Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6298
2026-06-12
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/429484 / FA RK 24-5715
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Rb is van oordeel dat eerder een overeenkomst m.b.t. de kinderalimentatie tot stand is gekomen. De overeengekomen kinderalimentatie wordt gewijzigd. Verzoek m.b.t. de verblijfsoverstijgende kosten is afgewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2018:2043 Hoge Raad 02-11-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.894 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/429484 / FA RK 24-5715
Datum uitspraak: 12 juni 2026
nadere beschikking betreffende levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A.J.M. van der Borst,
en
BUDGET SOLUTIONS B.V., in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [de man], hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. E.M.G. van Nuenen-Meulesteen.
1 Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 16 juli 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- de brief van 8 september 2025 van mr. Van der Borst;
- de brief van 15 oktober 2025 van mr. Van Nuenen-Meulesteen;
- de brief met bijlage van 28 januari 2026 van mr. Van Nuenen-Meulesteen;
- de brief met bijlagen van 1 mei 2026 van mr. Van Nuenen-Meulesteen.
1.2 De zaak is nader behandeld op de zitting van 12 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn de vrouw en de man, bijgestaan door hun advocaten, verschenen.
2De verzoeken
2.1
De vrouw verzoekt nu nog, samengevat:
I. de man te veroordelen tot betaling van een kinderalimentatie van € 355,08 per maand per 2023 en € 377,09 per maand per 2024;
II. de man te veroordelen tot betaling van de helft, althans van zijn rechtens te betalen aandeel, in de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige] en met name de medische verblijfsoverstijgende kosten, waaronder de door de vrouw reeds gemaakte kosten voor een beugel van € 1.256,49.
2.2
De man verzoekt zelfstandig, voor zover de rechtbank vaststelt dat de vrouw en de man in het verleden een afspraak over de hoogte van de kinderalimentatie hebben gemaakt, de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vanaf 2023 op nihil te stellen.
3De beoordeling
3.1
Met de beschikking van 16 juli 2025 is de beschikking van 26 april 2021 gewijzigd en is bepaald dat de man gerechtigd is tot contact met [minderjarige] in de oneven weekenden van vrijdag 19:00 uur tot zondagavond uiterlijk 19:00 uur. De behandeling van de verzoeken over de kinderalimentatie en de verblijfsoverstijgende kosten zijn aangehouden, omdat mr. Van Nuenen-Meulesteen nog niet beschikte over een machtiging van de bewindvoerder.
Het verzoek van de vrouw: nakoming van de onderling gemaakte afspraak tot betaling kinderalimentatie
3.2
Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de vrouw dat tussen haar en de man sprake is van een mondelinge afspraak over de kinderalimentatie. De vrouw wenst nakoming van deze afspraak. Oorspronkelijk is volgens de vrouw een bedrag van € 337,= per maand afgesproken. Dat bedrag moet geïndexeerd worden. Hoewel het voor de hand lag om dit bedrag op te nemen in een ouderschapsplan, is het bedrag niet vastgelegd. Door de toenmalige advocaat van de vrouw en de advocaat van de man is wel over de kinderalimentatie gesproken en er is een berekening gemaakt. De man is het bedrag dat uit de berekening volgde vervolgens gaan betalen per januari 2021. Dit deed de man niet vrijwillig, maar op basis van een afspraak.
3.3
De man voert hiertegen verweer. De man betwist dat hij en de vrouw een bedrag aan kinderalimentatie hebben afgesproken. Dat er ooit een berekening is gemaakt en dat de man bedragen aan kinderalimentatie heeft betaald, betekent niet dat de vrouw en de man daarover een afspraak hebben gemaakt. Er is een aanbod gedaan voor kinderalimentatie, maar dat is door de vrouw niet geaccepteerd. De vrouw ontving een bijstandsuitkering, waardoor een bedrag aan kinderalimentatie daarop in mindering zou strekken. Als er een afspraak zou zijn gemaakt, zou deze zijn meegenomen in de gerechtelijke procedure in 2021. Het is bovendien niet bekrachtigd door de rechtbank en er is geen afspraak vastgelegd door ondertekening daarvan. De man heeft vrijwillig een bijdrage voldaan naar evenredigheid van zijn draagkracht, maar daar bestond geen overeenstemming over.
