Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6394

2026-07-16 Strafrecht 02-012742-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-16
Publicatiedatum
2026-07-14
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Op tegenspraak
Zaaknummer
02-012742-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verkrachting en aanranding van een minderjarige, meermalen gepleegd, door voormalig voetbaltrainer/teamleider. Leeftijdsverschil van ruim 35 jaar. Misbruik van afhankelijkheids- en vertrouwensrelatie. Gevangenisstraf van vier jaar met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren met bijzondere voorwaarden. Beroepsverbod.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (36.306 tekens)
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT


Strafrecht



Zittingsplaats: Middelburg



Parketnummer: 02-012742-26




Vonnis van de meervoudige kamer van 16 juli 2026






[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1963,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [locatie] ,
raadsvrouw mr. S. van de Voorde, advocaat te Middelburg.




1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 juli 2026, waarbij de officier van justitie, mr. M.C. Fimerius, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ook is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] behandeld. [slachtoffer] zal hierna worden aangeduid met [slachtoffer] .



2De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte




feit 1: in de periode van 1 januari 2015 tot en met 1 september 2018 [slachtoffer] meermalen heeft verkracht.




feit 2: in de periode van 1 december 2014 tot en met 1 september 2018 [slachtoffer] meermalen heeft aangerand dan wel dat hij meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige.




3De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.




4De beoordeling van het bewijs

4.1.


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de aan verdachte onder 1 en 2 (primair) ten laste gelegde feiten. De verklaringen van [slachtoffer] zijn betrouwbaar, consistent, gedetailleerd en authentiek. Bovendien vinden deze in grote mate steun in andere bewijsmiddelen.



4.2.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten nu daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier naar voren komt. De bewijskracht van de verklaringen van [slachtoffer] dient met bijzondere behoedzaamheid te worden beoordeeld, nu deze verklaringen onder sturing en druk van verbalisanten is afgelegd. Verder is er naast de verklaringen van [slachtoffer] – welke niet als betrouwbaar kan worden aangemerkt – geen steunbewijs.



4.3.

Het oordeel van de rechtbank


4.3.1.


De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.



4.3.2.


De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs


Vaststaande feiten en omstandigheden

Op basis van het dossier stelt de rechtbank het volgende vast. In 2014 was [slachtoffer] keepster bij de [voetbalclub] [locatie] . Zij was op dat moment 15 jaar oud. Verdachte was trainer dan wel teamleider bij die voetbalclub. Nadat [slachtoffer] geblesseerd was geraakt, ontfermde verdachte zich over haar. Aanvankelijk was sprake van telefonisch contact, dat uiteindelijk leidde tot persoonlijke afspraken. [slachtoffer] kwam daarna wekelijks bij verdachte thuis en verdachte bezocht ook haar ouderlijk huis. In 2018 gingen zij samen op vakantie naar Pisa, waar verdachte haar een zoen op de mond gaf. Verdachte ondersteunde het gezin, ook in financieel opzicht, en werd als een vaderfiguur voor [slachtoffer] gezien.



Uiteindelijk vindt er op 29 oktober 2024 een informatief gesprek zeden met [slachtoffer] plaats en doet zij op 19 november 2024 aangifte van seksueel misbruik. [slachtoffer] heeft verklaard dat het misbruik eind 2014 is begonnen en ongeveer drie jaar heeft geduurd. Uit haar verklaring blijkt een opbouw aan seksuele handelingen. Die gaan van betasten naar aftrekken, beffen, vingeren, pijpen en uiteindelijke penetratie van de vagina van [slachtoffer] door verdachte. Verdachte heeft alle ten laste gelegde handelingen ontkend.



Aan de rechtbank ligt de vraag voor of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.




Juridisch kader

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans laten kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen mee dat slechts de verklaring van het vermeende slachtoffer als wettig bewijsmiddel kan dienen. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechtbank niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Voor een bewezenverklaring moet er dan ook sprake zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan aangever. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de betrouwbare verklaringen van het slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren.



Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat de verkrachting of ontucht als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het voldoende is dat de verklaring van aangever op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.




