Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6389
2026-07-14
Strafrecht; Materieel strafrecht
02-247607-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Minderjarige verdachte. Schuldverkrachting artikel 243 Sr. Geen positieve wilsuiting. Jeugddetentie 30 dagen voorwaardelijk proeftijd 2 jaar, werkstraf 40 uren en So Cool leerstraf (40 uur). Vordering benadeelde partij immateriële schade 1000 euro.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.796 tekens)
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-247607-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 14 juli 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedag] 2008,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. W.N. Ramnun, advocaat te Breda.
1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 30 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.A.P. van Hees en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzet- dan wel schuldverkrachting van [slachtoffer] .
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting, gelet op de aangifte van [slachtoffer] , de verklaringen van [persoon 1] en [persoon 2] , en de gespreksverslagen van de vertrouwenspersoon.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van opzet- dan wel schuldverkrachting. Er hebben seksuele handelingen plaatsgevonden maar verdachte wist niet dat de wil tot het plegen van de seksuele handelingen ontbrak en had daartoe ook niet het voorwaardelijk opzet. Hij hoefde ook niet te vermoeden dat de wil ontbrak.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Sinds 1 juli 2024 is de Wet seksuele misdrijven van kracht, als gevolg waarvan de strafbaarstelling van seksuele misdrijven in het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) ingrijpend is gewijzigd. De strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld is verruimd. Verkrachting kan nu gekwalificeerd worden als opzetverkrachting, gekwalificeerde opzetverkrachting of schuldverkrachting.
Opzetverkrachting (artikel 242 Sr)
Bij opzetverkrachting is iemand strafbaar als diegene seksuele handelingen verricht die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam in de wetenschap dat de wil van de ander daartoe ontbreekt. Het strafrechtelijk verwijt is hier dat degene die het seksuele contact initieert de wetenschap heeft dat de wil tot die handelingen ontbreekt bij de ander. Daarvan is niet alleen sprake als diegene daadwerkelijk weet dat de wil hiertoe bij de ander ontbreekt (vol opzet), maar ook als diegene zich bewust is van de mogelijk ontbrekende wil van de ander en die mogelijkheid negeert of, in andere woorden, voor lief of op de koop toe neemt (voorwaardelijk opzet).
Schuldverkrachting (artikel 243 Sr)
Bij schuldverkrachting ontstaat strafbaarheid als seksuele handelingen (waaronder seksueel binnendringen) worden verricht, terwijl iemand ernstige reden heeft om te vermoeden dat bij de ander de wil hiertoe ontbreekt. Bij schuldverkrachting is het strafrechtelijke verwijt tegen de dader dat diegene zeer onachtzaam heeft gehandeld door onvoldoende alert te zijn geweest op de mogelijkheid van een ontbrekende wil bij de ander en op dit punt een verkeerde inschatting heeft gemaakt. Bij aanwezigheid van contra-indicaties voor een vrije, positieve wilsuiting moet worden afgezien van seksueel contact of moet op zijn minst nader onderzoek worden gedaan naar de positie van de ander voordat het seksuele contact wordt doorgezet. Laat iemand dit na, dan is diegene strafbaar wegens schuldverkrachting.
Feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot een vermoeden van de ontbrekende wil bij de ander zijn de aanwezigheid van duidelijke indicaties voor een mogelijke afwezigheid van een vrije positieve wilsuiting bij de ander.
Feiten en omstandigheden
Verdachte en [slachtoffer] zaten ten tijde van het tenlastegelegde samen op school en maakten meerdere keren per week gebruik van het leerlingenvervoer, samen met andere kinderen van die school. Op 31 januari 2025 zaten verdachte en [slachtoffer] naast elkaar in het taxibusje toen zij onderweg naar huis waren.
In deze zaak staat niet ter discussie dat er seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer] hebben plaatsgevonden. Vast staat dat verdachte [slachtoffer] heeft gezoend en aan haar borst heeft gezeten. [slachtoffer] heeft verdachte gepijpt.
De rechtbank overweegt dat uit de verklaring van [slachtoffer] en de verklaring van de buschauffeur over de emotionele toestand van [slachtoffer] na het incident volgt dat bij haar de wil tot het verrichten van seksuele handelingen ontbrak.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte dat wist of ernstige reden had om dat te vermoeden.
