Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6284
2026-06-11
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/420577 / FA RK 24-1436 en C/02/441664 / FA RK 25-5738
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eindbeschikking echtscheiding over kinderalimentatie, partneralimentatie en enkele bestanddelen van de gemene gemeenschap van goederen. Partijen hadden overeenstemming bereikt bij het UHA: het ouderschapsplan is toegevoegd aan de beschikking.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBAMS:2024:1672 Rechtbank Amsterdam 05-03-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.186 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummers: C/02/420577 / FA RK 24-1436 (echtscheiding)
C/02/441664 / FA RK 25-5738 (verdeling)
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Nadere beschikking betreffende echtscheiding
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.J.W. Vugs,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A.M.L. van As.
1Het verdere procesverloop
1.1
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van 28 maart 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- de brieven van mr. Van As van 24 juli 2025 met bijlagen, 30 september 2025, 22 oktober 2025 met bijlage, 10 april 2026 met bijlage, 28 april 2026 met bijlagen en 11 mei 2026 met bijlagen;
- de brieven van mr. Vugs van 29 juli 2025, 16 september 2025, 3 november 2025, 24 april 2026 met bijlagen en 8 mei 2026 met bijlagen;
- de regiebrief van de griffier van deze rechtbank aan beide advocaten van
13 oktober 2025;
- de rapportage in het kader van het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA) van
23 juni 2025, ontvangen op 8 juli 2025.
1.2
De zaak is behandeld op de zitting van 11 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.
1.3
Op 13 mei 2026 heeft mr. Vugs per e-mailbericht een scan van het originele ouderschapsplan ingediend, dat zij van De Gezinsmanager heeft ontvangen.
2De feiten
2.1
Voor de relevante feiten verwijst de rechtbank naar de beschikking van 28 maart 2025, waarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken en iedere verdere beslissing is aangehouden. De rechtbank volstaat op deze plaats met het volgende.
2.2
Op 18 april 2025 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.3
Eerder, bij beschikking voorlopige voorzieningen van 9 april 2024, zijn partijen verwezen naar hulpverlening (De Gezinsmanager) via het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). Uit de UHA-rapportage van 23 juni 2025 blijkt dat de resultaten van het hulpverleningstraject zijn behaald.
3De verzoeken
3.1
De vrouw verzoekt nu nog, na wijziging/aanvulling, samengevat:
te bepalen dat het ouderschapsplan wordt opgenomen in de beschikking en partijen te bevelen om de verplichtingen uit het ouderschapsplan na te komen;
vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige van € 758,= per maand;
vaststelling van een door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage van € 971,= per maand;
verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te gelasten conform alinea 19 en 20 van haar inleidend verzoekschrift;
veroordeling van de man tot betaling van een bedrag van € 2.750,= aan de vrouw uit hoofde van benadeling van de huwelijksgemeenschap.
3.2
De man verzoekt nu nog, na wijziging/aanvulling, samengevat:
- vaststelling van een door hem te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige van € 639,= per maand;
- de verdeling van de gemeenschap van goederen vast te stellen conform het voorstel onder randnummer 40 tot en met 62 van zijn verweerschrift;
- subsidiair: de vrouw te veroordelen tot vergoeding van de door aan de gemeenschap aangerichte schade in verband met een onttrekking door de vrouw van € 1.240,= van een tot de gemeenschap behorende bankrekening.
4De nadere beoordeling
Ouderschapsplan
4.1
Partijen hebben in het kader van het UHA in juni 2025 een ouderschapsplan ondertekend. In het ouderschapsplan hebben partijen afspraken opgenomen over hun minderjarige kind [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019, onder meer over zijn hoofdverblijf bij de vrouw en een zorgregeling van de man met [minderjarige] . De man heeft contact met [minderjarige] in de oneven weekenden van zaterdag 10.00 uur tot zondag 16.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt bij [restaurant 1] / [restaurant 2] in [woonplaats 1] en waarbij de man [minderjarige] ophaalt en hem terugbrengt. Deze regeling wordt ook tijdens vakanties en feestdagen uitgevoerd ten behoeve van de structuur van [minderjarige] .
4.2
De vrouw verzoekt te bepalen dat het ouderschapsplan wordt opgenomen in de beschikking en partijen te bevelen om de verplichtingen uit het ouderschapsplan na te komen. De man stemt daarmee in.
4.3
Op de zitting heeft de rechtbank partijen gecomplimenteerd met het bij De Gezinsmanager bereikte resultaat in het kader van het UHA, waarbij zij het belang van [minderjarige] voorop hebben gesteld. De rechtbank zal conform het verzoek van de vrouw, waarmee de man heeft ingestemd, het op 13 mei 2026 ontvangen ouderschapsplan als bijlage aan deze beschikking toevoegen.
Kinderalimentatie
4.4
Het is partijen niet gelukt overeenstemming te bereiken over de kinderalimentatie. Zij zijn verdeeld over zowel de kosten van [minderjarige] (de behoefte) als de wijze waarop die kosten over partijen verdeeld moeten worden (draagkracht).
Behoefte
4.5
Bij het bepalen van de behoefte aan kinderalimentatie hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
4.6
Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarige is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen.