Informatief gesprek zeden

De verdediging heeft aangevoerd dat de door [slachtoffer] afgelegde verklaring in het informatief gesprek zeden met bijzondere behoedzaamheid dient te worden beoordeeld. De vraagstelling van de verbalisanten tijdens het verhoor van [slachtoffer] was sturend en er is op haar ontoelaatbare druk uitgeoefend, welke druk uiteindelijk zou hebben geresulteerd in het doen van aangifte. De rechtbank heeft voor die stellingen geen aanknopingspunten in het dossier gevonden. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 30 april 2026 (verbatim uitwerking informatief gesprek zeden) blijkt niet dat sprake is geweest van een onaanvaardbare sturende vraagstelling. Voor zover gesloten vragen zijn gesteld, bouwen deze voort op eerder door [slachtoffer] , naar aanleiding van open vragen, afgelegde verklaringen. Van een zodanig suggestieve wijze van verhoren dat de betrouwbaarheid van de verklaring daardoor is aangetast, is de rechtbank niet gebleken. Evenmin is aannemelijk geworden dat op [slachtoffer] ontoelaatbare druk is uitgeoefend om aangifte te doen. Uit het verhoor volgt namelijk dat de verbalisanten haar hebben voorgehouden dat het al dan niet doen van aangifte een eigen vrije keuze is. Dit verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.




De betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer]

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen die [slachtoffer] heeft afgelegd, zowel tijdens het informatief gesprek zeden als in haar aangifte. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.




[slachtoffer] heeft consistent en gedetailleerd verklaard over de aard van de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder deze vanaf vijftienjarige leeftijd plaatsvonden. De consistentie in de verklaringen van [slachtoffer] is eveneens zichtbaar in de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . [slachtoffer] heeft ook aan hen in grote lijnen verteld over wat er tussen verdachte en haar is gebeurd. Hetgeen [getuige 1] en [getuige 2] daarover aan de politie en later aan de rechter-commissaris hebben verklaard, komt overeen met hetgeen [slachtoffer] zelf bij de politie heeft verklaard.



Dat [slachtoffer] niet steeds exact heeft weten te vertellen vanaf wanneer het seksuele misbruik is begonnen, acht de rechtbank, gelet op haar destijds jonge leeftijd, het feit dat het seksueel misbruik jaren geleden heeft plaatsgevonden en de lange periode waarover zij heeft verklaard, goed voorstelbaar en maakt haar verklaringen niet onbetrouwbaar. De tijdlijn die zij heeft opgesteld, met daarin de volgorde waarin de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, sluit aan op haar verklaringen.



Verder acht de rechtbank het voor haar oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar zijn van belang dat in het dossier voldoende steunbewijs voorhanden is. Daarop wordt hieronder nader ingegaan.



Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.




Is er voldoende steunbewijs?

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er voldoende steunbewijs is voor de verklaringen van [slachtoffer] en overweegt daartoe als volgt.



Hoewel verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft ontkend, heeft hij wel verklaard dat hij [slachtoffer] tijdens een vakantie in Pisa op de mond heeft gezoend. Deze verklaring komt overeen met de verklaring van [slachtoffer] daarover.



Daarnaast volgt uit de getuigenverklaring van [getuige 1] dat verdachte haar reeds in 2018 heeft verteld dat er tussen hem en [slachtoffer] iets op seksueel gebied had plaatsgevonden. Voorts heeft [getuige 1] verklaard dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat hij in een ideale wereld een relatie met [slachtoffer] zou hebben. De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van [getuige 1] gekleurd is en om die reden niet betrouwbaar kan worden geacht. De rechtbank ziet hiervoor echter geen aanknopingspunten. De enkele omstandigheid dat [getuige 1] op een later moment met [slachtoffer] heeft gesproken, maakt niet dat haar verklaring zonder meer als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt. De rechtbank acht haar verklaring op dit punt bruikbaar en betrekt deze bij de beoordeling van het bewijs.



Verder volgt uit de getuigenverklaring van [getuige 2] dat [slachtoffer] haar in 2018 heeft verteld over de seksuele handelingen die tussen verdachte en haar zouden hebben plaatsgevonden. Volgens [getuige 2] vond [slachtoffer] het moeilijk om hierover te spreken, mede omdat ook haar moeder veel steun ondervond van verdachte. Daarnaast heeft [getuige 2] verklaard dat [slachtoffer] haar vertelde dat verdachte haar ervan weerhield om met anderen over de seksuele handelingen te spreken door te dreigen met zelfmoord.



