Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6270

2026-06-11 Civiel recht; Personen- en familierecht 447911 / KG ZA 26-231
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-11
Publicatiedatum
2026-07-12
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
447911 / KG ZA 26-231
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

medewerking verkoop woning, medewerking overbruggingshypotheek, opheffing beslag

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (39.361 tekens)
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Team Familie- en Jeugdrecht



Middelburg



zaaknummer / rolnummer: 447911 / KG ZA 26-231




Vonnis in verzet in kort geding van 11 juni 2026




in de zaak van





[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in verzet,
oorspronkelijk gedaagde,
advocaat: mr. M. Krijger te Goes



tegen





[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in verzet,
oorspronkelijk eiser,
advocaat: mr. M.E. Kok te Goes,



Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.






1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de inleidende dagvaarding van de man d.d. 26 januari 2026, met producties 1 tot en met 6;
- een brief van mr. Kok d.d. 25 februari 2026, met productie 7;
- het verstekvonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 11 maart 2026 in de procedure met zaak- / rolnummer C/02/444060 / KG ZA 26-19;
- de dagvaarding in verzet van de vrouw d.d. 8 april 2026;
- akte houdende eiswijziging van de man, ingediend op 6 mei 2026, met productie 8;
- akte houdende vermeerdering / wijziging van eis, tevens akte overlegging producties van de vrouw, ingediend op 11 mei 2026, met producties 4 tot en met 9;
- een brief van mr. Kok d.d. 11 mei 2026, met producties 9 tot en met 12;
- de mondelinge behandeling van 12 mei 2026;
- de pleitnota van mr. Kok.



1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.



1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen de advocaat van de vrouw en de man, bijgestaan door zijn advocaat.



1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.






2De feiten


2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Op 16 april 1987 hebben zij een samenlevingsovereenkomst gesloten. Hierin zijn zij onder meer het volgende overeengekomen:

“… (TIJDELIJKE) VOORTZETTING WOONGENOT.


Artikel 10.


Ingeval de overeenkomst eindigt anders dan door overlijden van een van partijen en partijen niet tot overeenstemming kunnen geraken omtrent de toedeling van het onroerend goed aan een van hen, dient het onroerend goed zo spoedig mogelijk te worden verkocht.


Partijen zijn dan tevens gehouden een regeling met elkaar overeen te komen ten aanzien van het tijdelijk gebruik door hen beiden of door een hunner en zo zij daar niet binnen een maand na de beëindiging van de overeenkomst in slagen, dienen zij in principe het onroerend goed beiden te ontruimen in afwachting van het transport.


Partijen hebben echter de bevoegdheid zich tot de kantonrechter te wenden met het verzoek uit te spreken dat een van hen, met uitsluiting van de andere partij, nog een beperkte termijn mag blijven wonen in de laatstelijk door hen beiden bewoonde woning.


De kantonrechter zal daarbij afwegen de belangen die partijen hebben om in de woning te blijven en de mogelijkheid andere woonruimte te vinden.


…”





2.2.
Partijen hebben in gemeenschappelijk eigendom -bij helfte- een woning aan [adres 1] te [woonplaats] .



2.3.
Bij verstekvonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 11 maart 2026 in de procedure met zaak- / rolnummer C/02/444060 / KG ZA 26-19 heeft de voorzieningenrechter:


verstek verleent tegen de vrouw;


de vrouw bevolen om de woning aan [adres 1] te [woonplaats] uiterlijk op 1 april 2026 te verlaten;


de vrouw veroordeeld om met ingang van 1 december 2025 aan de man een bedrag te betalen van € 946,= per maand uit hoofde van de lasten van de woning aan [adres 1] te [woonplaats] en


de vrouw veroordeeld om met ingang van 1 april 2026 aan de man een bedrag te betalen van € 523,= per maand als haar aandeel in de lasten van de woning aan [adres 1] te [woonplaats] tot aan het moment waarop de echtelijke woning is verkocht en geleverd aan een derde;
4. de man gemachtigd, met inachtneming van hetgeen eerder overwogen om mede namens de vrouw al datgene te doen dat nodig is om te bewerkstelligen dat onroerende zaak staande en gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] wordt verkocht en geleverd aan een derde, waaronder in ieder geval wordt verstaan: a. het geven van een opdracht aan de door de man gewenste makelaar om de woning te verkopen;

b. het verlenen van opdrachten aan de makelaar om al datgene te doen dat nodig is om de woning verkocht te krijgen;
c. het instemmen met de vraag- en verkoopprijs zolang deze ligt boven de laatprijs zoals vastgesteld door de door de man in te schakelen makelaar;
d. het ondertekenen van de verkoopovereenkomst;
e. het instrueren van de notaris om uit de verkoopopbrengst de makelaarskosten te voldoen en de aan het huis verbonden hypothecaire geldleningen volledig af te lossen;
f. het verlenen van opdracht aan de notaris om na het uitvoeren van het voorgaande van de netto verkoopopbrengst aan de man en de vrouw ieder de helft uit te betalen;

