Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6274
2026-06-11
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/446827 / KG ZA 26-179
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Mondeling verzoek OTS niet ontvankelijk verklaard in aparte beschikking. Raadsonderzoek. Toevertrouwing minderjarige aan vrouw. Opschorting zorgregeling.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1938 Gerechtshof Amsterdam 15-08-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.502 tekens)
Vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/446827 / KG ZA 26-179
Vonnis in kort geding van 11 juni 2026
in de zaak van
[de man]
,
wonende te [woonplaats 1],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,
tegen
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. M. Erkens te ‘s-Gravenhage.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;
- de brief van 28 mei 2026 van mr. Bronsveld met producties;
- de mondelinge behandeling op 29 mei 2026.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordigster namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1.4.
Voorafgaand aan de zitting heeft de rechter met [minderjarige] gesproken. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016, hierna te noemen [minderjarige].
2.2.
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.3.
Bij beschikking van de rechtbank van 5 september 2017 zijn partijen gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige].
2.4.
Bij beschikking van de rechtbank van 17 september 2018 is het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man bepaald.
2.5.
Bij beschikking van de rechtbank van 5 februari 2020 is, voor het laatst, een verdeling van de zorg- en opvoedtaken vastgesteld, waarbij [minderjarige] en de vrouw gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar op de volgende wijze:
de ene week haalt de moeder [minderjarige] op maandag om 15.15 uur uit school en brengt haar vervolgens op woensdag om 08.45 weer naar school;
de andere week haalt de moeder [minderjarige] op vrijdag om 15.15 uur uit school en brengt haar vervolgens op maandag om 08.45 weer naar school;
de feestdagen en vakanties worden evenredig tussen partijen verdeeld, nader in
onderling overleg te bepalen.
2.6
Partijen hebben op 24 november 2022 een ouderschapsplan opgesteld. Daarin zijn partijen geen wijziging van de zorgregeling overeengekomen.
2.7.
[minderjarige] heeft van 13 april 2017 tot 13 oktober 2021 onder toezicht gestaan van Stichting Jeugdbescherming Brabant.
2.8.
Door de vrouw is op 2 juni 2026 een bodemprocedure aanhangig gemaakt (C/02/448751 / FA RK 26-2787) strekkende tot wijziging hoofdverblijf, wijziging zorgregeling, het verbieden van het noemen van ‘mama’ van de vriendin van de man en tot het gebruik van het toestemmingsformulier reizen buitenland.
3Het geschil in conventie en reconventie
3.1.
De man vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
de vrouw [minderjarige] dient terug te brengen aan de man binnen 24 uur na het wijzen van een kort geding vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat zij hiertoe in gebreke is, met een maximum van € 50.000,00;
met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in reconventie.
3.2.
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en concludeert tot afwijzing van die vorderingen.
In reconventie vordert de vrouw bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
dat [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd (wijziging beschikking 17 september 2018) totdat er in een bodemprocedure een nieuwe beslissing is genomen;
dat de zorgregeling uit de beschikking van 5 februari 2020 wordt opgeschort en dat wordt bepaald dat er geen zorgregeling met de man geldt totdat er in een bodemprocedure een nieuwe beslissing is genomen.
4De standpunten van partijen en het advies van de Raad
4.1.
Door en namens de man is in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd.
De vrouw heeft eigenrichting gepleegd door [minderjarige] op 30 maart 2026 de hele dag van school te houden en daarna niet meer terug naar de man te brengen. Aanleiding hiervoor zou zijn een door de vrouw aangegeven mishandeling van [minderjarige] door de man. De vrouw belast de man voortdurend met aangiftes en procedures. Ook nu heeft de vrouw aangifte gedaan. Deze is vrijwel meteen geseponeerd. De aangifte is van tafel en er is ook geen onderzoek gestart. De vrouw heeft hierover een brief ontvangen. De man geeft in overweging om deze brief door de vrouw in het geding te laten brengen. De man ontkent nadrukkelijk de gedragingen waarvan hij wordt beschuldigd. Veilig Thuis heeft ook geen reden gezien voor een wijziging van het verblijf van [minderjarige]. [minderjarige] hoor bij haar vader. Er zijn in de afgelopen jaren al veel juridische procedures tussen partijen gevoerd. In het verleden heeft de vrouw ook al duidelijk eigenrichting gepleegd door [minderjarige] naar het buitenland te ontvoeren. Eerder al is sprake geweest van een ondertoezichtstelling van [minderjarige]. Tijdens die ondertoezichtstelling is de vrouw met [minderjarige] naar België verhuisd en vervolgens naar Curaçao vertrokken om onder de maatregel uit te komen. Uiteindelijk is [minderjarige] met een teruggeleidingsprocedure naar Nederland teruggekeerd en is de vrouw strafrechtelijk veroordeeld. De situatie duurt al jarenlang zo voort. Iedere keer is er wel iets waardoor de vrouw [minderjarige] en de man het contact ontneemt. Al jarenlang gaat de vrouw haar eigen weg ondanks adviezen van de hulpverlening. Als de hulpverlening de vrouw tegenspreekt, dan vraagt ze een andere hulpverlener. Dan volgen er klachten, bedreigingen en ellende. [minderjarige] is daar de dupe van. Daarnaast is sprake van dieperliggende problematiek bij [minderjarige]. De uitspraken die [minderjarige] doet zijn zorgelijk en tegelijkertijd ingewikkeld. Door verschillende instanties is aangegeven dat hulpverlening voor [minderjarige] moet worden ingezet, maar de vrouw werkt daar niet aan mee. Hulpverlening zonder dwangkader is geprobeerd maar komt niet tot stand. Er zit geen vooruitgang in. Het contact van [minderjarige] met haar vader en met haar halfzusje gaat verloren. Dit vormt een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige]. De man verzoekt daarom uitdrukkelijk een ondertoezichtstelling uit te spreken. Hij is ten einde raad. De man weet niet wat er met [minderjarige] gebeurt en maakt zich grote zorgen over de enorme druk en beïnvloeding die de vrouw en haar familie op [minderjarige] hebben. Vanaf het moment dat de vrouw besloot om achter de rug om [minderjarige] van school te halen en niet terug te brengen, heeft zij een weg voor [minderjarige] afgesloten. [minderjarige] heeft haar eigen waarheid gecreëerd en moet nu vasthouden aan haar eigen verhaal. De man vindt het belangrijk dat er zo spoedig mogelijk contactherstel tussen [minderjarige] en haar vader plaatsvindt, ook al zou dat alleen maar in de vorm van een appje, videobellen of spreken onder begeleiding van een neutraal persoon zijn. De deur van [minderjarige] zal steeds moeilijker opengaan. De man wil graag aan [minderjarige] laten weten dat hij niet boos is en haar erg mist.