[persoon 1] heeft het pijpen niet gezien omdat hij toen al de bus uit was. Wel heeft hij gezien dat verdachte en [slachtoffer] aan het zoenen waren en zag hij aan het gezicht van [slachtoffer] dat ze veel stress had en het niet fijn vond. [persoon 1] beschrijft dat [slachtoffer] het wat weglachte. [persoon 3] heeft in een gesprek met de vertrouwenspersoon van school gezegd dat [slachtoffer] duidelijk nee zei.
Hoewel de rechtbank ervan uitgaat dat [slachtoffer] op enig moment heeft gezegd dat ze het pijpen niet wilde, is het voor de rechtbank onduidelijk gebleven op welk moment zij dat heeft gezegd. Ook het gespreksverslag van [persoon 3] en de vertrouwenspersoon biedt daartoe geen duidelijkheid. Dat is wel van belang, omdat zowel verdachte als [slachtoffer] heeft verklaard dat [slachtoffer] op een bepaald moment tegen hem heeft gezegd dat ze het pijpen in ieder geval niet in de bus wilde doen omdat er teveel mensen in de bus waren. Verdachte heeft verder verklaard dat hij ervan uitging dat de wil er bij [slachtoffer] wel was vanaf het moment dat [persoon 1] de bus uit ging. [slachtoffer] had volgens verdachte een lachje op haar gezicht en had ook een keer ja geknikt. Hij heeft daarop haar hoofd naar beneden gedrukt en zijn penis in haar mond gebracht. Signalen dat ze niet wilde heeft hij volgens zijn eigen verklaring niet gezien.
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden kan de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststellen dat bij verdachte sprake is geweest van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, om de seksuele handelingen tegen de wil van [slachtoffer] te verrichten.
Wel is de rechtbank van oordeel dat de houding van [slachtoffer] een duidelijk waarneembaar signaal voor verdachte had moeten zijn dat de mogelijkheid bestond dat de wil bij haar ontbrak. Of ook [slachtoffer] de wil tot het seksueel contact had, had verdachte daarom moeten verifiëren. Zij had immers op zeker moment voor het pijpen gezegd dat niet in de bus te willen doen. Ook heeft zij geen positieve wilsuiting richting verdachte laten zien. Dat [slachtoffer] ja heeft gezegd of geknikt ten aanzien van de seksuele handelingen, zoals verdachte heeft verklaard, vindt de rechtbank in het licht van de overige verklaringen in het dossier ongeloofwaardig. Verdachte heeft zeer onachtzaam gehandeld door onvoldoende alert te zijn op de mogelijkheid van een ontbrekende wil bij [slachtoffer] . Hij had moeten afzien van het seksueel contact of op zijn minst moeten onderzoeken of de seksuele handelingen met [slachtoffer] op vrijwillige basis plaatsvonden. Omdat hij dat niet heeft gedaan, heeft hij zich schuldig gemaakt aan schuldverkrachting.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de (impliciet primair) ten laste gelegde opzetverkrachting en acht de rechtbank de (impliciet subsidiair) ten laste gelegde schuldverkrachting wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 31 januari 2025 in Nederlandmet een persoon, te weten [slachtoffer]seksuele handelingen die mede bestonden uit hetseksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het betasten van de borst van die [slachtoffer] , en - het zoenen van die [slachtoffer] , en - het brengen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer] ,terwijl hij, verdachte ernstige reden had om te vermoeden dat bij die[slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 120 uren en 90 dagen voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast vordert de officier van justitie een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr), inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] voor de duur van vijf jaar, met de bepaling dat bij iedere overtreding van deze maatregel vijf dagen jeugddetentie wordt toegepast, met een maximum van zes maanden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de betoogde vrijspraak dient geen straf te worden opgelegd. Subsidiair, indien het toch tot een strafoplegging komt, kan de verdediging zich vinden in de eis van de officier van justitie. De verdediging verzet zich wel tegen oplegging van een maatregel volgens artikel 38v Sr.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit en de omstandigheden
Verdachte heeft [slachtoffer] betast aan haar borst, gezoend en zijn penis in haar mond gebracht, terwijl zij dat niet wilde. Verdachte had beter moeten letten op de signalen van [slachtoffer] . Door dat niet te doen heeft hij haar (seksuele) grenzen overschreden. Dit is een ernstig feit, temeer ook omdat het in een taxibusje gebeurde waarin [slachtoffer] dagelijks van en naar school werd vervoerd en waar zij zich veilig moest kunnen voelen. Verdachte heeft de (seksuele) grenzen van [slachtoffer] overschreden. Hij heeft daarbij niet stilgestaan bij het verdriet en de angst die dit bij [slachtoffer] teweeg heeft gebracht. Verdachte heeft door zijn handelen dan ook een ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en seksuele integriteit. De impact van het feit blijkt ook uit de spreekrechtverklaring van [slachtoffer] . Zij verklaarde dat ze niet meer met het taxibusje durft mee te gaan en dat haar gevoel van veiligheid bij jongens is verdwenen. Zij heeft inmiddels ambulante hulp om met haar emoties om te gaan.