5. de vrouw veroordeeld om de makelaar steeds op eerste verzoek toegang te verlenen tot de woning aan [adres 1] te [woonplaats] ten behoeve van het opnemen van de woning (o.a. taxaties en het maken van foto’s) en van bezichtigingen met potentiële kopers;
6. bepaald dat de uitspraak, voor zover die betrekking heeft op de verkoop van de woning, in de plaats zal treden van de medewerking van de vrouw aan de onderhandse akte van verkoop in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW;
7. bepaald dat deze uitspraak, voor zover die betrekking heeft op de levering van de woning en de uitvoering daarvan, in de plaats zal treden van de medewerking van de vrouw aan de notariële akte van levering in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW;
8. de vrouw veroordeeld om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de man toegang tot de woning aan [adres 1] te [woonplaats] te verlenen om de aan hem toekomende inboedelgoederen op te halen, zoals is vermeld op de als productie 5 overgelegde inboedellijst, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,= per dag of ieder dagdeel waarin voornoemde medewerking niet wordt verleend met een maximum van € 2.500,=
9. het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
10. het meer of anders gevorderde afgewezen;
11. de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.



2.4.
Op 17 maart 2026 is bovengenoemd verstekvonnis aan de vrouw in persoon betekend.






3Het geschil in conventie en reconventie


3.1.

De vrouw vordert in verzet bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in het incident:

I de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het verstekvonnis, gewezen op 11 maart 2026 onder zaaknummer C/02/444060 / KG ZA 26-19, te schorsen in afwachting van de inhoudelijke behandeling van de zaak;

in conventie:
II. de vrouw te ontheffen van de veroordelingen, tegen haar uitgesproken op 11 maart 2026 door de Voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, onder zaaknummer C/02/444060 / KG ZA 26-19, en opnieuw rechtdoende de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans deze af te wijzen.

in reconventie:
III. het uitsluitend gebruik van de onroerende zaak, staande en gelegen te [woonplaats] aan [adres 1] , toe te kennen aan de vrouw, zulks voor de duur van de door de vrouw aanhangig te maken bodemprocedure.




3.2.

De man voert verweer. Hij vordert bij vonnis, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:


i. de vrouw te veroordelen om de onroerende zaak staande en gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] binnen twee dagen na betekening van het vonnis te verlaten en te ontruimen en in behoorlijke staat terbeschikking te stellen, met afgifte van de sleutels van de woning binnen dezelfde termijn aan Huisman Advocaten of de deurwaarder, gevestigd aan [adres 2] te [woonplaats] en te bepalen dat de vordering tot ontruiming van de woning ook ten uitvoer kan worden gelegd tegen eenieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging daar bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer zich dat voordoet;

ii. de man te machtigen om nieuwe sloten op de woning te (laten) plaatsen;
iii. indien de vrouw niet binnen twee dagen na betekening van het vonnis de woning heeft verlaten, ontruimd en in behoorlijke staat ter beschikking gesteld met afgifte van de sleutels, de vrouw te veroordelen in de kosten van ontruiming begroot op € 5.000,=;
iv. de vrouw te veroordelen om met ingang van 1 december 2025 , aan de man een bedrag te betalen van € 1.070,= per maand uit hoofde van de lasten van de echtelijke woning tot aan het moment waarop de echtelijke woning is verkocht en geleverd aan een derde, dan wel de vrouw te veroordelen tot het voldoen van een in goede justitie te bepalen bijdrage in de lasten van de echtelijke woning;

v. de man te machtigen tot het te gelde maken (verkoop en levering) van de echtelijke woning gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] en vanuit de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening te voldoen en daarnaast te bepalen dat aan partijen de helft van de resterende verkoopopbrengst toekomt, waarbij onder machtiging onder andere doch niet uitsluitend wordt begrepen het verrichten van de navolgende (rechts)handelingen:

