Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6376
2026-07-13
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
26/315 en 26/316
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
PW en BRP-zaak. Geen hoofdverblijf.
Citeert (11)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:7534 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2022:637 Raad van State 02-03-2022
- ECLI:NL:RVS:2023:2410 Raad van State 21-06-2023
- ECLI:NL:RVS:2024:1592 Raad van State 17-04-2024
- ECLI:NL:RVS:2019:1145 Raad van State 10-04-2019
- ECLI:NL:CRVB:2024:1459 Centrale Raad van Beroep 23-07-2024
- ECLI:NL:CRVB:2026:312 Centrale Raad van Beroep 10-03-2026
- ECLI:NL:CRVB:2023:1084 Centrale Raad van Beroep 09-05-2023
- ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432 Centrale Raad van Beroep 20-09-2010
- ECLI:NL:CRVB:2025:1403 Centrale Raad van Beroep 23-09-2025
- ECLI:NL:CRVB:2023:561 Centrale Raad van Beroep 14-03-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (34.015 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 26/315 PW en BRE 26/316 BRP
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. M.J.M. Voogt),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de ambtshalve uitschrijving uit de Basisregistratie Personen (BRP), inschrijving in de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI), de opgelegde bestuurlijke boete en de afwijzing van eisers aanvraag om algemene bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Eiser is het daarmee niet eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht is overgegaan tot uitschrijving uit de BRP, inschrijving in de RNI, het opleggen van de bestuurlijke boete en het afwijzen van de aanvraag om bijstand. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Het college heeft eiser met het besluit van 6 september 2025 (primair besluit 1) uitgeschreven op het BRP-adres, ingeschreven op een ander adres en een bestuurlijke boete van € 325,- opgelegd en ingevorderd. Met het bestreden besluit 1, verzonden op 18 december 2025, heeft het college het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard, de inschrijving op het andere adres ongedaan gemaakt en eiser per 22 augustus 2025 ingeschreven in de RNI.
2.1.
Eiser heeft daarnaast een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 september 2025 (primair besluit 2) afgewezen. Met het bestreden besluit 2 van 27 november 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het college heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 2 juli 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers gemachtigde en namens het college mr. D.L.M. Claessen en mr. A.D.M. Rombouts.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van bestreden besluit 1
3. Eiser staat vanaf 10 juni 2024 in de BRP ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats] .
3.1.
Het college heeft een bestuurlijke rapportage van de politie ontvangen, waaruit blijkt dat onderzoek is gedaan naar eisers verblijfplaats. Ten tijde van dit onderzoek verbleef eiser op het adres [adres 2] te [woonplaats] . Dit is het adres van de moeder van zijn kinderen. Volgens de politie verbleef eiser gedurende de periode van medio juni 2024 tot en met april 2025 op dit adres. Eiser ontving in die periode drie betalingen van in totaal € 3.825,- met de omschrijving ‘huur’, waardoor het vermoeden is ontstaan dat eiser de woning aan de [adres 1] verhuurde.
3.2.
Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage heeft het college onderzoek ingesteld naar het BRP-adres. Op 12 augustus 2025 zijn de toezichthouders naar de woning aan de [adres 1] gegaan. Daar wordt ene [persoon 1] aangetroffen die verklaart dat zij de schoonmaakster is. Nadat zowel persoonlijke spullen van [persoon 1] als van [persoon 2] waren aangetroffen, heeft [persoon 1] verklaard [persoon 2] niet te kennen en dat zij slechts twee keer per week in de woning komt voor de schoonmaak. De toezichthouders zien in de woonkamer een foto waarop [persoon 1] staat met een kinderwagen en twee andere personen. Ook hangt er een grote foto bij de trap, waarop een zwangere [persoon 1] te zien is. [persoon 1] heeft verder verklaard dat eiser op zolder slaapt en zij zelf op zoek is naar een andere woning. Op zolder treffen de toezichthouders damesschoenen en plastic bakken met babykleding aan. De Playstation waarvan [persoon 1] verklaart dat deze van eiser is, laat een profiel van [persoon 2] zien. Ook wordt er een rijbewijs van deze persoon aangetroffen. Na controle door Team Toezicht blijkt dat [persoon 2] de partner en tevens de vader van het kind van [persoon 1] is. De toezichthouders rijden vervolgens door naar de woning aan de [adres 2] . Daar wordt opengedaan door een kind, die aangeeft dat haar moeder niet thuis is en haar stiefvader ligt te slapen. Op verzoek van de toezichthouders wordt de stiefvader (eiser) gewekt. Eiser legitimeert zich en doet daarna de deur dicht.
3.3.
Het college verzoekt eiser met een brief van 12 augustus 2025 om aangifte te doen van zijn verhuizing. Op 22 augustus 2025 maakt het college het voornemen bekend om het adres van eiser te wijzigen naar de [adres 2] . Eiser laat weten dat hij niet verhuisd is en nog steeds woonachtig is op de [adres 1] . Het college heeft hierop gereageerd en eiser nogmaals in de gelegenheid gesteld om een adreswijziging door te geven. Met het besluit van 6 september 2025 (primair besluit 1) heeft het college eisers BRP-adres gewijzigd naar de [adres 2] en een bestuurlijke boete van € 325,- opgelegd en ingevorderd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, waarna het college is overgegaan tot het nemen van het bestreden besluit 1.
Totstandkoming van bestreden besluit 2
4. Eiser heeft op 5 augustus 2025, na afloop van zijn detentie op 17 juli 2025, een bijstandsuitkering aangevraagd naar de norm van een alleenstaande. Het beoogde uitkeringsadres is het BRP-adres aan de [adres 1] .
4.1.
Het college heeft de benodigde gegevens voor het vaststellen van het recht op de bijstandsuitkering opgevraagd. Ook heeft een buurtonderzoek plaatsgevonden op 14 augustus 2025. Gedurende dit onderzoek is een foto van eiser getoond aan een buurtbewoner. De buurtbewoner heeft verklaard dat eiser niet de man is die daar samen met zijn gezin woont.
4.2.
Het college heeft vervolgens in aansluiting op het spreekkamergesprek op 1 september 2025 een huisbezoek afgelegd op de [adres 1] om de woonsituatie vast te kunnen stellen. Tijdens dit huisbezoek heeft eiser aangewezen welke zaken van hem zijn (koelkast, tv, tv-meubel, eettafel, huishoudspullen in de kast onder de trap, stofzuiger, waterpijp, douchegel, enkele kleding, schoenen buiten) en wat van [persoon 1] is (kat, Playstation, bank, babyspullen, boodschappen, post).
4.3.