Persoon van verdachte en persoonlijke omstandigheden
Verdachte heeft een blanco strafblad. De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) van 16 juni 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat de Raad weinig risicofactoren ziet die de kans op herhaling van delictgedrag zouden kunnen vergroten. Verdachte heeft een steunend netwerk aan zijn moeder, neef en tante. Hij volgt een BBL opleiding en werkt daarnaast. Risicofactoren zijn dat verdachte een wat lager intelligentieniveau heeft en mogelijk vanuit een impulsbehoefte lijkt te hebben gehandeld waarbij het hem niet uitmaakte dat hij intiem was met een meisje op een openbare plek en gezien werden door anderen. Indien verdachte schuldig wordt bevonden heeft de Raad zorgen over het signaleren en respecteren van de signalen en grenzen van een ander. Daarnaast heeft de Raad dan zorgen dat hij zich onvoldoende inleeft hoe handelen voor het slachtoffer moet zijn geweest. De Raad heeft onder meer overwogen een So-Cool leerstraf te adviseren zodat verdachte kan leren hoe hij signalen van een ander kan herkennen, maar heeft besloten dit niet te adviseren omdat er geen andere leerdoelen/vaardigheidstekorten zijn en hij na het feit niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen. De deskundige heeft ter zitting aangegeven dat de neef van verdachte hem mogelijk kan bijbrengen hoe om te gaan met intimiteit. De Raad heeft geadviseerd een werkstraf en voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen.
Op te leggen straf
De rechtbank heeft gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS). De rechtbank komt tot een andere (minder zware) bewezenverklaring dan de officier van justitie, hetgeen zij meeweegt in de hoogte van de op te leggen straf.
Anders dan de Raad, acht de rechtbank een leerstraf ‘So Cool Regulier’ van 40 uren passend en geboden en zal deze ook opleggen. De rechtbank heeft, met de Raad, zorgen over het aanvoelen en respecteren van de grenzen van een ander. Verdachte heeft belangrijke signalen gemist. Het is belangrijk dat hij onder begeleiding van een trainer leert over seks, relaties en het herkennen van emoties en grenzen. De aard van de handelingen en de omstandigheden waaronder het feit werd gepleegd onderstrepen dat belang. Om te voorkomen dat zoiets nog eens gebeurt, vindt de rechtbank het van belang dat de op te leggen straf recht doet aan dit leerdoel. De leerstraf ‘So Cool Regulier’ biedt, gelet op het intelligentieniveau van verdachte, de beste mogelijkheden daartoe. Zij zal daarom deze module opleggen.
Naast de leerstraf legt de rechtbank aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 40 uren, te vervangen door 20 dagen jeugddetentie, als hij deze niet of niet goed doet.
Om recht te doen aan de ernst van het feit en als stok achter de deur zal zij daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie van 30 dagen met een proeftijd van twee jaar opleggen.
De rechtbank ziet af van het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr. Het doel van deze maatregel is de beveiliging van de maatschappij en voorkoming van strafbare feiten. De Raad ziet geen risicofactoren die het recidiverisico vergroten. Verdachte is na het strafbare feit niet meer in contact gekomen met politie en justitie. Verdachte en [slachtoffer] zitten niet meer op dezelfde school en verdachte heeft in de periode na het strafbare feit geen contact met [slachtoffer] gezocht of zich belastend gedragen richting haar. De rechtbank ziet geen aanleiding te veronderstellen dat dit na de uitspraak anders gaat zijn.