Verder heeft er onderzoek plaatsgevonden aan de telefoons van verdachte en [slachtoffer] . Op de telefoon van verdachte zijn berichten aangetroffen die tussen verdachte en [slachtoffer] zijn uitgewisseld. Verdachte heeft verklaard dat er weliswaar seksueel getinte berichten zijn verstuurd maar dat deze in een humoristische context moeten worden gezien. Verder is op de telefoon van verdachte een foto aangetroffen waarop verdachte in bad te zien is. Deze foto komt overeen met hetgeen [slachtoffer] hierover heeft verklaard. Daarnaast heeft verdachte erkend dat hij een naaktfoto van [slachtoffer] heeft ontvangen, waarop haar ontblote bovenlichaam zichtbaar is. Op de telefoon van [slachtoffer] zijn eveneens naaktfoto’s aangetroffen met ontbloot bovenlichaam. Hoewel niet kan worden vastgesteld aan wie zij deze foto’s heeft verstuurd, staat wel vast dat deze foto’s zijn gemaakt in de ten laste gelegde periode en heeft [slachtoffer] hierover verklaard dat ze naaktfoto’s naar verdachte heeft verstuurd. Tot slot zijn op de telefoon van verdachte meerdere foto’s aangetroffen waarop verdachte en [slachtoffer] innig samen in een hangmat liggen en waarop [slachtoffer] aan de wang van verdachte likt. De rechtbank betrekt ook deze bevindingen bij de beoordeling van de aard van de relatie tussen verdachte en [slachtoffer] . De rechtbank volgt verdachte niet in zijn verklaring over de inhoud en context van de berichten en foto’s. Gelet op de aard en inhoud van de berichten en foto’s en de overige bevindingen in het dossier acht de rechtbank deze verklaring niet aannemelijk.



Het voorgaande, in onderlinge samenhang met elkaar bezien, maakt dat er sprake is van voldoende steunbewijs, ondersteunend aan de verklaringen van [slachtoffer] . De rechtbank stelt op grond daarvan vast dat de verdachte seksuele handelingen heeft verricht met [slachtoffer] in een periode die begon toen zij vijftien jaar oud was.




Dwang

Voor bewezenverklaring van de onder feit 1 en feit 2 (primair) vermelde handelingen is vereist dat komt vast te staan dat sprake was van dwang. Daarbij hoeft geen sprake te zijn geweest van geweld of bedreiging met geweld. De artikelen 242 en 246 Sr (oud) spreken immers ook van ‘andere feitelijkheden’ waarin dwang zich kan uiten. In deze zaak was er sprake van psychisch overgewicht door het grote leeftijdsverschil (meer dan 35 jaar) en de feitelijke verhouding tussen [slachtoffer] en verdachte, die zich had opgeworpen als haar vertrouwenspersoon, de kwetsbaarheid van [slachtoffer] gelet op haar belaste voorgeschiedenis – die bekend was bij de verdachte – en het jarenlange seksuele misbruik van [slachtoffer] door de verdachte. Door te dreigen met zelfmoord probeerde verdachte een aangifte van [slachtoffer] te voorkomen.



Naar het oordeel van de rechtbank leverden deze omstandigheden zodanige psychische druk op dat [slachtoffer] zich naar redelijke verwachting niet aan de seksuele handelingen van verdachte kon onttrekken. Daarmee was sprake van dwang, zoals bedoeld in de artikelen 242 en 246 Sr (oud).




Conclusie

De rechtbank acht de onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.




4.4.


De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte




feit 1
meermalen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 1 september 2018 te [plaats] door andere feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn vingers en penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en de vagina van die [slachtoffer] gelikt en bestaande die andere feitelijkheden uit het fysieke en geestelijke overwicht, te weten:- het grote leeftijdsverschil tussen verdachte en die [slachtoffer] , en- het feit dat verdachte voetbaltrainer van [slachtoffer] was of teamleider bij de voetbalclub waar [slachtoffer] ook speelde/lid was, of een vaderfiguur voor die [slachtoffer] was, en- de kwetsbare sociale positie en gezondheid van die [slachtoffer] , en- het feit dat die [slachtoffer] met verdachte kon praten over haar problemen, en- het dreigen met zelfmoord, en- aangeven wat de gevolgen van een politie onderzoek op zijn leven zou hebben, en- het opbouwen van loyaliteit bij en groomen van die [slachtoffer] .