3.4
Voor beoordeling van het verzoek van de vrouw is van belang of sprake is van een tussen de vrouw en de man gemaakte afspraak/overeenkomst over de kinderalimentatie. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. De vraag of een (mondelinge) overeenkomst met een bepaalde inhoud tot stand is gekomen, moet worden beantwoord aan de hand van de betekenis die de vrouw en de man in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (ECLI:NL:HR:2018:2043). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval, in hun onderlinge samenhang bezien, van belang. Naar het oordeel van de rechtbank kan de wilsverklaring (aanbod en aanvaarding) ook besloten liggen in het verrichten of accepteren van de onder de (te sluiten) overeenkomst verplichte prestatie.
3.5
Toepassing van deze maatstaf leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat tussen de vrouw en de man een overeenkomst tot stand is gekomen, op basis waarvan de man een bedrag van € 337,= per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw betaalde. In dat kader overweegt de rechtbank dat vast staat dat de man vanaf januari 2021 iedere maand het door de advocaat in december 2020 berekende bedrag van € 337,= aan kinderalimentatie aan de vrouw heeft overgemaakt, met een verhoging van dit bedrag per 1 januari 2022 en per 1 januari 2023. Niet gesteld of gebleken is dat de vrouw hiertegen heeft geprotesteerd, dan wel dat de man te kennen heeft gegeven dat het betaalde bedrag niet juist was. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de vrouw heeft ingestemd met het door de man betaalde bedrag. Daar komt bij dat de man heeft aangegeven vrijwillig een bijdrage te hebben betaald, maar hij heeft ook aangegeven zich te realiseren dat hij een onderhoudsplicht heeft. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat tussen partijen een overeenkomst met betrekking tot de kinderalimentatie tot stand is gekomen.
3.6
Vanaf september 2023 is de man een lager bedrag aan kinderalimentatie gaan betalen en sinds september 2024 is de man geheel gestopt met betaling van kinderalimentatie. Of het verzoek van de vrouw tot nakoming van de overeengekomen kinderalimentatie zich voor toewijzing leent, is afhankelijk van het zelfstandige verzoek van de man, aangezien hij een nihilstelling van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht per 1 januari 2023 verzoekt.
Het zelfstandige verzoek van de man: nihilstelling kinderalimentatie met terugwerkende kracht
3.7
De man verzoekt zelfstandig, voor zover de rechtbank zou vaststellen dat de vrouw en de man in het verleden een afspraak over de hoogte van de kinderalimentatie hebben gemaakt, de kinderalimentatie met terugwerkende kracht tot 2023 te wijzigen en nader vast te stellen op nihil. Nu aan de voorwaarde van zijn verzoek is voldaan, zal de rechtbank dit verzoek hieronder beoordelen.
Wijziging van omstandigheden
3.8
Als grond voor zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie voert de man drie wijzigingen van omstandigheden aan: het bewind over zijn goederen sinds 11 februari 2025, zijn huidige arbeidsongeschiktheid en de vrouw ontvangt een inkomen uit arbeid terwijl zij voorheen een bijstandsuitkering ontving.
3.9
Ten aanzien van de door de man genoemde wijzigingen van omstandigheden stelt de vrouw het volgende. Zij is niet bekend met de arbeidsongeschiktheid van de man. Ook biedt het bewind van de man geen grond voor wijziging van de kinderalimentatie, omdat geen sprake is van een schuldsanering. Het huidige inkomen van de vrouw is mogelijk wel van belang, maar als sprake is van een wijziging van omstandigheden aan de zijde van de alimentatiegerechtigde, is dat niet altijd een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. Ter zitting heeft de vrouw desgevraagd aangegeven dat zij sinds drie of vier jaar inkomen uit arbeid ontvangt.