7De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 7.500,= voor onderhavig feit.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de (impliciet subsidiair) ten laste gelegde schuldverkrachting heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen, de voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring, de onderbouwing van de vordering en wat ter zitting is besproken over de vordering, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de categorie van ‘aantasting van de persoon op andere wijze’ van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Dit is door de verdediging niet betwist.
Als gevolg van het bewezenverklaarde feit heeft de benadeelde bovendien professionele behandeling nodig gehad. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit (schuldverkrachting) en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd. Het feit werd gepleegd in een taxibusje voor speciaal vervoer, een setting waarin [slachtoffer] zich veilig had moeten voelen, terwijl er nog meerdere mensen bij aanwezig waren. Verdachte en [slachtoffer] waren van ongeveer dezelfde leeftijd. Bij deze gradatie van de aantasting van de lichamelijke integriteit, past naar maatstaven van billijkheid een bedrag aan schadevergoeding van € 1.000,=. De rechtbank zal het smartengeld daarom op een bedrag van € 1.000,= vaststellen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dat deel van de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. Gelet op het
feit dat verdachte minderjarig was ten tijde van het gepleegde feit zal de duur van de
gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld.
8De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 242van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Schuldverkrachting;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 40 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 20 dagen;
- veroordeelt verdachte tot een leerstraf, te weten het volgen van een leerproject, te weten SoCool, voor de tijd van 40 uur;
- beveelt dat indien verdachte de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 20 dagen;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.000,= aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 1.000,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kunnen worden toegepast;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. de Jong, voorzitter,
en mr. T.M. Brouwer en mr. H. Skalonjic, allen kinderrechters,
in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 juli 2026.
Mr. Skalonjic is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 31 januari 2025 te [plaats] , althans in Nederlandmet een persoon, te weten [slachtoffer]een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit hetseksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het betasten van de borsten van die [slachtoffer] , en/of- het (tong)zoenen van die [slachtoffer] , en/of- het brengen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer] ,terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die[slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;( art 242 Wetboek van Strafrecht, art 243 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
Team jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-247607-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 14 juli 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedag] 2008,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. W.N. Ramnun, advocaat te Breda.
1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 30 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.A.P. van Hees en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzet- dan wel schuldverkrachting van [slachtoffer] .
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting, gelet op de aangifte van [slachtoffer] , de verklaringen van [persoon 1] en [persoon 2] , en de gespreksverslagen van de vertrouwenspersoon.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van opzet- dan wel schuldverkrachting. Er hebben seksuele handelingen plaatsgevonden maar verdachte wist niet dat de wil tot het plegen van de seksuele handelingen ontbrak en had daartoe ook niet het voorwaardelijk opzet. Hij hoefde ook niet te vermoeden dat de wil ontbrak.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Sinds 1 juli 2024 is de Wet seksuele misdrijven van kracht, als gevolg waarvan de strafbaarstelling van seksuele misdrijven in het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) ingrijpend is gewijzigd. De strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld is verruimd. Verkrachting kan nu gekwalificeerd worden als opzetverkrachting, gekwalificeerde opzetverkrachting of schuldverkrachting.
Opzetverkrachting (artikel 242 Sr)
Bij opzetverkrachting is iemand strafbaar als diegene seksuele handelingen verricht die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam in de wetenschap dat de wil van de ander daartoe ontbreekt. Het strafrechtelijk verwijt is hier dat degene die het seksuele contact initieert de wetenschap heeft dat de wil tot die handelingen ontbreekt bij de ander. Daarvan is niet alleen sprake als diegene daadwerkelijk weet dat de wil hiertoe bij de ander ontbreekt (vol opzet), maar ook als diegene zich bewust is van de mogelijk ontbrekende wil van de ander en die mogelijkheid negeert of, in andere woorden, voor lief of op de koop toe neemt (voorwaardelijk opzet).
