Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6280

2026-06-11 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/447426 / JE RK 26-695
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-11
Publicatiedatum
2026-07-12
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/447426 / JE RK 26-695
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging OTS + MUHP, deskundigenonderzoek

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.451 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/447426 / JE RK 26-695



Datum uitspraak: 11 juni 2026




Beschikking van de kinderrechter over verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van



de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. C.E.J.E. Kouijzer te Middelburg,





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,


[pleegouder 1] en [pleegouder 2],
hierna te noemen de pleegouders,
wonende te [woonplaats 2].



Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de

Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, (hierna: de Raad), de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.




1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 april 2026;


de op 4 mei 2026 door de GI ingediende aanvullende stukken;


de op 2 juni 2026 door mr. Kouijzer ingediende stukken;


het door de GI op 2 juni 2026 ingediend stuk.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 juni 2025. Daarbij waren aanwezig: twee vertegenwoordigsters van de GI, de moeder bijgestaan door haar advocaat, een vertegenwoordigster van de Raad en de pleegvader. Met de instemming van alle belanghebbenden is door de kinderrechter toestemming verleend aan mevrouw [persoon 1] (oma moederzijde) en mevrouw [persoon 2] van [hulpverlening] om bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.




2De feiten


2.1.
Bij beschikking van 9 april 2024 is het destijds nog ongeboren kind voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 9 april 2024.



2.2.
Bij de beschikking van 13 juni 2024 is het destijds nog ongeboren kind onder toezicht gesteld met ingang van 13 juni 2024 en is een machtiging tot uithuisplaatsing van het destijds nog ongeboren kind verleend, ingaande vanaf het moment dat het geboren kind uit het ziekenhuis wordt ontslagen, in een pleeggezin.



2.3.
De moeder is op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] bevallen van [minderjarige].



2.4.
De vader heeft [minderjarige] op 20 juni 2024 erkend. Beide ouders zijn belast met het gezag over [minderjarige].



2.5.
De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin zijn daarna steeds verlengd tot laatstelijk 13 juni 2026.



2.6.
Op grond van de verleende machtigingen verblijft [minderjarige] sinds [geboortedag] 2024 in het gezin van de pleegouders.





3Het verzoek


3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.






4De standpunten


4.1.
De GI acht een verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk om toezicht te houden op [minderjarige]’s ontwikkeling en veiligheid, regie te voeren op het contact met zijn ouders, passende hulpverlening voor moeder te monitoren en [minderjarige] de rust en continuïteit te bieden die hij nodig heeft. De vorm en frequentie van de contactmomenten van de moeder met [minderjarige] zijn meerdere malen aangepast. [minderjarige] laat tijdens en na de bezoeken duidelijke stresssignalen en signalen van overprikkeling zien, zoals veel huilen, overstrekken, wegdraaien en sterke vermoeidheid. Ook de dag na een bezoek is hij aanhoudend huilerig en sterk gericht op de nabijheid van zijn pleegouders. Ondanks begeleiding en interventies zijn deze signalen onvoldoende verminderd. De contactmomenten zijn voor [minderjarige] nog te belastend. De moeder is volgens de GI onvoldoende in staat om sensitief en responsief aan te sluiten bij de signalen en ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige]. De moeder blijft daarnaast kampen met langdurig middelengebruik. Zij heeft hulpverlening niet langdurig vastgehouden en is afspraken niet nagekomen. De moeder is begin 2026 opnieuw gestart met een hulpverleningstraject. Het effect van dat traject is nog onvoldoende zichtbaar en vraagt tijd en bestendigheid. De vader heeft sinds juli 2024 geen structureel contact meer met [minderjarige]. Bij terugplaatsing naar één van de ouders is de ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] onverminderd aanwezig. Ouders zijn er, ondanks de geboden kansen en begeleiding onvoldoende in geslaagd om binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te voorzien in zijn primaire behoeften aan veiligheid, stabiliteit en voorspelbaarheid. De pleegzorgsituatie biedt dat wel. Vanuit ontwikkelings- en hechtingsperspectief is het van groot belang dat de primaire hechtingsrelatie van [minderjarige] bij de pleegouders blijft liggen.



