Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6202
2026-06-09
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/448757 / JE RK 26-944
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Nadere beschikking restant voorlopige ondertoezichtstelling deels toegewezen. Spoedbeschikking niet herroepen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.860 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/448757 / JE RK 26-944
Datum uitspraak: 9 juni 2026
Nadere beschikking voorlopige ondertoezichtstelling
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats 1] .
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).
1Het nadere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de spoedbeschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 2 juni 2026, en alle daarin opgenomen en vermelde stukken.
1.2.
Op 9 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaak met gesloten deuren mondeling behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de vader;
- twee vertegenwoordigsters van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
De moeder heeft de Belgische nationaliteit. De vader en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij spoedbeschikking van 2 juni 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken, met ingang van 2 juni 2026 en tot 16 juni 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden en daar op te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
Aan de orde is de vraag of er nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn die aanleiding geven tot herroeping van de spoedbeschikking van 2 juni 2026 met ingang van heden, alsmede het resterende deel van bovengenoemd verzoek van de Raad om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen met ingang van 16 juni 2026 en tot 2 september 2026.
4De standpunten
4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. Tijdens de afrondende fase van het beschermingsonderzoek naar de opvoedsituatie van de minderjarige [minderjarige] door de Raad is er een acute situatie ontstaan doordat de moeder plotseling uit haar woning werd gezet en met [minderjarige] bij de vader is ingetrokken. Hierdoor zijn spanningen ontstaan en er waren al grote zorgen over [minderjarige] , omdat hij in zijn jonge leven al meermaals getuige en slachtoffer is geweest van huiselijk geweld tussen de ouders. De moeder heeft hierbij fors letsel opgelopen. Omwille van de veiligheid hebben de moeder en [minderjarige] langere tijd op een geheime locatie gewoond. [minderjarige] heeft zijn vader toen langere tijd niet gezien en aan de vader is een contactverbod opgelegd, dat meermaals is overtreden. Daarnaast was er eerder sprake van een ambivalente houding van beide ouders richting de hulpverlening. De Raad merkt hierover op dat de ouders weliswaar bereid zijn om zich in te zetten voor hulpverlening, maar daar niet altijd toe in staat zijn. Daarom is er volgens de Raad een gedwongen kader nodig zodat er structureel en consequent iemand naast de ouders komt te staan om er zo voor te zorgen dat [minderjarige] niet opnieuw wordt blootgesteld aan spanningen en onveiligheid en om samen met de ouders afspraken te maken over de toekomst. Verder acht de Raad het in het belang van [minderjarige] dat hij de komende tijd al rustig aan gaat wennen op zijn nieuwe school en gaat afbouwen op zijn huidige school, zodat de overstap soepel kan verlopen. Dit komt ook tegemoet aan de belangen van de ouders.
4.2.
De moeder stemt in met het verzoek van de Raad. Zij wil er alles aan doen om ervoor te zorgen dat het goed gaat met [minderjarige] en tussen de ouders. Volgens de moeder zijn er duidelijke afspraken gemaakt tussen de ouders waardoor de veiligheid in de thuissituatie nu is geborgd. Ook starten de ouders binnenkort met therapie en daarnaast wil de moeder zelf met hulpverlening aan de slag. Verder wil de moeder graag dat [minderjarige] nu al overstapt naar de basisschool in [plaats 1] vanwege de lange reistijd die er sinds de verhuizing naar [plaats 1] naar de basisschool in [plaats 2] is ontstaan. Hierdoor is het niet meer goed mogelijk voor [minderjarige] om na school met vriendjes af te spreken en slaapt hij de hele weg van school naar huis, waardoor hij ‘s avonds niet meer op tijd kan slapen. Daarnaast zijn er problemen met het vervoer. Volgens de moeder kan [minderjarige] al starten op de school in [plaats 1] en kan er een warme overdracht tussen de twee scholen plaatsvinden.
4.3.