4.2.
Ter onderbouwing van haar verweer en vorderingen voert de vrouw, kort samengevat, het navolgende aan.
Er is in de afgelopen jaren veel tussen partijen gebeurd. Partijen hebben ieder hun eigen aandeel daarin gehad. De vrouw erkent dat de verhoudingen tussen partijen niet goed zijn, maar betwist dat zij hiervan de oorzaak zou zijn omdat zij naar Curaçao vluchtte en procedures voerde. Inderdaad is zij gevlucht vanwege huiselijk geweld, maar de procedures zijn begonnen omdat de man vervolgens teruggeleiding, het hoofdverblijf, eenhoofdig gezag en beperkt contact tussen [minderjarige] en de vrouw eiste. De vrouw heeft in het kader van de ondertoezichtstelling stappen gezet en is daarin gegroeid, daar waar de man niet in staat is gebleken die stappen te zetten. De man hangt erg in het verleden van partijen. Tussen partijen was inmiddels het maximaal haalbare bereikt na diverse ouderschapstrajecten. Ook is een ouderschapsplan opgesteld. In beginsel kon er rust zijn voor [minderjarige] en wat de vrouw betreft was die rust ook bereikt. Er was een zorgregeling vastgesteld en daar is geruime tijd uitvoering aan gegeven. Natuurlijk was er nog onrust tussen partijen. De directe aanleiding voor datgene dat nu is gebeurd, zit echter niet primair in de verhoudingen tussen de ouders maar in dat wat zich bij de man thuis heeft afgespeeld: de mishandelingen. Het is geen incident, maar een patroon. [minderjarige] is meermaals fysiek en geestelijk door de man mishandeld. De moeder herkent die mishandelingen; zij heeft destijds om die reden de relatie van partijen beëindigd. [minderjarige] is door Veilig Thuis gehoord door middel van een NICHD interview. Veilig Thuis heeft geconcludeerd dat er een patroon van onveiligheid is ontstaan bij de man, waarin hij niet goed aansluit bij [minderjarige] haar behoeften en grenzen. Er is hulpverlening geadviseerd in de vorm van een neutrale kindbehartiger voor [minderjarige]. Dat deze hulpverlening tot op heden niet is gestart, ligt niet aan de vrouw. Beide ouders waren akkoord en de gemeente was er nog mee bezig tot het incident op 26 maart 2026, waarbij de man [minderjarige] met een handdoek zou hebben geslagen. Op 27 maart 2026 heeft de man met zijn hand op de arm van [minderjarige] geslagen waardoor ze op de grond viel. Die incidenten waren de druppel voor [minderjarige]. Zij wilde niet meer terug naar de man. De vrouw heeft toen voor de bescherming van [minderjarige] gekozen en haar niet meer naar de man toe laten gaan. De vrouw heeft alles in goed overleg met de gemeente gedaan. Zij heeft ook aangifte gedaan; deze blijft liggen, zo is aan haar medegedeeld. Er is geen brief die zij in het geding kan brengen, zoals door de man is gevorderd.
Het gaat niet goed met [minderjarige]. Ze heeft nachtmerries, angsten en paniekaanvallen. De moeder wordt bevestigd in haar bevindingen door de hulpverlening die zij voor [minderjarige] heeft ingeschakeld.
De vrouw is niet tegen contact tussen de man en [minderjarige], maar het contact moet wel veilig en passend zijn. Op dit moment is contact niet in het belang van [minderjarige].
4.3.
De Raad heeft tijdens de zitting van 29 mei 2026 (mondeling) verzocht om een ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van één jaar uit te spreken. Er is volgens de Raad sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige]. Na een hele lange voorgeschiedenis, met veel strijd tussen de ouders en forse loyaliteitsproblemen bij [minderjarige], is er nu al tweeënhalve maand geen contact meer tussen [minderjarige] en haar vader. Ongeacht of de uitspraken van [minderjarige] over de mishandelingen door de man waar zijn of niet, is de situatie van [minderjarige] zeer zorgelijk. Het is volgens de Raad goed mogelijk dat [minderjarige] deze uitspraken doet vanuit loyaliteitsproblematiek. Al vanaf de geboorte van [minderjarige] zijn er procedures tussen partijen. In verschillende onderzoeken is bevestigd dat [minderjarige] al tien jaar spanningen ervaart en klem zit tussen de ouders. Er zijn al diverse hulpverleningstrajecten en een vier jaar durende ondertoezichtstelling geweest, maar dit alles heeft onvoldoende positieve en bestendigde verandering teweeg kunnen brengen. Er is nu opnieuw een zeer zorgelijke situatie ontstaan, waarbij de Raad er onvoldoende vertrouwen in heeft dat er binnen het vrijwillige kader de noodzakelijke stappen gezet kunnen worden. De situatie is dermate complex en de zorgen zijn dermate groot dat regie en sturing vanuit een dwangkader noodzakelijk is. Nu de situatie al lang zo is, is er geen sprake van acuutheid. Een onderzoek van de Raad kan echter niet worden afgewacht en zou alleen maar vertragend werken. De zorgen zijn heel groot en er is meteen actie nodig. [minderjarige] heeft op dit moment geen hulp. Het is van belang en noodzakelijk dat er zicht komt op [minderjarige] en haar systeem. Van belang hierbij is:
- Het politieonderzoek en de status/bevindingen;
- Eventueel opnieuw inzet NICHD-kindinterview;
- Mogelijkheden tot contactherstel (elke vorm daarvan) tussen [minderjarige] en vader bezien;
- Mogelijkheden tot hervatting van Parralel Solo Ouderschap bezien;
- Inzet gespecialiseerde systemische hulpverlening waarbij beide netwerken worden betrokken, gedacht kan worden aan Sterk Huis;
- Hulpverlening voor [minderjarige] inzetten (Kindbehartiger zoals VT/CR adviseerde en
tevens moet onderzocht worden of sprake is van trauma en/of hechtingsproblematiek).