4.7
Volgens de vrouw dient voor wat betreft het inkomen van de man te worden uitgegaan van de winst uit onderneming in 2022 ter hoogte van € 105.262,=, omdat dit het inkomen was dat hij tijdens het huwelijk had. Weliswaar heeft de man medio 2023 bewust en in het zicht van de echtscheiding de keuze gemaakt om in loondienst te gaan werken, waardoor hij een lager inkomen had dan de eerder door hem genoten winst uit onderneming. Die keuze dient echter voor rekening van de man te komen, waarbij de vrouw zich op het standpunt stelt dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. Volgens de man dient te worden uitgegaan van zijn feitelijke inkomen in 2023. Nadat de man in 2023 een periode minder had kunnen werken door ziekte van hem en de vrouw, heeft hij bewust gekozen voor een vast dienstverband. Dat bood meer zekerheid voor een structureel inkomen bij tegenslagen, omdat zijn werkgever inkomensvoorzieningen voor hem treft, terwijl hij als zzp-er de kosten hiervoor zelf moet dragen. De man weerspreekt dan ook dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. Bovendien merkt de man op dat partijen het tijdens de procedure voorlopige voorzieningen eens waren over de behoefte van [minderjarige] , zoals blijkt uit de beschikking voorlopige voorzieningen van 9 april 2024.
4.8
De rechtbank gaat voor de bepaling van het NBGI uit van de (feitelijke) inkomens van partijen in 2023, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan. Deze inkomens zijn bepalend geweest voor het welstandsniveau van partijen. Voor zover de vrouw heeft bedoeld te stellen dat de door haar genoemde winst uit onderneming de inkomenspositie van de man gedurende het gehele huwelijk beter weergeeft dan het inkomen van de man in 2023, en daarom een representatiever beeld schetst van het besteedbaar inkomen tijdens het huwelijk, heeft zij haar stelling onvoldoende onderbouwd. Inkomensgegevens van de man over de jaren vóór 2022 ontbreken. De rechtbank verwerpt ook het betoog van de vrouw dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. De rechtbank is op basis van de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie van oordeel dat de vraag of sprake is van verwijtbaar inkomensverlies alleen speelt in het kader van de berekening van de draagkracht en dus niet van de behoefte. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank zal aansluiten bij de berekening van de man van zijn netto besteedbaar inkomen (NBI) (productie 4), te weten € 3.996,= per maand. Deze berekening heeft de vrouw verder niet weersproken. Partijen zijn het eens over het NBI van de vrouw in 2023, te weten € 1.552,= per maand (productie 25 van de vrouw en productie 4 van de man).
4.9
Het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op € 5.548,= per maand. Met dit inkomen hadden partijen geen aanspraak op een kindgebonden budget.
4.10
Dit NBGI, gevoegd bij het aantal kinderen in het gezin, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van [minderjarige] op van € 798,= per maand in 2023. Bij dat tabelbedrag is al rekening gehouden met de ontvangen kinderbijslag. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt de behoefte in 2026 afgerond € 944,= per maand.
4.11
Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarige tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het NBI van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.200,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)].
Draagkracht van de vrouw
4.12
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens, waarbij naar aanleiding van de verklaringen van partijen op de zitting nu zal worden uitgegaan van de salarisspecificaties en niet van de jaaropgaven, zoals partijen in hun eigen berekeningen. De vrouw heeft volgens haar salarisspecificaties een inkomen van € 1.591,90 bruto per maand in januari en februari 2026 uit hoofde van een persoonsgebonden budget (PGB) voor [persoon 1] én een inkomen van € 257,13, € 205,70 en € 205,70 bruto per maand over de maanden januari, februari en maart 2026 uit hoofde van de wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) voor [de vrouw] en [persoon 2] (gemiddeld over die drie maanden: € 222,84) . Het totaalbedrag van (gemiddeld) € 1.814,74 bruto per maand wordt vermeerderd met de gebruikelijke vakantietoeslag. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
4.13
De man heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat voor de berekening van haar draagkracht rekening moet worden gehouden met het feit dat de vrouw dubbele kinderbijslag voor [minderjarige] ontvangt. De vrouw heeft dat standpunt weersproken onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 maart 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:1672). De rechtbank ziet evenals de vrouw geen aanleiding om rekening te houden met de dubbele kinderbijslag als inkomenscomponent voor de berekening van de draagkracht van de vrouw. De vrouw ontvangt de dubbele kinderbijslag omdat zij wordt geconfronteerd met extra zorgkosten voor [minderjarige] . Aangezien met die extra zorgkosten bij de berekening van de behoefte geen rekening wordt gehouden, wordt de extra kinderbijslag, waarmee de vrouw in die extra kosten kan voorzien, ook niet betrokken bij de berekening van de draagkracht van de vrouw.
4.14
De man heeft tijdens de zitting verder betoogd dat voor de berekening van de draagkracht van de vrouw rekening moet worden gehouden met het hogere kindgebonden budget dat de vrouw ontvangt. De vrouw heeft daar geen bezwaar tegen. Volgens haar gaat het slechts om een klein verschil. De rechtbank zal zoals gebruikelijk uitgaan van het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop zoals uit het rekenprogramma volgt, te weten € 5.996,= op jaarbasis.