feit 2
meermalen in de periode van 1 december 2014 tot en met 1 september 2018 te [plaats] , door een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en dulden van ontuchtige handelingen, te weten het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en het betasten door die [slachtoffer] van verdachtes penis en het betasten en likken van de borsten van die [slachtoffer] en het zuigen aan de tepels van die [slachtoffer] en bestaande die andere feitelijkheden uit het fysieke en geestelijke overwicht, te weten:- het grote leeftijdsverschil tussen verdachte en die [slachtoffer] , en- het feit dat verdachte voetbaltrainer van [slachtoffer] was of teamleider bij de voetbalclub waar [slachtoffer] ook speelde/lid was, of een vaderfiguur voor die [slachtoffer] was, en- de kwetsbare sociale positie en gezondheid van die [slachtoffer] , en- het feit dat die [slachtoffer] met verdachte kon praten over haar problemen, en- het dreigen met zelfmoord, en- aangeven wat de gevolgen van een politie onderzoek op zijn leven zou hebben, en- het opbouwen van loyaliteit bij en groomen van die [slachtoffer] .
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.





5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.


Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.




6De strafoplegging

6.1.


De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan één jaar voorwaardelijk en met een proeftijd van tien jaren. Tevens vordert zij een beroepsverbod voor het beroep teamleider en/of voetbaltrainer op grond van artikel 28 Sr op te leggen voor de duur van tien jaren.



6.2.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.



6.3.


Het oordeel van de rechtbank


Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel misbruik en het plegen van ontucht met [slachtoffer] , over een langere periode, waarbij er meermaals seksuele handelingen zijn verricht. De seksuele handelingen begonnen toen [slachtoffer] vijftien jaar oud was en vonden gedurende drie jaar vrijwel wekelijks plaats, waarbij ook sprake was van seksueel binnendringen. Verdachte was een persoon ten opzichte van wie [slachtoffer] zich in een afhankelijkheids- en vertrouwensrelatie bevond. [slachtoffer] was bovendien psychisch en lichamelijk kwetsbaar. Verdachte heeft van die afhankelijkheids- en vertrouwensrelatie, alsmede van haar kwetsbaarheid, misbruik gemaakt. Daarnaast heeft hij het vertrouwen dat [slachtoffer] en haar moeder in hem stelden op grove wijze beschaamd.



Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van een slachtoffer. Daarom is het van belang dat (kwetsbare) jongeren worden beschermd tegen personen die op seksueel gebied misbruik van hen willen maken. Door het seksuele misbruik heeft verdachte op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] geschonden en haar normale en gezonde seksuele ontwikkeling doorkruist. Dat hier in het onderhavige geval ook sprake van is, blijkt uit de slachtofferverklaring die [slachtoffer] op zitting heeft voorgelezen. Haar onbevangenheid, zorgeloosheid en zin in het leven is haar afgenomen. Door lichamelijke klachten kan zij haar werk niet meer uitvoeren en evenmin kan zij nog sporten. Ze schrikt van alles en voelt zich verscheurd.



Verdachte heeft de feiten ontkend en geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Hoewel het een verdachte vrij staat de ten laste gelegde feiten te ontkennen, heeft de rechtbank geen blijk gezien van enig inzicht in of besef van de ernst van zijn handelen. Het is, mede gelet op de hierna vermelde eerdere veroordeling voor een ernstig zedenfeit met een minderjarige, zeer verontrustend dat verdachte kennelijk niet in staat is indringend te reflecteren op zijn gedrag jegens [slachtoffer] .




De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 maart 2026, waaruit blijkt dat verdachte in 2003 is veroordeeld voor het seksueel misbruik van zijn pleegdochter.