De vader stemt in met het verzoek. Hij is zich ervan bewust dat er dingen zijn gebeurd die niet hadden mogen gebeuren en hij is heel erg blij dat hij een tweede kans krijgt. De vader vindt het positief dat de betrokkenheid vanuit de GI wordt voortgezet. Eerder waren er steeds wisselende personen bij de ouders betrokken en met hen had de vader geen vertrouwensband waardoor er conflicten in de samenwerking ontstonden en de ouders een muur optrokken. De vader is ook onder behandeling van een psycholoog om zijn verleden te verwerken. Het lijkt hem verder prettig voor [minderjarige] als [minderjarige] binnenkort al van school wisselt nu de lange reistijd naar de huidige school belastend is voor [minderjarige] en de ouders. Volgens de vader staat [minderjarige] daar voor open. De ouders zullen ervoor zorgen dat [minderjarige] rustig kan starten op zijn nieuwe school en afscheid kan nemen op zijn huidige school.
4.4.
De GI benoemt dat de situatie tussen de ouders en van [minderjarige] op dit moment rustig lijkt. De ouders communiceren goed en zij zien de voorlopige ondertoezichtstelling als een kans om zichzelf te bewijzen. Zij hebben ook aangegeven open te staan voor hulpverlening. Er zal nu op korte termijn Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling (IAG) worden opgestart. De ambulante spoedhulp ziet op dit moment nog geen aanleiding om te starten omdat er volgens hen geen sprake is van een acute noodzaak. Verder zijn er al afspraken gemaakt met de ouders, onder andere over dat [minderjarige] geen getuige meer mag zijn van agressie tussen de ouders en dat de vader gaat sporten of naar buiten gaat of dat de moeder naar haar ouders gaat of haar ouders vraagt [minderjarige] op te halen als de spanningen tussen de ouders hoog oplopen. Het contactverbod van de vader vervalt op 20 juni en binnenkort vindt er een overleg plaats met de reclassering, de forensische zorg, het GIA, Veilig Thuis en de GI. Verder benoemt de GI dat [minderjarige] op dit moment in [plaats 2] naar school gaat, waardoor er nu veel reistijd is ontstaan voor de ouders. Na de vakantie zal [minderjarige] in [plaats 1] naar school gaan, maar het is even de vraag of hij al eerder van school moet gaan wisselen nu de lange reistijd erg belastend is voor de ouders en [minderjarige] en daardoor voor spanningen zorgt.
5De nadere beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Het is de kinderrechter gebleken dat de moeder de Belgische nationaliteit heeft. Gelet hierop draagt deze zaak een internationaal karakter. Dit maakt dat de kinderrechter eerst moet beoordelen of deze rechtbank rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is op het verzoek, alvorens de rechter toekomt aan de inhoudelijke beoordeling daarvan.
5.2.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn in zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige [minderjarige] in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
5.3.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Spoedbeslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling
5.4.
Bij spoedbeschikking van 2 juni 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken, met ingang van 2 juni 2026 en tot 16 juni 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de mondelinge behandeling op 9 juni 2026 in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Naar aanleiding daarvan oordeelt de kinderrechter dat niet is gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden die maken dat de spoedbeslissing van 2 juni 2026 met ingang van heden dient te worden herroepen. Daarom wordt de spoedbeslissing niet herroepen.
Inhoudelijke beoordeling resterende deel van het verzoek
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Daarom zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van de Raad deels toewijzen en de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen, met ingang van 16 juni 2026 en tot 20 juli 2026. Het resterende deel zal worden afgewezen. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.6.
Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat [minderjarige] acuut en ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarbij neemt de kinderrechter in overweging dat er al langere tijd forse zorgen zijn over de opvoedsituatie van [minderjarige] , omdat hij in zijn jonge leven al meermaals getuige en slachtoffer is geweest van huiselijk geweld tussen de ouders, waarbij de moeder fors letsel heeft opgelopen. Omwille van de veiligheid hebben de moeder en [minderjarige] langere tijd op een geheime locatie gewoond. [minderjarige] heeft zijn vader toen langere tijd niet gezien en aan de vader is een contactverbod opgelegd, dat meermaals is overtreden. Vervolgens is er een acute situatie ontstaan doordat de moeder plotseling uit haar woning is gezet en met [minderjarige] bij de vader is ingetrokken. Dit heeft voor de nodige spanningen gezorgd.