- het geven van een opdracht aan de door de man gewenste makelaar om de woning te verkopen;
- het verrichten van alle activiteiten en handelingen door de makelaar en de man die voor de verkoop van de woning dienstig zijn, in welk kader ook door de vrouw dient te worden geduld dat dat er foto’s worden gemaakt, dat er een verkoopbord in de tuin wordt geplaatst en dat er bezichtigingen op de door de makelaar gekozen momenten plaatsvinden;
- het verkopen van de woning, welke voor een door de makelaar te bepalen marktconform bedrag te koop zal worden aangeboden en waarbij het advies van de makelaar zal worden opgevolgd ten aanzien van de vraag- en laatprijs;
- het sluiten van de koopovereenkomst met de kopende partij;
- het instrueren van de notaris om uit de verkoopopbrengst de makelaarskosten te voldoen en de aan het huis verbonden hypothecaire geldleningen volledig af te lossen;
- het verlenen van de opdracht aan de notaris om na het uitvoeren van het voorgaande van de netto verkoopopbrengst aan de man en de vrouw ieder de helft uit te betalen;





althans, de gevorderde machtiging zodanig in te vullen als de rechtbank in goede justitie meent te behoren en voor zover er door toedoen van de vrouw toch geen uitvoering aan de machtiging gegeven kan worden te bepalen dat de vrouw voor iedere dag dat zij in gebreke blijft een dwangsom verbeurt van 2.000,= per dag tot een maximum van € 50.000,=;
en te bepalen dat voor zover nodig het te wijzen vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zal treden van een akte als bedoeld in die wetsbepaling, althans op grond van artikel 3:300 BW een vertegenwoordiger aan te wijzen die voor de man rechtshandelingen kan verrichten die noodzakelijk zijn voor de verkoop en levering van de gemeenschappelijke woning aan een derde indien en voor het geval de vrouw haar medewerking daaraan zou onthouden.
vi de vrouw te veroordelen tot het verlenen van onvoorwaardelijke medewerking aan het afsluiten van een overbruggingskrediet ter grootte van € 130.000,- bij de ING Bank binnen twee dagen na betekening van het vonnis door de deurwaarder, en dat zij al datgene zal moeten doen om een spoedige afwikkeling van het noodzakelijke overbruggingskrediet te realiseren waaronder het ondertekenen van de door de ING Bank vereiste formulieren en offerte, het verstrekken van eventueel noodzakelijke financiële gegevens en het meewerken aan het passeren van de hypotheekakte op eerste verzoek van de notaris op de door de notaris aangegeven datum dan wel hiervoor tijdig een machtiging te verstrekken, zodat eiser in staat is om de door hem aangekochte woning te financieren en geleverd te krijgen, zulks op straffe van een dwangsom van een dwangsom van € 2.000,= per dag of gedeelte daarvan dat de vrouw in gebreke blijft om aan het vonnis en voornoemde veroordeling te voldoen meteen maximum van € 50.000,=, althans de vrouw te veroordelen tot medewerking aan het vestigen van een recht van hypotheek op haar aandeel in de woning aan [adres 1] [woonplaats] ten behoeve van de door de man gewenste overbruggingsfinanciering bij de ING Bank op de wijze en binnen de termijn als de rechtbank in goede justitie meent te behoren.

Subsidiair:


i. de vrouw te bevelen om de woning binnen twee dagen na betekening van het vonnis te verlaten en in behoorlijke staat ter beschikking te stellen, met afgifte van de sleutels van de woning aan op kantoor van Huisman Advocaten, gevestigd aan [adres 2] te [woonplaats] of de deurwaarder en te bepalen dat hieronder ook worden verstaan de personen welke zonder toestemming van de man in de woning bevinden, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.000,= per dag of ieder dagdeel waarin de vrouw in gebreke blijft om aan dit bevel gehoor te geven met een maximum van € 50.000,=;

ii. de vrouw te voordelen tot het verlenen van haar volledige medewerking aan de verkoop en levering van de woning gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] , zulks op straffe van een dwangsom van € 2.000,= per dag of ieder dagdeel waarin voornoemde medewerking niet wordt verleend met een maximum van € 50.000,= waarbij onder deze medewerking onder andere doch niet uitsluitend worden begrepen de navolgende rechtshandelingen:
- het geven van een opdracht aan de door de man gewenste makelaar om de woning te verkopen;
- het verrichten van alle activiteiten en handelingen door de makelaar en de man die voor de verkoop van de woning dienstig zijn, in welk kader ook door de vrouw dient te worden geduld dat er bezichtigingen op eerste verzoek van de makelaar op de door de makelaar voorgestelde dag en tijdstip kunnen plaatsvinden, foto’s worden gemaakt alsmede het plaatsen van een verkoopbord in de tuin;