3.10
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de rechtbank alle goederen van de man sinds 11 februari 2025 onder bewind heeft gesteld wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden. Daarnaast staat vast dat het inkomen van de man is gewijzigd: hij ontving eerder winst uit onderneming, toen een inkomen uit arbeid en op dit moment een Ziektewetuitkering. Ook het inkomen van de vrouw is gewijzigd, aangezien zij sinds drie/vier jaar inkomen uit arbeid ontvangt en dus geen bijstandsuitkering meer heeft. De rechtbank gaat aldus uit van een wijziging van omstandigheden.
Ingangsdatum van een gewijzigde kinderalimentatie
3.11
Volgens het zelfstandige verzoek van de man dient de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2023 op nihil te worden gesteld. Ter zitting is gebleken dat de man geen terugbetaling wenst van de door hem, na die datum, betaalde kinderalimentatie.
3.12
De vrouw voert hiertegen verweer, voor zover de kinderalimentatie wordt gewijzigd.
3.13
Op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een gewijzigde alimentatieverplichting. Volgens vaste jurisprudentie geldt echter als uitgangspunt dat de rechter behoedzaam gebruik dient te maken van deze bevoegdheid tot wijziging van een bijdrage over een periode in het verleden, tenzij er omstandigheden zijn die aanleiding geven anders te beslissen. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
3.14
De rechtbank maakt onderscheid in twee periodes. De eerste periode loopt van 1 januari 2023 tot en met januari 2025. De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat zij sinds drie of vier jaar werkt, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de vrouw in deze periode inkomen uit arbeid in plaats van een bijstandsuitkering ontving. Dat is een relevante wijziging van omstandigheden. De vrouw heeft echter geen inzicht gegeven in haar inkomen (terwijl zij de procedure is gestart en ondanks het verweer van de man van juni 2025 waarin door de man al wordt gesteld dat de vrouw werkt en inkomen heeft), zodat de rechtbank niet kan beoordelen welke kinderalimentatie volgens de juridische maatstaven juist is. Uit het door de vrouw overgelegde rekeningafschrift volgt dat de man in deze periode verschillende bedragen aan kinderalimentatie aan de vrouw heeft betaald (€ 5.665,08 totaal). Gelet daarop acht de rechtbank het redelijk om de door de man over de periode van 1 januari 2023 tot en met januari 2025 te betalen kinderalimentatie te bepalen op het bedrag dat de man feitelijk al heeft betaald.
3.15
De rechtbank acht het vervolgens redelijk de kinderalimentatie in de tweede periode, met ingang van 1 februari 2025, te wijzigen. Daartoe overweegt de rechtbank dat vaststaat dat er met ingang van 11 februari 2025 bewind is ingesteld over de goederen van de man, zodat de omstandigheden sindsdien zijn gewijzigd.
3.16
De rechtbank ziet geen aanleiding om over deze periode een alimentatieberekening te maken. Enerzijds is er geen inzicht in de inkomensgegeven van de vrouw, zodat haar draagkracht niet kan worden bepaald. Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat de man sinds 1 februari 2025 een minimale draagkracht van € 25,= per maand voor kinderalimentatie voor [minderjarige] beschikbaar heeft. Uit de door de man overgelegde stukken volgt namelijk dat er sprake is van een hoge schuldenlast. De rechtbank heeft op 11 februari 2025 een bewindvoerder benoemd over de goederen van de man vanwege verkwisting of het hebben van problematische schulden. Er is dus al eerder een rechter geweest die heeft vastgesteld dat sprake is van problematische schulden. Uit een overzicht van de bewindvoerder blijkt dat er sprake is van een totale schuldenlast van € 145.756,96. Op de draagkracht zijn volgens vaste rechtspraak in beginsel alle schulden van de onderhoudsplichtige van invloed. Zelfs indien de schulden van de man (deels) verwijtbaar zijn, maakt dit niet anders dan dat hij nu met deze schulden wordt geconfronteerd en deze zal moeten aflossen. Het zou een onaanvaardbare situatie opleveren indien de man nieuwe schulden zou moeten aangaan om een kinderbijdrage te kunnen voldoen. Bovendien volgt uit de door de man overgelegde uitkeringsspecificaties dat hij op dit moment een bruto Ziektewetuitkering ontvangt van afgerond € 322,= per week. Dit inkomen is minder dan het laagste inkomen uit de draagkrachttabel van het Rapport Alimentatienormen. Dit betekent dat de man een minimale draagkracht van € 25,= per maand heeft.