5.7.
Inmiddels is de GI bij de ouders betrokken en zijn er veiligheidsafspraken gemaakt. Tijdens de zitting hebben beide ouders aangegeven dat zij zich willen gaan inzetten voor de benodigde hulpverlening. Zij zien in dat het anders moet en zij zien de voorlopige ondertoezichtstelling als een kans om aan zichzelf en aan de opvoedsituatie van [minderjarige] te werken. De kinderrechter vindt dit een heel positieve ontwikkeling. Deze is tegelijkertijd nog erg pril en de genoemde zorgen zijn fors. Daarom acht de kinderrechter het van belang dat de GI voorlopig nog bij de ouders en [minderjarige] betrokken blijft. Dit is ook nodig om de benodigde hulpverlening in te zetten en te monitoren en om een goede beslissing te nemen over de schoolgang van [minderjarige] . De ouders dienen de komende periode te laten zien dat zij daadwerkelijk deze kans aangrijpen en zich er volledig voor gaan en blijven inzetten om de situatie van [minderjarige] te verbeteren.
5.8.
Gezien al het voorgaande acht de kinderrechter de voortzetting van de voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk om de acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te kunnen nemen alsmede om ervoor te zorgen dat er in de komende periode beslissingen in het belang van [minderjarige] worden genomen. Het resterende deel van het hiertoe strekkende verzoek zal daarom deels worden toegewezen en wel tot 20 juli 2026. De kinderrechter gaat hiertoe over aangezien het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] op korte termijn op zitting zal worden behandeld.
5.9.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
wijst het resterende deel van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] toe met ingang van 16 juni 2026 en tot 20 juli 2026;
6.2.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 24 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.
Artikel 1:257 BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/448757 / JE RK 26-944
Datum uitspraak: 9 juni 2026
Nadere beschikking voorlopige ondertoezichtstelling
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats 1] .
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).
1Het nadere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de spoedbeschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 2 juni 2026, en alle daarin opgenomen en vermelde stukken.
1.2.
Op 9 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaak met gesloten deuren mondeling behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de vader;
- twee vertegenwoordigsters van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
De moeder heeft de Belgische nationaliteit. De vader en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij spoedbeschikking van 2 juni 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken, met ingang van 2 juni 2026 en tot 16 juni 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden en daar op te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
Aan de orde is de vraag of er nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn die aanleiding geven tot herroeping van de spoedbeschikking van 2 juni 2026 met ingang van heden, alsmede het resterende deel van bovengenoemd verzoek van de Raad om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen met ingang van 16 juni 2026 en tot 2 september 2026.
4De standpunten
4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. Tijdens de afrondende fase van het beschermingsonderzoek naar de opvoedsituatie van de minderjarige [minderjarige] door de Raad is er een acute situatie ontstaan doordat de moeder plotseling uit haar woning werd gezet en met [minderjarige] bij de vader is ingetrokken. Hierdoor zijn spanningen ontstaan en er waren al grote zorgen over [minderjarige] , omdat hij in zijn jonge leven al meermaals getuige en slachtoffer is geweest van huiselijk geweld tussen de ouders. De moeder heeft hierbij fors letsel opgelopen. Omwille van de veiligheid hebben de moeder en [minderjarige] langere tijd op een geheime locatie gewoond. [minderjarige] heeft zijn vader toen langere tijd niet gezien en aan de vader is een contactverbod opgelegd, dat meermaals is overtreden. Daarnaast was er eerder sprake van een ambivalente houding van beide ouders richting de hulpverlening. De Raad merkt hierover op dat de ouders weliswaar bereid zijn om zich in te zetten voor hulpverlening, maar daar niet altijd toe in staat zijn. Daarom is er volgens de Raad een gedwongen kader nodig zodat er structureel en consequent iemand naast de ouders komt te staan om er zo voor te zorgen dat [minderjarige] niet opnieuw wordt blootgesteld aan spanningen en onveiligheid en om samen met de ouders afspraken te maken over de toekomst. Verder acht de Raad het in het belang van [minderjarige] dat hij de komende tijd al rustig aan gaat wennen op zijn nieuwe school en gaat afbouwen op zijn huidige school, zodat de overstap soepel kan verlopen. Dit komt ook tegemoet aan de belangen van de ouders.
