Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6397
2026-05-26
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/02/446427 / KG ZA 26-155
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Mondelinge overeenkomst overname huisartsenpraktijk
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2021:1036 Hoge Raad 06-07-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.183 tekens)
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/446427 / KG ZA 26-155
Vonnis in kort geding van 26 mei 2026
in de zaak van
MAATSCHAP [huisartsenpraktijk 1] mede h.o.d.n.
[huisartsenpraktijk 2]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen [eisende partij] ,
advocaat: mr. J.H. Bargeman,
tegen
[verwerende partij] h.o.d.n. [huisarts],
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen [verwerende partij] ,
advocaat: mr. J.A. Veldkamp.
1De zaak in het kort
1.1.
Partijen hebben onderhandeld over de overname door [eisende partij] van de huisartsenpraktijk en het praktijkpand van [verwerende partij] . Volgens [eisende partij] is er een mondelinge overeenkomst tussen partijen gesloten inhoudende dat zij de huisartsenpraktijk (de patiëntendossiers) overneemt. [verwerende partij] betwist dat er tussen partijen een overeenkomst is gesloten. De vorderingen van [eisende partij] strekken tot nakoming van de overeenkomst. De voorzieningenrechter zal de vorderingen toewijzen. Die beslissing wordt hieronder toegelicht.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de conceptdagvaarding waarop de vrijwillige verschijning van gedaagde betrekking heeft, met producties 1 t/m 10,
de vrijwillige verschijning van [verwerende partij] ,
de mondelinge behandeling van 19 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
de spreekaantekeningen van [verwerende partij] .
3De feiten
3.1.
Partijen exploiteren beiden een huisartsenpraktijk. [eisende partij] in de vorm van een maatschap met als maten [persoon 1] en -via haar holding- [persoon 2] en [verwerende partij] in de vorm van een eenmanszaak.
3.2.
[verwerende partij] exploiteert zijn huisartsenpraktijk aan huis te [plaats 2] . In verband met zijn naderende pensionering in 2026 heeft [verwerende partij] in de loop van 2025 zijn praktijk en praktijkpand ter overname aangeboden via een advertentie op de website van de LHV.
3.3.
[eisende partij] heeft op die advertentie gereageerd.
3.4.
Op 7 oktober 2025 heeft tussen partijen een bespreking plaatsgevonden.
3.5.
Na die bespreking heeft tot 5 januari 2026 een uitgebreide whatsappcorrespondentie tussen partijen plaatsgevonden, waaronder apps van 7, 8, 15 en 16 oktober 2026. In deze apps heeft [eisende partij] aan [verwerende partij] gevraagd om de contracten van de medewerkers van [verwerende partij] en om het contract van HAGRO die tijdens de zomermaanden voor hem waarneemt en heeft [verwerende partij] toegezegd die gegevens te zullen verstrekken. Daarnaast heeft hij [eisende partij] in overweging gegeven zijn praktijkruimte tijdelijk te huren. De overige whatsappcorrespondentie had voornamelijk betrekking op de eventuele overname van het pand door [eisende partij] .
3.6.
Op 5 januari 2026 heeft een vervolggesprek tussen partijen plaatsgevonden. Tijdens dat gesprek heeft [eisende partij] aan [verwerende partij] medegedeeld dat het voor haar niet mogelijk is om het pand over te nemen.
3.7.
[verwerende partij] heeft diezelfde dag aan [eisende partij] geappt:
als het nodig blijkt om iets langer de praktijk op mijn adres door te zetten totdat de nieuwe locatie af is, dan is dat te bespreken. Ik ben daar flexibel in.
3.8.
Op 7 januari 2026 heeft [verwerende partij] aan [persoon 2] geappt:
het zijn de volgende postcodes die jullie graag aannemen voor mijn praktijk: [postcode 1] [postcode 2] [postcode 3] ? Waarop door [persoon 2] appt: Het gaat inderdaad om de postcodes [postcode 1] , [postcode 2] , [postcode 3] en [postcode 4]
Op 15 januari 2026 heeft [persoon 2] aan [verwerende partij] geappt:
-28-1 is de webinar digitaal inschrijven van de HZG. Misschien fijn om dat door je assistentes te laten volgen?
- Wat zijn de afspraken met jouw assistentes voor de zomervakantie?
- Wij willen namelijk niet dicht
- Zou jij mij de telefoonnummers van alle dames willen sturen? Dan kunnen we een kennismaking organiseren!
Waarop [verwerende partij] heeft geantwoord:
- Ik zal ze er op attenderen en stimuleren om zich aan te melden
- Normaliter hebben zij vakantie als ik vakantie heb, ik het er nog niet met ze over gehad. Is goed om met ze een afspraak in te plannen.
Nadat [verwerende partij] heeft aangeven wat de werkdagen zijn van zijn assistentes heeft [persoon 2] geappt:
We willen een etentje en kennismaking met ze plannen en ook onze plannen uitleggen. Vandaar dat ik een groep wil aanmaken om een datum te prikken.
[verwerende partij] heeft vervolgens de namen en telefoonnummers gegeven van het praktijk-personeel. [persoon 2] heeft daarop geantwoord niet verder te gaan met de praktijkmanager omdat [eisende partij] er zelf een heeft.
