Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6230

2026-07-09 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht BRE 25/3333
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-09
Publicatiedatum
2026-07-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/3333
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

KINDER Wet hersteloperatie toeslagen. Tussenuitspraak

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.993 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda



Bestuursrecht



zaaknummer: BRE 25/3333 KINDER T


tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak),


en


de Dienst Toeslagen (voorheen de Belastingdienst/Toeslagen).




Procesverloop


1. Eiser heeft op 28 oktober 2008 kinderopvangtoeslag aangevraagd en ontvangen voor de opvang van zijn tweede kind. De Belastingdienst/Toeslagen heeft over de jaren 2008 en 2009 (voorschotten) kinderopvangtoeslag toegekend. De kinderopvangtoeslag is per 1 april 2009 stopgezet.



1.1.
Eiser heeft zich gemeld voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Het verzoek van eiser om compensatie is op basis van de lichte toets afgewezen.



1.2.
Met het besluit van 16 juni 2023 (kenmerk UHT-DCHA, primair besluit) heeft de Dienst Toeslagen aan eiser medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor compensatie over de toeslagjaren 2008 en 2009. In 2008 was geen sprake van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen. Over 2009 is wel vooringenomen gehandeld door stopzetting van de kinderopvangtoeslag, maar uit de latere jaaropgave blijkt dat er slechts opvang is genoten tot aan de stopzettingsdatum. Ook kan eiser over 2008 en 2009 geen aanspraak maken op toepassing van de hardheidsregeling of een Opzet/Grove schuld (O/GS)-tegemoetkoming.



1.3.
Met het bestreden besluit van 3 juni 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.



1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.5.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn echtgenote en bijgestaan door zijn gemachtigde, en mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] namens de Dienst Toeslagen.


1.7.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.




Wettelijk kader


2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt hiervan onderdeel uit.




Standpunt van eiser


3. Eiser voert in beroep aan dat hij over onvoldoende stukken beschikt en verzoekt om toezending van zijn persoonlijk dossier, het FSV-onderzoek en -dagboek, de O/GS-stukken en het volledige SAS-rapport. Volgens eiser heeft de Dienst Toeslagen hem ten onrechte als fraudeur bestempeld, gediscrimineerd en vooringenomen en onrechtmatig gehandeld. De hoogte van het recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 en 2009 is onjuist berekend en de definitieve beschikkingen zijn buiten de wettelijke termijn genomen. Volgens eiser moet zijn schade uit deze onrechtmatige daad worden vergoed door toekenning van compensatie over de toeslagjaren 2008 en 2009. Daarnaast is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, omdat niet alle bezwaargronden zijn meegenomen in de heroverweging. Ook dienen gevolgen te worden verbonden aan het niet toesturen van een vooraankondiging van het primaire besluit en de lange duur van de bezwaarprocedure.
De in het beroepschrift aangevoerde grond over de hoogte van de immateriële schade bij een integrale beoordeling heeft eiser ter zitting ingetrokken.




Beoordeling door de rechtbank


4. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht volgt dat de Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen, dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiser daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid bij de Dienst Toeslagen die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening.




Zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?




4.1.
Eiser verzoekt om toezending van zijn persoonlijk dossier, het FSV-onderzoek en -dagboek, het volledige SAS-rapport en de O/GS-stukken die ten grondslag liggen aan de vaststelling dat geen sprake is van O/GS.



4.2.
De Dienst Toeslagen stelt alle op de procedure betrekking hebbende stukken (inclusief bezwaardossier) te hebben overgelegd, die zien op de toekenning van (voorschotten) kinderopvangtoeslag en de wijzigingen die hebben plaatsgevonden over de toeslagjaren 2008 en 2009 inclusief de SAS-overzichten over die jaren.