4.2.
Door en namens de moeder is tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Voor wat het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing betreft, dient die machtiging voor een kortere periode te worden verleend. De moeder begrijpt dat [minderjarige] nu (nog) niet kan terugkeren naar haar. Maar zij kan zich er ook niet in vinden dat volgens de GI het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders zou liggen. Zij heeft het idee dat zij niet serieus wordt genomen en dat zij “niets goed kan doen”. Daarom verzoekt de moeder om op grond van artikel 810a, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) een deskundige te benoemen die onderzoek kan verrichten en de vragen kan beantwoorden of de moeder in de toekomst in staat zal zijn weer volledig de zorg over [minderjarige] te gaan dragen of dat het wellicht anderszins niet in het belang van [minderjarige] is dat hij terugkeert bij de moeder. Juist nu de moeder haar leven steeds meer op orde heeft, is het noodzakelijk dat zij daarover van een onafhankelijke derde duidelijkheid krijgt. Daarnaast moet de moeder een kans krijgen om de band met [minderjarige] verder te ontwikkelen. Uit de verslagen van recente contactmomenten blijkt dat het tussen moeder en [minderjarige] goed gaat. Bovendien is het maar de vraag of de heftige reactie van [minderjarige] tijdens of na de contactmomenten wel door de moeder wordt veroorzaakt, nu ook uit het verslag van het begeleide bezoek blijkt dat de pleegmoeder (een voor [minderjarige] vertrouwd persoon) zodanig hoog in haar emotie zit, dat zij emotioneel is en de ruimte moet verlaten.



4.3.
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd de verzoeken van de GI toe te wijzen. Geadviseerd wordt daarnaast om te onderzoeken hoe de GI en de moeder verder gaan met elkaar, ook in de verhouding met de pleegouders. Voorkomen moet worden dat de situatie tussen hen verder op scherp wordt gezet en dat is niet in het belang van [minderjarige]. De moeder heeft een belangrijke rol in het leven van [minderjarige]. Indien de rechtbank daartoe beslist, is de Raad bereid tot een perspectiefonderzoek door medewerkers van de Raad die nog niet eerder betrokken zijn bij deze zaak.





5De beoordeling



Ondertoezichtstelling



5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan en [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De kinderrechter legt hierna uit waarom.



5.2.

[minderjarige] is direct na zijn geboorte onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst vanwege de verslavingsproblematiek van de moeder. De ondertoezichtstelling is om die reden daarna (steeds) verlengd. Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is aangevoerd, blijkt dat de moeder hard heeft gewerkt aan haar verslavingsprobleem en dat zij daarin positieve stappen heeft gezet. Zij is sinds januari 2026 in behandeling bij [zorgaanbieder] en heeft EMDR en 1 op 1 gesprekken. De stappen die de moeder heeft gezet zijn naar het oordeel van de kinderrechter (nog) onvoldoende om aan te nemen dat de moeder in staat is om de zorg voor [minderjarige] zelfstandig op zich te nemen en de ernstige ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Er is nog sprake van een prille en kwetsbare situatie bij de moeder. Het is van belang dat de moeder aantoont dat zij de positieve ontwikkelingen kan vasthouden. De moeder heeft immers eerder ook geprobeerd haar leven weer op orde te krijgen, maar dan had zij daarna toch weer een terugval. Daarbij komt dat de GI tijdens de mondelinge behandeling heeft meegedeeld dat uit de resultaten van twee urinecontroles die bij de moeder zijn afgenomen, zou zijn gebleken van middelengebruik bij de moeder, hetgeen de moeder overigens ten stelligste heeft betwist. Naar het oordeel van de kinderrechter is het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de GI de regie blijft voeren en de nodige hulpverlening inzet en borgt.



5.3.
De kinderrechter merkt daarbij nog het volgende op, zoals zij ook reeds heeft gedaan bij de voorgaande beschikkingen. De komende periode van de ondertoezichtstelling moet gestreefd worden naar een beter contact tussen [minderjarige] en de moeder. De kinderrechter begrijpt dat daarbij de veiligheid en het belang van [minderjarige] voorop moet staan, maar is van oordeel dat goed bekeken moet worden of de contactregeling van [minderjarige] met de moeder uitgebreid kan worden en onder welke omstandigheden. De kinderrechter gunt dit [minderjarige] en de moeder, temeer nu moeder aan zichzelf lijkt te werken en bovendien uit de verslagen van de laatste bezoekmomenten blijkt dat de contacten positief verlopen. Tijdens de mondelinge behandeling is daarnaast komen vast te staan dat de pleegmoeder emotioneel was tijdens een contactmoment en mogelijk heeft dat het contact tussen [minderjarige] en zijn moeder – wellicht niet in positieve zin – beïnvloed.



5.4.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar verlengen nu ondertoezichtstelling nog steeds nodig is.



Machtiging uithuisplaatsing




5.5.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [minderjarige] verblijft al sinds zijn geboorte bij het pleeggezin, waar hij zich veilig hecht en goed ontwikkelt. De rust en de stabiliteit van [minderjarige] bij de pleegouders dient (voorlopig) geborgd te blijven met de verlenging van de uithuisplaatsing. Alle belanghebbenden stemmen met een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in, zij het dat de moeder stelt dat die slechts verlengd dient te worden voor de duur van een zes maanden.



