voor de koop van de woning. Op dezelfde dag is de garantiestelling waarborgsom verleend voor een bedrag van € 32.500,- voor de periode van 28 maart 2024 tot en met 2 mei 2024. De premie bedroeg € 300,-. Ook op de garantiestelling en aanvraag daarvan zijn de voor- en achternaam van [persoon] verwisseld.
2.4.
In de voorwaarden van de garantiestelling is opgenomen dat Cardif het garantiebedrag aan de notaris betaalt wanneer deze daarom vraagt. Verder is opgenomen dat het garantiebedrag 30 dagen na uitkering aan de notaris terugbetaald moet worden aan Cardif door de aanvrager.
2.5.
Op 26 april 2024 heeft de notaris Cardif verzocht het bedrag van de garantie uit te betalen. Cardif heeft het bedrag overgemaakt.
2.6.
De koopovereenkomst is ontbonden. Als gevolg daarvan is [persoon] een boete van € 32.500,- verschuldigd geworden. Dit bedrag is aan de verkoper voldaan met het bedrag dat door Cardif aan de notaris was betaald.
3Het geschil
3.1.
Cardif heeft gevorderd dat de rechtbank [persoon] zal veroordelen tot:
betaling van € 32.800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 24 augustus 2024 tot de datum van algehele voldoening;
betaling van € 1.334,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van de dagvaarding tot de datum van algehele voldoening;
veroordeling van [persoon] in de proceskosten.
3.2.
Cardif vordert nakoming van de garantiestellingsovereenkomst. Zij stelt dat [persoon] heeft nagelaten het uitgekeerde garantiebedrag van € 32.500,- aan Cardif terug te betalen. Daarnaast is [persoon] de premie van € 300,- nog verschuldigd.
3.3.
In het verstekvonnis zijn de vorderingen van Cardif volledig toegewezen en is [persoon] veroordeeld in de proceskosten.
3.4.
[persoon] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van Cardif alsnog worden afgewezen, met veroordeling van Cardif in de proceskosten.
3.5.
[persoon] heeft – kort gezegd – het volgende aangevoerd. [persoon] is de Nederlandse taal niet machtig en heeft zich bij het kopen van het huis laten bijstaan door een adviseur, de heer [adviseur] . [persoon] was niet op de hoogte van een garantiestellingsovereenkomst. Volgens [persoon] is het niet doorgaan van de koop niet aan hem te wijten en doet hij een beroep op overmacht. Hij heeft berichten van de makelaar over de koop aan [adviseur] doorgestuurd, waarop [adviseur] hem verzekerde dat het goed kwam. Toen [persoon] de boete moest betalen kon hij [adviseur] niet meer bereiken. [persoon] stelt dat hij door [adviseur] is opgelicht. Subsidiair verzoekt [persoon] de boete te matigen.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Verzet
4.1.
Het verzet is op de juiste wijze ingesteld. Over de tijdigheid van het verzet geldt het volgende. Het is niet gebleken dat het vonnis in persoon is betekend. [persoon] heeft gesteld dat hij pas bekend is geworden met het vonnis toen werd begonnen met de tenuitvoerlegging daarvan. Dit is vermoedelijk het gevolg van een onjuiste tenaamstelling in het vonnis. De advocaat van [persoon] zou het vonnis pas op 3 maart 2026 hebben ontvangen. Het is niet gesteld of gebleken dat [persoon] daarvoor al van het vonnis op de hoogte was. Het verzet is daarom tijdig ingesteld.
Totstandkoming garantiestellingsovereenkomst
4.2.