Schuldverkrachting (artikel 243 Sr)
Bij schuldverkrachting ontstaat strafbaarheid als seksuele handelingen (waaronder seksueel binnendringen) worden verricht, terwijl iemand ernstige reden heeft om te vermoeden dat bij de ander de wil hiertoe ontbreekt. Bij schuldverkrachting is het strafrechtelijke verwijt tegen de dader dat diegene zeer onachtzaam heeft gehandeld door onvoldoende alert te zijn geweest op de mogelijkheid van een ontbrekende wil bij de ander en op dit punt een verkeerde inschatting heeft gemaakt. Bij aanwezigheid van contra-indicaties voor een vrije, positieve wilsuiting moet worden afgezien van seksueel contact of moet op zijn minst nader onderzoek worden gedaan naar de positie van de ander voordat het seksuele contact wordt doorgezet. Laat iemand dit na, dan is diegene strafbaar wegens schuldverkrachting.
Feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot een vermoeden van de ontbrekende wil bij de ander zijn de aanwezigheid van duidelijke indicaties voor een mogelijke afwezigheid van een vrije positieve wilsuiting bij de ander.
Feiten en omstandigheden
Verdachte en [slachtoffer] zaten ten tijde van het tenlastegelegde samen op school en maakten meerdere keren per week gebruik van het leerlingenvervoer, samen met andere kinderen van die school. Op 31 januari 2025 zaten verdachte en [slachtoffer] naast elkaar in het taxibusje toen zij onderweg naar huis waren.
In deze zaak staat niet ter discussie dat er seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer] hebben plaatsgevonden. Vast staat dat verdachte [slachtoffer] heeft gezoend en aan haar borst heeft gezeten. [slachtoffer] heeft verdachte gepijpt.
De rechtbank overweegt dat uit de verklaring van [slachtoffer] en de verklaring van de buschauffeur over de emotionele toestand van [slachtoffer] na het incident volgt dat bij haar de wil tot het verrichten van seksuele handelingen ontbrak.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte dat wist of ernstige reden had om dat te vermoeden.
[persoon 1] heeft het pijpen niet gezien omdat hij toen al de bus uit was. Wel heeft hij gezien dat verdachte en [slachtoffer] aan het zoenen waren en zag hij aan het gezicht van [slachtoffer] dat ze veel stress had en het niet fijn vond. [persoon 1] beschrijft dat [slachtoffer] het wat weglachte. [persoon 3] heeft in een gesprek met de vertrouwenspersoon van school gezegd dat [slachtoffer] duidelijk nee zei.
Hoewel de rechtbank ervan uitgaat dat [slachtoffer] op enig moment heeft gezegd dat ze het pijpen niet wilde, is het voor de rechtbank onduidelijk gebleven op welk moment zij dat heeft gezegd. Ook het gespreksverslag van [persoon 3] en de vertrouwenspersoon biedt daartoe geen duidelijkheid. Dat is wel van belang, omdat zowel verdachte als [slachtoffer] heeft verklaard dat [slachtoffer] op een bepaald moment tegen hem heeft gezegd dat ze het pijpen in ieder geval niet in de bus wilde doen omdat er teveel mensen in de bus waren. Verdachte heeft verder verklaard dat hij ervan uitging dat de wil er bij [slachtoffer] wel was vanaf het moment dat [persoon 1] de bus uit ging. [slachtoffer] had volgens verdachte een lachje op haar gezicht en had ook een keer ja geknikt. Hij heeft daarop haar hoofd naar beneden gedrukt en zijn penis in haar mond gebracht. Signalen dat ze niet wilde heeft hij volgens zijn eigen verklaring niet gezien.
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden kan de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststellen dat bij verdachte sprake is geweest van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, om de seksuele handelingen tegen de wil van [slachtoffer] te verrichten.