Op de vraag van [persoon 2] of [verwerende partij] de opzegging van het contract van de praktijkmanager heeft doorgegeven bij de HZG of dat [eisende partij] dat moet doen, heeft hij geantwoord: Nog niet ga ik wel doen.
3.9.
Op 22 januari 2026 heeft [eisende partij] het praktijkpersoneel van [verwerende partij] via WhatssApp uitgenodigd voor een kennismakingsetentje op 12 februari 2026.
3.10.
[verwerende partij] heeft op 3 februari 2026 telefonisch aan [eisende partij] medegedeeld dat hij met een derde een overeenkomst heeft gesloten voor de overname van zowel de praktijk als het pand en dat hij niet verder in zee gaat met [eisende partij] .
3.11.
[eisende partij] heeft op 5 februari 2026 aan [verwerende partij] bericht dat tussen partijen op 7 oktober 2025 een mondelinge overeenkomst is gesloten, dat [verwerende partij] deze heeft verbroken en dat zij aanspraak maakt op een vergoeding van € 150.000,00.
3.12.
Bij brief van zijn advocaat van 6 februari 2026 heeft [verwerende partij] betwist dat er tussen partijen een mondelinge overeenkomst is gesloten en dat bindende afspraken zijn gemaakt. Door (de advocaat van) [verwerende partij] is gevraagd om bewijzen te overleggen van de vermeend gesloten overeenkomst.
3.13.
In reactie hierop heeft de advocaat van [eisende partij] op 2 maart 2026 aan (de advocaat van) [verwerende partij] geschreven dat tussen partijen op 7 oktober 2025 overeenstemming is bereikt over de overname van het patiëntenbestand per 1 juli 2026, ongeacht de overname van het pand, wat blijkt uit het whatsappbericht van [verwerende partij] van 16 oktober 2025. Verzocht is om binnen 8 dagen na datum brief te bevestigen dat [verwerende partij] de overeenkomst gestand doet en alle medewerking zal verlenen met betrekking tot de overname van de praktijk. Aan dit verzoek is niet voldaan. De advocaat van [verwerende partij] heeft op 9 maart 2026 zijn standpunt herhaald dat er geen sprake is van een overeenkomst met [eisende partij] .
3.14.
[verwerende partij] heeft op zijn website de mededeling geplaatst dat de praktijk per 1 juli 2026 overgaat naar [persoon 3]
4Het geschil
4.1.
[eisende partij] vordert als voorlopige voorziening:
I) [verwerende partij] te verbieden de praktijk aan een derde over te dragen op straffe van een dwangsom van € 100.000,00
II) [verwerende partij] te gebieden de mededeling dat de praktijk door [persoon 3] wordt overgenomen van de website te verwijderen, en zich te onthouden van het doen van dergelijke mededelingen, op straffe van een dwangsom van € 2.000,00 per dag of dagdeel,
III) [verwerende partij] te veroordelen tot het verlenen van (op eerste verzoek) alle noodzake-lijke medewerking die vereist is voor de overdracht van de praktijk door, waaronder begrepen, doch niet beperkt tot:
- het tijdig schriftelijk introduceren van de overname door [eisende partij] aan alle patiënten en alle relaties en instellingen waarmee [verwerende partij] samenwerkt in de uitoefening van diens praktijk;
- het verstrekken van alle voor- en inlichtingen welke voor de voortzetting van de praktijk nodig zijn of zullen worden, waaronder wordt begrepen, doch niet beperkt tot: I) de medische administratie; II) patiëntgegevens; III) medische dossiers.
op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per keer dat [verwerende partij] nalaat/onvoldoende medewerking verleent aan de overdracht.
IV) [verwerende partij] te veroordelen om binnen veertien dagen na een ten deze wijzen vonnis, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eisende partij] te voldoen een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke kosten, daarna te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening,
V) [verwerende partij] te veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure binnen veertien dagen na een ten deze te wijzen vonnis, daarna te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening.
4.2.
[verwerende partij] heeft daartegen verweer gevoerd. Op dat verweer en de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
algemeen kader
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisende partij] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
spoedeisend belang
5.2.
[eisende partij] heeft gesteld een spoedeisend belang te hebben bij de door haar gevorderde voorlopige voorziening, omdat partijen overeengekomen zijn dat de overname van de praktijk op 1 juli 2026 zou zijn afgerond en deze datum vanwege vertraging door [verwerende partij] niet meer kan worden gehaald, zodat het proces vertraging oploopt. Ter voorkoming van verdere uitloop van de overname en het daardoor mislopen van inkomsten door [eisende partij] is een zo spoedig mogelijke overdracht en de daarvoor noodzakelijke medewerking van [verwerende partij] vereist. Omdat [verwerende partij] een overeenkomst heeft gesloten met een andere partij op grond waarvan de patiëntengegevens aan die partij zullen worden overgedragen heeft [eisende partij] recht en belang bij een voorziening in kort geding en kan de uitkomst van een bodemprocedure niet worden
afgewacht.
5.3.
[eisende partij] heeft gelet op het vorenstaande naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang voldoende onderbouwd. Dit wordt door [verwerende partij] overigens ook niet betwist.
overname huisartsenpraktijk
5.4.