Naar aanleiding van deze bevindingen heeft het college de aanvraag om een bijstandsuitkering afgewezen (primair besluit 2). Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarprocedure heeft eiser de rechtbank om een voorlopige voorziening verzocht, die met de uitspraak van 3 november 2025 is afgewezen. Daarna is het college overgegaan tot het nemen van het bestreden besluit 2.
Standpunten van het college
5. Het college heeft aangevoerd dat eisers aanhouding op de [adres 2] en de informatie uit de bestuurlijke rapportage van de politie heeft geleid tot gerede twijfel over het woonadres van eiser. Gelet hierop is het adresonderzoek gestart. Uit het huisbezoek is gebleken dat er weinig persoonlijke spullen van eiser op het adres aanwezig zijn. Er wordt nauwelijks kleding, geen foto’s, schoenen, post of verzorgingsproducten aangetroffen. De zolder, waar eiser zou slapen, gaf een onbewoonde indruk. Eiser is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij toch op het BRP-adres woont. Het latere huisbezoek van 1 september 2025 bevestigt dat eiser niet woonachtig is op het adres. Nu op basis van een gedegen onderzoek geconcludeerd kon worden dat eiser niet woonachtig is aan de [adres 1] , maar dat onvoldoende is gebleken dat eiser woonachtig is aan de [adres 2] , kan het college niet anders dan overgaan tot inschrijving in de RNI. Omdat eiser de verplichting om zijn adreswijziging door te geven (verwijtbaar) niet is nagekomen, is het college vervolgens bevoegd om een bestuurlijke boete op te leggen. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan het college had moeten afzien van het gebruiken van deze bevoegdheid.
5.1.
Ten aanzien van de aanvraag om bijstand heeft het college zich op het standpunt gesteld dat eisers hoofdverblijf niet kan worden vastgesteld op het beoogde uitkeringsadres. Daarbij is van belang dat uit het huisbezoek van 12 augustus 2025 is gebleken dat een ander gezin woonachtig is op het adres. Eiser zelf is aangetroffen op een ander adres. Ook zijn er weinig persoonlijke spullen van eiser op het adres aangetroffen, wordt er van eiser vrijwel geen kleding, geen voedsel, post, administratie, vuile was, tandenborstel of overige verzorgingsspullen aangetroffen en lijkt de woning tijdens het tweede huisbezoek op 1 september 2025 te zijn aangepast. Dat eiser niet woonachtig is op het adres, wordt ook bevestigd door het verrichte buurtonderzoek. Daarnaast acht het college de verklaring van eiser op bepaalde punten niet aannemelijk en niet in overeenstemming met de bevindingen tijdens het huisbezoek. Zo heeft eiser verklaard dat hij de gehele woning gebruikt met uitzondering van de babykamer, maar door de gehele woning zijn spullen van het andere gezin aangetroffen. Gelet hierop komt het college tot de conclusie dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij hoofdverblijf heeft op het beoogde uitkeringsadres, waardoor de aanvraag om een uitkering dient te worden afgewezen.
Beroepsgronden
6. Volgens eiser had het college na het adresonderzoek geen gerede twijfel kunnen hebben over het woonadres van eiser. Het onderzoek van de politie richt zich op de periode vóór eisers detentie. Daarom kan deze rapportage niet als aanleiding dienen voor het adresonderzoek van het college. Ook is de conclusie van de politie dat eiser niet op het adres woonde niet nader onderbouwd. Uit de rapportage blijkt niet welke onderzoekshandelingen zijn verricht en wat daarvan de bevindingen waren. Ook waren er volgens eiser wel persoonlijke spullen van hem aanwezig in de woning, maar omdat hij niet aanwezig was bij het huisbezoek van 12 augustus 2025, kon hij die niet aanwijzen. Tijdens het huisbezoek van 1 september 2025 zijn ook daadwerkelijk persoonlijke spullen van eiser aangetroffen. Verder heeft hij telkens tijdig gereageerd op brieven van het college die op het adres werden ontvangen. Ook betaalde hij de kosten voor de energie, het internet en tv-abonnement. Dat eiser is aangetroffen op de [adres 2] is verklaarbaar omdat zijn kinderen daar wonen en hij de moeder van zijn kinderen wil ondersteunen. Dat eiser daar regelmatig verblijft, zegt niet dat hij daar zijn hoofdverblijf heeft. Eiser is daarnaast van mening dat één huisbezoek onvoldoende is om te concluderen dat hij niet woonachtig is aan de [adres 1] . Het had op de weg van het college gelegen om nader onderzoek te doen. Dat [persoon 1] in de woning aan de [adres 1] verbleef, kan eveneens niet tot de conclusie leiden dat eiser daar niet zijn hoofdverblijf had. [persoon 1] is inmiddels geruime tijd uitgeschreven op het adres. Gelet op deze omstandigheden concludeert eiser dat er geen sprake is geweest van een zorgvuldig onderzoek en dat hij wel degelijk aannemelijk heeft gemaakt dat hij hoofdverblijf heeft aan de [adres 1] . Hij was daarom niet gehouden om zijn adres in de BRP te wijzigen en de bestuurlijke boete mocht daarom niet worden opgelegd.
6.1.
In het kader van de aanvraag om bijstand heeft eiser aangevoerd dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres. Het college heeft haar beslissing mede gebaseerd op het onderzoek en huisbezoek door de afdeling Adresonderzoek. Volgens eiser is dit onderzoek niet deugdelijk en zorgvuldig uitgevoerd. Daarbij voert eiser aan dat het feit dat hij onderdak heeft verleend aan zijn nichtje [persoon 1] en haar baby, niet betekent dat hij zelf geen hoofdverblijf had in de woning. Uit het feitelijk verblijf van andere personen kan deze conclusie niet worden getrokken. Verder heeft eiser aangevoerd dat er wel persoonlijke spullen van hem in de woning waren, maar dat hij de rapporteur daar niet op kon wijzen, omdat hij niet aanwezig was bij het eerste huisbezoek. Vanwege eisers detentie en het ontbreken van een inkomen, heeft hij sowieso weinig persoonlijke spullen. Ook ging hij vaak eten bij vrienden en familie, wat verklaart waarom hij weinig heeft uitgegeven aan levensonderhoud. Tijdens het tweede huisbezoek heeft eiser gewezen op zijn spullen. Het voedsel in de koelkast was niet van hem, maar daar mocht hij wel gebruik van maken. Ten aanzien van de jassen merkt hij op dat hij in de zomer gebruikmaakt van vesten, die aangetroffen zijn door de rapporteurs. Eiser heeft verder gewezen op de schoenen van het merk New Balance in de gang en de werkschoenen in de tuin die ook op de foto’s in het dossier zijn te zien. Eiser maakt vooral gebruik van de zolder en daarom stonden zijn meeste spullen daar. Ten aanzien van de verwijderde foto’s van [persoon 1] heeft eiser bevestigd dat hij haar verzocht heeft om die te verwijderen en een andere verblijfplaats te zoeken, toen duidelijk werd dat haar aanwezigheid consequenties kon hebben voor zijn recht op bijstand. Verder heeft eiser aangevoerd dat een vriend van hem kapper is en bereid is hem te helpen met zijn baardverzorging voor € 10,- per maand. Ook heeft eiser telkens contact opgenomen met het college zodra hij brieven ontving op het opgegeven adres. Zijn overige post ontvangt hij vooral digitaal, wat verklaart waarom er niet veel post van hem in de woning lag. Verder heeft eiser aangevoerd dat hij de rekeningen van de energieleverancier, het tv-abonnement en de internetkosten voor de woning voldoet, wat volgens hem vreemd zou zijn als hij daar zelf niet woonachtig zou zijn. Tot slot is het uitgevoerde buurtonderzoek te summier om daaruit conclusies te kunnen trekken. Het college had volgens eiser meerdere buurtbewoners moeten benaderen om een deugdelijk en zorgvuldig buurtonderzoek te kunnen uitvoeren. In dat kader hadden ook heimelijke waarnemingen kunnen plaatsvinden.
