Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6423

2026-07-08 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11868238 \ CV EXPL 25-2881 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-08
Publicatiedatum
2026-07-15
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
11868238 \ CV EXPL 25-2881 (E)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

(Onder)aannemer heeft werkzaamheden verricht voor een aannemer. De aannemer heeft niet alle facturen van de onderaannemer betaald, omdat de aannemer stelt dat hij een tegenvordering op de onderaannemer heeft uit hoofde van minderwerk, schadevergoeding en korting wegens te late oplevering. De tegenvordering van de aannemer slaagt deels en zal verrekend worden met de vordering van de onderaannemer, zodat daarvan nog een deel resteert. Hierna legt de kantonrechter dit oordeel uit.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.223 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Breda



Zaaknummer: 11868238 \ CV EXPL 25-2881




Vonnis van 8 juli 2026




in de zaak van





[de onderaannemer] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de onderaannemer] ,
gemachtigde: VODIK Incasso,



tegen





[de aannemer] , H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de aannemer] ,
gemachtigde: mr. G.C.L. van de Corput.





1De zaak in het kort



[de onderaannemer] heeft als (onder)aannemer werkzaamheden verricht voor [de aannemer] . [de aannemer] heeft niet alle facturen van [de onderaannemer] betaald, omdat [de aannemer] stelt dat hij een tegenvordering op [de onderaannemer] heeft uit hoofde van minderwerk, schadevergoeding en korting wegens te late oplevering. De tegenvordering van [de aannemer] slaagt deels en zal verrekend worden met de vordering van [de onderaannemer] , zodat daarvan nog een deel resteert. Hierna legt de kantonrechter dit oordeel uit.





2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de conclusie van antwoord in reconventie- het bericht van 8 mei 2026 met productie(s) van [de aannemer]- de mondelinge behandeling van 19 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





3De feiten


3.1.

[de aannemer] voert bouwmanagement uit voor haar klanten. In dat kader vraagt [de aannemer] offertes aan bij aannemers, zoals [de onderaannemer] . Daarbij stuurt [de aannemer] onder andere een technische werkomschrijving, tekeningen en een planning mee. Vervolgens stuurt de aannemer een offerte. [de aannemer] bespreekt deze met zijn klant en bij akkoord verstrekt [de aannemer] de opdracht aan de betreffende aannemer. Deze aannemer stelt vervolgens een overeenkomst van aanneming van werk op, waarop de UAV 2012 van toepassing zijn.



3.2.
In deze zaak draait het met name om een drietal projecten waarin tussen partijen op de hiervoor omschreven wijze een overeenkomst van (onder)aanneming tot stand is gekomen. Dit betreft de volgende projecten:


Project [adres 1]


Project [adres 2]


Project [adres 3] .





3.3.
In de technische werkomschrijving van het project [adres 1] staat onder her kopje ‘Uitvoeringsduur’ dat het werk uiterlijk 1 maart 2024 dient te worden op geleverd. Verder staat in deze technische werkomschrijving onder het kopje ‘Kortingen’ dat de korting als bedoeld in paragraaf 42 UAV 2012 € 150,00 per dag bedraagt.





4Het geschil



in conventie




4.1.

[de onderaannemer] vordert - samengevat - veroordeling van [de aannemer] tot betaling van € 20.140,48, vermeerderd met rente en kosten.



4.2.

[de aannemer] voert verweer. [de aannemer] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de onderaannemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de onderaannemer] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de onderaannemer] in de kosten van deze procedure.



4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.



in reconventie





4.4.

[de aannemer] vordert - samengevat - veroordeling van [de onderaannemer] tot betaling van € 25.000,00, vermeerderd met rente en kosten.



4.5.

[de onderaannemer] voert verweer. [de onderaannemer] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de aannemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de aannemer] , met veroordeling van [de aannemer] in de kosten van deze procedure.



