Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6143
2026-06-08
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/427398 FA RK 24-4661 en C/02/440666/FA RK 25-5198
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Huwelijksvermogensrecht, Engels recht, wagonstelstel, voorhuwelijks vermogen, nadere uitlating partijen over invloed Engels recht op de verzoeken.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (42.121 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummers: C/02/427398 FA RK 24-4661 en C/02/440666/FA RK 25-5198
Beschikking betreffende echtscheiding van 8 juni 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. T.J.W. Noordegraaf-Van Dijke te Tilburg,
en
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. L.N.J.B. van Osch, nu mr. J.M. Molkenboer te Tilburg.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 9 oktober 2024 ontvangen verzoekschrift met producties genummerd 1 tot en met 4;
- het op 23 december 2024 ontvangen verweerschrift houdende zelfstandig verzoek;
- het op 18 februari 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek houdende concretiserend verzoekschrift houdende producties genummerd 5 tot en met 35;
- het op 14 april 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met producties genummerd 1 tot en met 4;
- het op 10 juni 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek houdende gewijzigd verzoek van de vrouw met producties genummerd 36 tot en met 40;
- de op 1 augustus 2025 ontvangen reactie op verweerschrift op zelfstandig verzoek met producties 1 tot en met 3;
- de op 1 oktober 2025 ontvangen reactie op de reactie op zelfstandig verzoek met productie 41;
- de brieven van mr. Molkenboer van 4 en 5 maart 2026 met producties genummerd 5 tot en met 21;
- de brief van mr. Noordegraaf-Van Dijke van 12 maart 2026 met producties genummerd 42 tot en met 51;
- de brief van mr. Molkenboer van 24 maart 2026 met producties genummerd 22 tot en met 29;
- de brief van mr. Noordegraaf- Van Dijke van 31 maart 2026 met producties genummerd 52 tot en met 59;
- de brief van de griffier van 26 maart 2026;
- de brief van mr. Molkenboer van 1 april 2026 met productie 30;
- de brief van mr. Molkenboer van 3 april 2026 met productie 31.
1.2 Na te noemen minderjarigen zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
2De feiten
2.1
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- zij zijn op [datum] 2006 te [plaats 1] (Groot-Brittannië) met elkaar gehuwd;
- uit hun huwelijk zijn de volgende kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2007;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2010;
- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2010;
- zij hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan;
- de vrouw bezit de Nederlandse nationaliteit en de man bezit de Britse nationaliteit;
- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.
3De verzoeken
3.1
De vrouw verzoekt, samengevat, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
- de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
- primair het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen bij haar te bepalen;
subsidiair te bepalen dat [minderjarige 2] hoofdverblijf heeft bij de man en [minderjarige 3] bij haar;
- een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen de ene week bij de man verblijven en de andere week bij haar;
- primair de regeling op te nemen die vermeld staat onder 'praktisch voorstel' in de brief van 31 maart 2026;
- subsidiair te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen een bedrag van € 213,= per maand per kind voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] dient te voldoen en daarbij vast te stellen dan wel te verstaan dat de man maandelijks aan [minderjarige 1] een bedrag verschuldigd is van € 473,= per maand;
- te bepalen dat als peildatum voor de omvang en samenstelling van de afwikkeling van de huwelijksvermogensrechtelijke betrekkingen 9 oktober 2024 heeft te gelden, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding;
- te bepalen dat het Engelse recht van toepassing is op de verdeling en verrekening van de huwelijksvermogensrechtelijke betrekkingen vanaf mei 2006 tot 1 augustus 2021 en te bepalen dat vanaf 1 augustus 2021 het toepasselijk recht is gewijzigd naar het Nederlandse recht;
- de verdeling dan wel de wijze van verdeling en verrekening van de huwelijksvermogensrechtelijke betrekkingen vast te stellen op de door haar aangegeven wijze.
3.2
De man verzoekt, samengevat, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
- bepaling dat de minderjarige [minderjarige 3] zijn hoofdverblijf zal hebben bij hem;
- een zorgregeling vast te stellen met als uitgangspunt dat beide partijen ieder de helft de zorg en opvoeding van de kinderen op zich nemen;
- vaststelling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen;
- primair de verdeling van de huwelijksgemeenschap naar Engels recht te bevelen op de door hem aangegeven wijze, dan wel afwikkeling van het huwelijksvermogen van partijen op de subsidiair door hem aangegeven wijze;
- de vrouw te veroordelen om de spaarrekeningen van de kinderen in gelijke delen aan te vullen met een bedrag van in totaal € 13.000,=.
4De beoordeling
De echtscheiding
4.1
De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, aangezien ten tijde van de indiening van het verzoek partijen hun gewone verblijfplaats hadden in Nederland.
4.2
De rechtbank zal op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht toepassen ingevolge artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Dit verzoek zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.
Hoofdverblijf en zorgregeling
4.3
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot de minderjarigen. De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen.
4.4
De rechtbank stelt voorop dat de beslissingen rondom het hoofdverblijf en de zorgregeling alleen gelden voor de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] omdat [minderjarige 1] sinds 6 december 2025 meerderjarig is.
4.5
Wat betreft de zorgregeling is op de zitting gebleken dat partijen het erover eens zijn dat een week-op-week-af regeling kan worden vastgesteld, waarbij de kinderen de ene week bij de man zullen verblijven en de andere week bij de vrouw. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. Omdat hierdoor feitelijk sprake is van een co-ouderschap is het bepalen van het hoofdverblijf in beginsel niet nodig. Op uitdrukkelijk verzoek van partijen zal de rechtbank hierover wel een inhoudelijke beslissing nemen.
4.6
De man verzoekt om het hoofdverblijf van [minderjarige 3] bij hem te bepalen. Volgens hem geeft dat naar de kinderen toe een positief signaal in die zin dat beide ouders er voor hen zijn en voor hen zorgen. Verder is het voor hem fiscaal interessant als één van de kinderen bij hem staat ingeschreven en blijft hij op die manier betrokken bij [minderjarige 3] omdat hij dan de post voor hem ontvangt.
4.7
De vrouw verzoekt om het hoofdverblijf van beide kinderen bij haar te bepalen. De kinderen staan op dit moment al bij haar ingeschreven. Zij ontvangt in verband daarmee de financiële en fiscale tegemoetkomingen ter zake de kinderen. Inschrijving van [minderjarige 3] bij de man levert geen financieel voordeliger situatie op. Verder ligt de zorg voor de kinderen hoofdzakelijk bij haar, ook in de weken dat de man de zorg voor de kinderen zou moeten hebben.
4.8
De rechtbank overweegt als volgt. Niet betwist is dat de zorg- en opvoedingstaken gedurende het huwelijk hoofdzakelijk bij de vrouw hebben gelegen en dat de vrouw ook nu het merendeel van de praktische zorgtaken en daarbij behorende kosten op zich neemt. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen om daarin geen verandering aan te brengen, zodat de vrouw de regie over te regelen zaken behoudt, zeker omdat gebleken is dat de kinderen meer dan gemiddeld zorg nodig hebben. Daarbij past om het hoofdverblijf van de kinderen te bepalen bij de vrouw, zodat de post en financiële toeslagen voor de kinderen bij haar terecht komen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de man het hoofdverblijf van [minderjarige 3] bij hem wenst te bepalen, is van een meer dan gevoelsmatig belang niet gebleken. Dat de man in aanmerking komt voor fiscale toeslagen in verband met inschrijving van [minderjarige 3] bij hem is door de man gesteld maar niet nader onderbouwd. Dit betekent dat het primaire verzoek van de vrouw over bepaling van het hoofdverblijf wordt toegewezen, onder afwijzing van het verzoek van de man.
Kinderalimentatie
4.9
Op het verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen is Nederlands recht van toepassing, omdat de onderhoudsgerechtigden hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
4.10
Op de zitting is gebleken dat partijen het niet eens kunnen worden over het in de brief van 31 maart 2026 opgenomen voorstel van de vrouw. Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan het subsidiaire verzoek van de vrouw.
4.11
Zoals hierboven vermeld is [minderjarige 1] inmiddels meerderjarig. In deze echtscheidingsprocedure tussen partijen kan niet om alimentatie voor hem worden verzocht. Daarvoor kan hij eventueel in een alimentatieprocedure als zelfstandige procespartij een verzoek indienen. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de door de vrouw verzochte verstaansclausule op te nemen, omdat partijen het hierover niet eens zijn. De rechtbank zal evenwel in het kader van gelijke behandeling van de kinderen [minderjarige 1] betrekken in de overwegingen rondom de kinderalimentatie. Temeer omdat voor de vaststelling van de bijdrage voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de mogelijke bijdrage voor [minderjarige 1] van belang is. Dat de man zich op het standpunt stelt dat een bijdrage voor [minderjarige 1] iets is tussen hen doet daaraan niet af.
4.12
Bij het bepalen van de behoefte van de minderjarigen aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
4.13
De door de vrouw gestelde behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] van € 602,= per maand per kind en van [minderjarige 1] ter hoogte van € 672,= is niet weersproken en staat daarmee tussen partijen vast.