Conclusie
3.17
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage over de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 januari 2025 bepalen op hetgeen door de man feitelijk is bepaald. De rechtbank zal de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 februari 2025 wijzigen en nader vaststellen op € 25,= per maand.
Het verzoek van de vrouw met betrekking tot de verblijfsoverstijgende kosten
3.18
Daarnaast verzoekt de vrouw de man te veroordelen tot betaling van de helft van de verblijfsoverstijgende kosten en met name de medische verblijfsoverstijgende kosten, waaronder de reeds gemaakte kosten voor een beugel van € 1.256,49. Zij heeft onvoldoende draagkracht om de verblijfsoverstijgende kosten, met name de medische kosten, te voldoen. Als grondslag voor het verzoek verwijst de vrouw naar het door de man ingediende ouderschapsplan. Daarin staat:“Artikel 8. Financiën
Niet gebruikelijke kosten van [minderjarige] die naast de kosten van het gezinsleven worden gemaakt komen voor rekening van moeder, waarbij in onderling overleg wordt bepaald of deze kosten wel of niet gemaakt zullen (moeten) worden, en zo ja, wat de hoogte hiervan is”.
Hoewel daar lijkt te staan dat de verblijfsoverstijgende kosten door de vrouw worden betaald, moet er volgens haar naar de bedoeling van dat gehele artikel worden gekeken. In dat artikel staat ook dat in onderling overleg wordt bepaald of de niet gebruikelijke kosten wel of niet gemaakt zullen (moeten) worden. Hieruit volgt volgens de vrouw dat de verblijfsoverstijgende kosten voor rekening van beide ouders komen. Anders is deze bepaling uit het ouderschapsplan volstrekt onbegrijpelijk.
3.19
De man voert hiertegen verweer. Volgens de man bestaat er geen wettelijke grondslag voor dit verzoek. Het kan niet gebaseerd worden op een niet getekend ouderschapsplan. Bovendien staat daarin niet dat de kosten gedeeld moeten worden. De vrouw zal de verblijfsoverstijgende kosten moeten voldoen. Tot slot heeft ook geen overleg plaatsgevonden en is niet gebleken dat de vrouw de kosten van de beugel heeft betaald en waar het bedrag van € 1.256,49 op is gebaseerd.
3.20
De rechtbank overweegt als volgt. Ter zitting is gebleken dat de vrouw heeft bedoeld te verzoeken dat de man wordt veroordeeld tot betaling van de helft van alle verblijfsoverstijgende kosten met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift. Zij voert het door de man overgelegde ouderschapsplan aan als grondslag voor dit verzoek.
Ter zitting is gebleken dat de vrouw en de man wel met hulpverlening hebben gesproken over een ouderschapsplan, maar naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat hierover overeenstemming is bereikt. Het overgelegde ouderschapsplan is niet gedateerd en niet ondertekend. De vrouw en de man geven bovendien allebei een andere uitleg aan de bepaling met betrekking tot de verblijfsoverstijgende kosten. De vrouw kan zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet met succes beroepen op dit (concept) ouderschapsplan. Volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie geldt het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft, de verblijfsoverstijgende kosten draagt. Dat is in dit geval de vrouw. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw ten aanzien van de verblijfsoverstijgende kosten daarom afwijzen.