4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling



in conventie




5.1.
De vordering van [de onderaannemer] ziet op betaling van openstaande aanneemsommen en kosten meerwerk, vermeerderd met rente en kosten. Op zichzelf wordt deze vordering door [de aannemer] erkend, althans niet of onvoldoende bestreden, maar [de aannemer] doet een beroep op verrekening met vorderingen die hij op [de onderaannemer] stelt te hebben. Voor deze vorderingen heeft [de aannemer] ook een eis in reconventie ingesteld. Voor de (verdere) beoordeling van deze vorderingen verwijst de kantonrechter naar de beoordeling in reconventie hieronder.



5.2.
Uit de beoordeling in reconventie volgt dat de tegenvordering van [de aannemer] toewijsbaar is tot een bedrag van in totaal € 10.221,02 (€ 8.188,22 + € 544,50 + € 181,50 + € 1.306,80). Dat bedrag kan verrekend worden met de vordering van [de onderaannemer] in conventie van € 20.140,48, zodat daarvan resteert € 9.919,46. Dit bedrag moet [de aannemer] dus aan [de onderaannemer] betalen.



5.3.

[de aannemer] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de onderaannemer] worden – uitgaande van een toewijsbare vordering van € 9.919,46 – begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


120,21







- griffierecht


€


543,00







- salaris gemachtigde


€


720,00


(2 punten × € 360,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.527,21











in reconventie





5.4.
De tegenvorderingen van [de aannemer] zal de kantonrechter per post behandelen.



Minderwerk ( [adres 2] )




5.5.

[de aannemer] stelt dat er met betrekking tot het project [adres 2] een minderwerkpost is ontstaan van € 8.188,22. Dat wordt door [de onderaannemer] erkend, zodat de betreffende vordering van € 8.188,22 zal worden toegewezen. Weliswaar voert [de onderaannemer] hierbij aan dat de nog te verstrekken creditnota afhankelijk is van afstemming met de eindgebruiker, maar dat heeft geen betrekking op de rechtsverhouding tussen partijen en staat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet aan toewijzing van deze minderwerkvordering in de weg.



Schade zetwerk ( [adres 3] )




5.6.
Met betrekking tot het project [adres 3] stelt [de aannemer] dat [de onderaannemer] aansprakelijk is voor de door [de aannemer] gemaakte kosten van € 181,50 voor het aanbrengen van (nieuw) zetwerk. Volgens [de aannemer] is deze schade ontstaan doordat een onderaannemer van [de onderaannemer] ( [de electricien] ) de elektriciteitskabels van de screens niet goed heeft aangesloten. Vervolgens heeft [de aannemer] diezelfde onderaannemer ( [de electricien] ) opdracht gegeven om de schade te herstellen door nieuw zetwerk aan te brengen. [de onderaannemer] betwist dat deze schade is veroorzaakt door [de electricien] . [de onderaannemer] voert aan dat een onderaannemer van [de aannemer] (de elektricien) de schade heeft veroorzaakt. In dat kader wijst [de onderaannemer] op de als aanvullende productie 12 overgelegde foto en een verklaring van [de electricien] . In het licht van deze gemotiveerde betwisting heeft [de aannemer] de betreffende vordering (met name de daaraan ten grondslag liggende stelling dat de schade is veroorzaakt door een onderaannemer van [de onderaannemer] ) naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. Daarom zal deze vordering afgewezen worden.



Onderzoekskosten isolatie ( [adres 1] )