4.15
Tot slot heeft de man op de zitting het woonbudget van de vrouw ter discussie gesteld. Volgens de man is de werkelijke woonlast van de vrouw lager dan het forfaitaire woonbudget, omdat de vrouw bij haar ouders inwoont. De vrouw bevestigt dat zij bij haar ouders inwoont, maar dat is volgens haar een tijdelijke situatie. Zodra [minderjarige] minder spanningen heeft en meer rust ervaart, kan zij verdere stappen gaan zetten. De rechtbank overweegt als volgt. Hierna zal blijken dat er geen tekort aan gezamenlijke draagkracht is om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. Onder verwijzing naar paragraaf 4.2.2.4. van het rapport van de Expertgroep Alimentatie, bestaat reeds daarom geen reden om uit te gaan van een andere woonlast dan het (forfaitaire) woonbudget.
4.16
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 2.460,= per maand.
4.17
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 250,= per maand.
Draagkracht van de man
4.18
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens, waarbij naar aanleiding van de verklaringen van partijen op de zitting nu zal worden uitgegaan van de salarisspecificaties en niet van de jaaropgaven, zoals partijen in hun eigen berekeningen hebben gedaan. Daarbij stelt de rechtbank vast dat het inkomen van de man, ten opzichte van zijn inkomen dat tot uitgangspunt is genomen voor de berekening van het NBGI, is toegenomen. Van verwijtbaar inkomensverlies is dus geen sprake, zodat de rechtbank aan dat betoog van de vrouw, dat zij ook voert in het kader van de berekening van de draagkracht van de man, verder voorbij gaat. De man heeft volgens de salarisspecificaties een inkomen van € 6.038,69 (periode 1), € 6.045,44 (periode 2) en € 6.045,44 (periode 3) bruto per vier weken, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag en te verminderen met de op de salarisspecificaties vermelde (pensioen)premies. Rekening wordt gehouden met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 4.403,= per maand.
4.19
De man heeft op de zitting het standpunt ingenomen dat er rekening gehouden moet worden met de reiskosten die hij ter uitvoering van de zorgregeling maakt. Hij haalt [minderjarige] twee keer per maand op in [woonplaats 1] en brengt hem weer terug naar [woonplaats 1] . Deze reiskosten vanuit zijn woonplaats ( [woonplaats 2] ) bedragen € 161,92 per maand. De zorgkorting van 15% is daarvoor niet dekkend, want hij heeft ook nog zorgkosten op de dagen dat [minderjarige] bij hem verblijft. Daarom is de man van mening dat de reiskosten als last meegenomen moeten worden bij de berekening van zijn draagkracht óf dat een zorgkorting van 30% moet worden gehanteerd. De vrouw heeft dit standpunt weersproken. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de berekening van zijn draagkracht of de bepaling van de zorgkorting rekening te houden met de reiskosten van de man. Die kosten zijn het gevolg van zijn keuze om in [woonplaats 2] te wonen en dienen daarom niet ten laste van zijn draagkracht te komen.
4.20
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 1.202,= per maand.
4.21
De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel:
het aandeel van de man bedraagt: € 1.202 / € 1.452 x € 944 = € 781,=
het aandeel van de vrouw bedraagt: € 250 / € 1.452 x € 944 = € 163,=.
4.22
Gelet op de zorgregeling wordt een zorgkorting van 15% toegepast. Nu de behoefte van de minderjarige € 944,= per maand bedraagt, is de zorgkorting € 142,= per maand.
Conclusie over de kinderalimentatie
4.23
Het aandeel van de man wordt verminderd met de zorgkorting, zodat de man als kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen een bedrag van (€ 781 - € 142 =) € 639,= per maand. Dit betekent dat het verzoek van de man zal worden toegewezen en het verzoek van de vrouw voor het meerdere zal worden afgewezen. De rechtbank zal de verplichting tot betaling van deze kinderalimentatie laten ingaan op de datum van deze beschikking.
Partneralimentatie
4.24
De vrouw verzoekt een partneralimentatie vast te stellen.
Behoefte
4.25
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
4.26
Voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw is in beginsel het uitgangspunt het NBGI ten tijde van de samenleving van partijen. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.9., gaat de rechtbank uit van het bedrag van € 5.548,= per maand.
4.27
Op het NBGI worden de kosten van de minderjarige van in totaal € 944,= per maand in mindering gebracht, zodat een bedrag van € 4.604,= resteert. Het aandeel van de vrouw in het NBGI (de helft) bedraagt € 2.302,= per maand. Omdat het voeren van twee gescheiden huishoudens duurder is dan het leven in gezinsverband, wordt bij dit aandeel een percentage van 20 opgeteld, zodat de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekent op € 2.762,= netto per maand in 2023. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt die behoefte in 2026 € 3.268,= netto per maand.
Behoeftigheid
4.28
Om te bepalen of, en zo ja, in welke mate de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man, ofwel haar behoeftigheid, moet op de huwelijksgerelateerde behoefte haar eigen netto inkomen in mindering worden gebracht. Voor wat betreft het NBI van de vrouw verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 4.16. Op dit NBI wordt in het kader van de partneralimentatie het kindgebonden budget in mindering gebracht. Dit leidt tot een NBI van € 1.960,= per maand. De behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage bedraagt aldus (€ 3.268 - € 1.960 =) € 1.308,= netto per maand.