Wettelijk kader
7. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Bestreden besluit 1
8. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) meermaals heeft overwogen, is het doel van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP) dat de in de BRP vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de BRP gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd.
8.1.
Artikel 2.22 van de Wet BRP geeft het college de mogelijkheid om iemand ambtshalve uit te schrijven uit de BRP. Daarvoor moet er zijn voldaan aan drie voorwaarden:
(1) die persoon kan niet worden bereikt (op het BRP-adres);
(2) er is geen aangifte van verhuizing ontvangen; en
(3) na gedegen onderzoek zijn geen (andere) verblijf- en adresgegevens van die persoon bekend geworden.
8.2.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet BRP volgt dat niet lichtvaardig tot ambtshalve uitschrijven als ingezetene uit de BRP mag worden overgegaan, omdat dit voor de ingeschrevene betekent dat de verschillende overheidsorganen (en derden) er in beginsel van uitgaan dat hij niet meer in Nederland verblijft en zij zullen bijvoorbeeld uitkeringen en andere vormen van dienstverlening ten behoeve van betrokkene in beginsel stopzetten.
8.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling houdt de eerste voorwaarde in dat de ingezetene niet daadwerkelijk woont, en daarom niet in persoon bereikbaar is, op zijn in de BRP geregistreerde woonadres. Het adresonderzoek is bedoeld om te onderzoeken of aan dit vereiste is voldaan. Artikel 2.22, eerste lid, vereist dat dit onderzoek gedegen is (derde voorwaarde).
8.4.
Als bij het college na zo’n adresonderzoek in redelijkheid gerede twijfel kan bestaan of de betrokkene op dat adres woont, is het – eveneens volgens vaste rechtspraak van de Afdeling – vervolgens aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij wel op dat adres woont.
8.5.
Niet in geschil is dat het college geen aangifte van adreswijziging heeft ontvangen. Eiser stelt immers dat hij onafgebroken (buiten de eerste weken na het aflopen van zijn detentie) op het BRP-adres heeft gewoond. Daarom gaat het in deze zaak over de vraag of het college zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat is voldaan aan de eerste en de derde voorwaarde van artikel 2.22, eerste lid, van de Wet BRP.
8.6.
Gelet op de bevindingen uit het adresonderzoek kon het college naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid twijfelen of eiser woonachtig was op het BRP-adres. Het onderzoek van het college biedt, anders dan eiser stelt, voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat eiser daar niet verbleef. Daarbij is van belang dat de politie tot de conclusie was gekomen dat eiser in de periode vóór zijn detentie niet op het adres verbleef, dat eiser niet is aangetroffen tijdens het huisbezoek op 12 augustus 2025 en dat er een ander gezin woonde op het adres.
8.7.
Het is dan volgens vaste rechtspraak aan eiser om aannemelijk te maken dat hij wel op het adres woont. Daartoe overweegt de rechtbank dat er tijdens het huisbezoek nauwelijks persoonlijke spullen van eiser in de woning zijn aangetroffen. De schoenen van het merk New Balance, de werkschoenen in de tuin en de vesten waarvan eiser stelt dat deze van hem zijn, zijn, zoals het college aanvoert, niet persoonsgebonden en zouden daarom ook van [persoon 2] kunnen zijn. De afwezigheid van persoonlijke spullen kan ook niet verklaard worden door eisers detentie, gelet op de relatief beperkte duur van zijn detentie. Bijvoorbeeld kleding of schoenen zijn ook na een detentie van drie maanden nog beschikbaar. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser ten tijde van het huisbezoek al ruim een jaar op het adres stond ingeschreven. De stelling van eiser dat hij bij vrienden en familie ging eten ten tijde van het huisbezoek en dat daarom weinig voedsel in de woning aanwezig was, is niet nader onderbouwd. Bovendien is het onwaarschijnlijk dat hij de gehele dag gedurende die periode niet thuis at, dus dan zou iets van voedsel of andere verzorgingsspullen aanwezig moeten zijn geweest in de woning waarvan hij stelt dat hij daar woonachtig is. Daarnaast zijn de spullen van het andere gezin in de gehele woning aangetroffen. De rechtbank acht eisers verklaring dat hij alleen gebruikmaakt van de zolder niet aannemelijk. Ook op zolder is een kast met damesschoenen en dozen met babykleding aangetroffen. Bovendien gaf de zolderkamer niet de indruk in gebruik te zijn. De aanwezige foto’s van [persoon 1] lijken ook niet te passen bij een tijdelijk verblijf, maar duiden eerder op permanente bewoning. Verder was er ook geen vuile was of administratie van eiser aanwezig. Er was wel vuile was van [persoon 1] aanwezig en in het tv-meubel werd post van [persoon 1] aangetroffen. Ook eisers stelling dat hij zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres heeft omdat hij na ontvangst van brieven van de gemeente snel contact opneemt, houdt geen stand. Zoals het college terecht stelt, zegt dit niets over zijn woonsituatie op het inschrijfadres en zou hij ook door [persoon 1] spoedig geïnformeerd kunnen worden. Tot slot is de omstandigheid dat eiser de rekeningen voor de energiekosten, het tv-abonnement en het internet voor de woning betaalt, onvoldoende om, in weerwil van de onderzoeksbevindingen, aan te nemen dat het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven op het opgegeven adres is. Gelet hierop heeft het college naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonachtig is op het BRP-adres.
8.8.