4.14
Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de kinderen
becijfert de rechtbank aan de hand van het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI),
waarbij de draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals
opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
4.15
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.
4.16
De vrouw werkt als directeur-grootaandeelhouder van haar eigen vennootschap [vennootschap] BV. Zij heeft volgens de jaaropgaaf over 2025 een salaris van € 79.085,= bruto per jaar. Verder wordt rekening gehouden met een uitkering inkomensverzekering van
€ 28.799,= bruto per jaar. De rechtbank gaat aan de enkele stelling van de man dat hij het gevoel heeft dat de vrouw meer inkomen moet hebben als weersproken en niet onderbouwd voorbij. Op het inkomen van de vrouw strekt in mindering de jaarlijkse bijtelling van de auto ter hoogte van € 7.085,=.
4.17
De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premie arbeidsongeschiktheidsverzekering ter hoogte van € 2.220,= per jaar, de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet, de arbeidskorting en de door de vrouw verschuldigde inkomstenbelasting. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 4.792,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 5.240,= per maand.
4.18
De vrouw verzoekt de rechtbank rekening te houden met de door haar te betalen bijzondere ziektekosten ter hoogte van € 250,= per maand. De vrouw heeft de ziekte van Perthes met ontstekingen tot gevolg. Volgens de vrouw wordt zij in Nederland hiervoor niet verder behandeld en heeft zij noodgedwongen (operatie-) kosten in het buitenland moeten maken die in Nederland niet worden vergoed. Een nieuwe operatie met de nodige kosten komt eraan, aldus de vrouw.
4.19
De man betwist dat met de door de vrouw opgevoerde kosten rekening moet worden gehouden. De vrouw heeft deze kosten onvoldoende onderbouwd. Bovendien is zij verzekerd in Nederland zodat ervan uit kan worden gegaan dat dergelijke kosten onder deze verzekering vallen.
4.20
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een niet vermijdbare en niet verwijtbare last. Dat de vrouw genoodzaakt is geweest om zich in het buitenland te laten behandelen is niet aangetoond. Het had op de weg van de vrouw gelegen om te onderbouwen dat zij in Nederland niet langer kan worden behandeld en dat de in het buitenland gemaakte kosten niet worden vergoed door haar Nederlandse verzekering. Het overleggen van enkele nota’s is in dit verband onvoldoende. Met de door de vrouw gestelde ziektekosten houdt de rechtbank bij de vaststelling van de draagkracht van de vrouw dan ook geen rekening.
4.21
De beschikbare draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 1.612,= per maand.
4.22
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van het volgende.
4.23
De man werkt als directeur-grootaandeelhouder van in ieder geval zijn vennootschappen [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV. Volgens de man heeft hij een salaris van € 135.000,= bruto per jaar. Daarvoor verwijst hij naar de als producties 22 en 23 overgelegde jaarrekening 2024 van deze BV’s en de als productie 26 overgelegde bankafschriften over de periode januari tot en met november 2024 waaruit volgens hem blijkt van een netto inkomen van € 7.000,= per maand, omgerekend € 135.000,= bruto per jaar.
4.24
Volgens de vrouw onttrok de man in het recente verleden € 10.000,= netto per maand als salaris uit zijn ondernemingen. Dit komt overeen met circa € 200.000,= bruto per jaar. De vrouw stelt dat de man nog steeds in staat moet zijn om € 200.000,= per jaar als bruto inkomen te genereren gelet op de positieve prognose over 2026 ter hoogte van € 155.000,= per jaar. Dit volgt uit de door de man overlegde productie 3 bij de reactie op het verweerschrift op zelfstandig verzoek (van 1 augustus 2025) èn de forse winst die in de BV’s van de man wordt gemaakt zoals blijkt uit de overgelegde jaarrekeningen.
4.25
De rechtbank overweegt als volgt. De draagkracht van de man wordt bepaald aan de hand van zijn feitelijk inkomen dan wel gerelateerd aan de te verwachten beschikbare winst uit onderneming. De man heeft zonder gegronde redenen vrijwel geen stukken met betrekking tot zijn huidige en te verwachten inkomen overgelegd. Ook een draagkrachtberekening ontbreekt, alsmede inzicht in de huidige structuur en inkomensstromen binnen zijn ondernemingen. Het had op de weg van de man gelegen om de rechtbank te informeren over zijn huidige inkomen onder indiening van duidelijke bewijsstukken. Het is niet aan de rechtbank om aan de hand van een enkele verwijzing naar jaarstukken en bankafschriften een onderzoek naar het inkomen van de man te doen. Ook ter zitting heeft de man desgevraagd onvoldoende duidelijkheid gegeven over zijn inkomsten. Uit het door hem zelf opgestelde overzicht (productie 3) kan dit niet zonder meer worden afgeleid. Daarmee heeft de man, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd dat hij € 135.000,= bruto per jaar verdient dan wel kan verdienen, hetgeen voor zijn rekening en risico moet komen. De rechtbank zal daarom het door de vrouw ingenomen en gemotiveerde standpunt dat het inkomen van de man € 200.000,= bruto per jaar bedraagt als uitgangspunt nemen.
4.26
De rechtbank houdt rekening met de opgevoerde en niet betwiste premie arbeidsongeschiktheidsverzekering ter hoogte van € 5.478,=, de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en de door de man verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 8.704,= per maand.
4.27
De beschikbare draagkracht van de man is dan volgens de formule € 3.310,= per maand.
4.28
Vergelijking van voormelde berekende draagkracht van de onderhoudsplichtigen
brengt mee dat de man per maand met een deel van 67% (€ 405,= per kind voor [minderjarige 2] en
[minderjarige 3] en € 452,= voor [minderjarige 1] ) en de vrouw per maand met een deel van 33 % (€ 197,= per kind voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en € 220,= voor [minderjarige 1] ) moet bijdragen in de hiervoor vastgestelde behoefte van de kinderen.
4.29
Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 35% voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Omdat de behoefte van de minderjarigen € 602,= per kind per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 211,= per kind per maand.
4.30
Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan de vrouw moet betalen € 194,= per maand per kind. Voor de jong-meerderjarige [minderjarige 1] bestaat geen recht op zorgkorting. De bijdrage voor hem bedraagt € 452,= per maand.
4.31
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen kinderbijdrage
voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van de datum van deze beschikking vaststellen op € 194,=
per maand per kind. Het meer of anders verzochte ter zake de bijdrage voor de kinderen
wordt afgewezen. De rechtbank gaat ervan uit dat de man daarnaast een bijdrage van € 452,= per maand voor [minderjarige 1] aan hem zal voldoen.
Afwikkeling huwelijksvermogen
Internationale bevoegdheid
4.32
Omdat de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II-ter Verordening internationaal bevoegd is met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Toepasselijk recht
4.33
Omdat het huwelijk tussen 1 september 1992 en 29 januari 2019 (namelijk op [datum] 2006) is gesloten, is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing op het huwelijksvermogensrecht. In beginsel is op de verzoeken betreffende de afwikkeling van het huwelijksvermogen vanaf de huwelijksdatum Engels recht van toepassing omdat partijen vóór het huwelijk het toepasselijke recht niet hebben aangewezen (artikel 3 en 6) en zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in Engeland vestigden en zij ten tijde van de huwelijkssluiting niet dezelfde nationaliteit bezaten (artikel 4 lid 1).
4.34
Volgens artikel 7 lid 2 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 is op het huwelijksvermogensregime Nederlands recht van toepassing zodra partijen gedurende meer dan tien jaar in Nederland hun gewone verblijfplaats hebben.
4.35
In geschil is vanaf wanneer beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden.
4.36
De vrouw stelt dat zij op enig moment heimwee kreeg naar Nederland en dat het partijen beter leek om zich daar permanent te vestigen. Met dat doel kochten partijen in 2010 een woning in Nederland. De vrouw en de kinderen staan sinds augustus 2011 ingeschreven in Nederland. De kinderen gingen vanaf toen in Nederland naar school. De man is meeverhuisd maar bleef op en neer reizen vanuit Nederland naar Engeland, omdat hij in [plaats 2] zijn onderneming had en daar zijn werkzaamheden nog verrichtte. Zijn onderneming kon nog niet verkocht worden vanwege de recessie. Op 20 juli 2016 is de man ingeschreven in Nederland. Volgens de vrouw is gelet op de bedoeling en gedragingen van haar en de man het permanente centrum van hun belangen sinds augustus 2011 in Nederland komen te liggen. Dit betekent volgens haar dat vanaf de huwelijksvoltrekking op [datum] 2006 tot
1 augustus 2021 het Engelse recht van toepassing is en dat vanaf 1 augustus 2021 het toepasselijk recht automatisch is gewijzigd naar het Nederlands recht, aangezien partijen vanaf dat moment 10 jaar lang in Nederland hun gewone verblijfsplaats hebben.