Draagkracht van de man
4.29
Voor wat betreft het NBI van de man gaat de rechtbank uit van een bedrag van € 4.403,= per maand, zoals onder rechtsoverweging 4.18. is vermeld. De rechtbank houdt rekening met de hiervoor becijferde kinderalimentatie, inclusief zorgkosten, van in totaal € 781,= per maand, zodat sprake is van een (resterende) draagkracht voor partneralimentatie van € 249,= netto per maand.
4.30
Als de man partneralimentatie betaalt, dan mag hij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de man minder belasting. Door dat belastingvoordeel kan de man meer partneralimentatie betalen. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op bij de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de man op een bedrag van € 398,= bruto per maand. Dat brengt mee dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie tot zover zal worden toegewezen.
Conclusie over de partneralimentatie
4.31
De man dient met ingang van de datum van deze beschikking aan de vrouw een bedrag ter hoogte van € 398,= aan partneralimentatie te betalen.
Berekeningen
4.32
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt voor de kinderalimentatie en de partneralimentatie. Deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
Verdeling van de huwelijksgemeenschap
4.33
Partijen hebben geen partnerschapsvoorwaarden laten opstellen en zij hebben vóór 1 januari 2018 hun partnerschap laten registeren. Dat betekent dat door het geregistreerd partnerschap van partijen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen is ontstaan. Zij hebben ná 1 januari 2018 hun geregistreerd partnerschap omgezet in een huwelijk. Die omzetting heeft voor het toepasselijke huwelijksvermogensregime geen veranderingen teweeg gebracht..
4.34
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding op 25 maart 2024 is de huwelijksgemeenschap ontbonden. Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd).
4.35
Partijen hebben op 20 december 2024 een deelovereenkomst gesloten over een aantal bestanddelen van de huwelijksgemeenschap. Gelet daarop en op de verklaringen van partijen tijdens de zitting liggen nog ter bespreking voor: de banksaldi van partijen, de activa en passiva van de eenmanszaak van de man ( [eenmanszaak] ) en de vordering van de gemeenschap op de ouders van de vrouw.
Saldi van de bankrekeningen
4.36
Op de zitting zijn de drie gezamenlijke bankrekeningen van partijen (eindcijfers 709, 838 en 341), de twee bankrekeningen van de man (eindcijfers 318 en 326), de enige bankrekening van de vrouw (eindcijfer 173) en de vier bankrekeningen van de eenmanszaak van de man (eindcijfers 020, 312, 709 en 328), alsmede de saldi op deze bankrekeningen besproken. Gebleken is dat de gezamenlijke bankrekeningen al zijn opgeheven en de saldi daarvan zijn verdeeld. Partijen hebben op de zitting overeenstemming bereikt over de resterende bankrekeningen, in die zin dat zij de saldi op deze bankrekeningen op de peildatum van 25 maart 2024 bij helfte zullen verdelen. Dit betekent dat op dit punt geen beslissing van de rechtbank meer nodig is. Partijen dienen uitvoering te geven aan de gemaakte afspraak.
4.37
Zoals tijdens de zitting besproken, komt de rechtbank gelet op de overeenstemming van partijen op dit punt, niet toe aan een beoordeling van het subsidiaire verzoek van de man dat verband houdt met een onttrekking door de vrouw van een bedrag van € 1.240,= van een tot de gemeenschap behorende (saldo van een) bankrekening.
Activa en passiva van de eenmanszaak
4.38
Na bespreking van de activa en de passiva van de eenmanszaak van de man op de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt, in die zin dat de activa aan de man worden toebedeeld tegen een waarde van € 763,=. De man zal de helft van dat bedrag aan de vrouw voldoen. Er zijn geen schulden (passiva). Dit betekent dat op dit punt geen beslissing van de rechtbank meer nodig is. Partijen dienen uitvoering te geven aan de gemaakte afspraak.
Vordering van de gemeenschap op de ouders van de vrouw
4.39
Volgens de man behoort tot de gemeenschap van goederen een vordering op de ouders van de vrouw tot een bedrag van € 2.000,=. De man stelt zich op het standpunt dat partijen in de onderlinge verhouding ieder voor de helft, dus € 1.000,=, gerechtigd zijn tot het innen van de vordering op de ouders van de vrouw.
4.40
De vrouw betwist het bestaan van de door de man genoemde vordering..
4.41
De rechtbank laat in het midden of tot de (ontbonden) huwelijksgemeenschap een vordering op de ouders van de vrouw behoort, zoals de man stelt en de vrouw betwist. De man verzoekt geen toedeling van die vermeende vordering (aan een van partijen). In zoverre ligt geen verdelingsverzoek voor, terwijl het verzoek om te bepalen dat ieder van partijen gerechtigd is tot het innen van de helft van de vordering, een wettelijke grondslag mist en daarom niet kan worden toegewezen.
Benadeling gemeenschap
4.42
Tijdens de zitting heeft de vrouw haar eerder ingediende verzoek om de man te veroordelen tot betaling van een bedrag uit hoofde van benadeling van de gemeenschap, ingetrokken. Dat verzoek hoeft dus niet meer te worden beoordeeld en zal worden afgewezen.