De derde voorwaarde is dat na gedegen onderzoek geen (andere) verblijf- en adresgegevens van die persoon bekend zijn geworden. Het college heeft ter zitting toegelicht dat tijdens de bezwaarprocedure is gebleken dat onvoldoende vaststond dat eiser woonachtig was op het adres aan de [adres 2] . In het kader van een nieuwe aanvraag om bijstand was op 28 oktober 2025 (een week vóór de hoorzitting in de BRP-procedure) een nieuw huisbezoek afgelegd, waaruit is gebleken dat eiser inmiddels weer zijn hoofdverblijf had op de [adres 1] . Het onderzoeksgebrek ten aanzien van een eventuele andere verblijfplaats van eiser kon daarom niet meer hersteld worden. Gelet op de conclusie dat eiser niet woonde op de [adres 1] ten tijde van het adresonderzoek, dat niet kon worden vastgesteld dat eiser woonde op de [adres 2] , de belangen van en mogelijke gevolgen voor de moeder van eisers kinderen en de omstandigheid dat eiser zelf ook geen ander adres heeft doorgegeven waarnaar onderzoek gedaan kon worden, is het college naar het oordeel van de rechtbank terecht overgegaan tot inschrijving in de RNI.
Bestuurlijke boete
9. Ingevolge artikel 2.39 van de Wet BRP dient een ingezetene bij het college schriftelijk aangifte te doen van een adreswijziging. Op grond van artikel 4.17 van de Wet BRP is het college bevoegd om een bestuurlijke boete van ten hoogste € 325,- op te leggen bij overtreding van artikel 2.39 van de Wet BRP. Uit artikel 3, aanhef en onder a, van de Beleidsregels bestuurlijke boete Wet BRP gemeente Tilburg (Beleidsregels) blijkt dat de boete € 325,- bedraagt als het aannemelijk is, dat de aangifteverplichting opgenomen in de artikelen 2.38, 2.39, 243 van de wet, bewust niet is nagekomen.
9.1.
Eiser had zijn adreswijziging moeten doorgeven. Het college heeft eiser driemaal in de gelegenheid gesteld om dit alsnog te doen. Daaruit leidt de rechtbank af dat eiser er bewust voor heeft gekozen om de aangifteverplichting niet na te komen. Gelet hierop is van ontbreken van verwijtbaarheid geen sprake en was het college bevoegd om de bestuurlijke boete van € 325,- op te leggen.
Bestreden besluit 2
10. Iemand die een bijstandsuitkering aanvraagt, moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie.
10.1.
In artikel 40, eerste lid, van de PW is bepaald dat het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende zijn woonplaats heeft, als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Uit deze artikelen volgt dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich in zijn woonstede bevindt, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.
10.2.
Onder woonstede wordt een woning verstaan. De woonstede van een betrokkene is dus daar waar zijn hoofdverblijf is. Voor het antwoord op de vraag waar de woonplaats in de zin van artikel 40, eerste lid, van de PW is, is dan ook uitsluitend bepalend waar de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft en, als geen hoofdverblijf is aan te wijzen, daar waar hij werkelijk verblijft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven zich bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
10.3.
Hierbij is van belang waar een betrokkene het merendeel van de tijd overdag verblijft en waar hij de nacht doorbrengt, waar zich zijn persoonlijke bezittingen, zijn kleding en zijn verzorgingsproducten bevinden en waar hij doorgaans de maaltijd gebruikt, doucht, de was doet en waar hij zijn zaken behartigt. Mede van betekenis is waar betrokkene post ontvangt en waar hij zijn administratie verzorgt en bewaart en op welk adres zijn telefoon- en internetaansluitingen en zijn verzekeringen betrekking hebben. Aan de inschrijving in de BRP komt bij de beantwoording van de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft geen doorslaggevende betekenis toe.De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.
10.4.
Ten aanzien van de vraag of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres, sluit de rechtbank aan bij de overwegingen
uit 8.7. Gelet op de daar beschreven omstandigheden heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aangetoond dat hij zijn hoofdverblijf had op het adres aan de [adres 1] . Het college heeft de aanvraag om bijstand op dat adres daarom terecht afgewezen.
Zorgvuldigheid van het onderzoek
11. Volgens eiser heeft het college haar beslissing mede gebaseerd op het onderzoek en huisbezoek door de afdeling Adresonderzoek. Dit onderzoek is niet deugdelijk en zorgvuldig uitgevoerd. Ook heeft eiser aangevoerd dat buurtonderzoek te beperkt is uitgevoerd en dat er heimelijke waarnemingen hadden kunnen plaatsvinden.
11.1.
Het is de rechtbank niet gebleken dat het onderzoek door de afdeling Adresonderzoek ondeugdelijk en onzorgvuldig is uitgevoerd. Hoewel het buurtonderzoek beperkt is uitgevoerd, blijkt daaruit wel dat de buurtbewoner eiser niet herkent als de man die woonachtig is op het opgegeven adres. Overigens had eiser, op wie de bewijslast immers rust, zo nodig zelf verklaringen van andere buurtbewoners kunnen inbrengen, maar dit heeft hij niet gedaan. Ook hoefde het college niet meerdere huisbezoeken of heimelijke waarnemingen te laten plaatsvinden. Wanneer het college meent in het kader van de op hen rustende onderzoeksplicht voldoende gegevens te hebben verzameld met de inzet van enkele onderzoeksmiddelen, mag daarmee worden volstaan.
11.2.
De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om tot de conclusie te komen dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek. Het college mocht zich baseren op de onderzoeksbevindingen.
Conclusie en gevolgen
12. De beroepen zijn ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 13 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep in zaak 26/315 PW
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Informatie over hoger beroep in zaak 26/316 BRP
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet
Artikel 11, eerste lid
Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
Artikel 17
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
De belanghebbende verleent het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Artikel 40, eerste lid
Het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bijstand aan een belanghebbende die niet is ingeschreven als ingezetene met een woonadres of briefadres in de basisregistratie personen wordt verleend door het college van een bij die maatregel aan te wijzen gemeente.
Artikel 53a, zesde lid
Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten tot herziening of intrekking van de bijstand.
Wet basisregistratie personen
Artikel 2.22, eerste lid
Indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland.
Artikel 2.39, eerste lid
De ingezetene die zijn adres wijzigt doet hiervan schriftelijk aangifte bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft.
Artikel 4.17, aanhef en onder a
Het college van burgemeester en wethouders kan een bestuurlijke boete van ten hoogste € 325,– opleggen:
a. ter zake van overtreding van de artikelen 2.38, 2.39, 2.40, vijfde lid, 2.43 tot en met 2.47, 2.50, 2.51 en 2.52;
Beleidsregels bestuurlijke boete Wet BRP gemeente Tilburg
Artikel 3, aanhef en onder a
De boete bedraagt 325 Euro in de volgende gevallen:
a. als het aannemelijk is, dat de aangifteverplichting opgenomen in de artikelen 2.38, 2.39, 243 van de wet, bewust niet is nagekomen;
Artikel 4, eerste lid
Een bestuurlijke boete kan alleen opgelegd worden wanneer het de persoon verweten kan worden dat hij de overtreding heeft begaan.