5.6.
De kinderrechter stelt voorop dat de uithuisplaatsing van een kind in het kader van een ondertoezichtstelling naar zijn aard een tijdelijk karakter heeft. De wetgever gaat ervan uit dat de GI in verband met de uitvoering van deze maatregel er in beginsel voor zorgdraagt dat de minderjarige naar huis (terug) kan en, indien dat inderdaad het geval is, nagaat onder welke voorwaarden dat dan gerealiseerd kan worden. De achterliggende gedachte hierbij is dat het een groot goed is, als een kind bij de biologische ouder kan opgroeien. Opgroeien bij de biologische ouder(s) is dan ook het uitgangspunt. Wanneer er sprake is van een uithuisplaatsing, en bezien moet worden hoe en wanneer thuisplaatsing mogelijk is, is de ‘aanvaardbare termijn’ bepalend bij het proces van beoordeling. Met aanvaardbare termijn wordt in dat kader bedoeld de voor dit kind aanvaardbaar te achten termijn waarbinnen deze ouder(s) de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding (weer) op zich kunnen nemen. De aanvaardbare termijn dwingt tot het nemen van een definitieve beslissing op de vraag of een kind wel of niet terug naar huis kan.



5.7.
De GI heeft in de stukken en ook ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangevoerd dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is verstreken en zij heeft dan ook intern besloten dat het toekomstperspectief van [minderjarige] bij het pleeggezin ligt. Dit betreft het zogenaamde perspectiefbesluit. De moeder kan zich daar echter niet in vinden. De kinderrechter begrijpt uit hetgeen de moeder heeft aangevoerd dat zij meent dat haar geen kans (meer) wordt gegeven om thuis weer voor [minderjarige] te zorgen. De moeder heeft daarom verzocht een deskundige te benoemen die onderzoekt of de moeder (binnen aanvaardbare termijn) in staat is om voor [minderjarige] te zorgen dan wel of het anderszins in het belang van [minderjarige] is dat hij niet meer terugkeert bij de moeder.



5.8.
De kinderrechter overweegt dat de wet niet voorziet in een zelfstandige rechtsingang waarin het perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023, bekend onder ECLI:NL:HR:2023:1148, volgt evenwel dat de rechter een perspectiefbesluit wel mag beoordelen in het kader van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het toekomstperspectief van het kind. Deze situatie doet zich naar het oordeel van de kinderrechter hier voor.



5.9.
De rechter kan ingevolge art. 810a lid 2 Rv in zaken van, kort gezegd, kinderbeschermingsmaatregelen op verzoek van een ouder een deskundige benoemen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. De bedoeling van deze bepaling is in de eerste plaats om de ouder het recht op contra-expertise te geven met betrekking tot rapporten van de raad en de GI. Daarbij gaat het om de ‘equality of arms’, zie onder meer HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:961. Volgens vaste rechtspraak moet (1) een voldoende concreet en terzake dienend verzoek om een contra-expertise ex art. 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden vermeldt die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, in beginsel worden toegewezen, mits (2) de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.


5.10.

De kinderrechter stelt vast dat het door de moeder beoogde onderzoek niet alleen ziet op de vraag of de moeder een passend opvoedingsklimaat aan [minderjarige] kan bieden (al dan niet met behulp van hulpverlening) en plaatsing van [minderjarige] bij haar, maar ook ziet op de belangen van [minderjarige] en waar zijn toekomstige verblijfplaats is of zal zijn. Als het de moeder lukt om binnen een aanvaardbare termijn, al dan niet met hulpverlening, de noodzakelijke opvoedvaardigheden (voor zover deze ontbreken) eigen te maken en het juiste opvoedingsklimaat langdurig te garanderen, dan dient, gelet op het hiervoor in r.o. 5.6 geschetste kader, een thuisplaatsing voorop te staan, tenzij geconcludeerd moet worden dat het anderszins niet meer in het belang is van [minderjarige] om terug te keren naar moeder. Ten aanzien van de opvoedvaardigheden van de moeder en de eventuele mogelijkheden die er voor [minderjarige] zouden zijn bij een thuisplaatsing is naar het oordeel van de kinderrechter nog veel onduidelijk. Daarbij wijst de kinderrechter op de beschikking van november 2025 waarin het navolgende is overwogen:
“de kinderrechter verwacht dat de komende maanden worden gebruikt om in kaart te brengen waarom het onder deze omstandigheden toch in het belang van [minderjarige] is om niet mee te werken aan verdere verbetering en uitbreiding van het contact tussen [minderjarige] en moeder, met oog op evt. terug-thuisplaatsing. De GI moet oog hebben voor het feit dat de huidige vormgeving van het bezoek en de frequentie daarvan voor moeder niet onbelast is, haar onzeker maakt en niet daadwerkelijk in staat stelt om met [minderjarige] een (vorm van een) band op te bouwen. Niet is gebleken hoe GI daaraan heeft geprobeerd tegemoet te komen”.
Het rapport van een door de moeder gewenst onderzoek zou mede tot de beslissing van de zaak kunnen leiden en zou voor alle betrokkenen duidelijkheid geven en onzekerheid wegnemen. De moeder heeft het idee dat zij alles doet om haar leven weer op orde te krijgen, maar dat dat niet wordt gezien door de GI en dat zij geen eerlijke kans krijgt, ook niet voor wat betreft de uitbreiding van de contactmomenten. Daarnaast lijkt door die onzekerheid enige frictie te zijn ontstaan tussen de GI, de pleegouders en de moeder hetgeen niet in het belang is van [minderjarige]. Het is belangrijk dat zij goed kunnen blijven samenwerken. Wel is duidelijk dat de moeder, maar ook de GI, de pleegouders en betrokken hulpverleners allemaal hard werken in het belang van [minderjarige], en dat geprobeerd wordt om de moeder zoveel mogelijk bij het leven van [minderjarige] te betrekken.