[eisende partij] stelt dat op 7 oktober 2026 tussen partijen overeenstemming is bereikt met betrekking tot de overname van de huisartsenpraktijk (patiënten en personeel) van [verwerende partij] per 1 juli 2026. Daarna is tussen hen nog uitvoerig overleg geweest met betrekking tot de eventuele overname van het pand en de in dat kader door [eisende partij] te verrichten onderzoeken. De overname van het pand was geen essentieel onderdeel van de overname van de praktijk. Dat blijkt uit het aanbod van [verwerende partij] aan [eisende partij] om tijdelijk zijn praktijkruimte te huren. Op 5 januari 2026 heeft [eisende partij] [verwerende partij] medegedeeld dat overname van het pand niet mogelijk waarbij zij de overname van de praktijk per 1 juli 2026 heeft bevestigd. Deze de datum is om praktische redenen vervroegd naar maandag 28 juni 2026 omdat 1 juli 2026 op een woensdag valt. Het staat [verwerende partij] niet vrij om de praktijk aan een andere partij over te dragen. Op grond van artikel 3:296 lid 1 BW vordert [eisende partij] nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Omdat inmiddels gebleken is dat de personeelsleden van [verwerende partij] niet mee over zullen gaan ziet de gevorderde nakoming alleen op de patiëntendossiers.
5.5.
[verwerende partij] stelt zich op het standpunt dat er tussen partijen geen overeenkomst is gesloten. Volgens hem was er slechts sprake van de intentie tot overname van de praktijk en het pand door [eisende partij] en hebben zij daarover vrijblijvend met elkaar gesproken. Zo was er tussen hen ook nog geen overeenstemming over de overnamedatum. [eisende partij] maakt zelf melding van 28, 29 juni of 1 juli 2026 dan wel de beoogde overnamedatum. Omdat zij slechts vrijblijvend met elkaar hebben gesproken is er ook geen schriftelijk contract tussen partijen. In het kader van die vrijblijvende gesprekken is tussen partijen gesproken over de mogelijkheid voor [eisende partij] om het praktijkpand over te nemen dan wel te huren. [eisende partij] heeft in haar whatsappbericht van 7 januari 2026 aangegeven dat zij slechts een deel van het patiëntenbestand (met betrekking tot bepaalde postcodes) wil overnemen. Ook hieruit blijkt dus dat daarover op 7 oktober 2025 geen overeenstemming bestond.
Overwegingen voorzieningenrechter
5.6.
De kern van het geschil is of er tussen partijen een overeenkomst is gesloten met betrekking tot de overname van de praktijk -meer in het bijzonder de patiëntendossiers- van [verwerende partij] door [eisende partij] .
5.7.
Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding en is vormvrij, wat betekent dat, anders dan [verwerende partij] kennelijk meent, niet noodzakelijk is dat deze op schrift is gesteld.
5.8.
De voorzieningenrechter stelt vast dat:
Partijen in de whatsappcorrespondentie tot 5 januari 2026 veelvuldig contact met elkaar hebben gehad over de praktijkovername bestaande uit zowel de patiëntendossiers, de medewerkers als het pand,
[eisende partij] direct na het gesprek op 7 oktober 2025 via whatsapp aan [verwerende partij] heeft gevraagd om de contracten van het praktijkpersoneel van [verwerende partij] en om het contract van waarnemer HAGRO en dat [verwerende partij] deze gegevens heeft verstrekt,
[verwerende partij] na 7 oktober 2025 geen advertentie meer heeft geplaatst op de website van de LHV met betrekking tot de overname van zijn praktijk,
na het gesprek op 5 januari 2026, waarin duidelijk is geworden dat [eisende partij] het pand niet zal overnemen, partijen in de whatsappcorrespondentie (de whatsappberichten van 15 januari 2026) een praktische invulling hebben gegeven aan de praktijkovername, zoals de vakantieregeling, het niet overnemen van de praktijkmanager en het vragen van de telefoonnummers van het praktijkpersoneel voor een kennismakingsgesprek door [eisende partij] ,
dat die gegevens door [verwerende partij] zijn verstrekt en dat [verwerende partij] heeft toegezegd de opzegging van het contract voor de praktijkmanager te zullen doorgeven bij de HZG.
5.9.
Deze feitelijke gang van zaken duidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter erop dat er tussen partijen op 7 oktober 2025 een overeenkomst met betrekking tot de overname van de huisartsenpraktijk (exclusief praktijkpand) is gesloten per 1 juli 2026. Voldoende blijkt daaruit dat partijen na 7 oktober 2025 praktisch uitvoering zijn gaan geven aan hun afspraak over overname van de praktijk (toen nog inclusief medewerkers) onder meer door het uitwisselen van gegevens over een waarnemer in de zomer, over contracten van personeelsleden, over werkroosters van het praktijkpersoneel en over een kennismaking. Daarvoor zijn ook de benodigde gegevens verstrekt door [verwerende partij] . Met name de voorgestelde kennismaking met het praktijkpersoneel, in de vorm van een etentje, waartoe telefoonnummers en namen zijn doorgegeven duidt in sterke mate erop dat het voor iedereen duidelijk was dat [eisende partij] de praktijk zou overnemen en dit ook al zo was gecommuniceerd naar het praktijkpersoneel. Dat in de periode na 7 oktober 2025 afspraken over overname personeel en de precieze datum nog gewijzigd zijn doen niet af aan de overeenstemming over de overname van de huisartsenpraktijk.
5.10.
