Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6158
2026-07-09
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
BRE 25/5018
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om terug te komen op de eerdere beëindiging van haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De rechtbank beoordeelt of het UWV op goede gronden de afwijzing van de aanvraag in stand heeft gelaten. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd heeft besloten dat er bij de aanvraag van eiseres geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het UWV moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. Beroep gegrond.
Citeert (5)
- ECLI:NL:CRVB:2015:1 Centrale Raad van Beroep 14-01-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:2 Centrale Raad van Beroep 14-01-2015
- ECLI:NL:CRVB:2016:4872 Centrale Raad van Beroep 20-12-2016
- ECLI:NL:CRVB:2021:2431 Centrale Raad van Beroep 29-09-2021
- ECLI:NL:CRVB:2022:568 Centrale Raad van Beroep 16-02-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.473 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5018
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
gemachtigde: mr. P.J. van der Meulen,
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om terug te komen op de eerdere beëindiging van haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV op goede gronden de afwijzing van de aanvraag in stand heeft gelaten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd heeft besloten dat er bij de aanvraag van eiseres geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het UWV moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 29 september 2023 een aanvraag ingediend voor toekenning van een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag bij besluit van 13 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het UWV de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar begeleidster [persoon] . Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde] .
2.3.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres raakt op 17 augustus 2008 betrokken bij een motorongeluk met haar toenmalige partner. Zij breekt hierbij haar bekken en haar schaambeen en zij is vanaf het ongeval ziek. Per einde wachttijd is aan eiseres, vanaf 16 augustus 2010 tot en met 15 februari 2012, een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op basis van 49% arbeidsongeschiktheid. Aansluitend aan deze periode kent het UWV aan eiseres met ingang van 16 februari 2012 een WGA-vervolguitkering toe op basis van arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55%. Bij besluit van 12 januari 2012 heeft het UWV de WGA-vervolguitkering met ingang van 13 maart 2012 beëindigd, omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
In de aanvraag van 29 september 2023 wijst eiseres 26 september 2018 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag aan. Het UWV heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres volgens het UWV de wachttijd niet (volledig) heeft doorlopen. In het bestreden besluit laat het UWV deze afwijzingsgrond in stand en ook vindt het UWV dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.
Omvang van het geding
4. De rechtbank beoordeelt of het UWV op goede gronden in het bestreden besluit de afwijzing van de op 29 september 2023 ingediende aanvraag in stand heeft gelaten. Dat doet de rechtbank onder meer op basis van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden.
Standpunten van partijen
5. Eiseres voert in beroep aan dat zij – primair – wenst dat het UWV terugkomt op het besluit van 12 januari 2012. Subsidiair doet eiseres een beroep op de zogenaamde duuraanspraken-rechtspraak. Volgens eiseres heeft het UWV in 2012 niet al haar klachten onderkend, heeft zij na het ongeval nooit meer volledig gewerkt en het werken ging altijd gepaard met veel uitval. Een neuroloog heeft in 2019 vastgesteld dat eiseres lijdt aan het postcommotioneel syndroom dan wel niet aangeboren hersenletsel (NAH) en er zijn tekenen van een Posttraumatische stressstoornis (PTSS) en angst- en persoonlijkheidsproblematiek. Eiseres stelt dat een en ander waarschijnlijk op de gevolgen het motorongeluk terug te voeren is. De verzekeringsarts heeft niet onderkend dat de psychosomatische klachten van eiseres deels verklaard kunnen worden als een ventilerend mechanisme dat ervoor zorgt dat de affectregulatie voldoende blijft en dat decompensatie wordt voorkomen. Zo zou het UWV meer beperkingen aan dienen te nemen ter zake de PTSS-klachten. Ook voert eiseres aan dat de Borderline-problematiek onvoldoende aan de orde is gekomen en dat er geen aandacht is besteed aan het BRAIN-ReADAPT-effect bij ouder wordende mensen met NAH. Eiseres blijft bij de gestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag, zij verzoekt de rechtbank om een deskundige te benoemen en ook om haar een immateriële schadevergoeding toe te kennen voor het overschrijden van de redelijke termijn.
5.1.
Het UWV stelt – onder verwijzing naar de rapportage van de verzekeringsarts b&b van 15 april 2026 – dat eiseres geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd. De PTSS- en psychische klachten zijn destijds door de verzekeringsarts meegewogen en de verzekeringsarts heeft bij het psychisch onderzoek tijdens het spreekuur op
29 november 2011 geen aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek gezien. Ook een beroep op de aangehaalde duuraanspraken-rechtspraak en de overige klachten dient volgens het UWV afgewezen te worden. Eiseres heeft verder niet voldaan aan de op haar rustende plicht om de gestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag aannemelijk te maken. Ter zake de gevorderde immateriële schadevergoeding wijst het UWV erop dat een deel van de vertraging aan eiseres te wijten is.