Uit het voorlichtingsrapport van Forensisch Maatwerk van 20 april 2026 dat op verzoek van de verdediging is opgemaakt in het kader van een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis blijkt dat er sprake is van stabiliteit op verschillende leefgebieden. Daartegenover staan echter risicofactoren. Er lijkt sprake te zijn van een kwetsbaarheid in het stellen en bewaken van grenzen binnen interpersoonlijke relaties, met name wanneer verdachte een zorgende of begeleidende rol inneemt. Hoewel verdachte aangeeft inzicht te hebben ontwikkeld in zijn eerdere grensoverschrijdend gedrag, roept de huidige situatie vragen op over de mate waarin hij dit inzicht daadwerkelijk in de praktijk brengt. Met name het opnieuw aangaan van klaarblijkelijk intensief contact met een minderjarige, buiten aanwezigheid van een ouder, en het rationaliseren dan wel bagatelliseren van fysiek contact wijzen op blijvende kwetsbaarheid in het hanteren en bewaken van grenzen. Alles afwegende wordt de kans op herhaling ondanks de ontkennende proceshouding ingeschat als aanwezig, waarbij met name toezicht, ambulante behandeling en duidelijke begrenzing van contacten met minderjarigen van belang worden geacht om dit risico te beperken.



Gelet op de ernst en de gevolgen van de feiten is de rechtbank van oordeel dat enkel kan worden volstaan met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank heeft bij bepaling van de hoogte van de straf gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijk zedenfeit. Kennelijk heeft die veroordeling hem er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan ernstige zedenfeiten. Gelet op de frequentie en de aard van de seksuele handelingen en het feit dat verdachte misbruik heeft gemaakt van een kwetsbare minderjarige, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk passend en geboden.



De officier van justitie heeft verzocht om de duur van de proeftijd te bepalen op tien jaren. De rechtbank ziet echter aanleiding om de duur van de proeftijd te beperken tot vijf jaren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf (bijzondere) voorwaarden zullen worden verbonden, waaronder een meldplicht en ambulante behandelverplichting. Gelet op de eerdere veroordeling van verdachte, zijn proceshouding en de bevindingen in het rapport van Forensisch Maatwerk, acht de rechtbank het van belang dat verdachte zich onder behandeling stelt. De rechtbank is van oordeel dat een proeftijd van vijf jaren, in combinatie met de op te leggen (bijzondere) voorwaarden, voldoende waarborgen biedt voor begeleiding en toezicht en daarmee passend en geboden is.




Beroepsverbod

In artikel 251 (oud) Sr is bepaald dat de in artikel 28 Sr vermelde bijkomende straf van ontzetting van het recht een bepaald beroep uit te oefenen bij een veroordeling voor dit feit kan worden uitgesproken, indien de verdachte het in de uitoefening van dat beroep heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is. Verdachte was ten tijde van de ten laste gelegde feiten voetbaltrainer dan wel teamleider bij [voetbalclub] . In dit kader heeft hij nauw contact opgebouwd met [slachtoffer] , hetgeen uiteindelijk tot de bewezen verklaarde feiten heeft geleid. De rechtbank ziet op grond van de aard van de feiten in combinatie met de omgeving waarin de feiten zijn begaan en het feit dat verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan een zedenfeit met een minderjarige, aanleiding om de ontzetting van het recht om het beroep van teamleider en/of voetbaltrainer uit te spreken. De rechtbank acht het van groot belang dat wordt verzekerd dat verdachte voor een langere periode niet meer in aanraking zal komen met kwetsbare, jongere personen in de uitoefening van die functie. De rechtbank zal deze bijkomende straf opleggen voor de duur van vijf jaren.





7De benadeelde partij
Benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 35.000,00 voor de feiten 1 en 2, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.


De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte de feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.




Immateriële schade

De door de benadeelde gevorderde vergoeding van immateriële schade acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 20.000,00. Benadeelde is gedurende een lange periode veelvuldig seksueel misbruikt door verdachte. Verdachte heeft hierbij misbruik gemaakt van de vertrouwenspositie die hij had verkregen. Gelet op de onderbouwing van de vordering is het de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat van de in art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Benadeelde lijdt aan een posttraumatische stressstoornis en een depressieve stoornis. Daarnaast heeft zij last van herbelevingen, angstklachten, gevoelens van onveiligheid, spanningsklachten, somberheid en problemen met het vertrouwen in anderen. Deze klachten hebben ook impact op haar lichamelijke gezondheid. De rechtbank kan echter op basis van de beschikbare informatie niet vaststellen wat de prognose ten aanzien van het herstel is en in hoeverre de genoemde klachten het gevolg zijn van het bewezen verklaarde seksuele misbruik. Bij bepaling van de hoogte van de immateriële schade heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de hoogte van de schadevergoeding die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend.