4.2.
De moeder stemt in met het verzoek van de Raad. Zij wil er alles aan doen om ervoor te zorgen dat het goed gaat met [minderjarige] en tussen de ouders. Volgens de moeder zijn er duidelijke afspraken gemaakt tussen de ouders waardoor de veiligheid in de thuissituatie nu is geborgd. Ook starten de ouders binnenkort met therapie en daarnaast wil de moeder zelf met hulpverlening aan de slag. Verder wil de moeder graag dat [minderjarige] nu al overstapt naar de basisschool in [plaats 1] vanwege de lange reistijd die er sinds de verhuizing naar [plaats 1] naar de basisschool in [plaats 2] is ontstaan. Hierdoor is het niet meer goed mogelijk voor [minderjarige] om na school met vriendjes af te spreken en slaapt hij de hele weg van school naar huis, waardoor hij ‘s avonds niet meer op tijd kan slapen. Daarnaast zijn er problemen met het vervoer. Volgens de moeder kan [minderjarige] al starten op de school in [plaats 1] en kan er een warme overdracht tussen de twee scholen plaatsvinden.
4.3.
De vader stemt in met het verzoek. Hij is zich ervan bewust dat er dingen zijn gebeurd die niet hadden mogen gebeuren en hij is heel erg blij dat hij een tweede kans krijgt. De vader vindt het positief dat de betrokkenheid vanuit de GI wordt voortgezet. Eerder waren er steeds wisselende personen bij de ouders betrokken en met hen had de vader geen vertrouwensband waardoor er conflicten in de samenwerking ontstonden en de ouders een muur optrokken. De vader is ook onder behandeling van een psycholoog om zijn verleden te verwerken. Het lijkt hem verder prettig voor [minderjarige] als [minderjarige] binnenkort al van school wisselt nu de lange reistijd naar de huidige school belastend is voor [minderjarige] en de ouders. Volgens de vader staat [minderjarige] daar voor open. De ouders zullen ervoor zorgen dat [minderjarige] rustig kan starten op zijn nieuwe school en afscheid kan nemen op zijn huidige school.
4.4.
De GI benoemt dat de situatie tussen de ouders en van [minderjarige] op dit moment rustig lijkt. De ouders communiceren goed en zij zien de voorlopige ondertoezichtstelling als een kans om zichzelf te bewijzen. Zij hebben ook aangegeven open te staan voor hulpverlening. Er zal nu op korte termijn Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling (IAG) worden opgestart. De ambulante spoedhulp ziet op dit moment nog geen aanleiding om te starten omdat er volgens hen geen sprake is van een acute noodzaak. Verder zijn er al afspraken gemaakt met de ouders, onder andere over dat [minderjarige] geen getuige meer mag zijn van agressie tussen de ouders en dat de vader gaat sporten of naar buiten gaat of dat de moeder naar haar ouders gaat of haar ouders vraagt [minderjarige] op te halen als de spanningen tussen de ouders hoog oplopen. Het contactverbod van de vader vervalt op 20 juni en binnenkort vindt er een overleg plaats met de reclassering, de forensische zorg, het GIA, Veilig Thuis en de GI. Verder benoemt de GI dat [minderjarige] op dit moment in [plaats 2] naar school gaat, waardoor er nu veel reistijd is ontstaan voor de ouders. Na de vakantie zal [minderjarige] in [plaats 1] naar school gaan, maar het is even de vraag of hij al eerder van school moet gaan wisselen nu de lange reistijd erg belastend is voor de ouders en [minderjarige] en daardoor voor spanningen zorgt.