Proceskosten
4.43
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De rechtbank
5.1
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van de datum van deze beschikking ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019, aan de vrouw bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 639,= (zeshonderdnegenendertig euro) per maand;
5.2
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf de datum van deze beschikking aan de vrouw voor levensonderhoud bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 398,= (driehonderachtennegentig euro) per maand;
5.3
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de onderlinge regelingen uit het als bijlage toegevoegde ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking en beveelt partijen om de verplichtingen uit het ouderschapsplan na te komen;
5.4
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Jong, en, in tegenwoordigheid van mr. Tillie, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummers: C/02/420577 / FA RK 24-1436 (echtscheiding)
C/02/441664 / FA RK 25-5738 (verdeling)
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Nadere beschikking betreffende echtscheiding
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.J.W. Vugs,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A.M.L. van As.
1Het verdere procesverloop
1.1
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van 28 maart 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- de brieven van mr. Van As van 24 juli 2025 met bijlagen, 30 september 2025, 22 oktober 2025 met bijlage, 10 april 2026 met bijlage, 28 april 2026 met bijlagen en 11 mei 2026 met bijlagen;
- de brieven van mr. Vugs van 29 juli 2025, 16 september 2025, 3 november 2025, 24 april 2026 met bijlagen en 8 mei 2026 met bijlagen;
- de regiebrief van de griffier van deze rechtbank aan beide advocaten van
13 oktober 2025;
- de rapportage in het kader van het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA) van
23 juni 2025, ontvangen op 8 juli 2025.
1.2
De zaak is behandeld op de zitting van 11 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.
1.3
Op 13 mei 2026 heeft mr. Vugs per e-mailbericht een scan van het originele ouderschapsplan ingediend, dat zij van De Gezinsmanager heeft ontvangen.
2De feiten
2.1
Voor de relevante feiten verwijst de rechtbank naar de beschikking van 28 maart 2025, waarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken en iedere verdere beslissing is aangehouden. De rechtbank volstaat op deze plaats met het volgende.
2.2
Op 18 april 2025 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.3
Eerder, bij beschikking voorlopige voorzieningen van 9 april 2024, zijn partijen verwezen naar hulpverlening (De Gezinsmanager) via het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). Uit de UHA-rapportage van 23 juni 2025 blijkt dat de resultaten van het hulpverleningstraject zijn behaald.
3De verzoeken
3.1
De vrouw verzoekt nu nog, na wijziging/aanvulling, samengevat:
te bepalen dat het ouderschapsplan wordt opgenomen in de beschikking en partijen te bevelen om de verplichtingen uit het ouderschapsplan na te komen;
vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige van € 758,= per maand;
vaststelling van een door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage van € 971,= per maand;
verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te gelasten conform alinea 19 en 20 van haar inleidend verzoekschrift;
veroordeling van de man tot betaling van een bedrag van € 2.750,= aan de vrouw uit hoofde van benadeling van de huwelijksgemeenschap.
3.2
De man verzoekt nu nog, na wijziging/aanvulling, samengevat:
- vaststelling van een door hem te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige van € 639,= per maand;
- de verdeling van de gemeenschap van goederen vast te stellen conform het voorstel onder randnummer 40 tot en met 62 van zijn verweerschrift;
- subsidiair: de vrouw te veroordelen tot vergoeding van de door aan de gemeenschap aangerichte schade in verband met een onttrekking door de vrouw van € 1.240,= van een tot de gemeenschap behorende bankrekening.
4De nadere beoordeling
Ouderschapsplan
4.1
Partijen hebben in het kader van het UHA in juni 2025 een ouderschapsplan ondertekend. In het ouderschapsplan hebben partijen afspraken opgenomen over hun minderjarige kind [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019, onder meer over zijn hoofdverblijf bij de vrouw en een zorgregeling van de man met [minderjarige] . De man heeft contact met [minderjarige] in de oneven weekenden van zaterdag 10.00 uur tot zondag 16.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt bij [restaurant 1] / [restaurant 2] in [woonplaats 1] en waarbij de man [minderjarige] ophaalt en hem terugbrengt. Deze regeling wordt ook tijdens vakanties en feestdagen uitgevoerd ten behoeve van de structuur van [minderjarige] .
4.2
De vrouw verzoekt te bepalen dat het ouderschapsplan wordt opgenomen in de beschikking en partijen te bevelen om de verplichtingen uit het ouderschapsplan na te komen. De man stemt daarmee in.
4.3
Op de zitting heeft de rechtbank partijen gecomplimenteerd met het bij De Gezinsmanager bereikte resultaat in het kader van het UHA, waarbij zij het belang van [minderjarige] voorop hebben gesteld. De rechtbank zal conform het verzoek van de vrouw, waarmee de man heeft ingestemd, het op 13 mei 2026 ontvangen ouderschapsplan als bijlage aan deze beschikking toevoegen.
Kinderalimentatie
4.4
Het is partijen niet gelukt overeenstemming te bereiken over de kinderalimentatie. Zij zijn verdeeld over zowel de kosten van [minderjarige] (de behoefte) als de wijze waarop die kosten over partijen verdeeld moeten worden (draagkracht).
Behoefte
4.5
Bij het bepalen van de behoefte aan kinderalimentatie hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
4.6
Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarige is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen.