4.37
Volgens de man is de bedoeling van partijen niet doorslaggevend ter bepaling van zijn gewone verblijfplaats, maar zijn daadwerkelijke vestiging in Nederland. Niet alleen stemde zijn woonplaats met het verblijf in Engeland gedurende iedere week overeen, ook had hij zijn fiscale banden met Engeland en was zijn onderneming in Engeland gevestigd. De onderneming was de financiële kurk waarop de huishouding dreef. Die onderneming was tot juli 2016 gevestigd in Engeland. Pas toen deze banden konden worden doorgesneden kon hij besluiten om zijn werkelijk verblijf en woonstede in de zin van boek 1 BW te verplaatsen
naar Nederland. Dat is op 20 juli 2016 gebeurd met zijn inschrijving in de gemeentelijke basisregistratie personen (BRP) in Nederland. Dit betekent volgens de man dat Nederlands recht dus (nog niet) niet van toepassing is, omdat de 10 jaarstermijn nog niet is verstreken.
4.38
Op de zitting is de feitelijke gang van zaken tussen partijen vanaf het vertrek van de vrouw en de kinderen naar Nederland nader besproken. Volgens de vrouw kwam de man iedere week op donderdagmiddag naar Nederland en vertrok hij maandagochtend weer naar Engeland. De vakanties werden doorgebracht in Nederland. Aanvankelijk verbleven de vrouw en de man met de kinderen bij haar ouders in verband met de verbouwing, maar in februari 2012 is de verhuizing in gang gezet naar de echtelijke woning. De man was enkel voor zijn werk in Engeland, zijn gezinsleven was in Nederland. In 2012 is de eenmanszaak [bedrijf 1] opgericht in Nederland, voor het geval het bedrijf in Engeland werd opgeheven. Stapsgewijs werden de werkzaamheden overgeheveld. De vrouw blijft bij haar standpunt dat het gaat om een gezinsverplaatsing en het de bedoeling van partijen was om zich vanaf 2011 gezamenlijk in Nederland te vestigen.
4.39
De man heeft op de zitting gezegd dat hij na het vertrek van de vrouw met de kinderen naar Nederland iedere week op vrijdag naar Nederland ging en in de nacht van zondag op maandag terug naar Engeland ging. Voor zijn werk reed hij heel het Verenigd Koninkrijk rond. In het begin verbleef hij in de voormalige gezinswoning, tevens zijn ouderlijk huis, maar deze moest hij verlaten omdat het een sociale huurwoning betrof. Daarna verbleef hij bij zijn moeder in de woning die hij voor haar had gekocht en in hotels. De verkoop van zijn bedrijf ging moeizaam omdat er een financiële crisis was. Voor zijn ziektekosten was hij in Engeland verzekerd. Verder had hij in Engeland een bankrekening waarop zijn inkomsten werden gestort. In Nederland had hij enkel een en/of rekening met de vrouw. Belasting werd door hem in Engeland betaald, niet in Nederland. Pas vanaf 2016 werd hij in Nederland belastingplichtig. De onderneming in Nederland is in 2012 opgericht, puur om verblijfsrechten te krijgen. De omvang van de werkzaamheden in die onderneming waren te verwaarlozen. Die werden pas relevant toen hij zich in 2016 in Nederland vestigde, aldus de man.
4.40
De rechtbank overweegt als volgt. Beoordeeld moet worden wanneer de (gezamenlijke) gewone verblijfplaats van beide partijen is verplaatst. Daarvoor is van belang het moment waarop het centrum van belangen (van beide echtgenoten) is verplaatst. Uit de stukken en wat op de zitting is gezegd, maakt de rechtbank op dat de man zich pas daadwerkelijk bij de vrouw en de kinderen in Nederland heeft gevoegd nadat hij in Engeland zijn bedrijf financieel had afgewikkeld. Tot die tijd woonde en werkte de man het merendeel van de tijd in Engeland, verkreeg hij daar zijn inkomen dat op een Engelse bankrekening werd gestort, betaalde hij daar belasting en was hij in Engeland in ieder geval verzekerd voor ziektekosten. Pas in 2016 is hij bedrijfsmatig in Nederland gaan werken. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het centrum van belangen van de man, met zijn definitieve verhuizing naar Nederland en inschrijving in het BRP, pas op 20 juli 2016 van Engeland naar Nederland is verplaatst. Dat de vrouw en de kinderen al in 2011 in Nederland zijn gaan wonen, doet aan het voorgaande niet af. Het gaat er naar het oordeel van de rechtbank om dat de verblijfplaats van beide partijen en daarmee het gezamenlijke centrum van belangen van het hele gezin is verplaatst. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man in Engeland is geboren en daar altijd heeft gewoond, terwijl de vrouw is teruggekeerd naar het land van haar herkomst. In die zin is de stap van de man om zich te vestigen in Nederland groter. De man heeft dan ook naar het oordeel van de rechtbank zijn gewone verblijfplaats in Nederland pas in juli 2016 verkregen. Dit betekent dat partijen pas in juli 2026 tien jaar in Nederland gezamenlijk hun gewone verblijfplaats hebben gehad. Dit brengt mee dat aan de voorwaarden van artikel 7 lid 2 HHV 1978 pas in juli 2026 is voldaan, waardoor er geen sprake is van een wagonstelsel. Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat het Engels recht nog van toepassing is.
4.41
Na schorsing van de zitting heeft de man aangegeven dat hij bij nader inzien toch kan instemmen met de stelling van de vrouw dat vanaf 1 augustus 2021 het toepasselijk recht automatisch is gewijzigd naar het Nederlands recht. De rechtbank wijst partijen er nadrukkelijk op dat zij ingevolge artikel 22 van de Europese huwelijksvermogensrecht-verordening (Verordening (EU) 2016/1103) alsnog en met terugwerkende kracht (dus voor de gehele huwelijkse periode) gezamenlijk kunnen kiezen voor toepassing van het Nederlands recht. Dwingendrechtelijk is voorgeschreven dat een dergelijke rechtskeuze moet worden gedaan bij notariële akte (artikel 23 lid 1 en 2 HVR-Vo, jo artikel 1:115 BW). Voor het geval dat partijen alsnog voor Nederlands recht kiezen, zullen zij hun standpunten moeten aanpassen en zich moeten uitlaten over hoe de dan geldende algehele gemeenschap van goederen moet worden verdeeld.
Inhoud van het Engelse recht
4.42
Voor wat betreft de toepassing van het Engels recht geldt het volgende. In Engeland geldt als wettelijk systeem de scheiding van goederen. Echtgenoten zijn als het ware in een stelsel van volledige uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen gehuwd. Iedere echtgenoot is zelfstandig eigenaar van het vermogen dat hij/zij in het huwelijk heeft aangebracht en van het vermogen dat hij/zij tijdens het huwelijk heeft verworven.
4.43
In het kader van de ontbinding van het huwelijk beschikt de rechter over een ruime discretionaire bevoegdheid (beoordelingsvrijheid) ten aanzien van de vermogens van de echtgenoten. In geval van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding gaat de Engelse rechter over tot verdeling van inkomen en/of vermogen op grond van de Matrimonial Causes Act 1973 (hierna MCA 1973).
4.44
Er vindt een financiële afrekening (‘ancillary relief’) plaats waarbij iedere financiële rechtsbetrekking tussen de echtgenoten aan de orde komt (hierin wordt in beginsel geen onderscheid gemaakt tussen het huwelijksvermogensrecht en het alimentatierecht). Veel voorzieningen staan de rechter daarbij tot zijn beschikking. De rechter moet daarbij rekening houden met een aantal wettelijke factoren. De rechter zal rekening moeten houden met artikel 25A (1) MCA 1973, de zogenaamde ‘clean break’ bepaling. Aan de hand van deze bepaling probeert de rechter een regeling te treffen waarbij partijen na de echtscheiding niet meer financieel afhankelijk zijn van elkaar. De beginselen ‘equality of division’ en ‘fairness’ spelen een grote rol evenals de beginselen ‘needs’ en ‘sharing’.
4.45
De rechter zal bij de echtscheiding de vermogensbestanddelen kwalificeren als behorend tot het huwelijksvermogen (de matrimonial pot) of het niet-huwelijksvermogen. Onder huwelijksvermogen wordt verstaan al het vermogen dat staande het huwelijk door gezamenlijke inspanning is verkregen. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de bijdrage van de kostwinner en de bijdrage van de echtgenoot die zorgt voor de kinderen en het huishouden. Ook de echtelijke woning behoort tot het huwelijksvermogen, ongeacht of deze woning vóór het huwelijk door een van de echtgenoten is verkregen. Onder niet-huwelijksvermogen wordt verstaan: schenkingen, erfenissen, voorhuwelijks vermogen en vermogen dat na de echtscheiding is verkregen. Het niet-huwelijksvermogen kan echter transformeren tot huwelijksvermogen, indien dit met instemming van de echtgenoot, aan wie het privévermogen toebehoort, is vermengd met het huwelijksvermogen.