5.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat [de onderaannemer] in het kader van de aan hem verstrekte opdracht isolatie zou (laten) aanbrengen in het plafond van de keuken. Verder staat tussen partijen vast dat uit onderzoek door een derde in opdracht van [de aannemer] is gebleken dat het aanbrengen van isolatie in het plafond niet is gebeurd. Eveneens staat tussen partijen vast dat [de aannemer] [de onderaannemer] naar aanleiding van klachten over de temperatuur in de keuken heeft verzocht om te onderzoeken of de plafondisolatie goed was aangebracht. Ter zitting heeft [de onderaannemer] verklaard dat hij geen (verder) onderzoek heeft verricht, omdat hij er te goeder trouw van uitging dat het plafond was geïsoleerd. Deze goede trouw baseert [de onderaannemer] op de mededeling van de timmerman dat hij de plafondisolatie (goed) heeft aangebracht. Ter zitting heeft [de onderaannemer] verklaard dat deze timmerman bij hem – [de onderaannemer] – in dienst was. Dat brengt naar het oordeel van de kantonrechter mee dat deze onjuiste mededeling van de timmerman voor rekening en risico van [de onderaannemer] komt. Doordat [de onderaannemer] op basis van die mededeling weigerde nader onderzoek te doen, kwalificeren de door [de aannemer] gevorderde onderzoekskosten naar het oordeel van de kantonrechter als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 aanhef en onder b. BW. Daarom zal de betreffende vordering van € 544,50 worden toegewezen.



Onderzoekskosten lekkage badkamer ( [adres 2] )




5.8.
Ook de door [de aannemer] gevorderde onderzoekskosten van de loodgieter ten aanzien van de lekkage in de badkamer kwalificeren naar het oordeel van de kantonrechter als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 aanhef en onder b. BW. Tussen partijen is niet in geschil dat de lekkage in de badkamer veroorzaakt is door gebrekkig kit- en voegwerk van (een onderaannemer van) [de onderaannemer] . Volgens [de onderaannemer] komen de onderzoekskosten echter niet voor zijn rekening, omdat [de aannemer] niet hem, maar de loodgieter de lekkage heeft laten onderzoeken. [de aannemer] heeft ter zitting echter verklaard dat hij óf [de aannemer] óf de loodgieter de onderzoeksopdracht moest geven. [de aannemer] heeft gekozen voor de loodgieter, omdat dat het meest voor de hand ligt bij een lekkage. Bovendien leek het [de aannemer] met het oog op de mogelijke gevolgen logisch en verstandig om eerst de loodgieter in te schakelen. In het licht van deze niet weersproken toelichting is de kantonrechter van oordeel dat de door [de aannemer] gevorderde onderzoekskosten gelden als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 aanhef en onder b. BW. Daarom zal de betreffende vordering van € 181,50 worden toegewezen.



Schade stucwerk buren ( [adres 1] )




5.9.

[de onderaannemer] heeft erkend dat hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden schade heeft toegebracht aan het stucwerk bij de buren van de [adres 1] . [de onderaannemer] heeft ook erkend dat partijen hebben afgesproken dat [de aannemer] een stucadoor zou regelen die het stucwerk op kosten van [de onderaannemer] zou herstellen. Tussen partijen is evenmin in geschil dat dit is gebeurd, alleen [de onderaannemer] voert verweer tegen de hoogte van de betreffende factuur. Dat verweer slaagt niet. [de onderaannemer] heeft op voorhand geen maximaal bedrag of andere begrenzing meegedeeld en de betreffende factuur ten bedrage van € 1.306,80 (productie 2 bij conclusie van antwoord) komt de kantonrechter ook niet buitensporig hoog voor. Daarom zal de betreffende vordering van € 1.306,80 worden toegewezen.



Korting ( [adres 1] )




5.10.
Wat betreft de gevorderde korting overweegt de kantonrechter als volgt. [de aannemer] stelt dat hij zonder ingebrekestelling recht heeft op deze korting. Dat is op grond van artikel 6:83 aanhef en onder a. BW en de rechtspraak hierover het geval als er sprake is van 1) een voldoende bepaalde termijn, 2) tenzij die termijn niet een fatale strekking heeft.



5.11.
Tussen partijen staat vast dat in de technische werkomschrijving als uiterlijke opleveringsdatum 1 maart 2024 staat. Echter, partijen zijn het er ook over eens dat a) deze datum wegens omstandigheden niet haalbaar was en dat b) [de onderaannemer] de opleverdatum vervolgens met instemming van [de aannemer] in zijn blokplanning (aanvullende productie 9 van [de aannemer] ) heeft verschoven naar 27 september 2024. Dat is (net als 1 maart 2024) een voldoende bepaalde termijn, maar is deze opleverdatum ook een fatale termijn?



