Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6173
2026-05-06
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/02/442844 HA ZA 25-669 (T)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bevoegsheidsincident afgewezen. Rechtbank mede bevoegd o.g.v. art. 1:14 BW: vestiging van gedaagde.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.338 tekens)
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/442844 / HA ZA 25-669
Vonnis in incident van 6 mei 2026
in de zaak van
[bedrijf]
,
te [plaats] (Turkije),
eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [bedrijf] ,
advocaat: mr. A. Kotan,
tegen
MIRA VERANDA EN KLUSBEDRIJF B.V.,
te Roosendaal,
gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,
hierna te noemen: Mira,
advocaat: mr. N.J.P. Vanaken.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 13 oktober 2025 met producties 1 tot en met 6;
de beslagstukken;
de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot
onbevoegdverklaring met producties 1 tot en met 7;
- de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2Het geschil in het incident
2.1.
Mira vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Mira is statutair gevestigd te Vlaardingen. [bedrijf] heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd waarom deze rechtbank bevoegd is. Het enkele bestaan van een bezoekadres of vestiging is onvoldoende om bevoegdheid op grond van artikel 1:14 Burgerlijk Wetboek (BW) aan te nemen.
2.2.
[bedrijf] concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van Mira in de kosten. Mira heeft haar vestiging in Roosendaal van waaruit haar bedrijfsactiviteiten feitelijk worden uitgeoefend. De onderhavige rechtsverhouding heeft uitsluitend betrekking op deze vestiging.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3De beoordeling in het incident
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, en licht dit hierna toe.
3.2.
Op grond van artikel 99 lid 1 Rv is in beginsel de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd, tenzij de wet anders bepaalt. De woonplaats dient te worden bepaald aan de hand van de artikel 1:10 tot en met 1:15 BW. Op grond van artikel 1:10 lid 2 BW heeft een rechtspersoon zijn woonplaats ter plaats waar hij volgens wettelijk voorschrift of volgens zijn statuten of reglementen zijn zetel heeft. Blijkens het door [bedrijf] , als productie 1 bij dagvaarding en het door [persoon] , als productie 1, overgelegde uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, heeft Mira haar statutaire zetel in Vlaardingen. De rechtbank in Rotterdam is derhalve bevoegd om van de onderhavige vordering kennis te nemen.
3.3.
Een rechtspersoon kan echter meer dan één woonplaats hebben, aangezien in het voornoemde artikel is bepaald dat een persoon die een kantoor of een filiaal houdt ten aanzien van de aangelegenheden die dit kantoor of dit filiaal betreffen mede aldaar woonplaats heeft.
3.4.
Het uittreksel van Handelsregister dat [bedrijf] heeft overgelegd is op 23 september 2025 vervaardigd. Daaruit blijkt dat Mira één vestiging heeft en dat het bezoekadres van deze vestiging in Roosendaal ligt. [bedrijf] heeft in haar conclusie nader toegelicht dat de vordering verband houdt met de activiteiten die vanuit deze vestiging zijn verricht.
Op grond van artikel 1:14 BW is de woonplaats van [bedrijf] daarom mede Roosendaal. De rechtbank te Breda is daarom mede bevoegd om van de vordering van [bedrijf] kennis te nemen.
3.5.
De incidentele vordering zal dus worden afgewezen en Mira zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). Deze worden aan de zijde van [bedrijf] begroot op:
- salaris advocaat € 653,00 (1 punt × tarief II)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 842,00
4De beslissing
De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst de vordering af,
4.2.
veroordeelt Mira in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Mira niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
4.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
4.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 mei 2026 voor beraad rolrechter voor bepalen van een mondelinge behandeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hartman en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/442844 / HA ZA 25-669
Vonnis in incident van 6 mei 2026
in de zaak van
[bedrijf]
,
te [plaats] (Turkije),
eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [bedrijf] ,
advocaat: mr. A. Kotan,
tegen
MIRA VERANDA EN KLUSBEDRIJF B.V.,
te Roosendaal,
gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,
hierna te noemen: Mira,
advocaat: mr. N.J.P. Vanaken.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 13 oktober 2025 met producties 1 tot en met 6;
de beslagstukken;
de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot
onbevoegdverklaring met producties 1 tot en met 7;
- de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2Het geschil in het incident
2.1.
Mira vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Mira is statutair gevestigd te Vlaardingen. [bedrijf] heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd waarom deze rechtbank bevoegd is. Het enkele bestaan van een bezoekadres of vestiging is onvoldoende om bevoegdheid op grond van artikel 1:14 Burgerlijk Wetboek (BW) aan te nemen.
2.2.
[bedrijf] concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van Mira in de kosten. Mira heeft haar vestiging in Roosendaal van waaruit haar bedrijfsactiviteiten feitelijk worden uitgeoefend. De onderhavige rechtsverhouding heeft uitsluitend betrekking op deze vestiging.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3De beoordeling in het incident
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, en licht dit hierna toe.
3.2.
Op grond van artikel 99 lid 1 Rv is in beginsel de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd, tenzij de wet anders bepaalt. De woonplaats dient te worden bepaald aan de hand van de artikel 1:10 tot en met 1:15 BW. Op grond van artikel 1:10 lid 2 BW heeft een rechtspersoon zijn woonplaats ter plaats waar hij volgens wettelijk voorschrift of volgens zijn statuten of reglementen zijn zetel heeft. Blijkens het door [bedrijf] , als productie 1 bij dagvaarding en het door [persoon] , als productie 1, overgelegde uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, heeft Mira haar statutaire zetel in Vlaardingen. De rechtbank in Rotterdam is derhalve bevoegd om van de onderhavige vordering kennis te nemen.
3.3.
Een rechtspersoon kan echter meer dan één woonplaats hebben, aangezien in het voornoemde artikel is bepaald dat een persoon die een kantoor of een filiaal houdt ten aanzien van de aangelegenheden die dit kantoor of dit filiaal betreffen mede aldaar woonplaats heeft.
3.4.
Het uittreksel van Handelsregister dat [bedrijf] heeft overgelegd is op 23 september 2025 vervaardigd. Daaruit blijkt dat Mira één vestiging heeft en dat het bezoekadres van deze vestiging in Roosendaal ligt. [bedrijf] heeft in haar conclusie nader toegelicht dat de vordering verband houdt met de activiteiten die vanuit deze vestiging zijn verricht.
Op grond van artikel 1:14 BW is de woonplaats van [bedrijf] daarom mede Roosendaal. De rechtbank te Breda is daarom mede bevoegd om van de vordering van [bedrijf] kennis te nemen.
3.5.
De incidentele vordering zal dus worden afgewezen en Mira zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). Deze worden aan de zijde van [bedrijf] begroot op:
- salaris advocaat € 653,00 (1 punt × tarief II)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 842,00
4De beslissing
De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst de vordering af,
4.2.
veroordeelt Mira in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Mira niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
4.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
4.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 mei 2026 voor beraad rolrechter voor bepalen van een mondelinge behandeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hartman en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.