Overwegingen van de rechtbank
6. De rechtbank stelt vast dat eiseres tegen het besluit van 12 januari 2012 geen rechtsmiddel heeft aangewend en dat dit besluit formele rechtskracht heeft. Partijen zijn het er verder over eens dat de aanvraag van eiseres van 29 september 2023 geen betrekking heeft op artikel 57, eerste lid, sub b, onder 1º, van de Wet WIA, omdat de aanvraag niet aan de in dat artikel gestelde eisen voldoet.
6.1.
Eiseres vordert dat het UWV terugkomt op het besluit van 12 januari 2012 en voert aan dat de aanvraag van 29 september 2023 als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden beschouwd. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft ter zake een aanvraag – voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering – overwogen dat de aanvraag naar zijn strekking moet worden beoordeeld. Met een aanvraag kan onder meer worden bedoeld dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van de Awb).
Als in een zaak niet (geheel) duidelijk is wat er met een aanvraag wordt bedoeld, dan ligt het op de weg van het UWV daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen. Het onderscheid wat eiseres met de aanvraag heeft willen bereiken, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het UWV en de toetsing van het bestreden besluit op die aanvraag door de bestuursrechter. Het UWV heeft in beroep aangegeven dat pas in bezwaar duidelijk is geworden dat eiseres met de aanvraag uit 2023 beoogde om het UWV te verzoeken om terug te komen op het besluit van 12 januari 2012, maar dat men in bezwaar geen nadere informatie heeft ingewonnen.
6.2.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB toetst de bestuursrechter, als een bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel het door het bestuursorgaan gevoerde beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Op eiseres rust de plicht om de nieuwe feiten en omstandigheden aannemelijk te maken.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres de nieuwe feiten en omstandigheden niet bij de aanvraag aannemelijk gemaakt, maar wel in de rest van de procedure. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er na de aanvraag diverse medische informatie over de periode van 2008 tot en met 2023 van meerdere behandelaren (onder andere de psycholoog, de revalidatiearts, de neuroloog en de psychiater) aan de aanvraag is toegevoegd. In bezwaar heeft eiseres nog een psychologisch rapport uit 2021 ingebracht en in beroep verwijst zij naar een rapportage van GGZ van 1 november 2025. De rechtbank leidt uit het dossier af dat eiseres al vanaf haar jeugd kampt met persoonlijkheidsproblematiek en dat medio 2014-2015 een Borderlinepersoonlijkheidsstoornis is vastgesteld. In 2019 heeft de neuroloog bovendien een postcommotioneel syndroom vastgesteld als gevolg van de persisterende cognitieve klachten na het motorongeluk.
De rechtbank leidt uit de rapportage van GGZ van 1 november 2025 af dat werken voor eiseres het coping mechanisme is geweest. Het motorongeval en de gevolgen hiervan voor eiseres – in het bijzonder de samenloop van haar klachten (zowel de cognitieve klachten als de klachten ter zake de persoonlijkheidsproblematiek) – hebben dat doorkruist. Zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts b&b hebben dat naar het oordeel van de rechtbank de hiervoor aangehaalde informatie en rapportages in onvoldoende mate bij de oordeelsvorming betrokken. Daarmee staat voor de rechtbank niet vast dat het UWV zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Los daarvan heeft het UWV in beroep aangegeven dat de beoordeling in bezwaar onvolledig is geweest. De beroepsgrond van eiseres slaagt. De rechtbank komt niet meer toe aan de beoordeling van de overige beroepsgronden.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep van eiseres is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het UWV dient een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiseres te nemen. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de beoordeling door de verzekeringsarts b&b marginaal is, voor zover de beoordeling ziet op de psychische en traumaklachten van eiseres. Van beide typen klachten is bekend dat deze in omvang zeer kunnen verschillen op basis van de mate van het trauma en de invloed van de persoonlijkheidsstoornis. De verzekeringsarts b&b heeft dat onvoldoende onderkend. Het UWV moet de hiervoor aangehaalde gebreken herstellen en de aanvraag van eiseres opnieuw beoordelen. De rechtbank acht het daarbij van groot belang dat de verzekeringsarts b&b ofwel de behandelend specialisten van eiseres (neuroloog en psychiater) benadert dan wel een extern expertiseonderzoek laat verrichten. Dit in het kader van de beoordeling of de belastbaarheid van eiseres per 13 maart 2012 toch anders vastgesteld had dienen te worden en om te beoordelen of het redelijk is om aan het besluit van 12 januari 2012 vast te houden voor de toekomst.