4.46
Bij de verdeling van het vermogen en inkomen tussen partijen is de behoefte van partijen leidend. Bij berekening van de behoefte wordt beoordeeld hoeveel partijen nodig hebben voor hun huisvesting na de echtscheiding. Indien de behoefte van een echtgenoot, waarbij het belang van de minderjarige kinderen en de verzorgende ouder zwaarwegend is, vereist dat hij/zij meer dan de helft van het vermogen ontvangt, dan gaat het beginsel van behoefte voor. De financiële afwikkeling eindigt dan met de behoefte. Indien de behoefte het vereist, wordt ook het niet-huwelijksvermogen betrokken in de financiële afwikkeling om in die behoefte te voorzien. Pas als aan het criterium behoefte is voldaan en nog vermogen resteert, komt men toe aan het onderdeel verdelen (‘sharing’). Voor dit laatste wordt gekeken naar de bron van het vermogen (huwelijksvermogen en niet-huwelijksvermogen), de bijdrage van iedere echtgenoot en alle (overige) omstandigheden van het concrete geval. Het huwelijksvermogen wordt in dat geval meestal bij helfte verdeeld. Ten aanzien van het niet-huwelijksvermogen kan worden afgeweken van ‘the yardstick of equality test’: het komt zelden voor dat niet-huwelijksvermogen wordt verdeeld indien dit niet noodzakelijk is om in de behoefte van de echtgenoten te voorzien.
4.47
Naar Engels recht moet de rechter op grond van artikel 25 lid 2 onder a en h MCA 1973 in geval van echtscheiding ook de door de echtgenoten opgebouwde pensioenrechten in acht nemen en betrekken in de financiële afwikkeling. Uit de wettekst volgt dat de rechter alle opgebouwde pensioenrechten in acht dient te nemen, dus niet alleen de pensioenrechten die zijn opgebouwd tijdens het huwelijk maar ook pensioenrechten die zijn opgebouwd vóór het huwelijk. Staatspensioen wordt niet in de verdeling betrokken.
4.48
Op grond van artikel 25 lid 2 onder b MCA 1973 moet de rechter in geval van echtscheiding alle schulden van de echtgenoten, die zijn aangegaan tijdens het huwelijk, in acht nemen. Het is daarbij van belang op wiens naam de schulden staan.
Toepassing van het Engelse recht
4.49
Op basis van de nu beschikbare stukken en standpunten acht de rechtbank zich nog onvoldoende voorgelicht om een beslissing naar Engels recht te kunnen nemen. Met inachtneming van het bovenstaande zullen partijen hun standpunten anders moeten inrichten en hun verzoeken moeten aanpassen en zich daarbij tenminste moeten uitlaten over:
- de omvang van de matrimonial pot en wat daarbuiten valt;
- de peildatum voor de bepaling van de omvang en waardering van de
matrimonial pot;
- de financiële afwikkeling tussen partijen naar Engels recht met inachtneming van beginselen ‘equality of division’, ‘fairness’, ‘needs’, en ‘sharing’;
- de behoefte van partijen;
- andere feiten en omstandigheden die voor de financiële afwikkeling tussen partijen van belang zijn.
4.50
Op uitdrukkelijk verzoek van partijen zal de rechtbank al een oordeel geven over hoe naar Engels recht om moet worden gegaan met het voorhuwelijks vermogen van de man. In dit verband is het volgende van belang.
4.51
Tussen partijen is niet in geschil dat de man voorafgaand aan het huwelijk een woning in [plaats 3] (Engeland) heeft gekocht voor zijn moeder. De man bleef in de huurwoning in [plaats 2] wonen. Kort na het huwelijk heeft de man de woning in [plaats 3] verkocht en een woning gekocht in [plaats 4] (Kent). Vervolgens is die woning in november 2023 verkocht voor Gbp 364.000,= oftewel € 419.000,=.
4.52
De man stelt dat de woning in [plaats 3] met privémiddelen is gefinancierd. Daarmee behoorde de verkoopopbrengst volgens hem ook tot zijn privévermogen. De daarop volgend aangekochte woning in [plaats 4] is deels met dit vermogen gefinancierd. De verkoopopbrengst van de laatste woning is gebruikt ter aflossing van de op die woning rustende hypothecaire lening en het restant is gestort in de VOF van partijen. De man maakt bij de afwikkeling van het vermogen van partijen aanspraak op een vergoeding in verband met deze aanwending van zijn privémiddelen. Volgens de man zijn de gelden te identificeren via de kapitaalrekening van de VOF.
4.53
De vrouw betwist dat de man een vergoedingsrecht heeft vanwege investering van voorhuwelijks vermogen. De man heeft immers niet onderbouwd op welke wijze dit voorhuwelijksvermogen is aangewend. Bovendien is er steeds sprake geweest van vermenging van vermogen en inkomsten van partijen. Daardoor is het karakter van non-matrimonial property komen te vervallen, voor zover daar al sprake van was, aldus de vrouw.
4.54
De rechtbank stelt voorop dat het Engelse recht geen vergoedingsrechten kent zoals het Nederlands recht die kent. In Engeland geldt als wettelijk systeem immers de scheiding van goederen. Het is aan de discretionaire bevoegdheid van de rechter overgelaten op welke wijze in het kader van de financiële afrekening tussen partijen rekening wordt gehouden met voorhuwelijks vermogen. In dit geval staat vast dat de woning in [plaats 3] door de man voorafgaand aan het huwelijk is aangeschaft en niet gezamenlijk is bewoond. Dit betekent dat die woning in beginsel geen huwelijksvermogen is en hiermee niet tot de matrimonial pot behoort. Niet-huwelijksvermogen kan transformeren tot huwelijksvermogen als dit met instemming van, in dit geval, de man is vermengd met huwelijksvermogen. De man stelt dat hij de verkoopopbrengst van de woning in [plaats 3] (deels) heeft geïnvesteerd in de woning in [plaats 4] en vervolgens in de VOF. Zowel de woning in [plaats 4] als de VOF vallen echter in het huwelijksvermogen. Door deze investeringen is niet-huwelijksvermogen getransformeerd naar/vermengd met huwelijksvermogen en is dat niet-huwelijksvermogen door die geldstromen niet meer traceerbaar. De enkele verwijzing naar de kapitaalrekening van de VOF is daarvoor onvoldoende, temeer omdat de man heeft aangevoerd dat de VOF een negatief vermogen heeft. Dit betekent dat de rechtbank bij de financiële afwikkeling tussen partijen geen aanleiding ziet om met voorhuwelijks vermogen van de man rekening te houden.
4.55
Voor zover partijen alsnog met terugwerkende kracht kiezen voor toepassing van het Nederlands recht geldt als wettelijk stelsel de algehele gemeenschap van goederen omdat partijen vóór 1 januari 2018 zijn gehuwd en er geen huwelijkse voorwaarden zijn gemaakt. Het voorhuwelijks vermogen van de man is dan in beginsel door het huwelijk van rechtswege in de gemeenschap gevallen.
4.56
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de echtscheiding uitspreken, beslissen over het hoofdverblijf, de zorgregeling en de alimentatie voor de minderjarigen, zoals hierna vermeld onder de beslissing. Ook zal de rechtbank tussentijds hoger beroep toestaan tegen het oordeel dat op de verzoeken betreffende de afwikkeling van het huwelijksvermogen vanaf de huwelijksdatum Engels recht van toepassing is en ook is gebleven, evenals tegen het oordeel dat bij de financiële afwikkeling tussen partijen geen rekening zal worden gehouden met voorhuwelijks vermogen van de man. Indien één van partijen gebruik zal maken van de bevoegdheid om tussentijds hoger beroep tegen deze in de beschikking opgenomen oordelen in te stellen, zal de rechtbank bepalen dat, zodra hoger beroep is ingesteld, de zaak wordt geschorst en naar de rol wordt verwezen totdat de uitspraak van het gerechtshof onherroepelijk is geworden. Voor het geval geen tussentijds hoger beroep tegen deze oordelen in deze beschikking wordt ingesteld, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten met inachtneming van rechtsoverwegingen 4.41. en 4.49. Daarna worden partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op het standpunt van de andere partij.