De Raad vindt het verder zeer zorgelijk dat het contact tussen [minderjarige] en haar vader zo eenzijdig door de vrouw is stopgezet. Er is door de vrouw op een manier gehandeld waarbij een deur volledig dicht is gegaan. Als er eerst overleg had plaatsgevonden, had er gekeken kunnen worden naar alternatieven zoals de inzet van hulpverlening. De weg terug is voor [minderjarige] nu heel moeilijk. De Raad vindt het belangrijk dat er zo snel mogelijk wordt gekeken naar de mogelijkheden van een vorm van contact tussen [minderjarige] en haar vader. Dat hoeft niet fysiek te zijn als dat niet kan. Begeleide omgang is een optie, maar het is aan de jeugdbeschermer om daarin de juiste afweging te maken. Voor nu dient het contact tussen [minderjarige] en haar vader on hold te worden gezet, maar er dient wel zo snel mogelijk binnen het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling meer zicht te komen op de mogelijkheden van contact(herstel) tussen [minderjarige] en haar vader.
4.4.
De vader ondersteunt het verzoek van de Raad voor het uitspreken van een ondertoezichtstelling. De problematiek is zo heftig en ingrijpend dat gedwongen regievoering volgens hem nodig is.
4.5.
De vrouw voert verweer tegen de door de Raad ter zitting verzochte ondertoezichtstelling van [minderjarige]. De vrouw ziet geen meerwaarde in een ondertoezichtstelling. Integendeel; dit zal volgens haar alleen maar voor vertraging zorgen gelet op de wachttijden. Er moet een kindbehartiger komen voor [minderjarige]. Dat willen partijen allebei. De gemeente is hier mee bezig. Het belangrijkste is dat [minderjarige] nu de rust en de ruimte krijgt om te herstellen en dat gewerkt wordt aan veilig contactherstel met haar vader. De vrouw mist het evenwicht in het advies van de Raad. Het lijkt erop dat de Raad de keuze heeft gemaakt voor de variant van het loyaliteitsconflict. De vrouw vindt het teleurstellend dat de Raad niet voor [minderjarige] gaat staan. Het lijkt de vrouw zorgvuldig dat de Raad onderzoek gaat doen. Een mondeling verzoek tot ondertoezichtstelling is juridisch niet mogelijk en bovendien in strijd met de rechtsbescherming van de vrouw. Een dergelijk verzoek moet schriftelijk worden gedaan en bovendien met een gedegen onderzoek onderbouwd worden. De Raad lijkt zich nu enkel te baseren op de informatie die hij heeft gehoord, terwijl er geen onderzoek heeft plaatsgevonden. [minderjarige] is niet gesproken, beide partijen niet en ook geen informanten. Daarnaast kan de vrouw zich nu niet goed verweren tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling. Zij verwijst naar jurisprudentie op punt (ECLI:NL:GHAMS:2023:1938). Verder worden er door de Hoge Raad hoge motiveringseisen gesteld aan een ondertoezichtstelling die is gericht op contactherstel. Ook dat is een reden om geen ondertoezichtstelling uit te spreken. De vrouw verzoekt dit verzoek dan ook af te wijzen.
5De beoordeling in conventie en in reconventie
5.1
Het verzoek tot ondertoezichtstelling is bij de rechtbank geregistreerd onder C/02/448769 / JE RK 26-948. Op de verzoeken tot ondertoezichtstelling is door de kinderrechter bij aparte beschikking beslist. De kinderrechter heeft de verzoeken van de Raad en de man tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet-ontvankelijk verklaard.
5.2.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de partijen bij hun vorderingen in onderhavige kortgedingprocedure vast. De vrouw heeft [minderjarige] eind maart 2026 niet naar de man teruggebracht en de man heeft [minderjarige] sindsdien niet meer gesproken of gezien.
5.3.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
5.4.
De voorzieningenrechter heeft op 29 mei 2026 met [minderjarige] gesproken. [minderjarige] heeft, kort samengevat, verteld dat haar vader haar veel pijn heeft gedaan. Hij heeft haar onder andere met een handdoek geslagen. [minderjarige] wil niet terug naar haar vader. Ze is heel bang en durft niet meer. [minderjarige] heeft eerder dingen over haar vader verteld, maar toen werd ze nog meer geslagen en pijn gedaan. Daarom durfde [minderjarige] er niet meer over te praten. Nu [minderjarige] bij haar moeder verblijft durft ze dit wel. [minderjarige] hoopt dat de rechter haar kan helpen. Het gaat niet zo goed met haar. Ze heeft last van paniekaanvallen. Ook op school gaat het niet zo goed. Ze is steeds gefocust op buiten omdat ze bang is dat haar vader daar staat. Daarnaast heeft [minderjarige] verteld dat het al heel lang zo is dat haar ouders moeilijk met elkaar kunnen praten.
5.5.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De voorzieningenrechter stelt vast dat er sprake is van een zeer zorgelijke, maar tegelijkertijd ook complexe situatie. Er is tussen partijen al ruim tien jaar sprake van strijd en spanningen, die hebben geleid tot veel juridische procedures en de inzet van hulpverlening. Ondanks diverse hulpverleningstrajecten en een vier jaar durende ondertoezichtstelling, is de voor [minderjarige] gewenste duurzame rust in de situatie niet bereikt. Waar Veilig Thuis begin van dit jaar – zo blijkt uit de overgelegde stukken – in het contact met haar vader nog een ontspannen [minderjarige] ziet, constateert de voorzieningenrechter dat deze situatie nu ruim tweeënhalve maand later totaal anders is. Na zorgelijke uitspraken van [minderjarige] over de situatie bij haar vader, heeft de vrouw besloten [minderjarige] bij zich te houden en niet meer terug naar de man te brengen. [minderjarige] heeft inmiddels op meerdere momenten, ook in het gesprek met de voorzieningenrechter, duidelijk aangegeven bang te zijn voor haar vader en niet meer naar hem terug te willen. Met de Raad is de voorzieningenrechter van oordeel dat, ongeacht of de uitspraken van [minderjarige] over de mishandelingen door de man waar zijn of niet, de huidige situatie gezien de hele voorgeschiedenis van partijen en [minderjarige] zeer zorgelijk is. In verschillende onderzoeken is bevestigd dat [minderjarige] als gevolg van de voortdurende strijd tussen de ouders al tien jaar spanningen ervaart en klem zit tussen beide ouders. Ook nu duurt de strijd tussen de ouders voort en hebben zij ieder een totaal andere visie op de reden van het ontstaan van de huidige situatie en over hoe het nu verder moet. Vast staat dat daardoor inmiddels een impasse is ontstaan, waarbij partijen niet bij machte zijn om de situatie de keren, de noodzakelijke hulp voor [minderjarige] uitblijft en contactverlies van [minderjarige] met haar vader dreigt. [minderjarige] is hierdoor inmiddels in een onmogelijke positie beland die hoe dan ook schadelijk voor haar is. Gezien de tegengestelde standpunten van partijen en alles wat is besproken de zitting, vindt de voorzieningenrechter het dringend noodzakelijk dat de Raad met spoed ten behoeve van en vooruitlopend op de bodemprocedure met zaak-/rekestnr. C/02/448751 / FA RK 26-2787 onderzoek gaat doen naar de situatie van [minderjarige], en dat de Raad op basis daarvan een advies uitbrengt, onder andere over het gewenste vervolgtraject. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de Raad het onderzoek uitbreidt naar een beschermingsonderzoek, gelet op de aard en ernst van de langdurig aanwezige problematiek en zorgen en het mondelinge verzoek tot ondertoezichtstelling ter zitting van 29 mei 2026.