4.7
Volgens de vrouw dient voor wat betreft het inkomen van de man te worden uitgegaan van de winst uit onderneming in 2022 ter hoogte van € 105.262,=, omdat dit het inkomen was dat hij tijdens het huwelijk had. Weliswaar heeft de man medio 2023 bewust en in het zicht van de echtscheiding de keuze gemaakt om in loondienst te gaan werken, waardoor hij een lager inkomen had dan de eerder door hem genoten winst uit onderneming. Die keuze dient echter voor rekening van de man te komen, waarbij de vrouw zich op het standpunt stelt dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. Volgens de man dient te worden uitgegaan van zijn feitelijke inkomen in 2023. Nadat de man in 2023 een periode minder had kunnen werken door ziekte van hem en de vrouw, heeft hij bewust gekozen voor een vast dienstverband. Dat bood meer zekerheid voor een structureel inkomen bij tegenslagen, omdat zijn werkgever inkomensvoorzieningen voor hem treft, terwijl hij als zzp-er de kosten hiervoor zelf moet dragen. De man weerspreekt dan ook dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. Bovendien merkt de man op dat partijen het tijdens de procedure voorlopige voorzieningen eens waren over de behoefte van [minderjarige] , zoals blijkt uit de beschikking voorlopige voorzieningen van 9 april 2024.
4.8
De rechtbank gaat voor de bepaling van het NBGI uit van de (feitelijke) inkomens van partijen in 2023, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan. Deze inkomens zijn bepalend geweest voor het welstandsniveau van partijen. Voor zover de vrouw heeft bedoeld te stellen dat de door haar genoemde winst uit onderneming de inkomenspositie van de man gedurende het gehele huwelijk beter weergeeft dan het inkomen van de man in 2023, en daarom een representatiever beeld schetst van het besteedbaar inkomen tijdens het huwelijk, heeft zij haar stelling onvoldoende onderbouwd. Inkomensgegevens van de man over de jaren vóór 2022 ontbreken. De rechtbank verwerpt ook het betoog van de vrouw dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. De rechtbank is op basis van de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie van oordeel dat de vraag of sprake is van verwijtbaar inkomensverlies alleen speelt in het kader van de berekening van de draagkracht en dus niet van de behoefte. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank zal aansluiten bij de berekening van de man van zijn netto besteedbaar inkomen (NBI) (productie 4), te weten € 3.996,= per maand. Deze berekening heeft de vrouw verder niet weersproken. Partijen zijn het eens over het NBI van de vrouw in 2023, te weten € 1.552,= per maand (productie 25 van de vrouw en productie 4 van de man).
4.9
Het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op € 5.548,= per maand. Met dit inkomen hadden partijen geen aanspraak op een kindgebonden budget.
4.10
Dit NBGI, gevoegd bij het aantal kinderen in het gezin, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van [minderjarige] op van € 798,= per maand in 2023. Bij dat tabelbedrag is al rekening gehouden met de ontvangen kinderbijslag. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt de behoefte in 2026 afgerond € 944,= per maand.
4.11
Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarige tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het NBI van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.200,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)].
Draagkracht van de vrouw
4.12
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens, waarbij naar aanleiding van de verklaringen van partijen op de zitting nu zal worden uitgegaan van de salarisspecificaties en niet van de jaaropgaven, zoals partijen in hun eigen berekeningen. De vrouw heeft volgens haar salarisspecificaties een inkomen van € 1.591,90 bruto per maand in januari en februari 2026 uit hoofde van een persoonsgebonden budget (PGB) voor [persoon 1] én een inkomen van € 257,13, € 205,70 en € 205,70 bruto per maand over de maanden januari, februari en maart 2026 uit hoofde van de wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) voor [de vrouw] en [persoon 2] (gemiddeld over die drie maanden: € 222,84) . Het totaalbedrag van (gemiddeld) € 1.814,74 bruto per maand wordt vermeerderd met de gebruikelijke vakantietoeslag. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
4.13
De man heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat voor de berekening van haar draagkracht rekening moet worden gehouden met het feit dat de vrouw dubbele kinderbijslag voor [minderjarige] ontvangt. De vrouw heeft dat standpunt weersproken onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 maart 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:1672). De rechtbank ziet evenals de vrouw geen aanleiding om rekening te houden met de dubbele kinderbijslag als inkomenscomponent voor de berekening van de draagkracht van de vrouw. De vrouw ontvangt de dubbele kinderbijslag omdat zij wordt geconfronteerd met extra zorgkosten voor [minderjarige] . Aangezien met die extra zorgkosten bij de berekening van de behoefte geen rekening wordt gehouden, wordt de extra kinderbijslag, waarmee de vrouw in die extra kosten kan voorzien, ook niet betrokken bij de berekening van de draagkracht van de vrouw.
4.14
De man heeft tijdens de zitting verder betoogd dat voor de berekening van de draagkracht van de vrouw rekening moet worden gehouden met het hogere kindgebonden budget dat de vrouw ontvangt. De vrouw heeft daar geen bezwaar tegen. Volgens haar gaat het slechts om een klein verschil. De rechtbank zal zoals gebruikelijk uitgaan van het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop zoals uit het rekenprogramma volgt, te weten € 5.996,= op jaarbasis.
4.15
Tot slot heeft de man op de zitting het woonbudget van de vrouw ter discussie gesteld. Volgens de man is de werkelijke woonlast van de vrouw lager dan het forfaitaire woonbudget, omdat de vrouw bij haar ouders inwoont. De vrouw bevestigt dat zij bij haar ouders inwoont, maar dat is volgens haar een tijdelijke situatie. Zodra [minderjarige] minder spanningen heeft en meer rust ervaart, kan zij verdere stappen gaan zetten. De rechtbank overweegt als volgt. Hierna zal blijken dat er geen tekort aan gezamenlijke draagkracht is om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. Onder verwijzing naar paragraaf 4.2.2.4. van het rapport van de Expertgroep Alimentatie, bestaat reeds daarom geen reden om uit te gaan van een andere woonlast dan het (forfaitaire) woonbudget.