5De beslissing
De rechtbank
5.1
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2006 te [plaats 1] (Groot-Brittannië) met elkaar gehuwd;
5.2
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarigen
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] ) op [geboortedag 2] 2010,
[minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] ) op [geboortedag 2] 2010,
hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;
5.3
stelt, uitvoerbaar bij voorraad, een zorgregeling vast waarbij genoemde kinderen de ene week bij de man zullen verblijven en de andere week bij de vrouw, nader in onderling overleg door partijen te regelen;
5.4
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van deze beschikking voor de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 194,= (honderdvierennegentig euro) per maand per kind;
5.5
wijst het meer of anders verzochte ten aanzien van het hoofdverblijf, de zorgregeling en de bijdrage in de kosten van de kinderen af;
5.6
bepaalt dat hoger beroep kan worden ingesteld tegen de in deze beschikking opgenomen oordelen dat op de verzoeken betreffende de afwikkeling van het huwelijksvermogen vanaf de huwelijksdatum Engels recht van toepassing is en ook is gebleven, en dat bij de financiële afwikkeling tussen partijen geen rekening zal worden gehouden met voorhuwelijks vermogen van de man;
5.7
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 25 augustus 2026 voor uitlating partijen zoals verwoord in rechtsoverweging 4.56.;
5.8
houdt de beslissing op de overige verzoeken van partijen met betrekking tot de afwikkeling van het huwelijksvermogen aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Meyboom, voorzitter, Oomes en Waanders, rechters, en in tegenwoordigheid van mr. Van der Plas, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummers: C/02/427398 FA RK 24-4661 en C/02/440666/FA RK 25-5198
Beschikking betreffende echtscheiding van 8 juni 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. T.J.W. Noordegraaf-Van Dijke te Tilburg,
en
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. L.N.J.B. van Osch, nu mr. J.M. Molkenboer te Tilburg.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 9 oktober 2024 ontvangen verzoekschrift met producties genummerd 1 tot en met 4;
- het op 23 december 2024 ontvangen verweerschrift houdende zelfstandig verzoek;
- het op 18 februari 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek houdende concretiserend verzoekschrift houdende producties genummerd 5 tot en met 35;
- het op 14 april 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met producties genummerd 1 tot en met 4;
- het op 10 juni 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek houdende gewijzigd verzoek van de vrouw met producties genummerd 36 tot en met 40;
- de op 1 augustus 2025 ontvangen reactie op verweerschrift op zelfstandig verzoek met producties 1 tot en met 3;
- de op 1 oktober 2025 ontvangen reactie op de reactie op zelfstandig verzoek met productie 41;
- de brieven van mr. Molkenboer van 4 en 5 maart 2026 met producties genummerd 5 tot en met 21;
- de brief van mr. Noordegraaf-Van Dijke van 12 maart 2026 met producties genummerd 42 tot en met 51;
- de brief van mr. Molkenboer van 24 maart 2026 met producties genummerd 22 tot en met 29;
- de brief van mr. Noordegraaf- Van Dijke van 31 maart 2026 met producties genummerd 52 tot en met 59;
- de brief van de griffier van 26 maart 2026;
- de brief van mr. Molkenboer van 1 april 2026 met productie 30;
- de brief van mr. Molkenboer van 3 april 2026 met productie 31.
1.2 Na te noemen minderjarigen zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
2De feiten
2.1
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- zij zijn op [datum] 2006 te [plaats 1] (Groot-Brittannië) met elkaar gehuwd;
- uit hun huwelijk zijn de volgende kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2007;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2010;
- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2010;
- zij hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan;
- de vrouw bezit de Nederlandse nationaliteit en de man bezit de Britse nationaliteit;
- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.
3De verzoeken
3.1
De vrouw verzoekt, samengevat, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
- de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
- primair het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen bij haar te bepalen;
subsidiair te bepalen dat [minderjarige 2] hoofdverblijf heeft bij de man en [minderjarige 3] bij haar;
- een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen de ene week bij de man verblijven en de andere week bij haar;
- primair de regeling op te nemen die vermeld staat onder 'praktisch voorstel' in de brief van 31 maart 2026;
- subsidiair te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen een bedrag van € 213,= per maand per kind voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] dient te voldoen en daarbij vast te stellen dan wel te verstaan dat de man maandelijks aan [minderjarige 1] een bedrag verschuldigd is van € 473,= per maand;
- te bepalen dat als peildatum voor de omvang en samenstelling van de afwikkeling van de huwelijksvermogensrechtelijke betrekkingen 9 oktober 2024 heeft te gelden, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding;
- te bepalen dat het Engelse recht van toepassing is op de verdeling en verrekening van de huwelijksvermogensrechtelijke betrekkingen vanaf mei 2006 tot 1 augustus 2021 en te bepalen dat vanaf 1 augustus 2021 het toepasselijk recht is gewijzigd naar het Nederlandse recht;
- de verdeling dan wel de wijze van verdeling en verrekening van de huwelijksvermogensrechtelijke betrekkingen vast te stellen op de door haar aangegeven wijze.
3.2
De man verzoekt, samengevat, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
- bepaling dat de minderjarige [minderjarige 3] zijn hoofdverblijf zal hebben bij hem;
- een zorgregeling vast te stellen met als uitgangspunt dat beide partijen ieder de helft de zorg en opvoeding van de kinderen op zich nemen;
- vaststelling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen;
- primair de verdeling van de huwelijksgemeenschap naar Engels recht te bevelen op de door hem aangegeven wijze, dan wel afwikkeling van het huwelijksvermogen van partijen op de subsidiair door hem aangegeven wijze;
- de vrouw te veroordelen om de spaarrekeningen van de kinderen in gelijke delen aan te vullen met een bedrag van in totaal € 13.000,=.
4De beoordeling
De echtscheiding
4.1
De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, aangezien ten tijde van de indiening van het verzoek partijen hun gewone verblijfplaats hadden in Nederland.
4.2
De rechtbank zal op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht toepassen ingevolge artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Dit verzoek zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.
Hoofdverblijf en zorgregeling
4.3
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot de minderjarigen. De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen.
4.4
De rechtbank stelt voorop dat de beslissingen rondom het hoofdverblijf en de zorgregeling alleen gelden voor de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] omdat [minderjarige 1] sinds 6 december 2025 meerderjarig is.
4.5
Wat betreft de zorgregeling is op de zitting gebleken dat partijen het erover eens zijn dat een week-op-week-af regeling kan worden vastgesteld, waarbij de kinderen de ene week bij de man zullen verblijven en de andere week bij de vrouw. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. Omdat hierdoor feitelijk sprake is van een co-ouderschap is het bepalen van het hoofdverblijf in beginsel niet nodig. Op uitdrukkelijk verzoek van partijen zal de rechtbank hierover wel een inhoudelijke beslissing nemen.
4.6
De man verzoekt om het hoofdverblijf van [minderjarige 3] bij hem te bepalen. Volgens hem geeft dat naar de kinderen toe een positief signaal in die zin dat beide ouders er voor hen zijn en voor hen zorgen. Verder is het voor hem fiscaal interessant als één van de kinderen bij hem staat ingeschreven en blijft hij op die manier betrokken bij [minderjarige 3] omdat hij dan de post voor hem ontvangt.
4.7
De vrouw verzoekt om het hoofdverblijf van beide kinderen bij haar te bepalen. De kinderen staan op dit moment al bij haar ingeschreven. Zij ontvangt in verband daarmee de financiële en fiscale tegemoetkomingen ter zake de kinderen. Inschrijving van [minderjarige 3] bij de man levert geen financieel voordeliger situatie op. Verder ligt de zorg voor de kinderen hoofdzakelijk bij haar, ook in de weken dat de man de zorg voor de kinderen zou moeten hebben.
4.8
De rechtbank overweegt als volgt. Niet betwist is dat de zorg- en opvoedingstaken gedurende het huwelijk hoofdzakelijk bij de vrouw hebben gelegen en dat de vrouw ook nu het merendeel van de praktische zorgtaken en daarbij behorende kosten op zich neemt. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen om daarin geen verandering aan te brengen, zodat de vrouw de regie over te regelen zaken behoudt, zeker omdat gebleken is dat de kinderen meer dan gemiddeld zorg nodig hebben. Daarbij past om het hoofdverblijf van de kinderen te bepalen bij de vrouw, zodat de post en financiële toeslagen voor de kinderen bij haar terecht komen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de man het hoofdverblijf van [minderjarige 3] bij hem wenst te bepalen, is van een meer dan gevoelsmatig belang niet gebleken. Dat de man in aanmerking komt voor fiscale toeslagen in verband met inschrijving van [minderjarige 3] bij hem is door de man gesteld maar niet nader onderbouwd. Dit betekent dat het primaire verzoek van de vrouw over bepaling van het hoofdverblijf wordt toegewezen, onder afwijzing van het verzoek van de man.
Kinderalimentatie
4.9
Op het verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen is Nederlands recht van toepassing, omdat de onderhoudsgerechtigden hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
4.10
Op de zitting is gebleken dat partijen het niet eens kunnen worden over het in de brief van 31 maart 2026 opgenomen voorstel van de vrouw. Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan het subsidiaire verzoek van de vrouw.
4.11
Zoals hierboven vermeld is [minderjarige 1] inmiddels meerderjarig. In deze echtscheidingsprocedure tussen partijen kan niet om alimentatie voor hem worden verzocht. Daarvoor kan hij eventueel in een alimentatieprocedure als zelfstandige procespartij een verzoek indienen. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de door de vrouw verzochte verstaansclausule op te nemen, omdat partijen het hierover niet eens zijn. De rechtbank zal evenwel in het kader van gelijke behandeling van de kinderen [minderjarige 1] betrekken in de overwegingen rondom de kinderalimentatie. Temeer omdat voor de vaststelling van de bijdrage voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de mogelijke bijdrage voor [minderjarige 1] van belang is. Dat de man zich op het standpunt stelt dat een bijdrage voor [minderjarige 1] iets is tussen hen doet daaraan niet af.
4.12
Bij het bepalen van de behoefte van de minderjarigen aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
4.13
De door de vrouw gestelde behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] van € 602,= per maand per kind en van [minderjarige 1] ter hoogte van € 672,= is niet weersproken en staat daarmee tussen partijen vast.
4.14
Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de kinderen
becijfert de rechtbank aan de hand van het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI),
waarbij de draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals
opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
4.15
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.