[verwerende partij] heeft niet weersproken dat de beoogde overnamedatum tijdens het gesprek op 5 januari 2026 om praktische redenen met twee dagen is vervroegd tot 29 juni 2026 (28 juni 2026 is kennelijk een verschrijving nu dit een zondag is) Ook is voldoende aannemelijk geworden dat overeenstemming is bereikt over de overname van de patiëntendossiers. [persoon 1] heeft namens [eisende partij] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat alle patiënten worden overgenomen, maar dat in verband met het landelijk beleid van een wijkgerichte huisartsenzorg patiënten die niet in de genoemde postcodegebieden wonen zal worden gevraagd om een huisarts in hun eigen wijk te zoeken.
5.11.
[verwerende partij] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat het feit dat veel praktische zaken al besproken zijn tussen partijen en de omstandigheid dat hij gegevens van zijn personeel heeft doorgegeven aan [eisende partij] in verband met een kennismakingsetentje niet duidt op overeenstemming over overname. Deze handelwijze zou hij ook gevolgd hebben bij eerdere potentiële overnamekandidaten. De voorzieningenrechter gaat aan dit standpunt voorbij, omdat haar dit ongeloofwaardig voorkomt en dit bovendien ook niet gebleken is op basis van de stukken. Daarbij wordt nog opgemerkt dat nergens in de overgelegde Whatsapp-gesprekken enig voorbehoud wordt gemaakt door [verwerende partij] , (bijvoorbeeld dat de door hem verstrekte personeelsgegevens slechts gebruikt mogen worden als er een definitieve overeenkomst wordt gesloten) hetgeen voor de hand had gelegen als [verwerende partij] meende dat nog geen overeenstemming bestond en hij de gegevens enkel verstrekte aan een potentiële overnamekandidaat.
5.12.
Verder is voldoende aannemelijk geworden dat [persoon 2] en [persoon 1] hebben opgetreden namens [eisende partij] , nu zij gezamenlijk contact hadden met [verwerende partij] en zij als huisartsen samenwerken in de maatschap [eisende partij] . Dat niet expliciet benoemd zou zijn dat een overeenkomst tot overname van de praktijk zou worden gesloten met [eisende partij] of dat zij namens die maatschap optraden is daarbij niet doorslaggevend. De voorzieningenrechter neemt aan op basis van het langdurig contact tussen partijen dat het voor [verwerende partij] voldoende duidelijk was dat de overnemende partij de huisartsenpraktijk van [persoon 2] en [persoon 1] betrof. Gesteld noch gebleken is dat [verwerende partij] niet wist van het bestaan van de [eisende partij] . Dat wordt bovendien niet aannemelijk geacht.
5.13.
Wat hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat [verwerende partij] de tussen partijen gesloten overeenkomst tot overdracht van de patiëntenpraktijk moet nakomen en dat hij die praktijk niet mag overdragen aan een derde. Een afweging van belangen van partijen leidt niet tot een andere beslissing.
De vorderingen I t/m III worden toegewezen, waarbij die delen van de vordering die naar het oordeel van de voorzieningenrechter te onbepaald zijn worden afgewezen. De enkele omstandigheid dat toewijzing van een vordering in kort geding tot een onomkeerbare schade of andere onomkeerbare gevolgen leidt, behoeft geen beletsel te zijn voor toewijzing (HR 25 oktober 20213, ECLI:NL:HR:2021:1036), zodat het daartoe strekkende verweer wordt gepasseerd.
Dwangsommen
5.14.
[verwerende partij] heeft aangegeven dat een dwangsom onnodig omdat hij zich aan een vonnis zal conformeren. Hij heeft daarbij echter aangegeven zich aan de uitspraak te zullen conformeren als die in kracht van gewijsde is gegaan. De voorzieningenrechter acht daarom een prikkel tot nakoming nodig. De onder I gevorderde dwangsom zal worden toegewezen. De onder II en III gevorderde dwangsommen worden gematigd en gemaximeerd als na te melden
Buitengerechtelijke kosten
5.15.
De onder IV gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. Er is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een niet aanvaard- schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op de gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.
Proceskosten
5.16.
[verwerende partij] is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.101,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1.
verbiedt [verwerende partij] de praktijk aan een derde over te dragen op straffe van een dwangsom van € 100.000,00,
6.2.
gebiedt [verwerende partij] om na betekening van dit vonnis de mededeling dat de praktijk door [persoon 3] wordt overgenomen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis van de website te verwijderen en zich te onthouden van het doen van die mededeling, op straffe van een dwangsom van € 1.500,00 per dag of dagdeel met een maximum van € 25.000,00,
6.3.
veroordeelt [verwerende partij] , na betekening van dit vonnis, tot het verlenen van (op eerste verzoek) alle noodzakelijke medewerking die vereist is voor de overdracht van de praktijk door:
- het tijdig schriftelijk introduceren van de overname door [eisende partij] aan alle patiënten en alle relaties en instellingen waarmee [verwerende partij] samenwerkt in de uitoefening van diens praktijk;
- het verstrekken van alle voor- en inlichtingen welke voor de voortzetting van de praktijk nodig zijn of zullen worden, waaronder wordt begrepen, I) de medische administratie; II) patiëntgegevens; III) medische dossiers.
op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per keer dat [verwerende partij] binnen 1 week na het doen van een schriftelijke verzoek tot medewerking nalaat deze medewerking aan de overdracht te verlenen, met een maximum van € 25.000,00,
6.4.
veroordeelt [verwerende partij] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als hij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
veroordeelt [verwerende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Scheffers en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/446427 / KG ZA 26-155
Vonnis in kort geding van 26 mei 2026
in de zaak van
MAATSCHAP [huisartsenpraktijk 1] mede h.o.d.n.