5.11.
De kinderrechter zal gelet op het voorgaande dan ook een deskundigenonderzoek gelasten. Deze deskundige dient onderzoek te verrichten en vervolgens te rapporteren en te adviseren over de opvoedvaardigheden van de moeder, de mogelijkheid dat de moeder binnen aanvaardbare termijn in staat is thuis voor [minderjarige] te zorgen en daarmee een thuisplaatsing van [minderjarige] bij haar.



5.12.
De kinderrechter is voornemens de deskundige de volgende vragen voor te leggen:
a. beschikt de moeder over voldoende (opvoed)vaardigheden om in de toekomst in voldoende mate te functioneren als opvoedouder van [minderjarige];

b. indien de (opvoed)vaardigheden van de moeder nog ontoereikend zijn, welke vaardigheden moet zij zich dan (binnen aanvaardbare termijn) nog eigen maken? Op welke manier en is daar verdere ondersteuning bij nodig?

c. Wat zijn de mogelijkheden van een (terug)plaatsing van [minderjarige] bij de moeder c.q. wat is de visie van de deskundige op het perspectief van [minderjarige]?
d. Indien het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder ligt, welke contactregeling is dan het best passend en het meest in het belang van [minderjarige]?

e. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van [minderjarige]?


5.13.
Zoals de kinderrechter hiervoor in r.o. 5.5. heeft overwogen, dient de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te worden verlengd. Nu er een deskundige zal worden benoemd impliceert dit dat onderhavig verzoek nog niet voor de volledige duur zal worden toegewezen. Immers alsdan zou de kinderrechter een eindbeschikking geven en bestaat er geen mogelijkheid meer om de deskundige feitelijk te benoemen. Bovendien acht de kinderrechter het van belang om de komende tijd de voortgang van de in te zetten (behandel)trajecten, waaronder het behandeltraject van de moeder, het nieuwe onderzoek en de ontwikkelingen in de contacten van [minderjarige] met de moeder, te monitoren binnen de lopende procedure van de verlenging van de uithuisplaatsing. Een en ander betekent voor nu dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing zal verlengen met ingang van 13 juni 2026 tot 13 december 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Er is dan nog tijd voor partijen om te reageren en een nieuwe mondeling behandeling te plannen. Vervolgens kunnen de onderzoeksresultaten worden besproken op de nieuwe mondelinge behandeling en kan een beslissing worden genomen op het resterende deel van het verzoek.


5.14.
De kinderrechter verzoekt partijen ((de advocaat van) de moeder en de GI) om uiterlijk op de hierna bij de beslissing genoemde pro forma datum te laten weten of zij zich kunnen vinden in de gestelde vragen, of zij aanvullende vragen hebben en zich uit te laten over de hoedanigheid van de deskundige en hun voorkeur voor de persoon van de deskundige. De vader zal hiertoe niet in de gelegenheid worden gesteld, omdat hij niet in deze procedure is verschenen en op dit moment geen betrokkenheid lijkt te hebben in het leven van [minderjarige]. De kinderrechter zal dan vervolgens het deskundigenonderzoek verder in gang zetten en partijen hiervan op de hoogte houden.



5.15.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad zoals is verzocht, dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats], van 13 juni 2026 tot 13 juni 2027;



6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg van 13 juni 2026 tot 13 december 2026;


6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



6.4.
verwijst de zaak naar de roldatum van 30 juni 2026 PRO FORMA opdat de GI en de moeder zich kunnen uitlaten over de te benoemen deskundige en de vragen zoals hiervoor in r.o. 5.12 en 5.14 zijn vermeld;



6.5
iedere verdere beslissing ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing zal worden aangehouden.









Deze beslissing is gegeven op 11 juni 2026 door mr. Voorn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van ’t Westeinde, griffier.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:260 BW.


Artikel 1:265c, tweede lid, BW.