Zie de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7534.
Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 2 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:637) en 21 juni 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2410).
Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3, p. 42.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1592.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1145.
Zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1459.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 10 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:312.
Zie de uitspraak van de CRvB van 9 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1084.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432.
Zie de uitspraak van de CRvB van 23 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1403.
Zie de uitspraak van de CRvB van 14 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:561.
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 26/315 PW en BRE 26/316 BRP
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. M.J.M. Voogt),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de ambtshalve uitschrijving uit de Basisregistratie Personen (BRP), inschrijving in de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI), de opgelegde bestuurlijke boete en de afwijzing van eisers aanvraag om algemene bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Eiser is het daarmee niet eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht is overgegaan tot uitschrijving uit de BRP, inschrijving in de RNI, het opleggen van de bestuurlijke boete en het afwijzen van de aanvraag om bijstand. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Het college heeft eiser met het besluit van 6 september 2025 (primair besluit 1) uitgeschreven op het BRP-adres, ingeschreven op een ander adres en een bestuurlijke boete van € 325,- opgelegd en ingevorderd. Met het bestreden besluit 1, verzonden op 18 december 2025, heeft het college het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard, de inschrijving op het andere adres ongedaan gemaakt en eiser per 22 augustus 2025 ingeschreven in de RNI.
2.1.
Eiser heeft daarnaast een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 september 2025 (primair besluit 2) afgewezen. Met het bestreden besluit 2 van 27 november 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het college heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 2 juli 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers gemachtigde en namens het college mr. D.L.M. Claessen en mr. A.D.M. Rombouts.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van bestreden besluit 1
3. Eiser staat vanaf 10 juni 2024 in de BRP ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats] .
3.1.
Het college heeft een bestuurlijke rapportage van de politie ontvangen, waaruit blijkt dat onderzoek is gedaan naar eisers verblijfplaats. Ten tijde van dit onderzoek verbleef eiser op het adres [adres 2] te [woonplaats] . Dit is het adres van de moeder van zijn kinderen. Volgens de politie verbleef eiser gedurende de periode van medio juni 2024 tot en met april 2025 op dit adres. Eiser ontving in die periode drie betalingen van in totaal € 3.825,- met de omschrijving ‘huur’, waardoor het vermoeden is ontstaan dat eiser de woning aan de [adres 1] verhuurde.
3.2.
Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage heeft het college onderzoek ingesteld naar het BRP-adres. Op 12 augustus 2025 zijn de toezichthouders naar de woning aan de [adres 1] gegaan. Daar wordt ene [persoon 1] aangetroffen die verklaart dat zij de schoonmaakster is. Nadat zowel persoonlijke spullen van [persoon 1] als van [persoon 2] waren aangetroffen, heeft [persoon 1] verklaard [persoon 2] niet te kennen en dat zij slechts twee keer per week in de woning komt voor de schoonmaak. De toezichthouders zien in de woonkamer een foto waarop [persoon 1] staat met een kinderwagen en twee andere personen. Ook hangt er een grote foto bij de trap, waarop een zwangere [persoon 1] te zien is. [persoon 1] heeft verder verklaard dat eiser op zolder slaapt en zij zelf op zoek is naar een andere woning. Op zolder treffen de toezichthouders damesschoenen en plastic bakken met babykleding aan. De Playstation waarvan [persoon 1] verklaart dat deze van eiser is, laat een profiel van [persoon 2] zien. Ook wordt er een rijbewijs van deze persoon aangetroffen. Na controle door Team Toezicht blijkt dat [persoon 2] de partner en tevens de vader van het kind van [persoon 1] is. De toezichthouders rijden vervolgens door naar de woning aan de [adres 2] . Daar wordt opengedaan door een kind, die aangeeft dat haar moeder niet thuis is en haar stiefvader ligt te slapen. Op verzoek van de toezichthouders wordt de stiefvader (eiser) gewekt. Eiser legitimeert zich en doet daarna de deur dicht.
3.3.
Het college verzoekt eiser met een brief van 12 augustus 2025 om aangifte te doen van zijn verhuizing. Op 22 augustus 2025 maakt het college het voornemen bekend om het adres van eiser te wijzigen naar de [adres 2] . Eiser laat weten dat hij niet verhuisd is en nog steeds woonachtig is op de [adres 1] . Het college heeft hierop gereageerd en eiser nogmaals in de gelegenheid gesteld om een adreswijziging door te geven. Met het besluit van 6 september 2025 (primair besluit 1) heeft het college eisers BRP-adres gewijzigd naar de [adres 2] en een bestuurlijke boete van € 325,- opgelegd en ingevorderd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, waarna het college is overgegaan tot het nemen van het bestreden besluit 1.
Totstandkoming van bestreden besluit 2
4. Eiser heeft op 5 augustus 2025, na afloop van zijn detentie op 17 juli 2025, een bijstandsuitkering aangevraagd naar de norm van een alleenstaande. Het beoogde uitkeringsadres is het BRP-adres aan de [adres 1] .
4.1.
Het college heeft de benodigde gegevens voor het vaststellen van het recht op de bijstandsuitkering opgevraagd. Ook heeft een buurtonderzoek plaatsgevonden op 14 augustus 2025. Gedurende dit onderzoek is een foto van eiser getoond aan een buurtbewoner. De buurtbewoner heeft verklaard dat eiser niet de man is die daar samen met zijn gezin woont.
4.2.
Het college heeft vervolgens in aansluiting op het spreekkamergesprek op 1 september 2025 een huisbezoek afgelegd op de [adres 1] om de woonsituatie vast te kunnen stellen. Tijdens dit huisbezoek heeft eiser aangewezen welke zaken van hem zijn (koelkast, tv, tv-meubel, eettafel, huishoudspullen in de kast onder de trap, stofzuiger, waterpijp, douchegel, enkele kleding, schoenen buiten) en wat van [persoon 1] is (kat, Playstation, bank, babyspullen, boodschappen, post).
4.3.
Naar aanleiding van deze bevindingen heeft het college de aanvraag om een bijstandsuitkering afgewezen (primair besluit 2). Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarprocedure heeft eiser de rechtbank om een voorlopige voorziening verzocht, die met de uitspraak van 3 november 2025 is afgewezen. Daarna is het college overgegaan tot het nemen van het bestreden besluit 2.
Standpunten van het college
5. Het college heeft aangevoerd dat eisers aanhouding op de [adres 2] en de informatie uit de bestuurlijke rapportage van de politie heeft geleid tot gerede twijfel over het woonadres van eiser. Gelet hierop is het adresonderzoek gestart. Uit het huisbezoek is gebleken dat er weinig persoonlijke spullen van eiser op het adres aanwezig zijn. Er wordt nauwelijks kleding, geen foto’s, schoenen, post of verzorgingsproducten aangetroffen. De zolder, waar eiser zou slapen, gaf een onbewoonde indruk. Eiser is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij toch op het BRP-adres woont. Het latere huisbezoek van 1 september 2025 bevestigt dat eiser niet woonachtig is op het adres. Nu op basis van een gedegen onderzoek geconcludeerd kon worden dat eiser niet woonachtig is aan de [adres 1] , maar dat onvoldoende is gebleken dat eiser woonachtig is aan de [adres 2] , kan het college niet anders dan overgaan tot inschrijving in de RNI. Omdat eiser de verplichting om zijn adreswijziging door te geven (verwijtbaar) niet is nagekomen, is het college vervolgens bevoegd om een bestuurlijke boete op te leggen. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan het college had moeten afzien van het gebruiken van deze bevoegdheid.
5.1.
Ten aanzien van de aanvraag om bijstand heeft het college zich op het standpunt gesteld dat eisers hoofdverblijf niet kan worden vastgesteld op het beoogde uitkeringsadres. Daarbij is van belang dat uit het huisbezoek van 12 augustus 2025 is gebleken dat een ander gezin woonachtig is op het adres. Eiser zelf is aangetroffen op een ander adres. Ook zijn er weinig persoonlijke spullen van eiser op het adres aangetroffen, wordt er van eiser vrijwel geen kleding, geen voedsel, post, administratie, vuile was, tandenborstel of overige verzorgingsspullen aangetroffen en lijkt de woning tijdens het tweede huisbezoek op 1 september 2025 te zijn aangepast. Dat eiser niet woonachtig is op het adres, wordt ook bevestigd door het verrichte buurtonderzoek. Daarnaast acht het college de verklaring van eiser op bepaalde punten niet aannemelijk en niet in overeenstemming met de bevindingen tijdens het huisbezoek. Zo heeft eiser verklaard dat hij de gehele woning gebruikt met uitzondering van de babykamer, maar door de gehele woning zijn spullen van het andere gezin aangetroffen. Gelet hierop komt het college tot de conclusie dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij hoofdverblijf heeft op het beoogde uitkeringsadres, waardoor de aanvraag om een uitkering dient te worden afgewezen.
Beroepsgronden
6. Volgens eiser had het college na het adresonderzoek geen gerede twijfel kunnen hebben over het woonadres van eiser. Het onderzoek van de politie richt zich op de periode vóór eisers detentie. Daarom kan deze rapportage niet als aanleiding dienen voor het adresonderzoek van het college. Ook is de conclusie van de politie dat eiser niet op het adres woonde niet nader onderbouwd. Uit de rapportage blijkt niet welke onderzoekshandelingen zijn verricht en wat daarvan de bevindingen waren. Ook waren er volgens eiser wel persoonlijke spullen van hem aanwezig in de woning, maar omdat hij niet aanwezig was bij het huisbezoek van 12 augustus 2025, kon hij die niet aanwijzen. Tijdens het huisbezoek van 1 september 2025 zijn ook daadwerkelijk persoonlijke spullen van eiser aangetroffen. Verder heeft hij telkens tijdig gereageerd op brieven van het college die op het adres werden ontvangen. Ook betaalde hij de kosten voor de energie, het internet en tv-abonnement. Dat eiser is aangetroffen op de [adres 2] is verklaarbaar omdat zijn kinderen daar wonen en hij de moeder van zijn kinderen wil ondersteunen. Dat eiser daar regelmatig verblijft, zegt niet dat hij daar zijn hoofdverblijf heeft. Eiser is daarnaast van mening dat één huisbezoek onvoldoende is om te concluderen dat hij niet woonachtig is aan de [adres 1] . Het had op de weg van het college gelegen om nader onderzoek te doen. Dat [persoon 1] in de woning aan de [adres 1] verbleef, kan eveneens niet tot de conclusie leiden dat eiser daar niet zijn hoofdverblijf had. [persoon 1] is inmiddels geruime tijd uitgeschreven op het adres. Gelet op deze omstandigheden concludeert eiser dat er geen sprake is geweest van een zorgvuldig onderzoek en dat hij wel degelijk aannemelijk heeft gemaakt dat hij hoofdverblijf heeft aan de [adres 1] . Hij was daarom niet gehouden om zijn adres in de BRP te wijzigen en de bestuurlijke boete mocht daarom niet worden opgelegd.
6.1.
In het kader van de aanvraag om bijstand heeft eiser aangevoerd dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres. Het college heeft haar beslissing mede gebaseerd op het onderzoek en huisbezoek door de afdeling Adresonderzoek. Volgens eiser is dit onderzoek niet deugdelijk en zorgvuldig uitgevoerd. Daarbij voert eiser aan dat het feit dat hij onderdak heeft verleend aan zijn nichtje [persoon 1] en haar baby, niet betekent dat hij zelf geen hoofdverblijf had in de woning. Uit het feitelijk verblijf van andere personen kan deze conclusie niet worden getrokken. Verder heeft eiser aangevoerd dat er wel persoonlijke spullen van hem in de woning waren, maar dat hij de rapporteur daar niet op kon wijzen, omdat hij niet aanwezig was bij het eerste huisbezoek. Vanwege eisers detentie en het ontbreken van een inkomen, heeft hij sowieso weinig persoonlijke spullen. Ook ging hij vaak eten bij vrienden en familie, wat verklaart waarom hij weinig heeft uitgegeven aan levensonderhoud. Tijdens het tweede huisbezoek heeft eiser gewezen op zijn spullen. Het voedsel in de koelkast was niet van hem, maar daar mocht hij wel gebruik van maken. Ten aanzien van de jassen merkt hij op dat hij in de zomer gebruikmaakt van vesten, die aangetroffen zijn door de rapporteurs. Eiser heeft verder gewezen op de schoenen van het merk New Balance in de gang en de werkschoenen in de tuin die ook op de foto’s in het dossier zijn te zien. Eiser maakt vooral gebruik van de zolder en daarom stonden zijn meeste spullen daar. Ten aanzien van de verwijderde foto’s van [persoon 1] heeft eiser bevestigd dat hij haar verzocht heeft om die te verwijderen en een andere verblijfplaats te zoeken, toen duidelijk werd dat haar aanwezigheid consequenties kon hebben voor zijn recht op bijstand. Verder heeft eiser aangevoerd dat een vriend van hem kapper is en bereid is hem te helpen met zijn baardverzorging voor € 10,- per maand. Ook heeft eiser telkens contact opgenomen met het college zodra hij brieven ontving op het opgegeven adres. Zijn overige post ontvangt hij vooral digitaal, wat verklaart waarom er niet veel post van hem in de woning lag. Verder heeft eiser aangevoerd dat hij de rekeningen van de energieleverancier, het tv-abonnement en de internetkosten voor de woning voldoet, wat volgens hem vreemd zou zijn als hij daar zelf niet woonachtig zou zijn. Tot slot is het uitgevoerde buurtonderzoek te summier om daaruit conclusies te kunnen trekken. Het college had volgens eiser meerdere buurtbewoners moeten benaderen om een deugdelijk en zorgvuldig buurtonderzoek te kunnen uitvoeren. In dat kader hadden ook heimelijke waarnemingen kunnen plaatsvinden.