[persoon] heeft gesteld dat hij ‘niet op de hoogte was van het bestaan van een garantiestellingsovereenkomst’. Daarbij valt op dat de voor- en achternaam van [persoon] in de aanvraag zijn verwisseld en de handtekening op de aanvraag niet overeenkomt met de handtekening op de koopovereenkomst. Uiteindelijk is echter niet voldoende betwist dat deze overeenkomst door [persoon] , dan wel in zijn naam is gesloten. De redenen hiervoor zijn als volgt. Op de mondelinge behandeling is namens Cardif toegelicht dat de garantiestelling enkel via een tussenpersoon aangevraagd kan worden. Deze tussenpersonen beschikken over inloggegevens van het systeem van Cardif. Wanneer daarin bepaalde velden worden ingevuld, wordt de garantiestelling automatisch verleend. Op de aanvraag van de garantiestelling van [persoon] is ‘jehypotheek.nl’ als tussenpersoon vermeld. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat dit adres toebehoort aan [tussenpersoon] , dat in [plaats 2] gevestigd is. [persoon] heeft verklaard dat hij met [adviseur] naar een kantoor is gegaan. Het adres daarvan heeft [persoon] tijdens de mondelinge behandeling opgezocht, en dit bleek het adres van [tussenpersoon] in [plaats 2] te zijn. [tussenpersoon] is in e-mails van de makelaar ook steeds in de CC meegenomen. Er was dan ook kennelijk sprake van een erkend tussenpersoon, waar [persoon] ook zelf is geweest. Bovendien staat vast dat [persoon] een huis wilde kopen en dat het stellen van een garantie een verplichting is die uit deze koopovereenkomst voortvloeit. Er wordt in deze procedure dan ook van uitgegaan dat [persoon] wel degelijk de garantiestellingsovereenkomst is aangegaan.
Tekortkoming in de nakoming
4.3.
Tussen partijen is niet geschil dat [persoon] het garantiebedrag niet aan Cardif heeft terugbetaald. Volgens [persoon] is dit geen tekortkoming in de nakoming. Hij stelt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld en afhankelijk was van derden voor de uitvoering van de verplichtingen uit de koopovereenkomst. Omdat hij de Nederlandse taal niet machtig was en financiële deskundigheid ontbeerde, heeft hij vertrouwd op [adviseur] , die hij ook heeft betaald om hem bij te staan (€ 2.000,-). [persoon] stelt dat [adviseur] hem heeft opgelicht.
4.4.
Het terugbetalen van het garantiebedrag is een verbintenis van [persoon] als schuldenaar in de overeenkomst met Cardif. Nu het bedrag niet is betaald, is sprake van een tekortkoming in de nakoming van die verbintenis. De vraag is vervolgens of de door [persoon] aangevoerde omstandigheden de conclusie rechtvaardigen dat de tekortkoming niet toerekenbaar is, en het beroep op overmacht slaagt.
4.5.
[persoon] verwijt [adviseur] dat [adviseur] er niet voor heeft gezorgd dat [persoon] aan zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst heeft voldaan door de financiering tijdig in orde te maken. Het regelen van de financiering betreft echter een verplichting tegenover de verkoper van de woning en niet tegenover Cardif. Voor zover [persoon] bedoelt dat het niet nakomen van de verplichtingen tegenover de verkoper van de woning ook heeft geleid tot het niet nakomen van zijn verbintenis tegenover Cardif, geldt het volgende. Uit artikel 6:76 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat [persoon] jegens zijn wederpartij aansprakelijk is voor door hem voor het uitvoeren van de verbintenis ingeschakelde hulppersonen. [adviseur] kan aangemerkt worden als een hulppersoon van [persoon] . [persoon] zou zijn schade daarom zelf moeten verhalen op [adviseur] of andere door hem ingeschakelde tussenpersonen. Het is niet gebleken dat er omstandigheden zijn die meebrengen dat Cardif aansprakelijk is voor tekortkomingen van de tussenpersoon.
4.6.
Het voorgaande neemt niet weg dat op Cardif als financieel dienstverlener wel een zorgplicht jegens [persoon] rust, waarbij gewaarschuwd dient te worden voor overkreditering en andere financiële risico’s. Desgevraagd is door [persoon] echter nadrukkelijk niet de stelling ingenomen dat Cardif de garantiestelling gelet op de financiële situatie van [persoon] nooit had mogen verlenen.
Matiging van de boete
4.7.
[persoon] heeft verzocht de boete te matigen. De boete is echter een beding uit de overeenkomst tussen [persoon] en de verkoper van de woning. De verkoper heeft een beroep gedaan op deze clausule en heeft het bedrag van de boete – als gevolg van de garantie – ook al ontvangen. Cardif vordert geen boete, maar betaling van het garantiebedrag. In de relatie met Cardif komt [persoon] daarom geen beroep op matiging toe.
4.8.