De rechtbank zal de Raad vragen om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de navolgende vragen:
- Is wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] in het belang van [minderjarige]?
- Is wijziging van de huidige verdeling van de zorg- en opvoedtaken in het belang van [minderjarige] noodzakelijk? Hoe dient de zorgregeling met de niet-verzorgende ouder qua aard, duur en frequentie vormgegeven te worden?
- Zijn er contra-indicaties voor omgang tussen de man en [minderjarige] en zo ja, welke? In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- Acht de Raad op basis van het onderzoek een kinderbeschermende maatregel ten behoeve van [minderjarige] noodzakelijk?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
5.6.
De voorzieningenrechter begrijpt de frustratie en onmacht van de man vanwege het feit dat hij [minderjarige] nu al ruim tweeënhalve maand niet meer heeft gezien of gesproken. Tegelijkertijd heeft de voorzieningenrechter in het gesprek met [minderjarige] ook de angst van [minderjarige] gezien en gemerkt wat het onderwerp (contact met haar) vader op dit moment met haar doet.
Gelet op de grote weerstand die [minderjarige] op dit moment ervaart tegen contact met haar vader en gelet op het advies van de Raad ter zitting, vindt de voorzieningenrechter het niet in het belang van [minderjarige] om op dit moment contact af te dwingen. De voorzieningenrechter verwacht dat dit nog meer spanning en stress bij [minderjarige] op gaat leveren en de relatie tussen [minderjarige] en haar vader verder onder druk zal zetten. De voorzieningenrechter vindt het gelet op het voorstaande dan ook niet in het belang van [minderjarige] om de vrouw te dwingen [minderjarige] aan de man af te geven. Zij zal de vordering van de man tot afgifte van [minderjarige] op straffe van een dwangsom daarom afwijzen. Tegelijkertijd zal de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw tot toevertrouwing van [minderjarige] aan haar toewijzen ter borging van de huidige feitelijke situatie. Voor zover de vrouw heeft gevorderd om de zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 5 februari 2020 op te schorten, overweegt de voorzieningenrechter dat genoemde regeling ziet op het contact tussen de vrouw en [minderjarige] en niet op het contact tussen de man en [minderjarige]. Daarom zal de voorzieningenrechter dit deel van de vordering van de vrouw afwijzen. Wel zal de voorzieningenrechter het overige deel van de vordering van de vrouw ten aanzien van de zorgregeling toewijzen en bepalen dat er tussen de man en [minderjarige] geen zorgregeling zal gelden totdat de rechter anders beslist of door partijen anders wordt overeengekomen. De voorzieningenrechter zal voornoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zodat deze beslissingen meteen gelden ook als één van partijen hoger beroep instelt.
5.7.
Vorenstaande beslissingen betekenen niet dat er voorlopig helemaal geen contact tussen [minderjarige] en haar vader kan plaatsvinden. Met de Raad is de voorzieningenrechter van oordeel dat er zo spoedig mogelijk moet worden gekeken naar de mogelijkheden van veilig contactherstel tussen [minderjarige] en haar vader, in welke vorm dan ook. Beide partijen hebben daar ter zitting hun medewerking aan toegezegd. Nu de verzoeken tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet-ontvankelijk zijn verklaard en er dus vooralsnog geen jeugdbeschermer bij partijen en [minderjarige] betrokken zal raken, terwijl het bovendien nog enige tijd zal duren voordat het onderzoek van de Raad ten behoeve van de bodemprocedure is afgerond, vindt de voorzieningenrechter het noodzakelijk dat komende periode de hulpverlening in het vrijwillige kader wordt voortgezet. Gelet op de nadrukkelijke toezegging van de vrouw ter zitting om uitvoering te geven aan vrijwillige hulpverlening, gaat de voorzieningenrechter er vanuit dat de vrouw zich samen met de man op heel korte termijn (opnieuw) tot het CJG zal wenden om daar samen met de casusregisseur te overleggen op welke wijze de komende periode met de inzet van hulpverlening aan veilig contactherstel tussen [minderjarige] en haar vader kan worden gewerkt. Daarnaast gaat de voorzieningenrechter er vanuit dat in dat kader ook de inzet van een kindbehartiger voor [minderjarige] zo spoedig mogelijk wordt gerealiseerd. Deze hulp voor [minderjarige] is eerder al geadviseerd en beide partijen zijn het eens over de inzet daarvan. De voorzieningenrechter vindt het van groot belang dat de kindbehartiger zo snel mogelijk start. Het nog langer uitblijven van hulp voor [minderjarige] is niet in het belang van [minderjarige]. Verder vindt de voorzieningenrechter het nodig dat gespecialiseerde hulpverlening voor de ouders wordt ingezet (zoals Sterk Huis). Van het CJG wordt verwacht dat hij de hiervoor genoemde hulp samen met partijen met grote spoed oppakt.
5.8.
De voorzieningenrechter ziet geen reden om de vrouw te veroordelen in de proceskosten, zoals door de man is gevorderd. Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.9.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
In conventie
6.1.
wijst de vorderingen van de man af;
In reconventie
6.2.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd totdat er door de rechter anders wordt beslist of door partijen anders wordt overeengekomen;
6.3.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat er geen zorgregeling tussen de man en [minderjarige] geldt totdat de rechter anders beslist of door partijen anders wordt overeengekomen;
In conventie en in reconventie:
6.4.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg, om met spoed ten behoeve van en vooruitlopend op de bodemprocedure met zaak-/rekestnummer C/02/448751 / FA RK 26-2787 een onderzoek te (doen) verrichten en vervolgens rapport en advies uit te brengen ter beantwoording van de hierboven vermelde vragen, welk rapport vóór 25 augustus 2026 dient te worden ingebracht in bovengenoemde bodemprocedure;
6.5.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.6.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Lavrijssen, griffier.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/446827 / KG ZA 26-179
Vonnis in kort geding van 11 juni 2026
in de zaak van
[de man]
,
wonende te [woonplaats 1],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,
tegen
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. M. Erkens te ‘s-Gravenhage.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;
- de brief van 28 mei 2026 van mr. Bronsveld met producties;
- de mondelinge behandeling op 29 mei 2026.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordigster namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1.4.