[huisartsenpraktijk 2]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen [eisende partij] ,
advocaat: mr. J.H. Bargeman,
tegen
[verwerende partij] h.o.d.n. [huisarts],
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen [verwerende partij] ,
advocaat: mr. J.A. Veldkamp.
1De zaak in het kort
1.1.
Partijen hebben onderhandeld over de overname door [eisende partij] van de huisartsenpraktijk en het praktijkpand van [verwerende partij] . Volgens [eisende partij] is er een mondelinge overeenkomst tussen partijen gesloten inhoudende dat zij de huisartsenpraktijk (de patiëntendossiers) overneemt. [verwerende partij] betwist dat er tussen partijen een overeenkomst is gesloten. De vorderingen van [eisende partij] strekken tot nakoming van de overeenkomst. De voorzieningenrechter zal de vorderingen toewijzen. Die beslissing wordt hieronder toegelicht.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de conceptdagvaarding waarop de vrijwillige verschijning van gedaagde betrekking heeft, met producties 1 t/m 10,
de vrijwillige verschijning van [verwerende partij] ,
de mondelinge behandeling van 19 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
de spreekaantekeningen van [verwerende partij] .
3De feiten
3.1.
Partijen exploiteren beiden een huisartsenpraktijk. [eisende partij] in de vorm van een maatschap met als maten [persoon 1] en -via haar holding- [persoon 2] en [verwerende partij] in de vorm van een eenmanszaak.
3.2.
[verwerende partij] exploiteert zijn huisartsenpraktijk aan huis te [plaats 2] . In verband met zijn naderende pensionering in 2026 heeft [verwerende partij] in de loop van 2025 zijn praktijk en praktijkpand ter overname aangeboden via een advertentie op de website van de LHV.
3.3.
[eisende partij] heeft op die advertentie gereageerd.
3.4.
Op 7 oktober 2025 heeft tussen partijen een bespreking plaatsgevonden.
3.5.
Na die bespreking heeft tot 5 januari 2026 een uitgebreide whatsappcorrespondentie tussen partijen plaatsgevonden, waaronder apps van 7, 8, 15 en 16 oktober 2026. In deze apps heeft [eisende partij] aan [verwerende partij] gevraagd om de contracten van de medewerkers van [verwerende partij] en om het contract van HAGRO die tijdens de zomermaanden voor hem waarneemt en heeft [verwerende partij] toegezegd die gegevens te zullen verstrekken. Daarnaast heeft hij [eisende partij] in overweging gegeven zijn praktijkruimte tijdelijk te huren. De overige whatsappcorrespondentie had voornamelijk betrekking op de eventuele overname van het pand door [eisende partij] .
3.6.
Op 5 januari 2026 heeft een vervolggesprek tussen partijen plaatsgevonden. Tijdens dat gesprek heeft [eisende partij] aan [verwerende partij] medegedeeld dat het voor haar niet mogelijk is om het pand over te nemen.
3.7.
[verwerende partij] heeft diezelfde dag aan [eisende partij] geappt:
als het nodig blijkt om iets langer de praktijk op mijn adres door te zetten totdat de nieuwe locatie af is, dan is dat te bespreken. Ik ben daar flexibel in.
3.8.
Op 7 januari 2026 heeft [verwerende partij] aan [persoon 2] geappt:
het zijn de volgende postcodes die jullie graag aannemen voor mijn praktijk: [postcode 1] [postcode 2] [postcode 3] ? Waarop door [persoon 2] appt: Het gaat inderdaad om de postcodes [postcode 1] , [postcode 2] , [postcode 3] en [postcode 4]
Op 15 januari 2026 heeft [persoon 2] aan [verwerende partij] geappt:
-28-1 is de webinar digitaal inschrijven van de HZG. Misschien fijn om dat door je assistentes te laten volgen?
- Wat zijn de afspraken met jouw assistentes voor de zomervakantie?
- Wij willen namelijk niet dicht
- Zou jij mij de telefoonnummers van alle dames willen sturen? Dan kunnen we een kennismaking organiseren!
Waarop [verwerende partij] heeft geantwoord:
- Ik zal ze er op attenderen en stimuleren om zich aan te melden
- Normaliter hebben zij vakantie als ik vakantie heb, ik het er nog niet met ze over gehad. Is goed om met ze een afspraak in te plannen.
Nadat [verwerende partij] heeft aangeven wat de werkdagen zijn van zijn assistentes heeft [persoon 2] geappt:
We willen een etentje en kennismaking met ze plannen en ook onze plannen uitleggen. Vandaar dat ik een groep wil aanmaken om een datum te prikken.
[verwerende partij] heeft vervolgens de namen en telefoonnummers gegeven van het praktijk-personeel. [persoon 2] heeft daarop geantwoord niet verder te gaan met de praktijkmanager omdat [eisende partij] er zelf een heeft.
Op de vraag van [persoon 2] of [verwerende partij] de opzegging van het contract van de praktijkmanager heeft doorgegeven bij de HZG of dat [eisende partij] dat moet doen, heeft hij geantwoord: Nog niet ga ik wel doen.