4.16
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 2.460,= per maand.
4.17
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 250,= per maand.
Draagkracht van de man
4.18
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens, waarbij naar aanleiding van de verklaringen van partijen op de zitting nu zal worden uitgegaan van de salarisspecificaties en niet van de jaaropgaven, zoals partijen in hun eigen berekeningen hebben gedaan. Daarbij stelt de rechtbank vast dat het inkomen van de man, ten opzichte van zijn inkomen dat tot uitgangspunt is genomen voor de berekening van het NBGI, is toegenomen. Van verwijtbaar inkomensverlies is dus geen sprake, zodat de rechtbank aan dat betoog van de vrouw, dat zij ook voert in het kader van de berekening van de draagkracht van de man, verder voorbij gaat. De man heeft volgens de salarisspecificaties een inkomen van € 6.038,69 (periode 1), € 6.045,44 (periode 2) en € 6.045,44 (periode 3) bruto per vier weken, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag en te verminderen met de op de salarisspecificaties vermelde (pensioen)premies. Rekening wordt gehouden met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 4.403,= per maand.
4.19
De man heeft op de zitting het standpunt ingenomen dat er rekening gehouden moet worden met de reiskosten die hij ter uitvoering van de zorgregeling maakt. Hij haalt [minderjarige] twee keer per maand op in [woonplaats 1] en brengt hem weer terug naar [woonplaats 1] . Deze reiskosten vanuit zijn woonplaats ( [woonplaats 2] ) bedragen € 161,92 per maand. De zorgkorting van 15% is daarvoor niet dekkend, want hij heeft ook nog zorgkosten op de dagen dat [minderjarige] bij hem verblijft. Daarom is de man van mening dat de reiskosten als last meegenomen moeten worden bij de berekening van zijn draagkracht óf dat een zorgkorting van 30% moet worden gehanteerd. De vrouw heeft dit standpunt weersproken. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de berekening van zijn draagkracht of de bepaling van de zorgkorting rekening te houden met de reiskosten van de man. Die kosten zijn het gevolg van zijn keuze om in [woonplaats 2] te wonen en dienen daarom niet ten laste van zijn draagkracht te komen.
4.20
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 1.202,= per maand.
4.21
De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel:
het aandeel van de man bedraagt: € 1.202 / € 1.452 x € 944 = € 781,=
het aandeel van de vrouw bedraagt: € 250 / € 1.452 x € 944 = € 163,=.
4.22
Gelet op de zorgregeling wordt een zorgkorting van 15% toegepast. Nu de behoefte van de minderjarige € 944,= per maand bedraagt, is de zorgkorting € 142,= per maand.
Conclusie over de kinderalimentatie
4.23
Het aandeel van de man wordt verminderd met de zorgkorting, zodat de man als kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen een bedrag van (€ 781 - € 142 =) € 639,= per maand. Dit betekent dat het verzoek van de man zal worden toegewezen en het verzoek van de vrouw voor het meerdere zal worden afgewezen. De rechtbank zal de verplichting tot betaling van deze kinderalimentatie laten ingaan op de datum van deze beschikking.
Partneralimentatie
4.24
De vrouw verzoekt een partneralimentatie vast te stellen.
Behoefte
4.25
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
4.26
Voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw is in beginsel het uitgangspunt het NBGI ten tijde van de samenleving van partijen. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.9., gaat de rechtbank uit van het bedrag van € 5.548,= per maand.
4.27
Op het NBGI worden de kosten van de minderjarige van in totaal € 944,= per maand in mindering gebracht, zodat een bedrag van € 4.604,= resteert. Het aandeel van de vrouw in het NBGI (de helft) bedraagt € 2.302,= per maand. Omdat het voeren van twee gescheiden huishoudens duurder is dan het leven in gezinsverband, wordt bij dit aandeel een percentage van 20 opgeteld, zodat de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekent op € 2.762,= netto per maand in 2023. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt die behoefte in 2026 € 3.268,= netto per maand.
Behoeftigheid
4.28
Om te bepalen of, en zo ja, in welke mate de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man, ofwel haar behoeftigheid, moet op de huwelijksgerelateerde behoefte haar eigen netto inkomen in mindering worden gebracht. Voor wat betreft het NBI van de vrouw verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 4.16. Op dit NBI wordt in het kader van de partneralimentatie het kindgebonden budget in mindering gebracht. Dit leidt tot een NBI van € 1.960,= per maand. De behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage bedraagt aldus (€ 3.268 - € 1.960 =) € 1.308,= netto per maand.
Draagkracht van de man
4.29
Voor wat betreft het NBI van de man gaat de rechtbank uit van een bedrag van € 4.403,= per maand, zoals onder rechtsoverweging 4.18. is vermeld. De rechtbank houdt rekening met de hiervoor becijferde kinderalimentatie, inclusief zorgkosten, van in totaal € 781,= per maand, zodat sprake is van een (resterende) draagkracht voor partneralimentatie van € 249,= netto per maand.