Voorafgaand aan de zitting heeft de rechter met [minderjarige] gesproken. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016, hierna te noemen [minderjarige].
2.2.
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.3.
Bij beschikking van de rechtbank van 5 september 2017 zijn partijen gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige].
2.4.
Bij beschikking van de rechtbank van 17 september 2018 is het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man bepaald.
2.5.
Bij beschikking van de rechtbank van 5 februari 2020 is, voor het laatst, een verdeling van de zorg- en opvoedtaken vastgesteld, waarbij [minderjarige] en de vrouw gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar op de volgende wijze:
de ene week haalt de moeder [minderjarige] op maandag om 15.15 uur uit school en brengt haar vervolgens op woensdag om 08.45 weer naar school;
de andere week haalt de moeder [minderjarige] op vrijdag om 15.15 uur uit school en brengt haar vervolgens op maandag om 08.45 weer naar school;
de feestdagen en vakanties worden evenredig tussen partijen verdeeld, nader in
onderling overleg te bepalen.
2.6
Partijen hebben op 24 november 2022 een ouderschapsplan opgesteld. Daarin zijn partijen geen wijziging van de zorgregeling overeengekomen.
2.7.
[minderjarige] heeft van 13 april 2017 tot 13 oktober 2021 onder toezicht gestaan van Stichting Jeugdbescherming Brabant.
2.8.
Door de vrouw is op 2 juni 2026 een bodemprocedure aanhangig gemaakt (C/02/448751 / FA RK 26-2787) strekkende tot wijziging hoofdverblijf, wijziging zorgregeling, het verbieden van het noemen van ‘mama’ van de vriendin van de man en tot het gebruik van het toestemmingsformulier reizen buitenland.
3Het geschil in conventie en reconventie
3.1.
De man vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
de vrouw [minderjarige] dient terug te brengen aan de man binnen 24 uur na het wijzen van een kort geding vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat zij hiertoe in gebreke is, met een maximum van € 50.000,00;
met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in reconventie.
3.2.
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en concludeert tot afwijzing van die vorderingen.
In reconventie vordert de vrouw bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
dat [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd (wijziging beschikking 17 september 2018) totdat er in een bodemprocedure een nieuwe beslissing is genomen;
dat de zorgregeling uit de beschikking van 5 februari 2020 wordt opgeschort en dat wordt bepaald dat er geen zorgregeling met de man geldt totdat er in een bodemprocedure een nieuwe beslissing is genomen.
4De standpunten van partijen en het advies van de Raad
4.1.
Door en namens de man is in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd.
De vrouw heeft eigenrichting gepleegd door [minderjarige] op 30 maart 2026 de hele dag van school te houden en daarna niet meer terug naar de man te brengen. Aanleiding hiervoor zou zijn een door de vrouw aangegeven mishandeling van [minderjarige] door de man. De vrouw belast de man voortdurend met aangiftes en procedures. Ook nu heeft de vrouw aangifte gedaan. Deze is vrijwel meteen geseponeerd. De aangifte is van tafel en er is ook geen onderzoek gestart. De vrouw heeft hierover een brief ontvangen. De man geeft in overweging om deze brief door de vrouw in het geding te laten brengen. De man ontkent nadrukkelijk de gedragingen waarvan hij wordt beschuldigd. Veilig Thuis heeft ook geen reden gezien voor een wijziging van het verblijf van [minderjarige]. [minderjarige] hoor bij haar vader. Er zijn in de afgelopen jaren al veel juridische procedures tussen partijen gevoerd. In het verleden heeft de vrouw ook al duidelijk eigenrichting gepleegd door [minderjarige] naar het buitenland te ontvoeren. Eerder al is sprake geweest van een ondertoezichtstelling van [minderjarige]. Tijdens die ondertoezichtstelling is de vrouw met [minderjarige] naar België verhuisd en vervolgens naar Curaçao vertrokken om onder de maatregel uit te komen. Uiteindelijk is [minderjarige] met een teruggeleidingsprocedure naar Nederland teruggekeerd en is de vrouw strafrechtelijk veroordeeld. De situatie duurt al jarenlang zo voort. Iedere keer is er wel iets waardoor de vrouw [minderjarige] en de man het contact ontneemt. Al jarenlang gaat de vrouw haar eigen weg ondanks adviezen van de hulpverlening. Als de hulpverlening de vrouw tegenspreekt, dan vraagt ze een andere hulpverlener. Dan volgen er klachten, bedreigingen en ellende. [minderjarige] is daar de dupe van. Daarnaast is sprake van dieperliggende problematiek bij [minderjarige]. De uitspraken die [minderjarige] doet zijn zorgelijk en tegelijkertijd ingewikkeld. Door verschillende instanties is aangegeven dat hulpverlening voor [minderjarige] moet worden ingezet, maar de vrouw werkt daar niet aan mee. Hulpverlening zonder dwangkader is geprobeerd maar komt niet tot stand. Er zit geen vooruitgang in. Het contact van [minderjarige] met haar vader en met haar halfzusje gaat verloren. Dit vormt een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige]. De man verzoekt daarom uitdrukkelijk een ondertoezichtstelling uit te spreken. Hij is ten einde raad. De man weet niet wat er met [minderjarige] gebeurt en maakt zich grote zorgen over de enorme druk en beïnvloeding die de vrouw en haar familie op [minderjarige] hebben. Vanaf het moment dat de vrouw besloot om achter de rug om [minderjarige] van school te halen en niet terug te brengen, heeft zij een weg voor [minderjarige] afgesloten. [minderjarige] heeft haar eigen waarheid gecreëerd en moet nu vasthouden aan haar eigen verhaal. De man vindt het belangrijk dat er zo spoedig mogelijk contactherstel tussen [minderjarige] en haar vader plaatsvindt, ook al zou dat alleen maar in de vorm van een appje, videobellen of spreken onder begeleiding van een neutraal persoon zijn. De deur van [minderjarige] zal steeds moeilijker opengaan. De man wil graag aan [minderjarige] laten weten dat hij niet boos is en haar erg mist.