Voor zover uit de hiervoor aangehaalde beoordeling volgt dat per 13 maart 2012 toch een andere belastbaarheid aangenomen had moeten worden, dient het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw vast te stellen. Een eventuele uitkering dient in te gaan per 29 september 2023. De rechtbank is van oordeel dat eiseres de gestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdatum onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.
7.1.
De rechtbank ziet geen reden om zelf een beslissing over de aanvraag te nemen of om het UWV in de gelegenheid te stellen de aangegeven gebreken te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). De reden hiervan is erin gelegen dat het UWV voor het nemen van een nieuw besluit eerst informatie moet inwinnen en bovendien moet mogelijk ook nog een arbeidskundig onderzoek worden verricht. Het is dan efficiënter als het UWV een en ander zelf oppakt.
7.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft UWV hiervoor vier maanden.
7.3.
Eiseres heeft aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en zij heeft in verband daarmee verzocht een immateriële schadevergoeding toe te kennen. Het is vaste rechtspraak dat als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit is behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. De termijn vangt aan op het moment dat het UWV het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment van deze uitspraak.
7.4.
Het bezwaarschrift tegen het besluit van 13 maart 2024 is op 19 april 2024 door het UWV ontvangen. Dit betekent dat de termijn van twee jaar op 19 april 2026 eindigde en dat de redelijke termijn is overschreden. Bij de beoordeling in welke mate de redelijke termijn is overschreden, moet worden uitgegaan van de datum van deze uitspraak. Vanwege de na 19 april 2026 verstreken tijd tot aan de uitspraak (bijna drie maanden), heeft eiseres recht op een schadevergoeding van € 500,00. De overschrijding van de redelijke termijn wordt – gelet op de duur van de bezwaarfase van in totaal zestien maanden – aan het UWV toegerekend. Het aandeel van eiseres bij de behandelduur in bezwaar valt naar het oordeel van de rechtbank weg tegen de door het UWV zelf veroorzaakte vertraging. Bovendien leidt een en ander ook niet tot een hogere schadevergoeding.
7.5.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,00 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 18 augustus 2025;
- draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt het UWV tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 500,00;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,00 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan op 9 juli 2026 door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:6:
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Bijvoorbeeld CRvB 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1 en ECLI:NL:CRVB:2015:2.
CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872.
Bijvoorbeeld CRvB 29 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2431.
Bijvoorbeeld CRvB 16 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:568.
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5018
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
gemachtigde: mr. P.J. van der Meulen,
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om terug te komen op de eerdere beëindiging van haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV op goede gronden de afwijzing van de aanvraag in stand heeft gelaten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd heeft besloten dat er bij de aanvraag van eiseres geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het UWV moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 29 september 2023 een aanvraag ingediend voor toekenning van een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag bij besluit van 13 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het UWV de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar begeleidster [persoon] . Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde] .
2.3.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres raakt op 17 augustus 2008 betrokken bij een motorongeluk met haar toenmalige partner. Zij breekt hierbij haar bekken en haar schaambeen en zij is vanaf het ongeval ziek. Per einde wachttijd is aan eiseres, vanaf 16 augustus 2010 tot en met 15 februari 2012, een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op basis van 49% arbeidsongeschiktheid. Aansluitend aan deze periode kent het UWV aan eiseres met ingang van 16 februari 2012 een WGA-vervolguitkering toe op basis van arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55%. Bij besluit van 12 januari 2012 heeft het UWV de WGA-vervolguitkering met ingang van 13 maart 2012 beëindigd, omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
In de aanvraag van 29 september 2023 wijst eiseres 26 september 2018 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag aan. Het UWV heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres volgens het UWV de wachttijd niet (volledig) heeft doorlopen. In het bestreden besluit laat het UWV deze afwijzingsgrond in stand en ook vindt het UWV dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.
Omvang van het geding
4. De rechtbank beoordeelt of het UWV op goede gronden in het bestreden besluit de afwijzing van de op 29 september 2023 ingediende aanvraag in stand heeft gelaten. Dat doet de rechtbank onder meer op basis van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden.