4.16
De vrouw werkt als directeur-grootaandeelhouder van haar eigen vennootschap [vennootschap] BV. Zij heeft volgens de jaaropgaaf over 2025 een salaris van € 79.085,= bruto per jaar. Verder wordt rekening gehouden met een uitkering inkomensverzekering van
€ 28.799,= bruto per jaar. De rechtbank gaat aan de enkele stelling van de man dat hij het gevoel heeft dat de vrouw meer inkomen moet hebben als weersproken en niet onderbouwd voorbij. Op het inkomen van de vrouw strekt in mindering de jaarlijkse bijtelling van de auto ter hoogte van € 7.085,=.
4.17
De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premie arbeidsongeschiktheidsverzekering ter hoogte van € 2.220,= per jaar, de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet, de arbeidskorting en de door de vrouw verschuldigde inkomstenbelasting. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 4.792,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 5.240,= per maand.
4.18
De vrouw verzoekt de rechtbank rekening te houden met de door haar te betalen bijzondere ziektekosten ter hoogte van € 250,= per maand. De vrouw heeft de ziekte van Perthes met ontstekingen tot gevolg. Volgens de vrouw wordt zij in Nederland hiervoor niet verder behandeld en heeft zij noodgedwongen (operatie-) kosten in het buitenland moeten maken die in Nederland niet worden vergoed. Een nieuwe operatie met de nodige kosten komt eraan, aldus de vrouw.
4.19
De man betwist dat met de door de vrouw opgevoerde kosten rekening moet worden gehouden. De vrouw heeft deze kosten onvoldoende onderbouwd. Bovendien is zij verzekerd in Nederland zodat ervan uit kan worden gegaan dat dergelijke kosten onder deze verzekering vallen.
4.20
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een niet vermijdbare en niet verwijtbare last. Dat de vrouw genoodzaakt is geweest om zich in het buitenland te laten behandelen is niet aangetoond. Het had op de weg van de vrouw gelegen om te onderbouwen dat zij in Nederland niet langer kan worden behandeld en dat de in het buitenland gemaakte kosten niet worden vergoed door haar Nederlandse verzekering. Het overleggen van enkele nota’s is in dit verband onvoldoende. Met de door de vrouw gestelde ziektekosten houdt de rechtbank bij de vaststelling van de draagkracht van de vrouw dan ook geen rekening.
4.21
De beschikbare draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 1.612,= per maand.
4.22
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van het volgende.
4.23
De man werkt als directeur-grootaandeelhouder van in ieder geval zijn vennootschappen [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV. Volgens de man heeft hij een salaris van € 135.000,= bruto per jaar. Daarvoor verwijst hij naar de als producties 22 en 23 overgelegde jaarrekening 2024 van deze BV’s en de als productie 26 overgelegde bankafschriften over de periode januari tot en met november 2024 waaruit volgens hem blijkt van een netto inkomen van € 7.000,= per maand, omgerekend € 135.000,= bruto per jaar.
4.24
Volgens de vrouw onttrok de man in het recente verleden € 10.000,= netto per maand als salaris uit zijn ondernemingen. Dit komt overeen met circa € 200.000,= bruto per jaar. De vrouw stelt dat de man nog steeds in staat moet zijn om € 200.000,= per jaar als bruto inkomen te genereren gelet op de positieve prognose over 2026 ter hoogte van € 155.000,= per jaar. Dit volgt uit de door de man overlegde productie 3 bij de reactie op het verweerschrift op zelfstandig verzoek (van 1 augustus 2025) èn de forse winst die in de BV’s van de man wordt gemaakt zoals blijkt uit de overgelegde jaarrekeningen.
4.25
De rechtbank overweegt als volgt. De draagkracht van de man wordt bepaald aan de hand van zijn feitelijk inkomen dan wel gerelateerd aan de te verwachten beschikbare winst uit onderneming. De man heeft zonder gegronde redenen vrijwel geen stukken met betrekking tot zijn huidige en te verwachten inkomen overgelegd. Ook een draagkrachtberekening ontbreekt, alsmede inzicht in de huidige structuur en inkomensstromen binnen zijn ondernemingen. Het had op de weg van de man gelegen om de rechtbank te informeren over zijn huidige inkomen onder indiening van duidelijke bewijsstukken. Het is niet aan de rechtbank om aan de hand van een enkele verwijzing naar jaarstukken en bankafschriften een onderzoek naar het inkomen van de man te doen. Ook ter zitting heeft de man desgevraagd onvoldoende duidelijkheid gegeven over zijn inkomsten. Uit het door hem zelf opgestelde overzicht (productie 3) kan dit niet zonder meer worden afgeleid. Daarmee heeft de man, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd dat hij € 135.000,= bruto per jaar verdient dan wel kan verdienen, hetgeen voor zijn rekening en risico moet komen. De rechtbank zal daarom het door de vrouw ingenomen en gemotiveerde standpunt dat het inkomen van de man € 200.000,= bruto per jaar bedraagt als uitgangspunt nemen.
4.26
De rechtbank houdt rekening met de opgevoerde en niet betwiste premie arbeidsongeschiktheidsverzekering ter hoogte van € 5.478,=, de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en de door de man verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 8.704,= per maand.
4.27
De beschikbare draagkracht van de man is dan volgens de formule € 3.310,= per maand.
4.28
Vergelijking van voormelde berekende draagkracht van de onderhoudsplichtigen
brengt mee dat de man per maand met een deel van 67% (€ 405,= per kind voor [minderjarige 2] en
[minderjarige 3] en € 452,= voor [minderjarige 1] ) en de vrouw per maand met een deel van 33 % (€ 197,= per kind voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en € 220,= voor [minderjarige 1] ) moet bijdragen in de hiervoor vastgestelde behoefte van de kinderen.
4.29
Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 35% voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Omdat de behoefte van de minderjarigen € 602,= per kind per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 211,= per kind per maand.
4.30
Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan de vrouw moet betalen € 194,= per maand per kind. Voor de jong-meerderjarige [minderjarige 1] bestaat geen recht op zorgkorting. De bijdrage voor hem bedraagt € 452,= per maand.
4.31
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen kinderbijdrage
voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van de datum van deze beschikking vaststellen op € 194,=
per maand per kind. Het meer of anders verzochte ter zake de bijdrage voor de kinderen
wordt afgewezen. De rechtbank gaat ervan uit dat de man daarnaast een bijdrage van € 452,= per maand voor [minderjarige 1] aan hem zal voldoen.
Afwikkeling huwelijksvermogen
Internationale bevoegdheid
4.32
Omdat de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II-ter Verordening internationaal bevoegd is met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Toepasselijk recht
4.33
Omdat het huwelijk tussen 1 september 1992 en 29 januari 2019 (namelijk op [datum] 2006) is gesloten, is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing op het huwelijksvermogensrecht. In beginsel is op de verzoeken betreffende de afwikkeling van het huwelijksvermogen vanaf de huwelijksdatum Engels recht van toepassing omdat partijen vóór het huwelijk het toepasselijke recht niet hebben aangewezen (artikel 3 en 6) en zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in Engeland vestigden en zij ten tijde van de huwelijkssluiting niet dezelfde nationaliteit bezaten (artikel 4 lid 1).
4.34
Volgens artikel 7 lid 2 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 is op het huwelijksvermogensregime Nederlands recht van toepassing zodra partijen gedurende meer dan tien jaar in Nederland hun gewone verblijfplaats hebben.
4.35
In geschil is vanaf wanneer beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden.
4.36
De vrouw stelt dat zij op enig moment heimwee kreeg naar Nederland en dat het partijen beter leek om zich daar permanent te vestigen. Met dat doel kochten partijen in 2010 een woning in Nederland. De vrouw en de kinderen staan sinds augustus 2011 ingeschreven in Nederland. De kinderen gingen vanaf toen in Nederland naar school. De man is meeverhuisd maar bleef op en neer reizen vanuit Nederland naar Engeland, omdat hij in [plaats 2] zijn onderneming had en daar zijn werkzaamheden nog verrichtte. Zijn onderneming kon nog niet verkocht worden vanwege de recessie. Op 20 juli 2016 is de man ingeschreven in Nederland. Volgens de vrouw is gelet op de bedoeling en gedragingen van haar en de man het permanente centrum van hun belangen sinds augustus 2011 in Nederland komen te liggen. Dit betekent volgens haar dat vanaf de huwelijksvoltrekking op [datum] 2006 tot
1 augustus 2021 het Engelse recht van toepassing is en dat vanaf 1 augustus 2021 het toepasselijk recht automatisch is gewijzigd naar het Nederlands recht, aangezien partijen vanaf dat moment 10 jaar lang in Nederland hun gewone verblijfsplaats hebben.