4.2.
Ter onderbouwing van haar verweer en vorderingen voert de vrouw, kort samengevat, het navolgende aan.
Er is in de afgelopen jaren veel tussen partijen gebeurd. Partijen hebben ieder hun eigen aandeel daarin gehad. De vrouw erkent dat de verhoudingen tussen partijen niet goed zijn, maar betwist dat zij hiervan de oorzaak zou zijn omdat zij naar Curaçao vluchtte en procedures voerde. Inderdaad is zij gevlucht vanwege huiselijk geweld, maar de procedures zijn begonnen omdat de man vervolgens teruggeleiding, het hoofdverblijf, eenhoofdig gezag en beperkt contact tussen [minderjarige] en de vrouw eiste. De vrouw heeft in het kader van de ondertoezichtstelling stappen gezet en is daarin gegroeid, daar waar de man niet in staat is gebleken die stappen te zetten. De man hangt erg in het verleden van partijen. Tussen partijen was inmiddels het maximaal haalbare bereikt na diverse ouderschapstrajecten. Ook is een ouderschapsplan opgesteld. In beginsel kon er rust zijn voor [minderjarige] en wat de vrouw betreft was die rust ook bereikt. Er was een zorgregeling vastgesteld en daar is geruime tijd uitvoering aan gegeven. Natuurlijk was er nog onrust tussen partijen. De directe aanleiding voor datgene dat nu is gebeurd, zit echter niet primair in de verhoudingen tussen de ouders maar in dat wat zich bij de man thuis heeft afgespeeld: de mishandelingen. Het is geen incident, maar een patroon. [minderjarige] is meermaals fysiek en geestelijk door de man mishandeld. De moeder herkent die mishandelingen; zij heeft destijds om die reden de relatie van partijen beëindigd. [minderjarige] is door Veilig Thuis gehoord door middel van een NICHD interview. Veilig Thuis heeft geconcludeerd dat er een patroon van onveiligheid is ontstaan bij de man, waarin hij niet goed aansluit bij [minderjarige] haar behoeften en grenzen. Er is hulpverlening geadviseerd in de vorm van een neutrale kindbehartiger voor [minderjarige]. Dat deze hulpverlening tot op heden niet is gestart, ligt niet aan de vrouw. Beide ouders waren akkoord en de gemeente was er nog mee bezig tot het incident op 26 maart 2026, waarbij de man [minderjarige] met een handdoek zou hebben geslagen. Op 27 maart 2026 heeft de man met zijn hand op de arm van [minderjarige] geslagen waardoor ze op de grond viel. Die incidenten waren de druppel voor [minderjarige]. Zij wilde niet meer terug naar de man. De vrouw heeft toen voor de bescherming van [minderjarige] gekozen en haar niet meer naar de man toe laten gaan. De vrouw heeft alles in goed overleg met de gemeente gedaan. Zij heeft ook aangifte gedaan; deze blijft liggen, zo is aan haar medegedeeld. Er is geen brief die zij in het geding kan brengen, zoals door de man is gevorderd.
Het gaat niet goed met [minderjarige]. Ze heeft nachtmerries, angsten en paniekaanvallen. De moeder wordt bevestigd in haar bevindingen door de hulpverlening die zij voor [minderjarige] heeft ingeschakeld.
De vrouw is niet tegen contact tussen de man en [minderjarige], maar het contact moet wel veilig en passend zijn. Op dit moment is contact niet in het belang van [minderjarige].
4.3.
De Raad heeft tijdens de zitting van 29 mei 2026 (mondeling) verzocht om een ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van één jaar uit te spreken. Er is volgens de Raad sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige]. Na een hele lange voorgeschiedenis, met veel strijd tussen de ouders en forse loyaliteitsproblemen bij [minderjarige], is er nu al tweeënhalve maand geen contact meer tussen [minderjarige] en haar vader. Ongeacht of de uitspraken van [minderjarige] over de mishandelingen door de man waar zijn of niet, is de situatie van [minderjarige] zeer zorgelijk. Het is volgens de Raad goed mogelijk dat [minderjarige] deze uitspraken doet vanuit loyaliteitsproblematiek. Al vanaf de geboorte van [minderjarige] zijn er procedures tussen partijen. In verschillende onderzoeken is bevestigd dat [minderjarige] al tien jaar spanningen ervaart en klem zit tussen de ouders. Er zijn al diverse hulpverleningstrajecten en een vier jaar durende ondertoezichtstelling geweest, maar dit alles heeft onvoldoende positieve en bestendigde verandering teweeg kunnen brengen. Er is nu opnieuw een zeer zorgelijke situatie ontstaan, waarbij de Raad er onvoldoende vertrouwen in heeft dat er binnen het vrijwillige kader de noodzakelijke stappen gezet kunnen worden. De situatie is dermate complex en de zorgen zijn dermate groot dat regie en sturing vanuit een dwangkader noodzakelijk is. Nu de situatie al lang zo is, is er geen sprake van acuutheid. Een onderzoek van de Raad kan echter niet worden afgewacht en zou alleen maar vertragend werken. De zorgen zijn heel groot en er is meteen actie nodig. [minderjarige] heeft op dit moment geen hulp. Het is van belang en noodzakelijk dat er zicht komt op [minderjarige] en haar systeem. Van belang hierbij is:
- Het politieonderzoek en de status/bevindingen;
- Eventueel opnieuw inzet NICHD-kindinterview;
- Mogelijkheden tot contactherstel (elke vorm daarvan) tussen [minderjarige] en vader bezien;
- Mogelijkheden tot hervatting van Parralel Solo Ouderschap bezien;
- Inzet gespecialiseerde systemische hulpverlening waarbij beide netwerken worden betrokken, gedacht kan worden aan Sterk Huis;
- Hulpverlening voor [minderjarige] inzetten (Kindbehartiger zoals VT/CR adviseerde en
tevens moet onderzocht worden of sprake is van trauma en/of hechtingsproblematiek).