4De beslissing
De rechtbank
4.1
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de door de man te betalen bijdrage voor de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013, over de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 januari 2025 op hetgeen feitelijk door de man is betaald;
4.2
wijzigt, uitvoerbaar bij voorraad, de hiervoor bepaalde kinderalimentatie en bepaalt de door man met ingang van 1 februari 2025 te betalen bijdrage voor de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] op € 25,= (vijfentwintig euro) per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
4.3
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vriends, en, in tegenwoordigheid van mr. Van Egeraat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/429484 / FA RK 24-5715
Datum uitspraak: 12 juni 2026
nadere beschikking betreffende levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A.J.M. van der Borst,
en
BUDGET SOLUTIONS B.V., in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [de man], hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. E.M.G. van Nuenen-Meulesteen.
1 Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 16 juli 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- de brief van 8 september 2025 van mr. Van der Borst;
- de brief van 15 oktober 2025 van mr. Van Nuenen-Meulesteen;
- de brief met bijlage van 28 januari 2026 van mr. Van Nuenen-Meulesteen;
- de brief met bijlagen van 1 mei 2026 van mr. Van Nuenen-Meulesteen.
1.2 De zaak is nader behandeld op de zitting van 12 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn de vrouw en de man, bijgestaan door hun advocaten, verschenen.
2De verzoeken
2.1
De vrouw verzoekt nu nog, samengevat:
I. de man te veroordelen tot betaling van een kinderalimentatie van € 355,08 per maand per 2023 en € 377,09 per maand per 2024;
II. de man te veroordelen tot betaling van de helft, althans van zijn rechtens te betalen aandeel, in de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige] en met name de medische verblijfsoverstijgende kosten, waaronder de door de vrouw reeds gemaakte kosten voor een beugel van € 1.256,49.
2.2
De man verzoekt zelfstandig, voor zover de rechtbank vaststelt dat de vrouw en de man in het verleden een afspraak over de hoogte van de kinderalimentatie hebben gemaakt, de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vanaf 2023 op nihil te stellen.
3De beoordeling
3.1
Met de beschikking van 16 juli 2025 is de beschikking van 26 april 2021 gewijzigd en is bepaald dat de man gerechtigd is tot contact met [minderjarige] in de oneven weekenden van vrijdag 19:00 uur tot zondagavond uiterlijk 19:00 uur. De behandeling van de verzoeken over de kinderalimentatie en de verblijfsoverstijgende kosten zijn aangehouden, omdat mr. Van Nuenen-Meulesteen nog niet beschikte over een machtiging van de bewindvoerder.
Het verzoek van de vrouw: nakoming van de onderling gemaakte afspraak tot betaling kinderalimentatie
3.2
Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de vrouw dat tussen haar en de man sprake is van een mondelinge afspraak over de kinderalimentatie. De vrouw wenst nakoming van deze afspraak. Oorspronkelijk is volgens de vrouw een bedrag van € 337,= per maand afgesproken. Dat bedrag moet geïndexeerd worden. Hoewel het voor de hand lag om dit bedrag op te nemen in een ouderschapsplan, is het bedrag niet vastgelegd. Door de toenmalige advocaat van de vrouw en de advocaat van de man is wel over de kinderalimentatie gesproken en er is een berekening gemaakt. De man is het bedrag dat uit de berekening volgde vervolgens gaan betalen per januari 2021. Dit deed de man niet vrijwillig, maar op basis van een afspraak.
3.3
De man voert hiertegen verweer. De man betwist dat hij en de vrouw een bedrag aan kinderalimentatie hebben afgesproken. Dat er ooit een berekening is gemaakt en dat de man bedragen aan kinderalimentatie heeft betaald, betekent niet dat de vrouw en de man daarover een afspraak hebben gemaakt. Er is een aanbod gedaan voor kinderalimentatie, maar dat is door de vrouw niet geaccepteerd. De vrouw ontving een bijstandsuitkering, waardoor een bedrag aan kinderalimentatie daarop in mindering zou strekken. Als er een afspraak zou zijn gemaakt, zou deze zijn meegenomen in de gerechtelijke procedure in 2021. Het is bovendien niet bekrachtigd door de rechtbank en er is geen afspraak vastgelegd door ondertekening daarvan. De man heeft vrijwillig een bijdrage voldaan naar evenredigheid van zijn draagkracht, maar daar bestond geen overeenstemming over.