Wel is de rechtbank van oordeel dat de houding van [slachtoffer] een duidelijk waarneembaar signaal voor verdachte had moeten zijn dat de mogelijkheid bestond dat de wil bij haar ontbrak. Of ook [slachtoffer] de wil tot het seksueel contact had, had verdachte daarom moeten verifiëren. Zij had immers op zeker moment voor het pijpen gezegd dat niet in de bus te willen doen. Ook heeft zij geen positieve wilsuiting richting verdachte laten zien. Dat [slachtoffer] ja heeft gezegd of geknikt ten aanzien van de seksuele handelingen, zoals verdachte heeft verklaard, vindt de rechtbank in het licht van de overige verklaringen in het dossier ongeloofwaardig. Verdachte heeft zeer onachtzaam gehandeld door onvoldoende alert te zijn op de mogelijkheid van een ontbrekende wil bij [slachtoffer] . Hij had moeten afzien van het seksueel contact of op zijn minst moeten onderzoeken of de seksuele handelingen met [slachtoffer] op vrijwillige basis plaatsvonden. Omdat hij dat niet heeft gedaan, heeft hij zich schuldig gemaakt aan schuldverkrachting.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de (impliciet primair) ten laste gelegde opzetverkrachting en acht de rechtbank de (impliciet subsidiair) ten laste gelegde schuldverkrachting wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 31 januari 2025 in Nederlandmet een persoon, te weten [slachtoffer]seksuele handelingen die mede bestonden uit hetseksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het betasten van de borst van die [slachtoffer] , en - het zoenen van die [slachtoffer] , en - het brengen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer] ,terwijl hij, verdachte ernstige reden had om te vermoeden dat bij die[slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 120 uren en 90 dagen voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast vordert de officier van justitie een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr), inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] voor de duur van vijf jaar, met de bepaling dat bij iedere overtreding van deze maatregel vijf dagen jeugddetentie wordt toegepast, met een maximum van zes maanden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de betoogde vrijspraak dient geen straf te worden opgelegd. Subsidiair, indien het toch tot een strafoplegging komt, kan de verdediging zich vinden in de eis van de officier van justitie. De verdediging verzet zich wel tegen oplegging van een maatregel volgens artikel 38v Sr.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit en de omstandigheden
Verdachte heeft [slachtoffer] betast aan haar borst, gezoend en zijn penis in haar mond gebracht, terwijl zij dat niet wilde. Verdachte had beter moeten letten op de signalen van [slachtoffer] . Door dat niet te doen heeft hij haar (seksuele) grenzen overschreden. Dit is een ernstig feit, temeer ook omdat het in een taxibusje gebeurde waarin [slachtoffer] dagelijks van en naar school werd vervoerd en waar zij zich veilig moest kunnen voelen. Verdachte heeft de (seksuele) grenzen van [slachtoffer] overschreden. Hij heeft daarbij niet stilgestaan bij het verdriet en de angst die dit bij [slachtoffer] teweeg heeft gebracht. Verdachte heeft door zijn handelen dan ook een ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en seksuele integriteit. De impact van het feit blijkt ook uit de spreekrechtverklaring van [slachtoffer] . Zij verklaarde dat ze niet meer met het taxibusje durft mee te gaan en dat haar gevoel van veiligheid bij jongens is verdwenen. Zij heeft inmiddels ambulante hulp om met haar emoties om te gaan.
Persoon van verdachte en persoonlijke omstandigheden
Verdachte heeft een blanco strafblad. De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) van 16 juni 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat de Raad weinig risicofactoren ziet die de kans op herhaling van delictgedrag zouden kunnen vergroten. Verdachte heeft een steunend netwerk aan zijn moeder, neef en tante. Hij volgt een BBL opleiding en werkt daarnaast. Risicofactoren zijn dat verdachte een wat lager intelligentieniveau heeft en mogelijk vanuit een impulsbehoefte lijkt te hebben gehandeld waarbij het hem niet uitmaakte dat hij intiem was met een meisje op een openbare plek en gezien werden door anderen. Indien verdachte schuldig wordt bevonden heeft de Raad zorgen over het signaleren en respecteren van de signalen en grenzen van een ander. Daarnaast heeft de Raad dan zorgen dat hij zich onvoldoende inleeft hoe handelen voor het slachtoffer moet zijn geweest. De Raad heeft onder meer overwogen een So-Cool leerstraf te adviseren zodat verdachte kan leren hoe hij signalen van een ander kan herkennen, maar heeft besloten dit niet te adviseren omdat er geen andere leerdoelen/vaardigheidstekorten zijn en hij na het feit niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen. De deskundige heeft ter zitting aangegeven dat de neef van verdachte hem mogelijk kan bijbrengen hoe om te gaan met intimiteit. De Raad heeft geadviseerd een werkstraf en voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen.