De Raad vindt het verder zeer zorgelijk dat het contact tussen [minderjarige] en haar vader zo eenzijdig door de vrouw is stopgezet. Er is door de vrouw op een manier gehandeld waarbij een deur volledig dicht is gegaan. Als er eerst overleg had plaatsgevonden, had er gekeken kunnen worden naar alternatieven zoals de inzet van hulpverlening. De weg terug is voor [minderjarige] nu heel moeilijk. De Raad vindt het belangrijk dat er zo snel mogelijk wordt gekeken naar de mogelijkheden van een vorm van contact tussen [minderjarige] en haar vader. Dat hoeft niet fysiek te zijn als dat niet kan. Begeleide omgang is een optie, maar het is aan de jeugdbeschermer om daarin de juiste afweging te maken. Voor nu dient het contact tussen [minderjarige] en haar vader on hold te worden gezet, maar er dient wel zo snel mogelijk binnen het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling meer zicht te komen op de mogelijkheden van contact(herstel) tussen [minderjarige] en haar vader.
4.4.
De vader ondersteunt het verzoek van de Raad voor het uitspreken van een ondertoezichtstelling. De problematiek is zo heftig en ingrijpend dat gedwongen regievoering volgens hem nodig is.
4.5.
De vrouw voert verweer tegen de door de Raad ter zitting verzochte ondertoezichtstelling van [minderjarige]. De vrouw ziet geen meerwaarde in een ondertoezichtstelling. Integendeel; dit zal volgens haar alleen maar voor vertraging zorgen gelet op de wachttijden. Er moet een kindbehartiger komen voor [minderjarige]. Dat willen partijen allebei. De gemeente is hier mee bezig. Het belangrijkste is dat [minderjarige] nu de rust en de ruimte krijgt om te herstellen en dat gewerkt wordt aan veilig contactherstel met haar vader. De vrouw mist het evenwicht in het advies van de Raad. Het lijkt erop dat de Raad de keuze heeft gemaakt voor de variant van het loyaliteitsconflict. De vrouw vindt het teleurstellend dat de Raad niet voor [minderjarige] gaat staan. Het lijkt de vrouw zorgvuldig dat de Raad onderzoek gaat doen. Een mondeling verzoek tot ondertoezichtstelling is juridisch niet mogelijk en bovendien in strijd met de rechtsbescherming van de vrouw. Een dergelijk verzoek moet schriftelijk worden gedaan en bovendien met een gedegen onderzoek onderbouwd worden. De Raad lijkt zich nu enkel te baseren op de informatie die hij heeft gehoord, terwijl er geen onderzoek heeft plaatsgevonden. [minderjarige] is niet gesproken, beide partijen niet en ook geen informanten. Daarnaast kan de vrouw zich nu niet goed verweren tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling. Zij verwijst naar jurisprudentie op punt (ECLI:NL:GHAMS:2023:1938). Verder worden er door de Hoge Raad hoge motiveringseisen gesteld aan een ondertoezichtstelling die is gericht op contactherstel. Ook dat is een reden om geen ondertoezichtstelling uit te spreken. De vrouw verzoekt dit verzoek dan ook af te wijzen.
5De beoordeling in conventie en in reconventie
5.1
Het verzoek tot ondertoezichtstelling is bij de rechtbank geregistreerd onder C/02/448769 / JE RK 26-948. Op de verzoeken tot ondertoezichtstelling is door de kinderrechter bij aparte beschikking beslist. De kinderrechter heeft de verzoeken van de Raad en de man tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet-ontvankelijk verklaard.
5.2.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de partijen bij hun vorderingen in onderhavige kortgedingprocedure vast. De vrouw heeft [minderjarige] eind maart 2026 niet naar de man teruggebracht en de man heeft [minderjarige] sindsdien niet meer gesproken of gezien.
5.3.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
5.4.
De voorzieningenrechter heeft op 29 mei 2026 met [minderjarige] gesproken. [minderjarige] heeft, kort samengevat, verteld dat haar vader haar veel pijn heeft gedaan. Hij heeft haar onder andere met een handdoek geslagen. [minderjarige] wil niet terug naar haar vader. Ze is heel bang en durft niet meer. [minderjarige] heeft eerder dingen over haar vader verteld, maar toen werd ze nog meer geslagen en pijn gedaan. Daarom durfde [minderjarige] er niet meer over te praten. Nu [minderjarige] bij haar moeder verblijft durft ze dit wel. [minderjarige] hoopt dat de rechter haar kan helpen. Het gaat niet zo goed met haar. Ze heeft last van paniekaanvallen. Ook op school gaat het niet zo goed. Ze is steeds gefocust op buiten omdat ze bang is dat haar vader daar staat. Daarnaast heeft [minderjarige] verteld dat het al heel lang zo is dat haar ouders moeilijk met elkaar kunnen praten.
5.5.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De voorzieningenrechter stelt vast dat er sprake is van een zeer zorgelijke, maar tegelijkertijd ook complexe situatie. Er is tussen partijen al ruim tien jaar sprake van strijd en spanningen, die hebben geleid tot veel juridische procedures en de inzet van hulpverlening. Ondanks diverse hulpverleningstrajecten en een vier jaar durende ondertoezichtstelling, is de voor [minderjarige] gewenste duurzame rust in de situatie niet bereikt. Waar Veilig Thuis begin van dit jaar – zo blijkt uit de overgelegde stukken – in het contact met haar vader nog een ontspannen [minderjarige] ziet, constateert de voorzieningenrechter dat deze situatie nu ruim tweeënhalve maand later totaal anders is. Na zorgelijke uitspraken van [minderjarige] over de situatie bij haar vader, heeft de vrouw besloten [minderjarige] bij zich te houden en niet meer terug naar de man te brengen. [minderjarige] heeft inmiddels op meerdere momenten, ook in het gesprek met de voorzieningenrechter, duidelijk aangegeven bang te zijn voor haar vader en niet meer naar hem terug te willen. Met de Raad is de voorzieningenrechter van oordeel dat, ongeacht of de uitspraken van [minderjarige] over de mishandelingen door de man waar zijn of niet, de huidige situatie gezien de hele voorgeschiedenis van partijen en [minderjarige] zeer zorgelijk is. In verschillende onderzoeken is bevestigd dat [minderjarige] als gevolg van de voortdurende strijd tussen de ouders al tien jaar spanningen ervaart en klem zit tussen beide ouders. Ook nu duurt de strijd tussen de ouders voort en hebben zij ieder een totaal andere visie op de reden van het ontstaan van de huidige situatie en over hoe het nu verder moet. Vast staat dat daardoor inmiddels een impasse is ontstaan, waarbij partijen niet bij machte zijn om de situatie de keren, de noodzakelijke hulp voor [minderjarige] uitblijft en contactverlies van [minderjarige] met haar vader dreigt. [minderjarige] is hierdoor inmiddels in een onmogelijke positie beland die hoe dan ook schadelijk voor haar is. Gezien de tegengestelde standpunten van partijen en alles wat is besproken de zitting, vindt de voorzieningenrechter het dringend noodzakelijk dat de Raad met spoed ten behoeve van en vooruitlopend op de bodemprocedure met zaak-/rekestnr. C/02/448751 / FA RK 26-2787 onderzoek gaat doen naar de situatie van [minderjarige], en dat de Raad op basis daarvan een advies uitbrengt, onder andere over het gewenste vervolgtraject. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de Raad het onderzoek uitbreidt naar een beschermingsonderzoek, gelet op de aard en ernst van de langdurig aanwezige problematiek en zorgen en het mondelinge verzoek tot ondertoezichtstelling ter zitting van 29 mei 2026.