4.37
Volgens de man is de bedoeling van partijen niet doorslaggevend ter bepaling van zijn gewone verblijfplaats, maar zijn daadwerkelijke vestiging in Nederland. Niet alleen stemde zijn woonplaats met het verblijf in Engeland gedurende iedere week overeen, ook had hij zijn fiscale banden met Engeland en was zijn onderneming in Engeland gevestigd. De onderneming was de financiële kurk waarop de huishouding dreef. Die onderneming was tot juli 2016 gevestigd in Engeland. Pas toen deze banden konden worden doorgesneden kon hij besluiten om zijn werkelijk verblijf en woonstede in de zin van boek 1 BW te verplaatsen
naar Nederland. Dat is op 20 juli 2016 gebeurd met zijn inschrijving in de gemeentelijke basisregistratie personen (BRP) in Nederland. Dit betekent volgens de man dat Nederlands recht dus (nog niet) niet van toepassing is, omdat de 10 jaarstermijn nog niet is verstreken.
4.38
Op de zitting is de feitelijke gang van zaken tussen partijen vanaf het vertrek van de vrouw en de kinderen naar Nederland nader besproken. Volgens de vrouw kwam de man iedere week op donderdagmiddag naar Nederland en vertrok hij maandagochtend weer naar Engeland. De vakanties werden doorgebracht in Nederland. Aanvankelijk verbleven de vrouw en de man met de kinderen bij haar ouders in verband met de verbouwing, maar in februari 2012 is de verhuizing in gang gezet naar de echtelijke woning. De man was enkel voor zijn werk in Engeland, zijn gezinsleven was in Nederland. In 2012 is de eenmanszaak [bedrijf 1] opgericht in Nederland, voor het geval het bedrijf in Engeland werd opgeheven. Stapsgewijs werden de werkzaamheden overgeheveld. De vrouw blijft bij haar standpunt dat het gaat om een gezinsverplaatsing en het de bedoeling van partijen was om zich vanaf 2011 gezamenlijk in Nederland te vestigen.
4.39
De man heeft op de zitting gezegd dat hij na het vertrek van de vrouw met de kinderen naar Nederland iedere week op vrijdag naar Nederland ging en in de nacht van zondag op maandag terug naar Engeland ging. Voor zijn werk reed hij heel het Verenigd Koninkrijk rond. In het begin verbleef hij in de voormalige gezinswoning, tevens zijn ouderlijk huis, maar deze moest hij verlaten omdat het een sociale huurwoning betrof. Daarna verbleef hij bij zijn moeder in de woning die hij voor haar had gekocht en in hotels. De verkoop van zijn bedrijf ging moeizaam omdat er een financiële crisis was. Voor zijn ziektekosten was hij in Engeland verzekerd. Verder had hij in Engeland een bankrekening waarop zijn inkomsten werden gestort. In Nederland had hij enkel een en/of rekening met de vrouw. Belasting werd door hem in Engeland betaald, niet in Nederland. Pas vanaf 2016 werd hij in Nederland belastingplichtig. De onderneming in Nederland is in 2012 opgericht, puur om verblijfsrechten te krijgen. De omvang van de werkzaamheden in die onderneming waren te verwaarlozen. Die werden pas relevant toen hij zich in 2016 in Nederland vestigde, aldus de man.
4.40
De rechtbank overweegt als volgt. Beoordeeld moet worden wanneer de (gezamenlijke) gewone verblijfplaats van beide partijen is verplaatst. Daarvoor is van belang het moment waarop het centrum van belangen (van beide echtgenoten) is verplaatst. Uit de stukken en wat op de zitting is gezegd, maakt de rechtbank op dat de man zich pas daadwerkelijk bij de vrouw en de kinderen in Nederland heeft gevoegd nadat hij in Engeland zijn bedrijf financieel had afgewikkeld. Tot die tijd woonde en werkte de man het merendeel van de tijd in Engeland, verkreeg hij daar zijn inkomen dat op een Engelse bankrekening werd gestort, betaalde hij daar belasting en was hij in Engeland in ieder geval verzekerd voor ziektekosten. Pas in 2016 is hij bedrijfsmatig in Nederland gaan werken. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het centrum van belangen van de man, met zijn definitieve verhuizing naar Nederland en inschrijving in het BRP, pas op 20 juli 2016 van Engeland naar Nederland is verplaatst. Dat de vrouw en de kinderen al in 2011 in Nederland zijn gaan wonen, doet aan het voorgaande niet af. Het gaat er naar het oordeel van de rechtbank om dat de verblijfplaats van beide partijen en daarmee het gezamenlijke centrum van belangen van het hele gezin is verplaatst. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man in Engeland is geboren en daar altijd heeft gewoond, terwijl de vrouw is teruggekeerd naar het land van haar herkomst. In die zin is de stap van de man om zich te vestigen in Nederland groter. De man heeft dan ook naar het oordeel van de rechtbank zijn gewone verblijfplaats in Nederland pas in juli 2016 verkregen. Dit betekent dat partijen pas in juli 2026 tien jaar in Nederland gezamenlijk hun gewone verblijfplaats hebben gehad. Dit brengt mee dat aan de voorwaarden van artikel 7 lid 2 HHV 1978 pas in juli 2026 is voldaan, waardoor er geen sprake is van een wagonstelsel. Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat het Engels recht nog van toepassing is.
4.41
Na schorsing van de zitting heeft de man aangegeven dat hij bij nader inzien toch kan instemmen met de stelling van de vrouw dat vanaf 1 augustus 2021 het toepasselijk recht automatisch is gewijzigd naar het Nederlands recht. De rechtbank wijst partijen er nadrukkelijk op dat zij ingevolge artikel 22 van de Europese huwelijksvermogensrecht-verordening (Verordening (EU) 2016/1103) alsnog en met terugwerkende kracht (dus voor de gehele huwelijkse periode) gezamenlijk kunnen kiezen voor toepassing van het Nederlands recht. Dwingendrechtelijk is voorgeschreven dat een dergelijke rechtskeuze moet worden gedaan bij notariële akte (artikel 23 lid 1 en 2 HVR-Vo, jo artikel 1:115 BW). Voor het geval dat partijen alsnog voor Nederlands recht kiezen, zullen zij hun standpunten moeten aanpassen en zich moeten uitlaten over hoe de dan geldende algehele gemeenschap van goederen moet worden verdeeld.
Inhoud van het Engelse recht
4.42
Voor wat betreft de toepassing van het Engels recht geldt het volgende. In Engeland geldt als wettelijk systeem de scheiding van goederen. Echtgenoten zijn als het ware in een stelsel van volledige uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen gehuwd. Iedere echtgenoot is zelfstandig eigenaar van het vermogen dat hij/zij in het huwelijk heeft aangebracht en van het vermogen dat hij/zij tijdens het huwelijk heeft verworven.
4.43
In het kader van de ontbinding van het huwelijk beschikt de rechter over een ruime discretionaire bevoegdheid (beoordelingsvrijheid) ten aanzien van de vermogens van de echtgenoten. In geval van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding gaat de Engelse rechter over tot verdeling van inkomen en/of vermogen op grond van de Matrimonial Causes Act 1973 (hierna MCA 1973).
4.44
Er vindt een financiële afrekening (‘ancillary relief’) plaats waarbij iedere financiële rechtsbetrekking tussen de echtgenoten aan de orde komt (hierin wordt in beginsel geen onderscheid gemaakt tussen het huwelijksvermogensrecht en het alimentatierecht). Veel voorzieningen staan de rechter daarbij tot zijn beschikking. De rechter moet daarbij rekening houden met een aantal wettelijke factoren. De rechter zal rekening moeten houden met artikel 25A (1) MCA 1973, de zogenaamde ‘clean break’ bepaling. Aan de hand van deze bepaling probeert de rechter een regeling te treffen waarbij partijen na de echtscheiding niet meer financieel afhankelijk zijn van elkaar. De beginselen ‘equality of division’ en ‘fairness’ spelen een grote rol evenals de beginselen ‘needs’ en ‘sharing’.
4.45
De rechter zal bij de echtscheiding de vermogensbestanddelen kwalificeren als behorend tot het huwelijksvermogen (de matrimonial pot) of het niet-huwelijksvermogen. Onder huwelijksvermogen wordt verstaan al het vermogen dat staande het huwelijk door gezamenlijke inspanning is verkregen. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de bijdrage van de kostwinner en de bijdrage van de echtgenoot die zorgt voor de kinderen en het huishouden. Ook de echtelijke woning behoort tot het huwelijksvermogen, ongeacht of deze woning vóór het huwelijk door een van de echtgenoten is verkregen. Onder niet-huwelijksvermogen wordt verstaan: schenkingen, erfenissen, voorhuwelijks vermogen en vermogen dat na de echtscheiding is verkregen. Het niet-huwelijksvermogen kan echter transformeren tot huwelijksvermogen, indien dit met instemming van de echtgenoot, aan wie het privévermogen toebehoort, is vermengd met het huwelijksvermogen.