- het verkopen van de woning, welke voor een door de makelaar te bepalen marktconform bedrag te koop zal worden aangeboden;
- dat het leveren van de onroerende zaak zal geschieden, waarbij de vrouw op eerste verzoek van de makelaar binnen de door de makelaar genoemde termijn haar medewerking zal verlenen aan ondertekening van de koopovereenkomst;
althans, de gevorderde volledige medewerking zodanig vorm te geven en ingaande op
een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vernemen.
iii. de vrouw te veroordelen om de woning te verlaten en te ontruimen voor de duur noodzakelijk ter uitvoering van de door de makelaar geplande bezichtigingen;
iv. de vrouw te bevelen om op eerste verzoek van de notaris binnen de door de notaris genoemde termijn haar medewerking te verlenen aan het leveren van haar eigenaarsaandeel aan de koper, een en ander op straffe van een dwangsom van € 2.000,= per dag of gedeelte daarvan dat de vrouw in gebreke zal blijven om aan het vonnis en voornoemde veroordelingen te voldoen met een maximum van € 50.000,= en te bepalen dat de netto-verkoopopbrengst na voldoening van de hypothecaire geldlening, makelaarskosten en overige verkoopkosten, aan partijen bij helfte wordt uitgekeerd.

Primair en subsidiair:


v. de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van betekening van het vonnis tot aan die van algehele voldoening.
vi. een zodanig bevel te geven als de rechtbank in goede justitie meent te behoren.



3.3.

De vrouw heeft haar eis gewijzigd en vermeerderd en vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in het incident:

I. de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het verstekvonnis, gewezen op 11 maart 2026 onder zaaknummer C/02/444060 / KG ZA 26-19, te schorsen in afwachting van de inhoudelijke behandeling van de zaak;

in conventie:

II. de vrouw te ontheffen van de veroordelingen, tegen haar uitgesproken op 11 maart 2026 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West- Brabant, locatie Middelburg, onder zaaknummer C/02/444060 / KG ZA 26-19, en opnieuw rechtdoende de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans deze af te wijzen.

in reconventie:

III. het uitsluitend gebruik van de onroerende zaak, staande en gelegen te [woonplaats] aan [adres 1] , toe te kennen aan de vrouw, zulks voor de duur van de door de vrouw aanhangig te maken bodemprocedure, en;
IV. de man te veroordelen het op 13 april 2026 onder de Sociale Verzekeringsbank ten laste van de vrouw gelegde executoriale beslag op te heffen en opgeheven te houden, zulks binnen 48 na het te dezen te wijzen vonnis en op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat de man ten aanzien van de nakoming van het vonnis in gebreke is.




3.4.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.








4De beoordeling in conventie en reconventie


4.1.
Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld.



Spoedeisendheid





4.2.
Op grond van artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. Vast is komen te staan dat partijen beiden op hoge leeftijd zijn en na een samenwoning van tientallen jaren uit elkaar zijn gegaan. Zij hebben een gezamenlijke koopwoning, waarvan inmiddels tussen hen is komen vast te staan dat deze verkocht dient te worden. Zij hebben op dit moment beiden alternatieve woonruimte, doch voor de man is dat mogelijk van tijdelijke aard. Hij heeft een voorlopige koopovereenkomst getekend voor het appartement dat hij op dit moment huurt. Hij heeft daarbij evenwel een beperkte termijn om de financiering hiervoor rond te krijgen. Als hij de financiering niet rond krijgt, kan hij het appartement niet kopen en ook niet langer huren en komt hij zonder woonruimte. Om dit appartement te kunnen kopen dient de man de beschikking te hebben over zijn aandeel in de overwaarde van de gezamenlijke woning, dan wel heeft hij een overbruggingshypotheek nodig. De voorzieningenrechter is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de spoedeisendheid bij de vorderingen voldoende zijn komen vast te staan.