Standpunten van partijen
5. Eiseres voert in beroep aan dat zij – primair – wenst dat het UWV terugkomt op het besluit van 12 januari 2012. Subsidiair doet eiseres een beroep op de zogenaamde duuraanspraken-rechtspraak. Volgens eiseres heeft het UWV in 2012 niet al haar klachten onderkend, heeft zij na het ongeval nooit meer volledig gewerkt en het werken ging altijd gepaard met veel uitval. Een neuroloog heeft in 2019 vastgesteld dat eiseres lijdt aan het postcommotioneel syndroom dan wel niet aangeboren hersenletsel (NAH) en er zijn tekenen van een Posttraumatische stressstoornis (PTSS) en angst- en persoonlijkheidsproblematiek. Eiseres stelt dat een en ander waarschijnlijk op de gevolgen het motorongeluk terug te voeren is. De verzekeringsarts heeft niet onderkend dat de psychosomatische klachten van eiseres deels verklaard kunnen worden als een ventilerend mechanisme dat ervoor zorgt dat de affectregulatie voldoende blijft en dat decompensatie wordt voorkomen. Zo zou het UWV meer beperkingen aan dienen te nemen ter zake de PTSS-klachten. Ook voert eiseres aan dat de Borderline-problematiek onvoldoende aan de orde is gekomen en dat er geen aandacht is besteed aan het BRAIN-ReADAPT-effect bij ouder wordende mensen met NAH. Eiseres blijft bij de gestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag, zij verzoekt de rechtbank om een deskundige te benoemen en ook om haar een immateriële schadevergoeding toe te kennen voor het overschrijden van de redelijke termijn.
5.1.
Het UWV stelt – onder verwijzing naar de rapportage van de verzekeringsarts b&b van 15 april 2026 – dat eiseres geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd. De PTSS- en psychische klachten zijn destijds door de verzekeringsarts meegewogen en de verzekeringsarts heeft bij het psychisch onderzoek tijdens het spreekuur op
29 november 2011 geen aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek gezien. Ook een beroep op de aangehaalde duuraanspraken-rechtspraak en de overige klachten dient volgens het UWV afgewezen te worden. Eiseres heeft verder niet voldaan aan de op haar rustende plicht om de gestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag aannemelijk te maken. Ter zake de gevorderde immateriële schadevergoeding wijst het UWV erop dat een deel van de vertraging aan eiseres te wijten is.
Overwegingen van de rechtbank
6. De rechtbank stelt vast dat eiseres tegen het besluit van 12 januari 2012 geen rechtsmiddel heeft aangewend en dat dit besluit formele rechtskracht heeft. Partijen zijn het er verder over eens dat de aanvraag van eiseres van 29 september 2023 geen betrekking heeft op artikel 57, eerste lid, sub b, onder 1º, van de Wet WIA, omdat de aanvraag niet aan de in dat artikel gestelde eisen voldoet.
6.1.
Eiseres vordert dat het UWV terugkomt op het besluit van 12 januari 2012 en voert aan dat de aanvraag van 29 september 2023 als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden beschouwd. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft ter zake een aanvraag – voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering – overwogen dat de aanvraag naar zijn strekking moet worden beoordeeld. Met een aanvraag kan onder meer worden bedoeld dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van de Awb).
Als in een zaak niet (geheel) duidelijk is wat er met een aanvraag wordt bedoeld, dan ligt het op de weg van het UWV daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen. Het onderscheid wat eiseres met de aanvraag heeft willen bereiken, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het UWV en de toetsing van het bestreden besluit op die aanvraag door de bestuursrechter. Het UWV heeft in beroep aangegeven dat pas in bezwaar duidelijk is geworden dat eiseres met de aanvraag uit 2023 beoogde om het UWV te verzoeken om terug te komen op het besluit van 12 januari 2012, maar dat men in bezwaar geen nadere informatie heeft ingewonnen.
6.2.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB toetst de bestuursrechter, als een bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel het door het bestuursorgaan gevoerde beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Op eiseres rust de plicht om de nieuwe feiten en omstandigheden aannemelijk te maken.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres de nieuwe feiten en omstandigheden niet bij de aanvraag aannemelijk gemaakt, maar wel in de rest van de procedure. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er na de aanvraag diverse medische informatie over de periode van 2008 tot en met 2023 van meerdere behandelaren (onder andere de psycholoog, de revalidatiearts, de neuroloog en de psychiater) aan de aanvraag is toegevoegd. In bezwaar heeft eiseres nog een psychologisch rapport uit 2021 ingebracht en in beroep verwijst zij naar een rapportage van GGZ van 1 november 2025. De rechtbank leidt uit het dossier af dat eiseres al vanaf haar jeugd kampt met persoonlijkheidsproblematiek en dat medio 2014-2015 een Borderlinepersoonlijkheidsstoornis is vastgesteld. In 2019 heeft de neuroloog bovendien een postcommotioneel syndroom vastgesteld als gevolg van de persisterende cognitieve klachten na het motorongeluk.