De rechtbank zal de Raad vragen om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de navolgende vragen:
- Is wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] in het belang van [minderjarige]?
- Is wijziging van de huidige verdeling van de zorg- en opvoedtaken in het belang van [minderjarige] noodzakelijk? Hoe dient de zorgregeling met de niet-verzorgende ouder qua aard, duur en frequentie vormgegeven te worden?
- Zijn er contra-indicaties voor omgang tussen de man en [minderjarige] en zo ja, welke? In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- Acht de Raad op basis van het onderzoek een kinderbeschermende maatregel ten behoeve van [minderjarige] noodzakelijk?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
5.6.
De voorzieningenrechter begrijpt de frustratie en onmacht van de man vanwege het feit dat hij [minderjarige] nu al ruim tweeënhalve maand niet meer heeft gezien of gesproken. Tegelijkertijd heeft de voorzieningenrechter in het gesprek met [minderjarige] ook de angst van [minderjarige] gezien en gemerkt wat het onderwerp (contact met haar) vader op dit moment met haar doet.
Gelet op de grote weerstand die [minderjarige] op dit moment ervaart tegen contact met haar vader en gelet op het advies van de Raad ter zitting, vindt de voorzieningenrechter het niet in het belang van [minderjarige] om op dit moment contact af te dwingen. De voorzieningenrechter verwacht dat dit nog meer spanning en stress bij [minderjarige] op gaat leveren en de relatie tussen [minderjarige] en haar vader verder onder druk zal zetten. De voorzieningenrechter vindt het gelet op het voorstaande dan ook niet in het belang van [minderjarige] om de vrouw te dwingen [minderjarige] aan de man af te geven. Zij zal de vordering van de man tot afgifte van [minderjarige] op straffe van een dwangsom daarom afwijzen. Tegelijkertijd zal de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw tot toevertrouwing van [minderjarige] aan haar toewijzen ter borging van de huidige feitelijke situatie. Voor zover de vrouw heeft gevorderd om de zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 5 februari 2020 op te schorten, overweegt de voorzieningenrechter dat genoemde regeling ziet op het contact tussen de vrouw en [minderjarige] en niet op het contact tussen de man en [minderjarige]. Daarom zal de voorzieningenrechter dit deel van de vordering van de vrouw afwijzen. Wel zal de voorzieningenrechter het overige deel van de vordering van de vrouw ten aanzien van de zorgregeling toewijzen en bepalen dat er tussen de man en [minderjarige] geen zorgregeling zal gelden totdat de rechter anders beslist of door partijen anders wordt overeengekomen. De voorzieningenrechter zal voornoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zodat deze beslissingen meteen gelden ook als één van partijen hoger beroep instelt.
5.7.
Vorenstaande beslissingen betekenen niet dat er voorlopig helemaal geen contact tussen [minderjarige] en haar vader kan plaatsvinden. Met de Raad is de voorzieningenrechter van oordeel dat er zo spoedig mogelijk moet worden gekeken naar de mogelijkheden van veilig contactherstel tussen [minderjarige] en haar vader, in welke vorm dan ook. Beide partijen hebben daar ter zitting hun medewerking aan toegezegd. Nu de verzoeken tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet-ontvankelijk zijn verklaard en er dus vooralsnog geen jeugdbeschermer bij partijen en [minderjarige] betrokken zal raken, terwijl het bovendien nog enige tijd zal duren voordat het onderzoek van de Raad ten behoeve van de bodemprocedure is afgerond, vindt de voorzieningenrechter het noodzakelijk dat komende periode de hulpverlening in het vrijwillige kader wordt voortgezet. Gelet op de nadrukkelijke toezegging van de vrouw ter zitting om uitvoering te geven aan vrijwillige hulpverlening, gaat de voorzieningenrechter er vanuit dat de vrouw zich samen met de man op heel korte termijn (opnieuw) tot het CJG zal wenden om daar samen met de casusregisseur te overleggen op welke wijze de komende periode met de inzet van hulpverlening aan veilig contactherstel tussen [minderjarige] en haar vader kan worden gewerkt. Daarnaast gaat de voorzieningenrechter er vanuit dat in dat kader ook de inzet van een kindbehartiger voor [minderjarige] zo spoedig mogelijk wordt gerealiseerd. Deze hulp voor [minderjarige] is eerder al geadviseerd en beide partijen zijn het eens over de inzet daarvan. De voorzieningenrechter vindt het van groot belang dat de kindbehartiger zo snel mogelijk start. Het nog langer uitblijven van hulp voor [minderjarige] is niet in het belang van [minderjarige]. Verder vindt de voorzieningenrechter het nodig dat gespecialiseerde hulpverlening voor de ouders wordt ingezet (zoals Sterk Huis). Van het CJG wordt verwacht dat hij de hiervoor genoemde hulp samen met partijen met grote spoed oppakt.
5.8.
De voorzieningenrechter ziet geen reden om de vrouw te veroordelen in de proceskosten, zoals door de man is gevorderd. Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.9.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
In conventie
6.1.
wijst de vorderingen van de man af;
In reconventie
6.2.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd totdat er door de rechter anders wordt beslist of door partijen anders wordt overeengekomen;
6.3.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat er geen zorgregeling tussen de man en [minderjarige] geldt totdat de rechter anders beslist of door partijen anders wordt overeengekomen;
In conventie en in reconventie:
6.4.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg, om met spoed ten behoeve van en vooruitlopend op de bodemprocedure met zaak-/rekestnummer C/02/448751 / FA RK 26-2787 een onderzoek te (doen) verrichten en vervolgens rapport en advies uit te brengen ter beantwoording van de hierboven vermelde vragen, welk rapport vóór 25 augustus 2026 dient te worden ingebracht in bovengenoemde bodemprocedure;
6.5.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.6.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Lavrijssen, griffier.