Overeenstemming





4.3.
Ter zitting hebben partijen op een aantal punten als volgt overeenstemming bereikt.


Partijen, de vrouw via haar gevolmachtigde, geven uiterlijk woensdag 13 mei 2026 de makelaar gezamenlijk de opdracht tot verkoop van de woning aan [adres 1] te [woonplaats] .


De makelaar die de woning zal verkopen is [makelaar] .


De vrouw zal op 18 mei 2026 verhuizen, naar een woonproject in [plaats] .


De makelaar zal vanaf 19 mei 2026 bezichtigingen inplannen met geïnteresseerden voor de woning. Zij zal daarvoor de sleutel van de woning ontvangen.


Partijen en de gevolmachtigde van de vrouw zijn niet aanwezig bij de bezichtigingen van de woning.


De makelaar heeft vanaf 19 mei 2026 één maand de tijd om de woning te verkopen.


De woning wordt verkocht tegen het best mogelijke bod. De makelaar zal de best mogelijke prijs bindend vaststellen.


Als de verkoopprijs bindend is vastgesteld zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning.


Partijen verlenen hun medewerking aan de totstandkoming en ondertekening van de verkoopovereenkomst, de vrouw via haar gevolmachtigde, binnen een termijn van drie werkdagen nadat de makelaar partijen via e-mail heeft geïnformeerd over het best mogelijke prijs.


Het streven is de akte tot levering van de woning voor 1 juli 2026 te passeren bij de notaris, anders wordt de woning uiterlijk op 19 juli 2026 geleverd.


Tot en met 18 mei 2026 zal de vrouw de lasten dragen van de woning, met uitzondering van de aflossing. Het bedrag aan aflossing van iets meer dan € 200,= per maand zal bij helfte door partijen betaald worden.


Partijen hebben overeenstemming over de hoogte van de woonlasten, in die zin, dat het kostenoverzicht, door de man opgesteld en overgelegd als productie 8, wordt aangehouden.


Vanaf 19 mei 2026 betalen partijen de kosten van de woning bij helfte, totdat deze is geleverd aan een derde.





In geschil





4.4.
Het vorenstaande betekent dat de voorzieningenrechter nog moet beslissen op de navolgende punten waar partijen geen overeenstemming over hebben bereikt. Het gaat dan om de medewerking van de vrouw aan een overbruggingshypotheek voor de aankoop van het nieuwe appartement van de man, de verkoopopbrengst van de woning aan [adres 1] te [woonplaats] en het door de man onder de Sociale Verzekeringsbank ten laste van de vrouw gelegde executoriale beslag.



De standpunten ten aanzien van de overbruggingshypotheek





4.5.
Ten aanzien van de overbruggingshypotheek heeft de vrouw gesteld dat zij niet wenst mee te werken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij in dit stadium niet wil erkennen dat de man recht heeft op de helft van de overwaarde van de woning. Daarnaast betwist de vrouw dat er voor de man een dringende noodzaak is voor een overbruggingshypotheek en betwist zij alsnog de stelling van de man dat er geen verlenging van de termijn meer mogelijk is voor de financiering van zijn appartement.



4.6.
De man heeft als productie 7 een offerte van de ING bank ingediend voor een overbruggingsfinanciering van € 130.000,=. Hij heeft aangevoerd dat hij voor de financiering van zijn nieuwe appartement ofwel deze overbruggingshypotheek nodig heeft ofwel dat hij moet beschikken over de helft van de overwaarde van de woning. Voor hem is het financieel de minst aantrekkelijke optie om de woning te financieren middels de overbruggingshypotheek. Hij heeft de belastingaangiften over de jaren 2022, 2023 en 2024 overgelegd, teneinde aan te tonen dat hij niet over andere financiële middelen beschikt om het appartement mee te financieren. Ondanks eerdere toezeggingen van de vrouw om haar medewerking te verlenen, weigert zij toch haar medewerking aan de overbruggingshypotheek. Hij had zijn nieuwe appartement aangekocht in de veronderstelling dat de vrouw haar eerdere toezegging gestand zou doen. De onzekerheid over zijn woonsituatie weegt hem bijzonder zwaar, zeker gezien zijn hoge leeftijd. Hij lijdt daarnaast ook schade door de hele situatie, omdat zijn huidige huur ad € 1.285,= veel hoger is dan de rente die hij had moeten betalen als de overbruggingsfinanciering was geregeld.