De rechtbank zal de vordering van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Benadeelde kan haar vordering wat betreft dit deel eventueel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.




Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 20.000,00, aan immateriële schade. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast. De rechtbank zal de wettelijke rente schattenderwijs toewijzen met ingang van 1 juli 2016, een datum gelegen in het midden van de bewezen verklaarde periode.




8De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 28, 31, 36f, 57, 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.



9Beslissing
De rechtbank:



Bewezenverklaring


- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;



Strafbaarheid


- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:


feit 1: verkrachting, meermalen gepleegd

feit 2: primair: feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd

- verklaart verdachte strafbaar;



Strafoplegging


- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren, waarvan 1 (één) jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 5 (vijf) jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
* dat verdachte zich ambulant laat behandelen, gericht op seksuele problematiek, grenzen stellen, en relationele dynamiek door een Forensische Zorginstelling in Vlissingen of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering;

- van rechtswege geldende voorwaarden daarbij zijn:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;



Bijkomende straf


- ontzet verdachte van het recht tot de uitoefening van het beroep van voetbaltrainer en/of teamleider voor de duur van 5 (vijf) jaren;



Benadeelde partij


- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 20.000,00, aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 1 juli 2016 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 20.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 1 juli 2016 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 125 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.



Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, en mr. J. Bergen en mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 juli 2026.



De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging



1hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 1 september 2018 te [plaats] , in elk geval in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn vingers en/of penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of zijn penis in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of de vagina van die [slachtoffer] gelikt en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het fysieke en/of geestelijke overwicht, te weten:- het grote leeftijdsverschil tussen verdachte en die [slachtoffer] , en/of- het feit dat verdachte voetbaltrainer van [slachtoffer] was en/of teamleider bij de voetbalclub waar [slachtoffer] ook speelde/lid was, en/of een vaderfiguur voor die [slachtoffer] was, en/of- de kwetsbare sociale positie en/of gezondheid van die [slachtoffer] , en/of- het feit dat die [slachtoffer] met verdachte kon praten over haar problemen, en/of- het dreigen met zelfmoord, en/of- aangeven wat de gevolgen van een politie onderzoek op zijn leven zou hebben, en/of- het opbouwen van loyaliteit bij en/of groomen van die [slachtoffer] .(art 242 Wetboek van Strafrecht)
2hij meermalen in of omstreeks de periode van 1 december 2014 tot en met 1 september 2018 te [plaats] , in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het betasten van de vagina, althans de schaamstreek, van die [slachtoffer] en/of het betasten door die [slachtoffer] van verdachtes penis en/of het betasten en/of likken van de borsten van die [slachtoffer] en/of het zuigen aan de tepels van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het fysieke en/of geestelijke overwicht, te weten:- het grote leeftijdsverschil tussen verdachte en die [slachtoffer] , en/of- het feit dat verdachte voetbaltrainer van [slachtoffer] was en/of teamleider bij de voetbalclub waar [slachtoffer] ook speelde/lid was, en/of een vaderfiguur voor die [slachtoffer] was, en/of- de kwetsbare sociale positie en/of gezondheid van die [slachtoffer] , en/of- het feit dat die [slachtoffer] met verdachte kon praten over haar problemen, en/of- het dreigen met zelfmoord, en/of- aangeven wat de gevolgen van een politie onderzoek op zijn leven zou hebben, en/of- het opbouwen van loyaliteit bij en/of groomen van die [slachtoffer] ;
(art 246 Wetboek van Strafrecht)


subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij - als voetbaltrainer en/of teamleider bij de voetbalclub waar [slachtoffer] ook speelde/lid was en/of een vertrouwenspersoon - meermalen in of omstreeks de periode van 1 december 2014 tot en met 1 september 2018 te [plaats] , in elk geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] -1998, door het betasten van de vagina, althans de schaamstreek, van die [slachtoffer] en/of het betasten door die [slachtoffer] van verdachtes penis en/of het betasten en/of likken van de borsten van die [slachtoffer] en/of het zuigen aan de tepels van die [slachtoffer] ;(art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht)