Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6361
2026-07-13
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 25/2592
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kosten dwangbevel reeds vernietigd. Niet-ontvankelijk.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2014:878 Hoge Raad 11-04-2014
- ECLI:NL:CRVB:2021:2568 Centrale Raad van Beroep 19-10-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.231 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2592
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] (België), belanghebbende
en
de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 15 mei 2025.
1.1.
De ontvanger heeft een dwangbevel uitgevaardigd met betrekking tot de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2022 (het dwangbevel). Tevens heeft de ontvanger vervolgingskosten in rekening gebracht.
1.2.
De ontvanger heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de ontvanger deelgenomen: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] . Belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt eerst of het beroep ontvankelijk is. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. De ontvanger heeft aan belanghebbende inzake de betaling van de voorlopige aanslag IB/PVV 2022 een herinnering, aanmaning en dwangbevel verzonden. De ontvanger heeft aanmaningskosten (€ 18), kosten van het dwangbevel (€ 50), en invorderingsrente (€ 129) in rekening gebracht.
3.1.
Middels de uitspraak op bezwaar van 4 april 2025 heeft de ontvanger de invorderingsrente vernietigd.
3.2.
Middels de uitspraak op bezwaar van 15 mei 2025 heeft de ontvanger de aanmaningskosten en de kosten van het dwangbevel vernietigd.
Motivering
4. Belanghebbende betoogt dat hij de aanmaning tijdig heeft betaald en onomstotelijk moet worden vastgesteld of het dwangbevel al dan niet terecht was. Voor zover de rechtbank begrijpt wenst belanghebbende dat de Belastingdienst of de Nederlandse Staat een tweede nationaliteit van buiten de EU regelt voor zijn kinderen, voor bepaalde andere personen en ook voor belanghebbende zelf. Daarnaast wenst belanghebbende alle belastingen die hij ooit in Nederland heeft betaald terug.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij niet bevoegd is om te oordelen over beslissingen van de ontvanger met betrekking tot de uitvaardiging en tenuitvoerlegging van een dwangbevel, het verlenen van een kwijtschelding en het verlenen van uitstel van betaling.Voor bepaalde besluiten op grond van de IW 1990 is in de regelgeving een uitzondering gemaakt, in welk geval de belastingkamer wel bevoegd is. Een dergelijke uitzondering is niet aan de orde. De belastingkamer van de rechtbank is voor dit gedeelte onbevoegd.
4.2.
De belastingkamer van de rechtbank is wel bevoegd om te oordelen over de kosten van het dwangbevel. De kosten van het dwangbevel en de aanmaningskosten zijn echter reeds bij de uitspraak op bezwaar door de ontvanger vernietigd. Ook ziet de rechtbank in het dossier dat de ontvanger de invorderingsrente, middels een afzonderlijke uitspraak op bezwaar, reeds heeft vernietigd. Door de kosten van het dwangbevel, de aanmaningskosten en de invorderingsrente te vernietigen is de ontvanger geheel aan de door belanghebbende ingediende bezwaren tegemoetgekomen. Belanghebbende kan door het indienen van het beroep, ongeacht de gronden waarop het steunt, niet in een betere positie worden gebracht, zodat het procesbelang in deze zaak ontbreekt. Dit beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is deels niet-ontvankelijk en voor een ander deel is de belastingkamer van de rechtbank onbevoegd (zie 4.1). De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep dat ziet op de kosten van het dwangbevel niet-ontvankelijk;
- verklaart het zich voor het overige onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Artikel 8:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bijlage 2 bij de Awb).
Hoge Raad 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878. Zie ook Centrale Raad van Beroep 19 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2568.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2592
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] (België), belanghebbende
en
de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 15 mei 2025.
1.1.
De ontvanger heeft een dwangbevel uitgevaardigd met betrekking tot de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2022 (het dwangbevel). Tevens heeft de ontvanger vervolgingskosten in rekening gebracht.
1.2.
De ontvanger heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de ontvanger deelgenomen: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] . Belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt eerst of het beroep ontvankelijk is. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. De ontvanger heeft aan belanghebbende inzake de betaling van de voorlopige aanslag IB/PVV 2022 een herinnering, aanmaning en dwangbevel verzonden. De ontvanger heeft aanmaningskosten (€ 18), kosten van het dwangbevel (€ 50), en invorderingsrente (€ 129) in rekening gebracht.
3.1.
Middels de uitspraak op bezwaar van 4 april 2025 heeft de ontvanger de invorderingsrente vernietigd.
3.2.
Middels de uitspraak op bezwaar van 15 mei 2025 heeft de ontvanger de aanmaningskosten en de kosten van het dwangbevel vernietigd.
Motivering
4. Belanghebbende betoogt dat hij de aanmaning tijdig heeft betaald en onomstotelijk moet worden vastgesteld of het dwangbevel al dan niet terecht was. Voor zover de rechtbank begrijpt wenst belanghebbende dat de Belastingdienst of de Nederlandse Staat een tweede nationaliteit van buiten de EU regelt voor zijn kinderen, voor bepaalde andere personen en ook voor belanghebbende zelf. Daarnaast wenst belanghebbende alle belastingen die hij ooit in Nederland heeft betaald terug.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij niet bevoegd is om te oordelen over beslissingen van de ontvanger met betrekking tot de uitvaardiging en tenuitvoerlegging van een dwangbevel, het verlenen van een kwijtschelding en het verlenen van uitstel van betaling.Voor bepaalde besluiten op grond van de IW 1990 is in de regelgeving een uitzondering gemaakt, in welk geval de belastingkamer wel bevoegd is. Een dergelijke uitzondering is niet aan de orde. De belastingkamer van de rechtbank is voor dit gedeelte onbevoegd.
4.2.
De belastingkamer van de rechtbank is wel bevoegd om te oordelen over de kosten van het dwangbevel. De kosten van het dwangbevel en de aanmaningskosten zijn echter reeds bij de uitspraak op bezwaar door de ontvanger vernietigd. Ook ziet de rechtbank in het dossier dat de ontvanger de invorderingsrente, middels een afzonderlijke uitspraak op bezwaar, reeds heeft vernietigd. Door de kosten van het dwangbevel, de aanmaningskosten en de invorderingsrente te vernietigen is de ontvanger geheel aan de door belanghebbende ingediende bezwaren tegemoetgekomen. Belanghebbende kan door het indienen van het beroep, ongeacht de gronden waarop het steunt, niet in een betere positie worden gebracht, zodat het procesbelang in deze zaak ontbreekt. Dit beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is deels niet-ontvankelijk en voor een ander deel is de belastingkamer van de rechtbank onbevoegd (zie 4.1). De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep dat ziet op de kosten van het dwangbevel niet-ontvankelijk;
- verklaart het zich voor het overige onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Artikel 8:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bijlage 2 bij de Awb).
Hoge Raad 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878. Zie ook Centrale Raad van Beroep 19 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2568.