De standpunten ten aanzien van de verkoopopbrengst van de woning





4.7.
De vrouw heeft aangevoerd dat uit een eerste onderzoek van haar naar voren is gekomen dat het aannemelijk is dat de man nog met haar zal moeten afrekenen in het kader van de afwikkeling van hun relatie. Zo lang niet helder is tussen partijen op welk deel van de verkoopopbrengst ieder van partijen recht heeft, dient daarom de gehele verkoopopbrengst onder de notaris te blijven. Namens de vrouw is ter zitting desgevraagd verklaard dat over de vraag of de vordering die de vrouw stelt te hebben op de man in het kader van de afwikkeling van hun samenwoning gediscussieerd kan worden.



4.8.
De man betwist nadrukkelijk dat de vrouw een vorderingsrecht heeft op hem. Hij heeft aangevoerd dat partijen geen huwelijksgemeenschap hebben en dat afwikkeling van hun relatie duidelijk is vastgelegd in hun samenlevingsovereenkomst. Het op de opzegdatum aanwezige gemeenschappelijke vermogen dient te worden afgewikkeld door dit vermogen bij helfte met elkaar te verdelen. Daarnaast is er, voor zover de vrouw al een vordering op de man zou hebben, sprake van verjaring. Partijen hebben steeds samen belastingaangifte gedaan, hebben een minimaal verschil in inkomen, een gezamenlijke bankrekening en geen privé rekeningen. De man meent dat het niet aannemelijk is dat hij aan enige vordering jegens de vrouw gehouden is. De verkoopopbrengst van de woning komt partijen dan ook bij helfte toe.



De beoordeling ten aanzien van de overbruggingshypotheek en de verkoopopbrengst van de woning





4.9.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man in staat moet worden gesteld om na de beëindiging van de samenwoning van partijen een nieuwe woning voor zichzelf te verkrijgen. De voorzieningenrechter neemt hierbij de hoge leeftijd van de man in aanmerking. Het is geen gemakkelijke opgave om een passende woning te vinden, gelet op de huidige huizenmarkt. Hierbij speelt eveneens een rol dat de vrouw het vertrouwen dat zij zou meewerken aan de verkoop van de woning en aan een overbruggingshypotheek meerdere malen heeft beschaamd door terug te komen op eerdere toezeggingen, hetgeen de vrouw niet heeft weersproken. De man lijkt door dit alles nu in de problemen te geraken. De vrouw stelt een vorderingsrecht jegens de man te hebben, maar maakt die, ook na gemotiveerde betwisting door de man, niet inzichtelijk. Er is niet duidelijk gemaakt welke wettelijke grondslag zij stelt te hebben voor een vordering op de eenvoudige gemeenschap, waar het in casu om gaat. De vrouw heeft in het geheel geen rechtsgrond aangevoerd en evenmin heeft zij haar gestelde vordering feitelijk aannemelijk gemaakt, terwijl de man bij brief 11 mei 2026 stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat er geen sprake is van privé rekeningen van partijen, waar zijn pensioen uit blijkt en waar inzage is gegeven in de gezamenlijke belastingaangiften van partijen.



4.10.

De voorzieningenrechter is gelet hierop van oordeel dat de door de vrouw gestelde vordering onvoldoende aannemelijk is geworden. Hierbij wordt opgemerkt dat de aard van de onderhavige kort geding procedure zich niet leent voor een diepgravend onderzoek.
De voorzieningenrechter zal gezien het vorenstaande de man in staat stellen om te kunnen beschikken over de helft van de overwaarde van de woning na verkoop. Daarnaast wordt de vordering ten aanzien van de overbruggingshypotheek toegewezen, zodat de man zijn nieuwe appartement ook zou kunnen financieren door middel van een overbruggingshypotheek, voor het geval de gezamenlijke woning niet wordt verkocht.




De standpunten ten aanzien van het executoriaal beslag





4.11.
Ten aanzien van de vordering van de vrouw tot opheffing van het beslag heeft de man nadrukkelijk weersproken dat dit rauwelijks is gelegd. Voor het beslag werd gelegd was er nog geen enkele betaling door de vrouw gedaan. Slechts daags voor de zitting is contact opgenomen met de man over het opheffen van het beslag en werd gesteld dat de volledige lasten zouden zijn voldaan, hetgeen niet het geval is. De man begrijpt niet waarom de vrouw zich niet houdt aan het kort geding vonnis en stelt dat de hoofdsom waarvoor beslag is gelegd duidelijk uit het vonnis blijkt; te weten vanaf 1 december 2025 is de vrouw gehouden een bedrag van € 946,= per maand te betalen. Hij komt in financiële nood, omdat de vrouw de uitspraak niet nakomt. Nu hij niet de garantie heeft dat de vrouw bij opheffing van het beslag haar verplichtingen jegens hem nakomt, dient het beslag in stand te blijven totdat de achterstand is ingelopen.