4.30
Als de man partneralimentatie betaalt, dan mag hij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de man minder belasting. Door dat belastingvoordeel kan de man meer partneralimentatie betalen. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op bij de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de man op een bedrag van € 398,= bruto per maand. Dat brengt mee dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie tot zover zal worden toegewezen.
Conclusie over de partneralimentatie
4.31
De man dient met ingang van de datum van deze beschikking aan de vrouw een bedrag ter hoogte van € 398,= aan partneralimentatie te betalen.
Berekeningen
4.32
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt voor de kinderalimentatie en de partneralimentatie. Deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
Verdeling van de huwelijksgemeenschap
4.33
Partijen hebben geen partnerschapsvoorwaarden laten opstellen en zij hebben vóór 1 januari 2018 hun partnerschap laten registeren. Dat betekent dat door het geregistreerd partnerschap van partijen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen is ontstaan. Zij hebben ná 1 januari 2018 hun geregistreerd partnerschap omgezet in een huwelijk. Die omzetting heeft voor het toepasselijke huwelijksvermogensregime geen veranderingen teweeg gebracht..
4.34
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding op 25 maart 2024 is de huwelijksgemeenschap ontbonden. Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd).
4.35
Partijen hebben op 20 december 2024 een deelovereenkomst gesloten over een aantal bestanddelen van de huwelijksgemeenschap. Gelet daarop en op de verklaringen van partijen tijdens de zitting liggen nog ter bespreking voor: de banksaldi van partijen, de activa en passiva van de eenmanszaak van de man ( [eenmanszaak] ) en de vordering van de gemeenschap op de ouders van de vrouw.
Saldi van de bankrekeningen
4.36
Op de zitting zijn de drie gezamenlijke bankrekeningen van partijen (eindcijfers 709, 838 en 341), de twee bankrekeningen van de man (eindcijfers 318 en 326), de enige bankrekening van de vrouw (eindcijfer 173) en de vier bankrekeningen van de eenmanszaak van de man (eindcijfers 020, 312, 709 en 328), alsmede de saldi op deze bankrekeningen besproken. Gebleken is dat de gezamenlijke bankrekeningen al zijn opgeheven en de saldi daarvan zijn verdeeld. Partijen hebben op de zitting overeenstemming bereikt over de resterende bankrekeningen, in die zin dat zij de saldi op deze bankrekeningen op de peildatum van 25 maart 2024 bij helfte zullen verdelen. Dit betekent dat op dit punt geen beslissing van de rechtbank meer nodig is. Partijen dienen uitvoering te geven aan de gemaakte afspraak.
4.37
Zoals tijdens de zitting besproken, komt de rechtbank gelet op de overeenstemming van partijen op dit punt, niet toe aan een beoordeling van het subsidiaire verzoek van de man dat verband houdt met een onttrekking door de vrouw van een bedrag van € 1.240,= van een tot de gemeenschap behorende (saldo van een) bankrekening.
Activa en passiva van de eenmanszaak
4.38
Na bespreking van de activa en de passiva van de eenmanszaak van de man op de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt, in die zin dat de activa aan de man worden toebedeeld tegen een waarde van € 763,=. De man zal de helft van dat bedrag aan de vrouw voldoen. Er zijn geen schulden (passiva). Dit betekent dat op dit punt geen beslissing van de rechtbank meer nodig is. Partijen dienen uitvoering te geven aan de gemaakte afspraak.
Vordering van de gemeenschap op de ouders van de vrouw
4.39
Volgens de man behoort tot de gemeenschap van goederen een vordering op de ouders van de vrouw tot een bedrag van € 2.000,=. De man stelt zich op het standpunt dat partijen in de onderlinge verhouding ieder voor de helft, dus € 1.000,=, gerechtigd zijn tot het innen van de vordering op de ouders van de vrouw.
4.40
De vrouw betwist het bestaan van de door de man genoemde vordering..
4.41
De rechtbank laat in het midden of tot de (ontbonden) huwelijksgemeenschap een vordering op de ouders van de vrouw behoort, zoals de man stelt en de vrouw betwist. De man verzoekt geen toedeling van die vermeende vordering (aan een van partijen). In zoverre ligt geen verdelingsverzoek voor, terwijl het verzoek om te bepalen dat ieder van partijen gerechtigd is tot het innen van de helft van de vordering, een wettelijke grondslag mist en daarom niet kan worden toegewezen.
Benadeling gemeenschap
4.42
Tijdens de zitting heeft de vrouw haar eerder ingediende verzoek om de man te veroordelen tot betaling van een bedrag uit hoofde van benadeling van de gemeenschap, ingetrokken. Dat verzoek hoeft dus niet meer te worden beoordeeld en zal worden afgewezen.
Proceskosten
4.43
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De rechtbank
5.1
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van de datum van deze beschikking ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019, aan de vrouw bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 639,= (zeshonderdnegenendertig euro) per maand;
5.2
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf de datum van deze beschikking aan de vrouw voor levensonderhoud bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 398,= (driehonderachtennegentig euro) per maand;
5.3
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de onderlinge regelingen uit het als bijlage toegevoegde ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking en beveelt partijen om de verplichtingen uit het ouderschapsplan na te komen;
5.4
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Jong, en, in tegenwoordigheid van mr. Tillie, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.