3.4
Voor beoordeling van het verzoek van de vrouw is van belang of sprake is van een tussen de vrouw en de man gemaakte afspraak/overeenkomst over de kinderalimentatie. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. De vraag of een (mondelinge) overeenkomst met een bepaalde inhoud tot stand is gekomen, moet worden beantwoord aan de hand van de betekenis die de vrouw en de man in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (ECLI:NL:HR:2018:2043). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval, in hun onderlinge samenhang bezien, van belang. Naar het oordeel van de rechtbank kan de wilsverklaring (aanbod en aanvaarding) ook besloten liggen in het verrichten of accepteren van de onder de (te sluiten) overeenkomst verplichte prestatie.
3.5
Toepassing van deze maatstaf leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat tussen de vrouw en de man een overeenkomst tot stand is gekomen, op basis waarvan de man een bedrag van € 337,= per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw betaalde. In dat kader overweegt de rechtbank dat vast staat dat de man vanaf januari 2021 iedere maand het door de advocaat in december 2020 berekende bedrag van € 337,= aan kinderalimentatie aan de vrouw heeft overgemaakt, met een verhoging van dit bedrag per 1 januari 2022 en per 1 januari 2023. Niet gesteld of gebleken is dat de vrouw hiertegen heeft geprotesteerd, dan wel dat de man te kennen heeft gegeven dat het betaalde bedrag niet juist was. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de vrouw heeft ingestemd met het door de man betaalde bedrag. Daar komt bij dat de man heeft aangegeven vrijwillig een bijdrage te hebben betaald, maar hij heeft ook aangegeven zich te realiseren dat hij een onderhoudsplicht heeft. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat tussen partijen een overeenkomst met betrekking tot de kinderalimentatie tot stand is gekomen.
3.6
Vanaf september 2023 is de man een lager bedrag aan kinderalimentatie gaan betalen en sinds september 2024 is de man geheel gestopt met betaling van kinderalimentatie. Of het verzoek van de vrouw tot nakoming van de overeengekomen kinderalimentatie zich voor toewijzing leent, is afhankelijk van het zelfstandige verzoek van de man, aangezien hij een nihilstelling van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht per 1 januari 2023 verzoekt.
Het zelfstandige verzoek van de man: nihilstelling kinderalimentatie met terugwerkende kracht
3.7
De man verzoekt zelfstandig, voor zover de rechtbank zou vaststellen dat de vrouw en de man in het verleden een afspraak over de hoogte van de kinderalimentatie hebben gemaakt, de kinderalimentatie met terugwerkende kracht tot 2023 te wijzigen en nader vast te stellen op nihil. Nu aan de voorwaarde van zijn verzoek is voldaan, zal de rechtbank dit verzoek hieronder beoordelen.
Wijziging van omstandigheden
3.8
Als grond voor zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie voert de man drie wijzigingen van omstandigheden aan: het bewind over zijn goederen sinds 11 februari 2025, zijn huidige arbeidsongeschiktheid en de vrouw ontvangt een inkomen uit arbeid terwijl zij voorheen een bijstandsuitkering ontving.
3.9
Ten aanzien van de door de man genoemde wijzigingen van omstandigheden stelt de vrouw het volgende. Zij is niet bekend met de arbeidsongeschiktheid van de man. Ook biedt het bewind van de man geen grond voor wijziging van de kinderalimentatie, omdat geen sprake is van een schuldsanering. Het huidige inkomen van de vrouw is mogelijk wel van belang, maar als sprake is van een wijziging van omstandigheden aan de zijde van de alimentatiegerechtigde, is dat niet altijd een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. Ter zitting heeft de vrouw desgevraagd aangegeven dat zij sinds drie of vier jaar inkomen uit arbeid ontvangt.