4.12.
De vrouw heeft aangevoerd dat haar grote bezwaar tegen het beslag is gelegen in het feit dat niet duidelijk is voor welke bedragen het beslag exact gelegd is en wat de vrouw te weinig heeft betaald. Daarnaast is de vrouw van mening dat de man ook zonder het executoriaal beslag in staat is om de huur van zijn huidige woning en de helft van de lasten van de gezamenlijke woning te betalen.



De beoordeling ten aanzien van het executoriaal beslag





4.13.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw gehouden is het bedrag te betalen conform het vonnis van 11 maart 2026 en conform de overeenstemming tussen partijen, zoals vorenstaand genoemd onder 4.3. Niet gebleken is dat dit beslag onrechtmatig is gelegd, noch dat genoemd vonnis daarover onvoldoende duidelijkheid biedt voor de beslagene. Zodra de vrouw het bedrag heeft betaald waartoe zij gehouden is, kan het beslag vervallen. De voorzieningenrechter ziet op dit moment evenwel geen aanleiding om het beslag op voorhand al op te heffen en zal de vordering van de vrouw op dit punt daarom afwijzen.



Conclusie





4.14.
De man heeft bij akte houdende eiswijziging, ingediend op 6 mei 2026, zijn vorderingen gewijzigd ten opzichte van de inleidende dagvaarding en de eisvermeerdering bij brief van 25 februari 2026. De vrouw heeft bij akte houdende vermeerdering/wijziging van eis, tevens akte overlegging producties, ingediend op 11 mei 2026, haar vorderingen gewijzigd en aangevuld ten opzichte van haar dagvaarding in verzet. Hetgeen vorenstaand is overwogen over de punten waarover partijen overeenstemming hebben bereikt en waarover de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, brengt resumerend het navolgende met zich.



4.15.
De akte houdende eiswijziging zijdens de man:



Primair


- de vordering onder i wordt afgewezen, gezien de overeenstemming die partijen op dit punt hebben bereikt;

- de vordering onder ii wordt afgewezen, gelet op de overeenstemming die partijen op dit punt hebben bereikt en gezien de toelichting namens de vrouw ter zitting dat de sloten niet zijn vervangen en de man en de makelaar de woning kunnen betreden met de oorspronkelijke sleutel die de man reeds in zijn bezit heeft;

- de vordering onder iii wordt afgewezen, gezien de overeenstemming die partijen op dit punt hebben bereikt;

- de vordering onder iv wordt deels toegewezen, gezien de overeenstemming die partijen op dit punt hebben bereikt. De vrouw wordt veroordeeld met ingang van 1 december 2025 tot en met 18 mei 2026 aan de man te betalen een bedrag van € 1.069,64 per maand. Met ingang van 19 mei 2026 tot en met de datum van levering van de woning aan een derde zullen partijen bij helfte de lasten van de woning dragen, zijnde € 1.173,64 per maand;
- de vordering onder v ten aanzien van de gevorderde machtiging te gelde maken wordt afgewezen, gelet op de afspraken die partijen hebben gemaakt over de verkoop van de woning. Wel wordt bepaald dat het onderhavige vonnis in de plaats zal treden van een akte zoals bedoeld in artikel 3:300 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover het ziet op de medewerking van de vrouw aan de verkoop van de woning, de levering van de woning en de uitkering van de netto verkoopopbrengst;

- de vordering onder vi wordt deels toegewezen, in die zin dat de vrouw wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan het afsluiten van een overbruggingskrediet en haar medewerking te verlenen aan het passeren van de hypotheekakte. In de omstandigheid dat de vrouw eerder is teruggekomen op onder meer een toezegging om medewerking te verlenen aan een overbruggingshypotheek en zij zich niet onverkort heeft gehouden aan het vonnis van 11 maart 2026, wordt aanleiding gezien een dwangsom te verbinden aan de veroordeling. De dwangsom wordt in redelijkheid vastgesteld op € 1.000,= per dag en gemaximeerd op € 30.000,=.