De rechtbank leidt uit de rapportage van GGZ van 1 november 2025 af dat werken voor eiseres het coping mechanisme is geweest. Het motorongeval en de gevolgen hiervan voor eiseres – in het bijzonder de samenloop van haar klachten (zowel de cognitieve klachten als de klachten ter zake de persoonlijkheidsproblematiek) – hebben dat doorkruist. Zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts b&b hebben dat naar het oordeel van de rechtbank de hiervoor aangehaalde informatie en rapportages in onvoldoende mate bij de oordeelsvorming betrokken. Daarmee staat voor de rechtbank niet vast dat het UWV zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Los daarvan heeft het UWV in beroep aangegeven dat de beoordeling in bezwaar onvolledig is geweest. De beroepsgrond van eiseres slaagt. De rechtbank komt niet meer toe aan de beoordeling van de overige beroepsgronden.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep van eiseres is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het UWV dient een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiseres te nemen. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de beoordeling door de verzekeringsarts b&b marginaal is, voor zover de beoordeling ziet op de psychische en traumaklachten van eiseres. Van beide typen klachten is bekend dat deze in omvang zeer kunnen verschillen op basis van de mate van het trauma en de invloed van de persoonlijkheidsstoornis. De verzekeringsarts b&b heeft dat onvoldoende onderkend. Het UWV moet de hiervoor aangehaalde gebreken herstellen en de aanvraag van eiseres opnieuw beoordelen. De rechtbank acht het daarbij van groot belang dat de verzekeringsarts b&b ofwel de behandelend specialisten van eiseres (neuroloog en psychiater) benadert dan wel een extern expertiseonderzoek laat verrichten. Dit in het kader van de beoordeling of de belastbaarheid van eiseres per 13 maart 2012 toch anders vastgesteld had dienen te worden en om te beoordelen of het redelijk is om aan het besluit van 12 januari 2012 vast te houden voor de toekomst.
Voor zover uit de hiervoor aangehaalde beoordeling volgt dat per 13 maart 2012 toch een andere belastbaarheid aangenomen had moeten worden, dient het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw vast te stellen. Een eventuele uitkering dient in te gaan per 29 september 2023. De rechtbank is van oordeel dat eiseres de gestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdatum onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.
7.1.
De rechtbank ziet geen reden om zelf een beslissing over de aanvraag te nemen of om het UWV in de gelegenheid te stellen de aangegeven gebreken te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). De reden hiervan is erin gelegen dat het UWV voor het nemen van een nieuw besluit eerst informatie moet inwinnen en bovendien moet mogelijk ook nog een arbeidskundig onderzoek worden verricht. Het is dan efficiënter als het UWV een en ander zelf oppakt.
7.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft UWV hiervoor vier maanden.
7.3.
Eiseres heeft aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en zij heeft in verband daarmee verzocht een immateriële schadevergoeding toe te kennen. Het is vaste rechtspraak dat als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit is behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. De termijn vangt aan op het moment dat het UWV het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment van deze uitspraak.
7.4.
Het bezwaarschrift tegen het besluit van 13 maart 2024 is op 19 april 2024 door het UWV ontvangen. Dit betekent dat de termijn van twee jaar op 19 april 2026 eindigde en dat de redelijke termijn is overschreden. Bij de beoordeling in welke mate de redelijke termijn is overschreden, moet worden uitgegaan van de datum van deze uitspraak. Vanwege de na 19 april 2026 verstreken tijd tot aan de uitspraak (bijna drie maanden), heeft eiseres recht op een schadevergoeding van € 500,00. De overschrijding van de redelijke termijn wordt – gelet op de duur van de bezwaarfase van in totaal zestien maanden – aan het UWV toegerekend. Het aandeel van eiseres bij de behandelduur in bezwaar valt naar het oordeel van de rechtbank weg tegen de door het UWV zelf veroorzaakte vertraging. Bovendien leidt een en ander ook niet tot een hogere schadevergoeding.
7.5.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,00 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 18 augustus 2025;
- draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt het UWV tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 500,00;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,00 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan op 9 juli 2026 door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:6:
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Bijvoorbeeld CRvB 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1 en ECLI:NL:CRVB:2015:2.
CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872.
Bijvoorbeeld CRvB 29 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2431.
Bijvoorbeeld CRvB 16 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:568.