Ter zitting is namens [persoon] betoogd dat de boete uit de koopovereenkomst op grond van artikel 6:248 BW geheel of gedeeltelijk voor rekening van Cardif moet komen, omdat de boete onlosmakelijk is verbonden met de garantie. Hoewel er enige samenhang is tussen beide, ligt de oorzaak van het verschuldigd worden van de boete volgens [persoon] in onkunde van of oplichting door [adviseur] en/of een andere tussenpersoon. Cardif heeft hier dus geen rol in gehad. Er is door [persoon] onvoldoende gesteld om te concluderen dat het desondanks redelijk zou zijn een deel van de boete voor rekening van Cardif te laten komen.
Hoofdsom
4.9.
Uit het voorgaande volgt dat [persoon] het garantiebedrag van € 32.500,- verschuldigd is. Door [persoon] is niet betwist dat hij ook de premie van € 300,- nog moet betalen. In totaal wordt daarom (€ 32.500,- + € 300,- =) € 32.800,- toegewezen.
Rente
4.10.
Volgens de garantieovereenkomst moest het bedrag binnen 30 dagen na betaling door de notaris aan Cardif terugbetaald worden. Dit betreft een fatale termijn in de zin van artikel 6:83 onder a BW. Cardif heeft rente over de hoofdsom gevorderd vanaf 24 augustus 2024. Dit betreft een later moment en dus is de rente in beginsel toewijsbaar.
4.11.
[persoon] heeft aangevoerd dat hij is benadeeld door de verstekprocedure. De rechtbank acht het aannemelijk dat de onjuiste naam op de dagvaarding, en daardoor ook op het verstekvonnis, ertoe heeft geleid dat [persoon] niet op de hoogte was van de procedure. Hierdoor is de rente opgelopen. De onjuiste naam in de dagvaarding is weliswaar weer een gevolg van de fout in de aanvraag van de garantiestelling, maar daar staat tegenover dat Cardif kennelijk heeft nagelaten op enig moment de identiteit van [persoon] te controleren. Daarnaast is gebleken dat de advocaat van Cardif de zaak enige tijd heeft laten liggen en, toen er gedagvaard werd, heeft verzuimd de advocaat van [persoon] (met wie in het buitengerechtelijke traject al wel contact was) daarover in te lichten. Gelet op deze omstandigheden zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf het moment dat [persoon] bekend mocht worden verondersteld met het verstekvonnis, te weten op 3 maart 2026.
Buitengerechtelijke kosten
4.12.
Cardif heeft een vergoeding van buitengerechtelijke kosten gevorderd van € 1.334,00 inclusief btw. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat [persoon] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
4.13.
Cardif heeft aan [persoon] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding (€ 1.334,-) is hoger dan het tarief dat is vermeld in de aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW. De vergoeding wordt daarom toegewezen tot het tarief dat in de aanmaning is vermeld (€ 1.100,- exclusief btw). Daarom zal een bedrag van € 1.331,- worden toegewezen. De wettelijke rente hierover zal, om de redenen vermeld in overweging 4.11, worden toegewezen vanaf 3 maart 2026.
Vernietiging verstekvonnis
4.14.
Het oordeel in de verzetprocedure komt grotendeels overeen met de veroordeling in de verstekzaak. Nu in het verstekvonnis van 10 september 2025 een onjuiste naam is vermeld, zal het vonnis toch geheel worden vernietigd en wordt een nieuwe veroordeling uitgesproken.
Proceskosten
4.15.
[persoon] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskostenveroordeling uit het verstekvonnis dient daartoe als uitgangspunt. Daar komen de kosten van Cardif van de verzetprocedure bij. Hiervoor wordt één punt salaris van de advocaat naar het thans geldende tarief begroot voor de mondelinge behandeling. Voor de conclusie van antwoord in verzet wordt geen punt toegekend. Voor de nakosten wordt het op dit moment geldende tarief berekend. De proceskosten worden hierdoor begroot op:
- dagvaardingskosten
€
162,98
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat (verstek)
€
786,00
(1 punt)
- salaris advocaat (verzet)
€
836,00
(1 punt)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.968,98
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
vernietigt het verstekvonnis van 10 september 2025 met zaaknummer C/02/438733 / HA ZA 25-455,
en opnieuw beslissend
5.2.
veroordeelt [persoon] om aan Cardif te betalen een bedrag van € 32.800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 3 maart 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [persoon] om aan Cardif te betalen een bedrag van € 1.331,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 3 maart 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [persoon] in de kosten van de verstek- en verzetprocedure van € 4.968,98 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [persoon] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [persoon] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgh en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.