Subsidiair


- de vorderingen onder i, ii en iii worden afgewezen, gezien de overeenstemming die partijen op dit punt hebben bereikt;

- de vordering onder iv wordt toegewezen gezien hetgeen is overwogen onder 4.9, in die zin dat de vrouw wordt veroordeeld op eerste verzoek van de notaris binnen de door de notaris genoemde termijn haar medewerking te verlenen aan het leveren van haar eigenaarsdeel aan de koper. De voorzieningenrechter ziet ook nu (mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen) aanleiding een dwangsom te verbinden aan het bevel. De dwangsom wordt in redelijkheid vastgesteld op € 1.000,= per dag en gemaximeerd op € 30.000,=. De vordering ten aanzien van de uitbetaling van de netto verkoopopbrengst bij helfte wordt eveneens toegewezen gezien hetgeen is overwogen onder 4.9.



4.16.
De akte vermeerdering/wijziging van eis, tevens akte overlegging producties zijdens de vrouw.

- de vordering in incident onder I wordt afgewezen wegens gebrek aan belang bij schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis van 11 maart 2026, nu de mondelinge behandeling in de onderhavige procedure reeds heeft plaatsgevonden en de voorzieningenrechter thans beslist over de vorderingen van partijen over en weer;

- de vordering onder II wordt afgewezen, gezien de hiervoor genoemde beslissingen van de voorzieningenrechter;

- de vordering onder III wordt afgewezen, nu deze ter zitting is ingetrokken;

- de vordering onder IV wordt afgewezen, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen.



Proceskosten





4.17.
De proceskosten zullen, gelet op de relationele aard van de procedure, tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.



Uitvoerbaarheid bij voorraad





4.18.
De voorzieningenrechter zal, gelet op de aard van de vorderingen, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd door de man. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hiertegen hoger beroep wordt ingesteld.






5De beslissing


De voorzieningenrechter:




in het incident




5.1.
wijst af de vordering;



in de hoofdzaak





in conventie en reconventie





5.2.

veroordeelt de vrouw om met ingang van 1 december 2025 tot en met 18 mei 2026 aan de man een bedrag te betalen van € 1.069,64 per maand uit hoofde van de lasten van de woning aan [adres 1] te [woonplaats] , en
veroordeelt de vrouw om met ingang van 19 mei 2026 aan de man een bedrag te betalen van € 586,82 per maand als haar aandeel in de lasten van de woning aan [adres 1] te [woonplaats] tot aan het moment waarop deze woning is verkocht en geleverd aan een derde;




5.3.
bepaalt dat deze uitspraak, voor zover die betrekking heeft op verkoop van de woning, de levering van de woning, de uitvoering daarvan en de uitkering van de netto verkoopopbrengst van de woning, in de plaats zal treden van de medewerking van de vrouw aan de notariële akte van levering in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW;



5.4.
veroordeelt de vrouw tot het verlenen van haar medewerking aan het afsluiten van een overbruggingskrediet ter grootte van € 130.000,= bij de ING Bank binnen twee dagen na betekening van het onderhavige vonnis door de deurwaarder, en dat zij al datgene doet om een spoedige afwikkeling van het noodzakelijke overbruggingskrediet te realiseren, waaronder het ondertekenen van de door de ING Bank vereiste formulieren en offerte, het verstrekken van eventueel noodzakelijke financiële gegevens en het meewerken aan het passeren van de hypotheekakte op eerste verzoek van de notaris op de door de notaris aangegeven datum dan wel hiervoor tijdig een machtiging te verstrekken, zodat de man in staat is om de door hem aangekochte woning te financieren en geleverd te krijgen, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,= per dag of ieder dagdeel waarin voornoemde medewerking niet wordt verleend met een maximum van € 30.000,=;



5.5.
beveelt de vrouw om op eerste verzoek van de notaris binnen de door de notaris genoemde termijn haar medewerking te verlenen aan het leveren van haar eigenaarsaandeel in de woning aan [adres 1] te [woonplaats] aan de koper, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,= per dag of ieder dagdeel waarin voornoemde medewerking niet wordt verleend met een maximum van € 30.000,=;



5.6.
bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst -zijnde de verkoopwaarde minus de hypotheek minus de makelaarskosten- aan partijen bij helfte wordt uitgekeerd;



5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde;



5.9.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.


Dit vonnis is gewezen door mr. Voorn, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Brouwer, griffier.