4.3.
De rechtbank overweegt dat de Dienst Toeslagen op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehouden is om de stukken te overleggen die van belang zijn voor de beoordeling van een geschil. In dit geval dient te worden beoordeeld of eiser recht heeft op compensatie in het kader van de Wht. Het gevraagde persoonlijk dossier bestaat echter ook uit documenten die niet gaan over dit geschil. Voor het overleggen van het persoonlijk dossier vormt artikel 8:42 van de Awb geen wettelijke grondslag. Eiser kan daarom niet worden gevolgd in zijn standpunt dat het persoonlijk dossier overgelegd moet worden.



4.4.
De rechtbank ziet evenmin aanknopingspunten voor het opvragen van een volledig SAS-rapport. Het bestreden besluit ziet op de toeslagjaren 2008 en 2009. De Dienst Toeslagen stelt dat over andere jaren geen kinderopvangtoeslag is aangevraagd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hier wel sprake van is. De Dienst Toeslagen heeft daarom kunnen volstaan met overlegging van de SAS-overzichten over de jaren 2008 en 2009.



4.5.
Ook voor het opvragen van het FSV-onderzoek en -dagboek en de onderbouwende O/GS-stukken ziet de rechtbank (vooralsnog) geen aanleiding. Uit de overwegingen hierna volgen de redenen hiervoor.



Heeft de Dienst Toeslagen verzuimd een vooraankondiging te sturen van de beslissing op de aanvraag?





4.6.
Volgens eiser is ten onrechte geen vooraankondiging van de beslissing op zijn aanvraag om compensatie toegestuurd alvorens een definitieve beschikking is genomen.



4.7.
De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen op grond van artikel 6.7, eerste lid, van de Wht, zoals dit luidde ten tijde van belang, het voorlopig bedrag van de compensatie berekent en de aanvrager hierover schriftelijk informeert door middel van een vooraankondiging. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht volgt dat de verplichting om een vooraankondiging te doen alleen geldt als de Dienst Toeslagen voornemens is een compensatie toe te kennen. Per 15 juli 2023 is artikel 6.7, eerste lid, van de Wht gewijzigd, waarbij op de Dienst Toeslagen de verplichting rust om de aanvrager schriftelijk over de beslissing op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht te informeren door middel van een vooraankondiging. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze wetswijziging volgt dat de wetgever hiermee heeft beoogd om de mogelijkheid van een zienswijze door de aanvrager uit te breiden in het geval van een voorgenomen afwijzing van een aanvraag.



4.8.
In dit geval is het primaire besluit op de aanvraag van eiser genomen op 16 juni 2023, en daarmee voor 15 juli 2023, en heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag afgewezen. De Dienst Toeslagen heeft dus niet onzorgvuldig gehandeld door geen vooraankondiging te verzenden.



Heeft eiser recht op compensatie over de toeslagjaren 2008 en 2009?





4.9.
Het bestreden besluit ziet op het recht van eiser op compensatie over de toeslagjaren 2008 en 2009. Daarbij is van belang dat de herstelregelingen niet zijn bedoeld om fouten te herstellen die in het verleden bij de besluitvorming over het recht op kinderopvangtoeslag mogelijk zijn gemaakt. Het gaat bij de integrale beoordeling om de vraag of de Belastingdienst/Toeslagen over de toeslagjaren 2008 en 2009 vooringenomen heeft gehandeld of dat sprake was van hardheid van het stelsel.



4.10.
Daarnaast merkt de rechtbank op dat als de integrale beoordeling leidt tot recht op compensatie, de te vergoeden componenten van deze compensatie en de hoogte daarvan dwingendrechtelijk en forfaitair zijn bepaald. Discriminatie en een FSV-signalering zijn niet genoemd als afzonderlijke componenten en kunnen op zichzelf daarom niet leiden tot compensatie. De Dienst Toeslagen heeft ten aanzien van een FSV-signalering weliswaar gezegd dat er aanleiding kan zijn voor compensatie in het geval van een zero-tolerence-onderzoek naar fouten en/of tekortkomingen. Uit het aanwezige dossier blijkt echter niet dat in dit geval sprake was van een dergelijk onderzoek.