Wettelijk kader
7. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Bestreden besluit 1
8. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) meermaals heeft overwogen, is het doel van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP) dat de in de BRP vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de BRP gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd.
8.1.
Artikel 2.22 van de Wet BRP geeft het college de mogelijkheid om iemand ambtshalve uit te schrijven uit de BRP. Daarvoor moet er zijn voldaan aan drie voorwaarden:
(1) die persoon kan niet worden bereikt (op het BRP-adres);
(2) er is geen aangifte van verhuizing ontvangen; en
(3) na gedegen onderzoek zijn geen (andere) verblijf- en adresgegevens van die persoon bekend geworden.
8.2.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet BRP volgt dat niet lichtvaardig tot ambtshalve uitschrijven als ingezetene uit de BRP mag worden overgegaan, omdat dit voor de ingeschrevene betekent dat de verschillende overheidsorganen (en derden) er in beginsel van uitgaan dat hij niet meer in Nederland verblijft en zij zullen bijvoorbeeld uitkeringen en andere vormen van dienstverlening ten behoeve van betrokkene in beginsel stopzetten.
8.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling houdt de eerste voorwaarde in dat de ingezetene niet daadwerkelijk woont, en daarom niet in persoon bereikbaar is, op zijn in de BRP geregistreerde woonadres. Het adresonderzoek is bedoeld om te onderzoeken of aan dit vereiste is voldaan. Artikel 2.22, eerste lid, vereist dat dit onderzoek gedegen is (derde voorwaarde).
8.4.
Als bij het college na zo’n adresonderzoek in redelijkheid gerede twijfel kan bestaan of de betrokkene op dat adres woont, is het – eveneens volgens vaste rechtspraak van de Afdeling – vervolgens aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij wel op dat adres woont.
8.5.
Niet in geschil is dat het college geen aangifte van adreswijziging heeft ontvangen. Eiser stelt immers dat hij onafgebroken (buiten de eerste weken na het aflopen van zijn detentie) op het BRP-adres heeft gewoond. Daarom gaat het in deze zaak over de vraag of het college zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat is voldaan aan de eerste en de derde voorwaarde van artikel 2.22, eerste lid, van de Wet BRP.
8.6.
Gelet op de bevindingen uit het adresonderzoek kon het college naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid twijfelen of eiser woonachtig was op het BRP-adres. Het onderzoek van het college biedt, anders dan eiser stelt, voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat eiser daar niet verbleef. Daarbij is van belang dat de politie tot de conclusie was gekomen dat eiser in de periode vóór zijn detentie niet op het adres verbleef, dat eiser niet is aangetroffen tijdens het huisbezoek op 12 augustus 2025 en dat er een ander gezin woonde op het adres.
8.7.
Het is dan volgens vaste rechtspraak aan eiser om aannemelijk te maken dat hij wel op het adres woont. Daartoe overweegt de rechtbank dat er tijdens het huisbezoek nauwelijks persoonlijke spullen van eiser in de woning zijn aangetroffen. De schoenen van het merk New Balance, de werkschoenen in de tuin en de vesten waarvan eiser stelt dat deze van hem zijn, zijn, zoals het college aanvoert, niet persoonsgebonden en zouden daarom ook van [persoon 2] kunnen zijn. De afwezigheid van persoonlijke spullen kan ook niet verklaard worden door eisers detentie, gelet op de relatief beperkte duur van zijn detentie. Bijvoorbeeld kleding of schoenen zijn ook na een detentie van drie maanden nog beschikbaar. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser ten tijde van het huisbezoek al ruim een jaar op het adres stond ingeschreven. De stelling van eiser dat hij bij vrienden en familie ging eten ten tijde van het huisbezoek en dat daarom weinig voedsel in de woning aanwezig was, is niet nader onderbouwd. Bovendien is het onwaarschijnlijk dat hij de gehele dag gedurende die periode niet thuis at, dus dan zou iets van voedsel of andere verzorgingsspullen aanwezig moeten zijn geweest in de woning waarvan hij stelt dat hij daar woonachtig is. Daarnaast zijn de spullen van het andere gezin in de gehele woning aangetroffen. De rechtbank acht eisers verklaring dat hij alleen gebruikmaakt van de zolder niet aannemelijk. Ook op zolder is een kast met damesschoenen en dozen met babykleding aangetroffen. Bovendien gaf de zolderkamer niet de indruk in gebruik te zijn. De aanwezige foto’s van [persoon 1] lijken ook niet te passen bij een tijdelijk verblijf, maar duiden eerder op permanente bewoning. Verder was er ook geen vuile was of administratie van eiser aanwezig. Er was wel vuile was van [persoon 1] aanwezig en in het tv-meubel werd post van [persoon 1] aangetroffen. Ook eisers stelling dat hij zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres heeft omdat hij na ontvangst van brieven van de gemeente snel contact opneemt, houdt geen stand. Zoals het college terecht stelt, zegt dit niets over zijn woonsituatie op het inschrijfadres en zou hij ook door [persoon 1] spoedig geïnformeerd kunnen worden. Tot slot is de omstandigheid dat eiser de rekeningen voor de energiekosten, het tv-abonnement en het internet voor de woning betaalt, onvoldoende om, in weerwil van de onderzoeksbevindingen, aan te nemen dat het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven op het opgegeven adres is. Gelet hierop heeft het college naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonachtig is op het BRP-adres.
8.8.
De derde voorwaarde is dat na gedegen onderzoek geen (andere) verblijf- en adresgegevens van die persoon bekend zijn geworden. Het college heeft ter zitting toegelicht dat tijdens de bezwaarprocedure is gebleken dat onvoldoende vaststond dat eiser woonachtig was op het adres aan de [adres 2] . In het kader van een nieuwe aanvraag om bijstand was op 28 oktober 2025 (een week vóór de hoorzitting in de BRP-procedure) een nieuw huisbezoek afgelegd, waaruit is gebleken dat eiser inmiddels weer zijn hoofdverblijf had op de [adres 1] . Het onderzoeksgebrek ten aanzien van een eventuele andere verblijfplaats van eiser kon daarom niet meer hersteld worden. Gelet op de conclusie dat eiser niet woonde op de [adres 1] ten tijde van het adresonderzoek, dat niet kon worden vastgesteld dat eiser woonde op de [adres 2] , de belangen van en mogelijke gevolgen voor de moeder van eisers kinderen en de omstandigheid dat eiser zelf ook geen ander adres heeft doorgegeven waarnaar onderzoek gedaan kon worden, is het college naar het oordeel van de rechtbank terecht overgegaan tot inschrijving in de RNI.