3.10
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de rechtbank alle goederen van de man sinds 11 februari 2025 onder bewind heeft gesteld wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden. Daarnaast staat vast dat het inkomen van de man is gewijzigd: hij ontving eerder winst uit onderneming, toen een inkomen uit arbeid en op dit moment een Ziektewetuitkering. Ook het inkomen van de vrouw is gewijzigd, aangezien zij sinds drie/vier jaar inkomen uit arbeid ontvangt en dus geen bijstandsuitkering meer heeft. De rechtbank gaat aldus uit van een wijziging van omstandigheden.
Ingangsdatum van een gewijzigde kinderalimentatie
3.11
Volgens het zelfstandige verzoek van de man dient de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2023 op nihil te worden gesteld. Ter zitting is gebleken dat de man geen terugbetaling wenst van de door hem, na die datum, betaalde kinderalimentatie.
3.12
De vrouw voert hiertegen verweer, voor zover de kinderalimentatie wordt gewijzigd.
3.13
Op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een gewijzigde alimentatieverplichting. Volgens vaste jurisprudentie geldt echter als uitgangspunt dat de rechter behoedzaam gebruik dient te maken van deze bevoegdheid tot wijziging van een bijdrage over een periode in het verleden, tenzij er omstandigheden zijn die aanleiding geven anders te beslissen. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
3.14
De rechtbank maakt onderscheid in twee periodes. De eerste periode loopt van 1 januari 2023 tot en met januari 2025. De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat zij sinds drie of vier jaar werkt, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de vrouw in deze periode inkomen uit arbeid in plaats van een bijstandsuitkering ontving. Dat is een relevante wijziging van omstandigheden. De vrouw heeft echter geen inzicht gegeven in haar inkomen (terwijl zij de procedure is gestart en ondanks het verweer van de man van juni 2025 waarin door de man al wordt gesteld dat de vrouw werkt en inkomen heeft), zodat de rechtbank niet kan beoordelen welke kinderalimentatie volgens de juridische maatstaven juist is. Uit het door de vrouw overgelegde rekeningafschrift volgt dat de man in deze periode verschillende bedragen aan kinderalimentatie aan de vrouw heeft betaald (€ 5.665,08 totaal). Gelet daarop acht de rechtbank het redelijk om de door de man over de periode van 1 januari 2023 tot en met januari 2025 te betalen kinderalimentatie te bepalen op het bedrag dat de man feitelijk al heeft betaald.
3.15
De rechtbank acht het vervolgens redelijk de kinderalimentatie in de tweede periode, met ingang van 1 februari 2025, te wijzigen. Daartoe overweegt de rechtbank dat vaststaat dat er met ingang van 11 februari 2025 bewind is ingesteld over de goederen van de man, zodat de omstandigheden sindsdien zijn gewijzigd.
3.16
De rechtbank ziet geen aanleiding om over deze periode een alimentatieberekening te maken. Enerzijds is er geen inzicht in de inkomensgegeven van de vrouw, zodat haar draagkracht niet kan worden bepaald. Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat de man sinds 1 februari 2025 een minimale draagkracht van € 25,= per maand voor kinderalimentatie voor [minderjarige] beschikbaar heeft. Uit de door de man overgelegde stukken volgt namelijk dat er sprake is van een hoge schuldenlast. De rechtbank heeft op 11 februari 2025 een bewindvoerder benoemd over de goederen van de man vanwege verkwisting of het hebben van problematische schulden. Er is dus al eerder een rechter geweest die heeft vastgesteld dat sprake is van problematische schulden. Uit een overzicht van de bewindvoerder blijkt dat er sprake is van een totale schuldenlast van € 145.756,96. Op de draagkracht zijn volgens vaste rechtspraak in beginsel alle schulden van de onderhoudsplichtige van invloed. Zelfs indien de schulden van de man (deels) verwijtbaar zijn, maakt dit niet anders dan dat hij nu met deze schulden wordt geconfronteerd en deze zal moeten aflossen. Het zou een onaanvaardbare situatie opleveren indien de man nieuwe schulden zou moeten aangaan om een kinderbijdrage te kunnen voldoen. Bovendien volgt uit de door de man overgelegde uitkeringsspecificaties dat hij op dit moment een bruto Ziektewetuitkering ontvangt van afgerond € 322,= per week. Dit inkomen is minder dan het laagste inkomen uit de draagkrachttabel van het Rapport Alimentatienormen. Dit betekent dat de man een minimale draagkracht van € 25,= per maand heeft.