5.12.

[de onderaannemer] beroept zich op de hiervoor genoemde ‘tenzij’-situatie van artikel 6:83 aanhef en onder a. BW. Volgens [de onderaannemer] heeft de termijn van 27 september 2024 (net als de termijn van 1 maart 2024) niet de strekking van een fatale termijn. In dat kader stelt [de onderaannemer] dat hij met [de aannemer] nooit een harde deadline overeenkomt, omdat je bij een verbouwing altijd dingen tegenkomt. Verder stelt [de onderaannemer] dat partijen een latere dan geplande oplevering in de praktijk altijd met goede gesprekken onderling oplossen zonder boete of korting. Deze stellingen zijn niet (gemotiveerd) betwist door [de aannemer] . Integendeel, ter zitting verklaarde (ook) [de aannemer] dat partijen al 15 jaar samenwerken en dat zij elkaar bij tegenslag bellen en het onderling oplossen.



5.13.
De kantonrechter is van oordeel dat een opleverdatum in beginsel de strekking heeft van een fatale termijn. Echter, op grond van de hiervoor weergegeven omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de termijn van 27 september 2024 niet kwalificeert als fatale termijn. Uit het handelen van [de aannemer] in de samenwerking met [de onderaannemer] (blijkend uit onder andere de verklaringen van [de onderaannemer] én [de aannemer] ter zitting) mocht [de onderaannemer] naar het oordeel van de kantonrechter redelijkerwijs afleiden dat [de aannemer] niet zonder ingebrekestelling of vooraankondiging aanspraak zou maken op de in de procedure gevorderde korting. Daarom zal de betreffende vordering worden afgewezen.



Kosten extra bouwbegeleiding ( [adres 1] )




5.14.

[de aannemer] stelt dat hij als gevolg van de eerder genoemde vertraging in de oplevering en de (overige) tekortkomingen aan de zijde van [de onderaannemer] € 4.537,50 schade heeft aan extra uren (interne) bouwbegeleiding. (De omvang van) deze schadepost wordt gemotiveerd betwist door [de onderaannemer] . Zo voert [de onderaannemer] aan dat deze kosten onredelijk hoog zijn en onvoldoende zijn gespecificeerd. In het licht van deze gemotiveerde betwisting heeft [de aannemer] de betreffende vordering naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. Weliswaar heeft [de aannemer] als productie 3 bij conclusie van antwoord een zelf opgestelde urenverantwoording overgelegd, maar dat stuk is onvoldoende concreet. Zo ontbreekt een toelichting waarom het voor [de aannemer] noodzakelijk was om – naast de tijd van de stucadoor – 6 uur tijd te besteden bij/aan de buren van de [adres 1] . Daarom zal de betreffende vordering worden afgewezen.



5.15.
Gelet op het voorgaande is de tegenvordering van [de aannemer] toewijsbaar tot een bedrag van in totaal € 10.221,02 (€ 8.188,22 + € 544,50 + € 181,50 + € 1.306,80). Dat bedrag wordt in conventie verrekend met de vordering van [de onderaannemer] van € 20.140,48. Dat brengt mee dat in reconventie geen veroordeling zal volgen en dat de gevorderde wettelijke handelsrente zal worden afgewezen.



5.16.
Gelet op de samenhang met de conventie en omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.





6De beslissing


De kantonrechter




in conventie




6.1.
veroordeelt [de aannemer] om aan [de onderaannemer] te betalen een bedrag van € 9.919,46, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover, met ingang van 26 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,



6.2.
veroordeelt [de aannemer] in de proceskosten van € 1.527,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de aannemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,



in reconventie





6.5.
wijst de vorderingen af,



6.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.


Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.










ECLI:NL:PHR:2026:206