3.9.
Op 22 januari 2026 heeft [eisende partij] het praktijkpersoneel van [verwerende partij] via WhatssApp uitgenodigd voor een kennismakingsetentje op 12 februari 2026.
3.10.
[verwerende partij] heeft op 3 februari 2026 telefonisch aan [eisende partij] medegedeeld dat hij met een derde een overeenkomst heeft gesloten voor de overname van zowel de praktijk als het pand en dat hij niet verder in zee gaat met [eisende partij] .
3.11.
[eisende partij] heeft op 5 februari 2026 aan [verwerende partij] bericht dat tussen partijen op 7 oktober 2025 een mondelinge overeenkomst is gesloten, dat [verwerende partij] deze heeft verbroken en dat zij aanspraak maakt op een vergoeding van € 150.000,00.
3.12.
Bij brief van zijn advocaat van 6 februari 2026 heeft [verwerende partij] betwist dat er tussen partijen een mondelinge overeenkomst is gesloten en dat bindende afspraken zijn gemaakt. Door (de advocaat van) [verwerende partij] is gevraagd om bewijzen te overleggen van de vermeend gesloten overeenkomst.
3.13.
In reactie hierop heeft de advocaat van [eisende partij] op 2 maart 2026 aan (de advocaat van) [verwerende partij] geschreven dat tussen partijen op 7 oktober 2025 overeenstemming is bereikt over de overname van het patiëntenbestand per 1 juli 2026, ongeacht de overname van het pand, wat blijkt uit het whatsappbericht van [verwerende partij] van 16 oktober 2025. Verzocht is om binnen 8 dagen na datum brief te bevestigen dat [verwerende partij] de overeenkomst gestand doet en alle medewerking zal verlenen met betrekking tot de overname van de praktijk. Aan dit verzoek is niet voldaan. De advocaat van [verwerende partij] heeft op 9 maart 2026 zijn standpunt herhaald dat er geen sprake is van een overeenkomst met [eisende partij] .
3.14.
[verwerende partij] heeft op zijn website de mededeling geplaatst dat de praktijk per 1 juli 2026 overgaat naar [persoon 3]
4Het geschil
4.1.
[eisende partij] vordert als voorlopige voorziening:
I) [verwerende partij] te verbieden de praktijk aan een derde over te dragen op straffe van een dwangsom van € 100.000,00
II) [verwerende partij] te gebieden de mededeling dat de praktijk door [persoon 3] wordt overgenomen van de website te verwijderen, en zich te onthouden van het doen van dergelijke mededelingen, op straffe van een dwangsom van € 2.000,00 per dag of dagdeel,
III) [verwerende partij] te veroordelen tot het verlenen van (op eerste verzoek) alle noodzake-lijke medewerking die vereist is voor de overdracht van de praktijk door, waaronder begrepen, doch niet beperkt tot:
- het tijdig schriftelijk introduceren van de overname door [eisende partij] aan alle patiënten en alle relaties en instellingen waarmee [verwerende partij] samenwerkt in de uitoefening van diens praktijk;
- het verstrekken van alle voor- en inlichtingen welke voor de voortzetting van de praktijk nodig zijn of zullen worden, waaronder wordt begrepen, doch niet beperkt tot: I) de medische administratie; II) patiëntgegevens; III) medische dossiers.
op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per keer dat [verwerende partij] nalaat/onvoldoende medewerking verleent aan de overdracht.
IV) [verwerende partij] te veroordelen om binnen veertien dagen na een ten deze wijzen vonnis, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eisende partij] te voldoen een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke kosten, daarna te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening,
V) [verwerende partij] te veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure binnen veertien dagen na een ten deze te wijzen vonnis, daarna te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening.
4.2.
[verwerende partij] heeft daartegen verweer gevoerd. Op dat verweer en de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
algemeen kader
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisende partij] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
spoedeisend belang
5.2.
[eisende partij] heeft gesteld een spoedeisend belang te hebben bij de door haar gevorderde voorlopige voorziening, omdat partijen overeengekomen zijn dat de overname van de praktijk op 1 juli 2026 zou zijn afgerond en deze datum vanwege vertraging door [verwerende partij] niet meer kan worden gehaald, zodat het proces vertraging oploopt. Ter voorkoming van verdere uitloop van de overname en het daardoor mislopen van inkomsten door [eisende partij] is een zo spoedig mogelijke overdracht en de daarvoor noodzakelijke medewerking van [verwerende partij] vereist. Omdat [verwerende partij] een overeenkomst heeft gesloten met een andere partij op grond waarvan de patiëntengegevens aan die partij zullen worden overgedragen heeft [eisende partij] recht en belang bij een voorziening in kort geding en kan de uitkomst van een bodemprocedure niet worden
afgewacht.
5.3.
[eisende partij] heeft gelet op het vorenstaande naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang voldoende onderbouwd. Dit wordt door [verwerende partij] overigens ook niet betwist.
overname huisartsenpraktijk
5.4.