4.11.
Ook het overschrijden van de in artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) gestelde wettelijke termijnen voor het nemen van definitieve beschikkingen kinderopvangtoeslag maakt op zichzelf niet dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld. Deze termijnen zijn bovendien termijnen van orde.



Toeslagjaar 2008




4.12.
De rechtbank stelt met eiser vast dat de aanvraag, gegevens uit de KOI viewer en een jaaropgave over 2008 ontbreken in het dossier. Uit de wel aanwezige stukken zijn echter voldoende gegevens af te leiden. Daaruit blijkt dat eiser eind oktober 2008 kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd vanaf 1 juli 2008. Bij voorschotbeschikking van 28 november 2008 is kinderopvangtoeslag toegekend ten bedrage van € 5.464,- over de maanden juli tot en met december 2008. Bij besluit van 20 september 2011 is het recht van eiser op kinderopvangtoeslag over 2008 definitief vastgesteld op € 5.642,-. Het vastgestelde toetsingsinkomen van eiser en zijn partner bleek lager dan het eerder geschatte inkomen, waardoor eiser recht heeft op meer kinderopvangtoeslag. Hieruit volgt dat over het jaar 2008 geen sprake was van een neerwaartse bijstelling of terugvordering.



4.13.
Eisers stelling, dat mogelijk eerder recht bestond op kinderopvangtoeslag, heeft hij niet aannemelijk gemaakt en kan daarom niet worden gevolgd. Op eisers vraag naar de behandelstap op de laatste pagina van het RKT-bestand, waarin de termen ‘project KOT’, ‘iac-trigger’ en ‘actie damage macro’ worden genoemd, heeft de Dienst Toeslagen in de bezwaarfase al gereageerd. In de beschouwing is aangegeven dat een automatische continuering van de kinderopvangtoeslag voor 2009 niet is gelukt vanwege de late aanvraag en een technische storing, waardoor de toeslag handmatig voor 2009 is doorgezet. De rechtbank ziet geen aanleiding aan deze verklaring te twijfelen.



4.14.
De rechtbank is van oordeel dat de Dienst Toeslagen op basis van de aanwezige stukken heeft kunnen concluderen dat er over het jaar 2008 geen sprake is geweest van vooringenomen handelen of van hardheid van het stelsel. Ook zijn er geen aanwijzingen voor O/GS. De Dienst Toeslagen heeft daarom terecht geweigerd aan eiser compensatie toe te kennen over het toeslagjaar 2008.



Toeslagjaar 2009




4.15.
Eiser voert aan dat de kinderopvangtoeslag niet door hem is stopgezet en dat over het jaar 2009 € 7.702,- is teruggevorderd, waarvan € 1.731,- is ingevorderd. Daarnaast stelt eiser dat hij over het gehele jaar kinderopvang heeft afgenomen.



4.16.
De rechtbank stelt vast dat aan eiser een voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2009 is toegekend van € 10.269,-. De toeslag is in maandelijkse termijnen rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling uitbetaald. De Dienst Toeslagen heeft aangegeven dat op 6 mei 2009 een telefonische mutatie is doorgevoerd, waardoor de kinderopvangtoeslag per 1 april 2009 is stopgezet. Er is echter geen notitie of melding aangetroffen waaruit blijkt door wie de toeslag is stopgezet. De Dienst Toeslagen heeft daarom geconcludeerd dat eiser over het toeslagjaar 2009 vooringenomen is behandeld.



4.17.
De Dienst Toeslagen heeft in mei 2009 de voorschotbeschikking herzien naar een voorschot over de maanden januari tot en met maart 2009 van € 2.567,- voor 540 opvanguren. Aan de kinderopvanginstelling was echter al een bedrag van € 4.277,- aan voorschotten uitbetaald. De Dienst Toeslagen heeft € 1.710,- (exclusief € 21,- rente) teruggevorderd van eiser. Deze terugvordering is een direct gevolg van de stopzetting van de voorschotverlening.