Bestuurlijke boete
9. Ingevolge artikel 2.39 van de Wet BRP dient een ingezetene bij het college schriftelijk aangifte te doen van een adreswijziging. Op grond van artikel 4.17 van de Wet BRP is het college bevoegd om een bestuurlijke boete van ten hoogste € 325,- op te leggen bij overtreding van artikel 2.39 van de Wet BRP. Uit artikel 3, aanhef en onder a, van de Beleidsregels bestuurlijke boete Wet BRP gemeente Tilburg (Beleidsregels) blijkt dat de boete € 325,- bedraagt als het aannemelijk is, dat de aangifteverplichting opgenomen in de artikelen 2.38, 2.39, 243 van de wet, bewust niet is nagekomen.
9.1.
Eiser had zijn adreswijziging moeten doorgeven. Het college heeft eiser driemaal in de gelegenheid gesteld om dit alsnog te doen. Daaruit leidt de rechtbank af dat eiser er bewust voor heeft gekozen om de aangifteverplichting niet na te komen. Gelet hierop is van ontbreken van verwijtbaarheid geen sprake en was het college bevoegd om de bestuurlijke boete van € 325,- op te leggen.
Bestreden besluit 2
10. Iemand die een bijstandsuitkering aanvraagt, moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie.
10.1.
In artikel 40, eerste lid, van de PW is bepaald dat het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende zijn woonplaats heeft, als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Uit deze artikelen volgt dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich in zijn woonstede bevindt, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.
10.2.
Onder woonstede wordt een woning verstaan. De woonstede van een betrokkene is dus daar waar zijn hoofdverblijf is. Voor het antwoord op de vraag waar de woonplaats in de zin van artikel 40, eerste lid, van de PW is, is dan ook uitsluitend bepalend waar de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft en, als geen hoofdverblijf is aan te wijzen, daar waar hij werkelijk verblijft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven zich bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
10.3.
Hierbij is van belang waar een betrokkene het merendeel van de tijd overdag verblijft en waar hij de nacht doorbrengt, waar zich zijn persoonlijke bezittingen, zijn kleding en zijn verzorgingsproducten bevinden en waar hij doorgaans de maaltijd gebruikt, doucht, de was doet en waar hij zijn zaken behartigt. Mede van betekenis is waar betrokkene post ontvangt en waar hij zijn administratie verzorgt en bewaart en op welk adres zijn telefoon- en internetaansluitingen en zijn verzekeringen betrekking hebben. Aan de inschrijving in de BRP komt bij de beantwoording van de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft geen doorslaggevende betekenis toe.De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.
10.4.
Ten aanzien van de vraag of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres, sluit de rechtbank aan bij de overwegingen
uit 8.7. Gelet op de daar beschreven omstandigheden heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aangetoond dat hij zijn hoofdverblijf had op het adres aan de [adres 1] . Het college heeft de aanvraag om bijstand op dat adres daarom terecht afgewezen.
Zorgvuldigheid van het onderzoek
11. Volgens eiser heeft het college haar beslissing mede gebaseerd op het onderzoek en huisbezoek door de afdeling Adresonderzoek. Dit onderzoek is niet deugdelijk en zorgvuldig uitgevoerd. Ook heeft eiser aangevoerd dat buurtonderzoek te beperkt is uitgevoerd en dat er heimelijke waarnemingen hadden kunnen plaatsvinden.
11.1.
Het is de rechtbank niet gebleken dat het onderzoek door de afdeling Adresonderzoek ondeugdelijk en onzorgvuldig is uitgevoerd. Hoewel het buurtonderzoek beperkt is uitgevoerd, blijkt daaruit wel dat de buurtbewoner eiser niet herkent als de man die woonachtig is op het opgegeven adres. Overigens had eiser, op wie de bewijslast immers rust, zo nodig zelf verklaringen van andere buurtbewoners kunnen inbrengen, maar dit heeft hij niet gedaan. Ook hoefde het college niet meerdere huisbezoeken of heimelijke waarnemingen te laten plaatsvinden. Wanneer het college meent in het kader van de op hen rustende onderzoeksplicht voldoende gegevens te hebben verzameld met de inzet van enkele onderzoeksmiddelen, mag daarmee worden volstaan.
11.2.
De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om tot de conclusie te komen dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek. Het college mocht zich baseren op de onderzoeksbevindingen.
Conclusie en gevolgen
12. De beroepen zijn ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 13 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep in zaak 26/315 PW
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Informatie over hoger beroep in zaak 26/316 BRP
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet
Artikel 11, eerste lid
Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
Artikel 17
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
De belanghebbende verleent het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Artikel 40, eerste lid
Het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bijstand aan een belanghebbende die niet is ingeschreven als ingezetene met een woonadres of briefadres in de basisregistratie personen wordt verleend door het college van een bij die maatregel aan te wijzen gemeente.
Artikel 53a, zesde lid
Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten tot herziening of intrekking van de bijstand.
Wet basisregistratie personen
Artikel 2.22, eerste lid
Indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland.
Artikel 2.39, eerste lid
De ingezetene die zijn adres wijzigt doet hiervan schriftelijk aangifte bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft.
Artikel 4.17, aanhef en onder a
Het college van burgemeester en wethouders kan een bestuurlijke boete van ten hoogste € 325,– opleggen:
a. ter zake van overtreding van de artikelen 2.38, 2.39, 2.40, vijfde lid, 2.43 tot en met 2.47, 2.50, 2.51 en 2.52;
Beleidsregels bestuurlijke boete Wet BRP gemeente Tilburg
Artikel 3, aanhef en onder a
De boete bedraagt 325 Euro in de volgende gevallen:
a. als het aannemelijk is, dat de aangifteverplichting opgenomen in de artikelen 2.38, 2.39, 243 van de wet, bewust niet is nagekomen;
Artikel 4, eerste lid
Een bestuurlijke boete kan alleen opgelegd worden wanneer het de persoon verweten kan worden dat hij de overtreding heeft begaan.
Zie de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7534.
Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 2 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:637) en 21 juni 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2410).
Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3, p. 42.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1592.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1145.
Zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1459.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 10 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:312.
Zie de uitspraak van de CRvB van 9 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1084.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432.
Zie de uitspraak van de CRvB van 23 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1403.
Zie de uitspraak van de CRvB van 14 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:561.