[eisende partij] stelt dat op 7 oktober 2026 tussen partijen overeenstemming is bereikt met betrekking tot de overname van de huisartsenpraktijk (patiënten en personeel) van [verwerende partij] per 1 juli 2026. Daarna is tussen hen nog uitvoerig overleg geweest met betrekking tot de eventuele overname van het pand en de in dat kader door [eisende partij] te verrichten onderzoeken. De overname van het pand was geen essentieel onderdeel van de overname van de praktijk. Dat blijkt uit het aanbod van [verwerende partij] aan [eisende partij] om tijdelijk zijn praktijkruimte te huren. Op 5 januari 2026 heeft [eisende partij] [verwerende partij] medegedeeld dat overname van het pand niet mogelijk waarbij zij de overname van de praktijk per 1 juli 2026 heeft bevestigd. Deze de datum is om praktische redenen vervroegd naar maandag 28 juni 2026 omdat 1 juli 2026 op een woensdag valt. Het staat [verwerende partij] niet vrij om de praktijk aan een andere partij over te dragen. Op grond van artikel 3:296 lid 1 BW vordert [eisende partij] nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Omdat inmiddels gebleken is dat de personeelsleden van [verwerende partij] niet mee over zullen gaan ziet de gevorderde nakoming alleen op de patiëntendossiers.
5.5.
[verwerende partij] stelt zich op het standpunt dat er tussen partijen geen overeenkomst is gesloten. Volgens hem was er slechts sprake van de intentie tot overname van de praktijk en het pand door [eisende partij] en hebben zij daarover vrijblijvend met elkaar gesproken. Zo was er tussen hen ook nog geen overeenstemming over de overnamedatum. [eisende partij] maakt zelf melding van 28, 29 juni of 1 juli 2026 dan wel de beoogde overnamedatum. Omdat zij slechts vrijblijvend met elkaar hebben gesproken is er ook geen schriftelijk contract tussen partijen. In het kader van die vrijblijvende gesprekken is tussen partijen gesproken over de mogelijkheid voor [eisende partij] om het praktijkpand over te nemen dan wel te huren. [eisende partij] heeft in haar whatsappbericht van 7 januari 2026 aangegeven dat zij slechts een deel van het patiëntenbestand (met betrekking tot bepaalde postcodes) wil overnemen. Ook hieruit blijkt dus dat daarover op 7 oktober 2025 geen overeenstemming bestond.
Overwegingen voorzieningenrechter
5.6.
De kern van het geschil is of er tussen partijen een overeenkomst is gesloten met betrekking tot de overname van de praktijk -meer in het bijzonder de patiëntendossiers- van [verwerende partij] door [eisende partij] .
5.7.
Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding en is vormvrij, wat betekent dat, anders dan [verwerende partij] kennelijk meent, niet noodzakelijk is dat deze op schrift is gesteld.
5.8.
De voorzieningenrechter stelt vast dat:
Partijen in de whatsappcorrespondentie tot 5 januari 2026 veelvuldig contact met elkaar hebben gehad over de praktijkovername bestaande uit zowel de patiëntendossiers, de medewerkers als het pand,
[eisende partij] direct na het gesprek op 7 oktober 2025 via whatsapp aan [verwerende partij] heeft gevraagd om de contracten van het praktijkpersoneel van [verwerende partij] en om het contract van waarnemer HAGRO en dat [verwerende partij] deze gegevens heeft verstrekt,
[verwerende partij] na 7 oktober 2025 geen advertentie meer heeft geplaatst op de website van de LHV met betrekking tot de overname van zijn praktijk,
na het gesprek op 5 januari 2026, waarin duidelijk is geworden dat [eisende partij] het pand niet zal overnemen, partijen in de whatsappcorrespondentie (de whatsappberichten van 15 januari 2026) een praktische invulling hebben gegeven aan de praktijkovername, zoals de vakantieregeling, het niet overnemen van de praktijkmanager en het vragen van de telefoonnummers van het praktijkpersoneel voor een kennismakingsgesprek door [eisende partij] ,
dat die gegevens door [verwerende partij] zijn verstrekt en dat [verwerende partij] heeft toegezegd de opzegging van het contract voor de praktijkmanager te zullen doorgeven bij de HZG.
5.9.
Deze feitelijke gang van zaken duidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter erop dat er tussen partijen op 7 oktober 2025 een overeenkomst met betrekking tot de overname van de huisartsenpraktijk (exclusief praktijkpand) is gesloten per 1 juli 2026. Voldoende blijkt daaruit dat partijen na 7 oktober 2025 praktisch uitvoering zijn gaan geven aan hun afspraak over overname van de praktijk (toen nog inclusief medewerkers) onder meer door het uitwisselen van gegevens over een waarnemer in de zomer, over contracten van personeelsleden, over werkroosters van het praktijkpersoneel en over een kennismaking. Daarvoor zijn ook de benodigde gegevens verstrekt door [verwerende partij] . Met name de voorgestelde kennismaking met het praktijkpersoneel, in de vorm van een etentje, waartoe telefoonnummers en namen zijn doorgegeven duidt in sterke mate erop dat het voor iedereen duidelijk was dat [eisende partij] de praktijk zou overnemen en dit ook al zo was gecommuniceerd naar het praktijkpersoneel. Dat in de periode na 7 oktober 2025 afspraken over overname personeel en de precieze datum nog gewijzigd zijn doen niet af aan de overeenstemming over de overname van de huisartsenpraktijk.
5.10.