4.46
Bij de verdeling van het vermogen en inkomen tussen partijen is de behoefte van partijen leidend. Bij berekening van de behoefte wordt beoordeeld hoeveel partijen nodig hebben voor hun huisvesting na de echtscheiding. Indien de behoefte van een echtgenoot, waarbij het belang van de minderjarige kinderen en de verzorgende ouder zwaarwegend is, vereist dat hij/zij meer dan de helft van het vermogen ontvangt, dan gaat het beginsel van behoefte voor. De financiële afwikkeling eindigt dan met de behoefte. Indien de behoefte het vereist, wordt ook het niet-huwelijksvermogen betrokken in de financiële afwikkeling om in die behoefte te voorzien. Pas als aan het criterium behoefte is voldaan en nog vermogen resteert, komt men toe aan het onderdeel verdelen (‘sharing’). Voor dit laatste wordt gekeken naar de bron van het vermogen (huwelijksvermogen en niet-huwelijksvermogen), de bijdrage van iedere echtgenoot en alle (overige) omstandigheden van het concrete geval. Het huwelijksvermogen wordt in dat geval meestal bij helfte verdeeld. Ten aanzien van het niet-huwelijksvermogen kan worden afgeweken van ‘the yardstick of equality test’: het komt zelden voor dat niet-huwelijksvermogen wordt verdeeld indien dit niet noodzakelijk is om in de behoefte van de echtgenoten te voorzien.
4.47
Naar Engels recht moet de rechter op grond van artikel 25 lid 2 onder a en h MCA 1973 in geval van echtscheiding ook de door de echtgenoten opgebouwde pensioenrechten in acht nemen en betrekken in de financiële afwikkeling. Uit de wettekst volgt dat de rechter alle opgebouwde pensioenrechten in acht dient te nemen, dus niet alleen de pensioenrechten die zijn opgebouwd tijdens het huwelijk maar ook pensioenrechten die zijn opgebouwd vóór het huwelijk. Staatspensioen wordt niet in de verdeling betrokken.
4.48
Op grond van artikel 25 lid 2 onder b MCA 1973 moet de rechter in geval van echtscheiding alle schulden van de echtgenoten, die zijn aangegaan tijdens het huwelijk, in acht nemen. Het is daarbij van belang op wiens naam de schulden staan.
Toepassing van het Engelse recht
4.49
Op basis van de nu beschikbare stukken en standpunten acht de rechtbank zich nog onvoldoende voorgelicht om een beslissing naar Engels recht te kunnen nemen. Met inachtneming van het bovenstaande zullen partijen hun standpunten anders moeten inrichten en hun verzoeken moeten aanpassen en zich daarbij tenminste moeten uitlaten over:
- de omvang van de matrimonial pot en wat daarbuiten valt;
- de peildatum voor de bepaling van de omvang en waardering van de
matrimonial pot;
- de financiële afwikkeling tussen partijen naar Engels recht met inachtneming van beginselen ‘equality of division’, ‘fairness’, ‘needs’, en ‘sharing’;
- de behoefte van partijen;
- andere feiten en omstandigheden die voor de financiële afwikkeling tussen partijen van belang zijn.
4.50
Op uitdrukkelijk verzoek van partijen zal de rechtbank al een oordeel geven over hoe naar Engels recht om moet worden gegaan met het voorhuwelijks vermogen van de man. In dit verband is het volgende van belang.
4.51
Tussen partijen is niet in geschil dat de man voorafgaand aan het huwelijk een woning in [plaats 3] (Engeland) heeft gekocht voor zijn moeder. De man bleef in de huurwoning in [plaats 2] wonen. Kort na het huwelijk heeft de man de woning in [plaats 3] verkocht en een woning gekocht in [plaats 4] (Kent). Vervolgens is die woning in november 2023 verkocht voor Gbp 364.000,= oftewel € 419.000,=.
4.52
De man stelt dat de woning in [plaats 3] met privémiddelen is gefinancierd. Daarmee behoorde de verkoopopbrengst volgens hem ook tot zijn privévermogen. De daarop volgend aangekochte woning in [plaats 4] is deels met dit vermogen gefinancierd. De verkoopopbrengst van de laatste woning is gebruikt ter aflossing van de op die woning rustende hypothecaire lening en het restant is gestort in de VOF van partijen. De man maakt bij de afwikkeling van het vermogen van partijen aanspraak op een vergoeding in verband met deze aanwending van zijn privémiddelen. Volgens de man zijn de gelden te identificeren via de kapitaalrekening van de VOF.
4.53
De vrouw betwist dat de man een vergoedingsrecht heeft vanwege investering van voorhuwelijks vermogen. De man heeft immers niet onderbouwd op welke wijze dit voorhuwelijksvermogen is aangewend. Bovendien is er steeds sprake geweest van vermenging van vermogen en inkomsten van partijen. Daardoor is het karakter van non-matrimonial property komen te vervallen, voor zover daar al sprake van was, aldus de vrouw.
4.54
De rechtbank stelt voorop dat het Engelse recht geen vergoedingsrechten kent zoals het Nederlands recht die kent. In Engeland geldt als wettelijk systeem immers de scheiding van goederen. Het is aan de discretionaire bevoegdheid van de rechter overgelaten op welke wijze in het kader van de financiële afrekening tussen partijen rekening wordt gehouden met voorhuwelijks vermogen. In dit geval staat vast dat de woning in [plaats 3] door de man voorafgaand aan het huwelijk is aangeschaft en niet gezamenlijk is bewoond. Dit betekent dat die woning in beginsel geen huwelijksvermogen is en hiermee niet tot de matrimonial pot behoort. Niet-huwelijksvermogen kan transformeren tot huwelijksvermogen als dit met instemming van, in dit geval, de man is vermengd met huwelijksvermogen. De man stelt dat hij de verkoopopbrengst van de woning in [plaats 3] (deels) heeft geïnvesteerd in de woning in [plaats 4] en vervolgens in de VOF. Zowel de woning in [plaats 4] als de VOF vallen echter in het huwelijksvermogen. Door deze investeringen is niet-huwelijksvermogen getransformeerd naar/vermengd met huwelijksvermogen en is dat niet-huwelijksvermogen door die geldstromen niet meer traceerbaar. De enkele verwijzing naar de kapitaalrekening van de VOF is daarvoor onvoldoende, temeer omdat de man heeft aangevoerd dat de VOF een negatief vermogen heeft. Dit betekent dat de rechtbank bij de financiële afwikkeling tussen partijen geen aanleiding ziet om met voorhuwelijks vermogen van de man rekening te houden.
4.55
Voor zover partijen alsnog met terugwerkende kracht kiezen voor toepassing van het Nederlands recht geldt als wettelijk stelsel de algehele gemeenschap van goederen omdat partijen vóór 1 januari 2018 zijn gehuwd en er geen huwelijkse voorwaarden zijn gemaakt. Het voorhuwelijks vermogen van de man is dan in beginsel door het huwelijk van rechtswege in de gemeenschap gevallen.
4.56
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de echtscheiding uitspreken, beslissen over het hoofdverblijf, de zorgregeling en de alimentatie voor de minderjarigen, zoals hierna vermeld onder de beslissing. Ook zal de rechtbank tussentijds hoger beroep toestaan tegen het oordeel dat op de verzoeken betreffende de afwikkeling van het huwelijksvermogen vanaf de huwelijksdatum Engels recht van toepassing is en ook is gebleven, evenals tegen het oordeel dat bij de financiële afwikkeling tussen partijen geen rekening zal worden gehouden met voorhuwelijks vermogen van de man. Indien één van partijen gebruik zal maken van de bevoegdheid om tussentijds hoger beroep tegen deze in de beschikking opgenomen oordelen in te stellen, zal de rechtbank bepalen dat, zodra hoger beroep is ingesteld, de zaak wordt geschorst en naar de rol wordt verwezen totdat de uitspraak van het gerechtshof onherroepelijk is geworden. Voor het geval geen tussentijds hoger beroep tegen deze oordelen in deze beschikking wordt ingesteld, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten met inachtneming van rechtsoverwegingen 4.41. en 4.49. Daarna worden partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op het standpunt van de andere partij.
5De beslissing
De rechtbank
5.1
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2006 te [plaats 1] (Groot-Brittannië) met elkaar gehuwd;
5.2
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarigen
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] ) op [geboortedag 2] 2010,
[minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] ) op [geboortedag 2] 2010,
hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;
5.3
stelt, uitvoerbaar bij voorraad, een zorgregeling vast waarbij genoemde kinderen de ene week bij de man zullen verblijven en de andere week bij de vrouw, nader in onderling overleg door partijen te regelen;
5.4
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van deze beschikking voor de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 194,= (honderdvierennegentig euro) per maand per kind;
5.5
wijst het meer of anders verzochte ten aanzien van het hoofdverblijf, de zorgregeling en de bijdrage in de kosten van de kinderen af;
5.6
bepaalt dat hoger beroep kan worden ingesteld tegen de in deze beschikking opgenomen oordelen dat op de verzoeken betreffende de afwikkeling van het huwelijksvermogen vanaf de huwelijksdatum Engels recht van toepassing is en ook is gebleven, en dat bij de financiële afwikkeling tussen partijen geen rekening zal worden gehouden met voorhuwelijks vermogen van de man;
5.7
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 25 augustus 2026 voor uitlating partijen zoals verwoord in rechtsoverweging 4.56.;
5.8
houdt de beslissing op de overige verzoeken van partijen met betrekking tot de afwikkeling van het huwelijksvermogen aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Meyboom, voorzitter, Oomes en Waanders, rechters, en in tegenwoordigheid van mr. Van der Plas, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.