Op te leggen straf
De rechtbank heeft gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS). De rechtbank komt tot een andere (minder zware) bewezenverklaring dan de officier van justitie, hetgeen zij meeweegt in de hoogte van de op te leggen straf.
Anders dan de Raad, acht de rechtbank een leerstraf ‘So Cool Regulier’ van 40 uren passend en geboden en zal deze ook opleggen. De rechtbank heeft, met de Raad, zorgen over het aanvoelen en respecteren van de grenzen van een ander. Verdachte heeft belangrijke signalen gemist. Het is belangrijk dat hij onder begeleiding van een trainer leert over seks, relaties en het herkennen van emoties en grenzen. De aard van de handelingen en de omstandigheden waaronder het feit werd gepleegd onderstrepen dat belang. Om te voorkomen dat zoiets nog eens gebeurt, vindt de rechtbank het van belang dat de op te leggen straf recht doet aan dit leerdoel. De leerstraf ‘So Cool Regulier’ biedt, gelet op het intelligentieniveau van verdachte, de beste mogelijkheden daartoe. Zij zal daarom deze module opleggen.
Naast de leerstraf legt de rechtbank aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 40 uren, te vervangen door 20 dagen jeugddetentie, als hij deze niet of niet goed doet.
Om recht te doen aan de ernst van het feit en als stok achter de deur zal zij daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie van 30 dagen met een proeftijd van twee jaar opleggen.
De rechtbank ziet af van het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr. Het doel van deze maatregel is de beveiliging van de maatschappij en voorkoming van strafbare feiten. De Raad ziet geen risicofactoren die het recidiverisico vergroten. Verdachte is na het strafbare feit niet meer in contact gekomen met politie en justitie. Verdachte en [slachtoffer] zitten niet meer op dezelfde school en verdachte heeft in de periode na het strafbare feit geen contact met [slachtoffer] gezocht of zich belastend gedragen richting haar. De rechtbank ziet geen aanleiding te veronderstellen dat dit na de uitspraak anders gaat zijn.
7De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 7.500,= voor onderhavig feit.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de (impliciet subsidiair) ten laste gelegde schuldverkrachting heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen, de voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring, de onderbouwing van de vordering en wat ter zitting is besproken over de vordering, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de categorie van ‘aantasting van de persoon op andere wijze’ van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Dit is door de verdediging niet betwist.
Als gevolg van het bewezenverklaarde feit heeft de benadeelde bovendien professionele behandeling nodig gehad. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit (schuldverkrachting) en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd. Het feit werd gepleegd in een taxibusje voor speciaal vervoer, een setting waarin [slachtoffer] zich veilig had moeten voelen, terwijl er nog meerdere mensen bij aanwezig waren. Verdachte en [slachtoffer] waren van ongeveer dezelfde leeftijd. Bij deze gradatie van de aantasting van de lichamelijke integriteit, past naar maatstaven van billijkheid een bedrag aan schadevergoeding van € 1.000,=. De rechtbank zal het smartengeld daarom op een bedrag van € 1.000,= vaststellen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dat deel van de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. Gelet op het
feit dat verdachte minderjarig was ten tijde van het gepleegde feit zal de duur van de
gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld.
8De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 242van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Schuldverkrachting;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 40 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 20 dagen;
- veroordeelt verdachte tot een leerstraf, te weten het volgen van een leerproject, te weten SoCool, voor de tijd van 40 uur;
- beveelt dat indien verdachte de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 20 dagen;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.000,= aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 1.000,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kunnen worden toegepast;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. de Jong, voorzitter,
en mr. T.M. Brouwer en mr. H. Skalonjic, allen kinderrechters,
in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 juli 2026.
Mr. Skalonjic is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 31 januari 2025 te [plaats] , althans in Nederlandmet een persoon, te weten [slachtoffer]een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit hetseksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het betasten van de borsten van die [slachtoffer] , en/of- het (tong)zoenen van die [slachtoffer] , en/of- het brengen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer] ,terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die[slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;( art 242 Wetboek van Strafrecht, art 243 lid 1 Wetboek van Strafrecht )