[verwerende partij] heeft niet weersproken dat de beoogde overnamedatum tijdens het gesprek op 5 januari 2026 om praktische redenen met twee dagen is vervroegd tot 29 juni 2026 (28 juni 2026 is kennelijk een verschrijving nu dit een zondag is) Ook is voldoende aannemelijk geworden dat overeenstemming is bereikt over de overname van de patiëntendossiers. [persoon 1] heeft namens [eisende partij] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat alle patiënten worden overgenomen, maar dat in verband met het landelijk beleid van een wijkgerichte huisartsenzorg patiënten die niet in de genoemde postcodegebieden wonen zal worden gevraagd om een huisarts in hun eigen wijk te zoeken.
5.11.
[verwerende partij] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat het feit dat veel praktische zaken al besproken zijn tussen partijen en de omstandigheid dat hij gegevens van zijn personeel heeft doorgegeven aan [eisende partij] in verband met een kennismakingsetentje niet duidt op overeenstemming over overname. Deze handelwijze zou hij ook gevolgd hebben bij eerdere potentiële overnamekandidaten. De voorzieningenrechter gaat aan dit standpunt voorbij, omdat haar dit ongeloofwaardig voorkomt en dit bovendien ook niet gebleken is op basis van de stukken. Daarbij wordt nog opgemerkt dat nergens in de overgelegde Whatsapp-gesprekken enig voorbehoud wordt gemaakt door [verwerende partij] , (bijvoorbeeld dat de door hem verstrekte personeelsgegevens slechts gebruikt mogen worden als er een definitieve overeenkomst wordt gesloten) hetgeen voor de hand had gelegen als [verwerende partij] meende dat nog geen overeenstemming bestond en hij de gegevens enkel verstrekte aan een potentiële overnamekandidaat.
5.12.
Verder is voldoende aannemelijk geworden dat [persoon 2] en [persoon 1] hebben opgetreden namens [eisende partij] , nu zij gezamenlijk contact hadden met [verwerende partij] en zij als huisartsen samenwerken in de maatschap [eisende partij] . Dat niet expliciet benoemd zou zijn dat een overeenkomst tot overname van de praktijk zou worden gesloten met [eisende partij] of dat zij namens die maatschap optraden is daarbij niet doorslaggevend. De voorzieningenrechter neemt aan op basis van het langdurig contact tussen partijen dat het voor [verwerende partij] voldoende duidelijk was dat de overnemende partij de huisartsenpraktijk van [persoon 2] en [persoon 1] betrof. Gesteld noch gebleken is dat [verwerende partij] niet wist van het bestaan van de [eisende partij] . Dat wordt bovendien niet aannemelijk geacht.
5.13.
Wat hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat [verwerende partij] de tussen partijen gesloten overeenkomst tot overdracht van de patiëntenpraktijk moet nakomen en dat hij die praktijk niet mag overdragen aan een derde. Een afweging van belangen van partijen leidt niet tot een andere beslissing.
De vorderingen I t/m III worden toegewezen, waarbij die delen van de vordering die naar het oordeel van de voorzieningenrechter te onbepaald zijn worden afgewezen. De enkele omstandigheid dat toewijzing van een vordering in kort geding tot een onomkeerbare schade of andere onomkeerbare gevolgen leidt, behoeft geen beletsel te zijn voor toewijzing (HR 25 oktober 20213, ECLI:NL:HR:2021:1036), zodat het daartoe strekkende verweer wordt gepasseerd.
Dwangsommen
5.14.
[verwerende partij] heeft aangegeven dat een dwangsom onnodig omdat hij zich aan een vonnis zal conformeren. Hij heeft daarbij echter aangegeven zich aan de uitspraak te zullen conformeren als die in kracht van gewijsde is gegaan. De voorzieningenrechter acht daarom een prikkel tot nakoming nodig. De onder I gevorderde dwangsom zal worden toegewezen. De onder II en III gevorderde dwangsommen worden gematigd en gemaximeerd als na te melden
Buitengerechtelijke kosten
5.15.
De onder IV gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. Er is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een niet aanvaard- schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op de gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.
Proceskosten
5.16.
[verwerende partij] is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.101,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1.
verbiedt [verwerende partij] de praktijk aan een derde over te dragen op straffe van een dwangsom van € 100.000,00,
6.2.
gebiedt [verwerende partij] om na betekening van dit vonnis de mededeling dat de praktijk door [persoon 3] wordt overgenomen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis van de website te verwijderen en zich te onthouden van het doen van die mededeling, op straffe van een dwangsom van € 1.500,00 per dag of dagdeel met een maximum van € 25.000,00,
6.3.
veroordeelt [verwerende partij] , na betekening van dit vonnis, tot het verlenen van (op eerste verzoek) alle noodzakelijke medewerking die vereist is voor de overdracht van de praktijk door:
- het tijdig schriftelijk introduceren van de overname door [eisende partij] aan alle patiënten en alle relaties en instellingen waarmee [verwerende partij] samenwerkt in de uitoefening van diens praktijk;
- het verstrekken van alle voor- en inlichtingen welke voor de voortzetting van de praktijk nodig zijn of zullen worden, waaronder wordt begrepen, I) de medische administratie; II) patiëntgegevens; III) medische dossiers.
op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per keer dat [verwerende partij] binnen 1 week na het doen van een schriftelijke verzoek tot medewerking nalaat deze medewerking aan de overdracht te verlenen, met een maximum van € 25.000,00,
6.4.
veroordeelt [verwerende partij] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als hij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
veroordeelt [verwerende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Scheffers en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026