5De nadere beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Het is de kinderrechter gebleken dat de moeder de Belgische nationaliteit heeft. Gelet hierop draagt deze zaak een internationaal karakter. Dit maakt dat de kinderrechter eerst moet beoordelen of deze rechtbank rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is op het verzoek, alvorens de rechter toekomt aan de inhoudelijke beoordeling daarvan.
5.2.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn in zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige [minderjarige] in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
5.3.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Spoedbeslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling
5.4.
Bij spoedbeschikking van 2 juni 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken, met ingang van 2 juni 2026 en tot 16 juni 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de mondelinge behandeling op 9 juni 2026 in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Naar aanleiding daarvan oordeelt de kinderrechter dat niet is gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden die maken dat de spoedbeslissing van 2 juni 2026 met ingang van heden dient te worden herroepen. Daarom wordt de spoedbeslissing niet herroepen.
Inhoudelijke beoordeling resterende deel van het verzoek
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Daarom zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van de Raad deels toewijzen en de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen, met ingang van 16 juni 2026 en tot 20 juli 2026. Het resterende deel zal worden afgewezen. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.6.
Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat [minderjarige] acuut en ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarbij neemt de kinderrechter in overweging dat er al langere tijd forse zorgen zijn over de opvoedsituatie van [minderjarige] , omdat hij in zijn jonge leven al meermaals getuige en slachtoffer is geweest van huiselijk geweld tussen de ouders, waarbij de moeder fors letsel heeft opgelopen. Omwille van de veiligheid hebben de moeder en [minderjarige] langere tijd op een geheime locatie gewoond. [minderjarige] heeft zijn vader toen langere tijd niet gezien en aan de vader is een contactverbod opgelegd, dat meermaals is overtreden. Vervolgens is er een acute situatie ontstaan doordat de moeder plotseling uit haar woning is gezet en met [minderjarige] bij de vader is ingetrokken. Dit heeft voor de nodige spanningen gezorgd.
5.7.
Inmiddels is de GI bij de ouders betrokken en zijn er veiligheidsafspraken gemaakt. Tijdens de zitting hebben beide ouders aangegeven dat zij zich willen gaan inzetten voor de benodigde hulpverlening. Zij zien in dat het anders moet en zij zien de voorlopige ondertoezichtstelling als een kans om aan zichzelf en aan de opvoedsituatie van [minderjarige] te werken. De kinderrechter vindt dit een heel positieve ontwikkeling. Deze is tegelijkertijd nog erg pril en de genoemde zorgen zijn fors. Daarom acht de kinderrechter het van belang dat de GI voorlopig nog bij de ouders en [minderjarige] betrokken blijft. Dit is ook nodig om de benodigde hulpverlening in te zetten en te monitoren en om een goede beslissing te nemen over de schoolgang van [minderjarige] . De ouders dienen de komende periode te laten zien dat zij daadwerkelijk deze kans aangrijpen en zich er volledig voor gaan en blijven inzetten om de situatie van [minderjarige] te verbeteren.
5.8.
Gezien al het voorgaande acht de kinderrechter de voortzetting van de voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk om de acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te kunnen nemen alsmede om ervoor te zorgen dat er in de komende periode beslissingen in het belang van [minderjarige] worden genomen. Het resterende deel van het hiertoe strekkende verzoek zal daarom deels worden toegewezen en wel tot 20 juli 2026. De kinderrechter gaat hiertoe over aangezien het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] op korte termijn op zitting zal worden behandeld.
5.9.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
wijst het resterende deel van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] toe met ingang van 16 juni 2026 en tot 20 juli 2026;
6.2.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 24 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.
Artikel 1:257 BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).