Conclusie
3.17
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage over de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 januari 2025 bepalen op hetgeen door de man feitelijk is bepaald. De rechtbank zal de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 februari 2025 wijzigen en nader vaststellen op € 25,= per maand.
Het verzoek van de vrouw met betrekking tot de verblijfsoverstijgende kosten
3.18
Daarnaast verzoekt de vrouw de man te veroordelen tot betaling van de helft van de verblijfsoverstijgende kosten en met name de medische verblijfsoverstijgende kosten, waaronder de reeds gemaakte kosten voor een beugel van € 1.256,49. Zij heeft onvoldoende draagkracht om de verblijfsoverstijgende kosten, met name de medische kosten, te voldoen. Als grondslag voor het verzoek verwijst de vrouw naar het door de man ingediende ouderschapsplan. Daarin staat:“Artikel 8. Financiën
Niet gebruikelijke kosten van [minderjarige] die naast de kosten van het gezinsleven worden gemaakt komen voor rekening van moeder, waarbij in onderling overleg wordt bepaald of deze kosten wel of niet gemaakt zullen (moeten) worden, en zo ja, wat de hoogte hiervan is”.
Hoewel daar lijkt te staan dat de verblijfsoverstijgende kosten door de vrouw worden betaald, moet er volgens haar naar de bedoeling van dat gehele artikel worden gekeken. In dat artikel staat ook dat in onderling overleg wordt bepaald of de niet gebruikelijke kosten wel of niet gemaakt zullen (moeten) worden. Hieruit volgt volgens de vrouw dat de verblijfsoverstijgende kosten voor rekening van beide ouders komen. Anders is deze bepaling uit het ouderschapsplan volstrekt onbegrijpelijk.
3.19
De man voert hiertegen verweer. Volgens de man bestaat er geen wettelijke grondslag voor dit verzoek. Het kan niet gebaseerd worden op een niet getekend ouderschapsplan. Bovendien staat daarin niet dat de kosten gedeeld moeten worden. De vrouw zal de verblijfsoverstijgende kosten moeten voldoen. Tot slot heeft ook geen overleg plaatsgevonden en is niet gebleken dat de vrouw de kosten van de beugel heeft betaald en waar het bedrag van € 1.256,49 op is gebaseerd.
3.20
De rechtbank overweegt als volgt. Ter zitting is gebleken dat de vrouw heeft bedoeld te verzoeken dat de man wordt veroordeeld tot betaling van de helft van alle verblijfsoverstijgende kosten met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift. Zij voert het door de man overgelegde ouderschapsplan aan als grondslag voor dit verzoek.
Ter zitting is gebleken dat de vrouw en de man wel met hulpverlening hebben gesproken over een ouderschapsplan, maar naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat hierover overeenstemming is bereikt. Het overgelegde ouderschapsplan is niet gedateerd en niet ondertekend. De vrouw en de man geven bovendien allebei een andere uitleg aan de bepaling met betrekking tot de verblijfsoverstijgende kosten. De vrouw kan zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet met succes beroepen op dit (concept) ouderschapsplan. Volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie geldt het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft, de verblijfsoverstijgende kosten draagt. Dat is in dit geval de vrouw. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw ten aanzien van de verblijfsoverstijgende kosten daarom afwijzen.
4De beslissing
De rechtbank
4.1
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de door de man te betalen bijdrage voor de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013, over de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 januari 2025 op hetgeen feitelijk door de man is betaald;
4.2
wijzigt, uitvoerbaar bij voorraad, de hiervoor bepaalde kinderalimentatie en bepaalt de door man met ingang van 1 februari 2025 te betalen bijdrage voor de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] op € 25,= (vijfentwintig euro) per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
4.3
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vriends, en, in tegenwoordigheid van mr. Van Egeraat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.