4.18.
De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat eiser geen recht heeft op compensatie vanwege vooringenomen handelen omdat hij geen materiële schade heeft geleden als gevolg van de stopzetting van de toeslag. Achteraf gezien blijkt uit het door eiser in september 2010 ingediende antwoordformulier namelijk dat de herziene voorschotbeschikking qua opvangperiode en -uren juist is vastgesteld.



4.19.
De rechtbank stelt vast dat uit de bij het ingediende antwoordformulier overgelegde jaaroverzicht inderdaad blijkt dat in 2009 uitsluitend over de maanden januari tot en met maart 2009 in totaal 540 uren opvang is afgenomen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij gedurende het gehele jaar opvang heeft genoten. Zijn enkele stelling is daartoe onvoldoende.



4.20.
De stelling van de Dienst Toeslagen dat de herziene voorschotbeschikking geen materiële schade heeft veroorzaakt, kan de rechtbank zonder nadere toelichting echter niet volgen. Beoordeeld dient te worden of sprake is van schade als direct gevolg van de vooringenomen stopzetting van de kinderopvangtoeslag per 1 april 2009. Artikel 2.2 van de Wht bevat naast een bedrag voor materiële schade meer componenten ten aanzien van andersoortige schade die tot compensatie kunnen leiden.



4.21.
Vastgesteld moet worden dat de Dienst Toeslagen in het bestreden besluit niet op het voorgaande is ingegaan. Het bestreden besluit is op dit onderdeel daarom onvoldoende gemotiveerd.



4.22.
Subsidiair heeft de Dienst Toeslagen op zitting nog het standpunt ingenomen dat er, in geval er wel schade is geleden, toch geen recht bestaat op compensatie omdat sprake is van een situatie waarin evident geen recht bestond op kinderopvangtoeslag. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke grondslag daarvan artikel 2.1, tweede lid, van de Wht is. Daarin staat dat de compensatie niet wordt toegekend indien de door de aanvrager van de kinderopvangtoeslag geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. In de Memorie van Toelichting bij dit artikel is vermeld dat van ernstige onregelmatigheden sprake is als evident geen recht bestaat op kinderopvangtoeslag en dat daarvan bijvoorbeeld sprake is als uit het dossier blijkt dat het kind waarvoor de kinderopvangtoeslag is aangevraagd niet bestaat, het kind ouder is dan de geldende leeftijdsgrens, in het geheel geen opvang is genoten, of vervalste facturen en betaalbewijzen zijn aangetroffen. Zonder nadere toelichting ziet de rechtbank niet in dat in dit geval sprake is van dergelijke toerekenbare ernstige onregelmatigheden.




Conclusie en gevolgen


5. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.



5.1.
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten 'bestuurlijke lus'. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal de Dienst Toeslagen daartoe in de gelegenheid stellen. De rechtbank zal daarna beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.



5.2.
De rechtbank zal de termijn waarbinnen de Dienst Toeslagen het gebrek kan herstellen bepalen op acht weken. Als de Dienst Toeslagen hiervan geen gebruik wil maken, dan dient de Dienst Toeslagen dit binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen. Als de Dienst Toeslagen wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de Dienst Toeslagen. Daarna zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting einduitspraak doen.



5.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij op het verzoek om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn, de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.





Beslissing


De rechtbank:

- stelt de Dienst Toeslagen in de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te

herstellen binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming
van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen;

- draagt de Dienst Toeslagen op om, als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid

het gebrek te herstellen, dat binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak
aan de rechtbank mee te delen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 9 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.













griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.










Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving




Wet hersteloperatie toeslagen




Artikel 2.1, eerste lid
De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:

a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.


Artikel 2.1, tweede lid
De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn.



Artikel 2.1, vierde lid
Een aanvrager van een kinderopvangtoeslag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, komt niet in aanmerking voor compensatie van schade met betrekking tot een berekeningsjaar waarover minder dan € 1.500 aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minder dan € 1.500 is verlaagd.



Artikel 2.2
De compensatie bestaat uit:

a. een bedrag vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een kinderopvangtoeslag of het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, of de hardheid, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, vermeerderd met een bedrag voor de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering;
b. een bedrag voor een bestuurlijke boete die is opgelegd op grond van artikel 40 of 41 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor een verzuim of vergrijp betreffende de kinderopvangtoeslag;
c. een bedrag voor materiële schade;
d. een bedrag voor immateriële schade;
e. een bedrag voor invorderingskosten;
f. een bedrag voor proceskosten;
g. een rentevergoeding voor het niet uitgekeerde bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van de kinderopvangtoeslag of het beëindigen van de voorschotverlening kinderopvangtoeslag.


Artikel 2.3

1. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, is gelijk aan het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of is teruggevorderd, vermeerderd met het bedrag van de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering en verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met:
a. een nog niet betaald bedrag van de terugvordering en van de rente; of
b. een alsnog toegekende kinderopvangtoeslag of een verhoging daarvan met betrekking tot het berekeningsjaar waarop de compensatie betrekking heeft.
2. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b, is gelijk aan het bedrag van de bestuurlijke boete dat is betaald.
3. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel c, is gelijk aan de som van 25% van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, zonder de verminderingen, en 25% van het bedrag van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b.
4. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel d, is ongeacht het aantal berekeningsjaren waarop de compensatie betrekking heeft, gelijk aan € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar, met dien verstande dat het bedrag niet hoger is dan de som van de bedragen die overeenkomstig het eerste lid voor de berekeningsjaren zijn vastgesteld, zonder de verminderingen.
5. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel e, is gelijk aan de kosten die door de Dienst Toeslagen in rekening zijn gebracht en zijn betaald voor invorderingshandelingen in verband met de beschikking, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, met inbegrip van betaalde invorderingsrente.
6. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel f, is een forfaitair bedrag voor de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende en aan de belanghebbende in rekening gebrachte rechtsbijstand met betrekking tot een beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, dat is vastgesteld overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, met wegingsfactor 2, waarbij wordt aangenomen dat er geen sprake is van samenhangende zaken, verminderd met een reeds toegekende of nog te toe te kennen proceskostenvergoeding.
7. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel g, wordt berekend over het bedrag, bedoeld in het eerste lid, zonder de verminderingen, met overeenkomstige toepassing van artikel 27 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en de daarop berustende bepalingen, zoals dat artikel en die bepalingen luidden op 31 december 2025, en verminderd met rente die is vergoed op grond van een alsnog toegekende kinderopvangtoeslag of een verhoging daarvan.
8. De bedragen, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid, worden vermeerderd met 1%.
9. Het bedrag van de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade is de aanvullende werkelijke schade, bedoeld in artikel 2.1, derde lid, vermeerderd met 1%.


Artikel 2.6, eerste lid
De Dienst Toeslagen kent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.





Artikel 8.6
Beschikkingen ter zake van compensatie (…) die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn gegeven voor het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen van afdeling 2.1, 2.4, 3.1, 4.1 onderscheidenlijk 4.2, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens het artikel van afdeling 2.1, 2.4, 3.1, 4.1 of 4.2 waarin de desbetreffende herstelregeling is opgenomen.



Zie onder andere de uitspraak van de AbRS van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2990.


Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3 (herdruk), blz. 143.


Kamerstukken II 2022/23, 36 352, nr. 3, blz. 81.


Zie de uitspraak van de AbRS van 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:29026:1397.


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1961.


Artikel 2.2 en 2.3 van de Wht.


Zie onder meer de uitspraken van de AbRS van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3380 en van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:612.


Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 72.