Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6105
2026-07-07
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 24/8071
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur in de aanslag IB/PVV 2020 terecht een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen. De erflaatster had ten tijde van haar overlijden een aanmerkelijk belang. De overgang onder algemene titel alsmede de overgang krachtens erfrecht onder bijzondere titel wordt als een fictieve vervreemding aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een materiële onderneming dan wel een medegerechtigdheid zoals vereist is voor de toepassing van de doorschuiffaciliteit.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2006:AU2004 Hoge Raad 10-03-2006
- ECLI:NL:HR:2006:AU2004 Hoge Raad 10-03-2006
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.158 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/8071
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen
de erven van [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur met dagtekening 6 juni 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.045, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 241.893 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.193 (de aanslag). Bij gelijktijdige beschikking heeft de inspecteur € 1.841 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag en de beschikking belastingrente bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur: mr. drs. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
1.4.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag en de beschikking belastingrente naar de juiste bedragen heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Meer specifiek is in geschil of sprake is van een fictieve vervreemding op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Indien dit het geval is, is in geschil of de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17a van de Wet IB 2001 kan worden toegepast.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat de aanslag en de beschikking belastingrente naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Feiten
3. Wijlen mevrouw [belanghebbende] is geboren op [geboortedag] 1945 en overleden op [datum] 2020 (erflaatster).
3.1.
Ten tijde van het overlijden was erflaatster gehuwd met de heer [de weduwnaar] ( [de weduwnaar] ).
3.2.
Erflaatster en [de weduwnaar] zijn op 29 november 1971 gehuwd buiten iedere gemeenschap van goederen.
3.3.
Op 14 november 2019 zijn de huwelijkse voorwaarden van erflaatster en [de weduwnaar] gewijzigd en is sprake van een algehele gemeenschap van goederen vanaf 15 november 2019.
3.4.
[de weduwnaar] is sinds de oprichtingsdatum van 6 april 1984 enig aandeelhouder van [de holding] BV (de Holding). Op de dag van oprichting heeft erflaatster haar enige aandeel in de Holding direct overgedragen aan [de weduwnaar] . Holding BV houdt alle aandelen in [de bloemhandel] BV (de Bloemhandel).
Motivering
4. Belanghebbende stelt dat de aanslag naar een onjuist bedrag is opgelegd, omdat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag ten onrechte inkomsten uit aanmerkelijk belang bij erflaatster in aanmerking heeft genomen. Daartoe voert belanghebbende primair aan dat [de weduwnaar] enig aandeelhouder van de Holding dan wel de Bloemhandel is, nu erflaatster haar enige aandeel in de Holding op de oprichtingsdatum van de Holding bij notariële akte aan [de weduwnaar] heeft overgedragen. Volgens belanghebbende maakt de wijziging van de huwelijkse voorwaarden naar een algehele gemeenschap van goederen dit niet anders. Belanghebbende verwijst daarbij naar de verklaring van erfrecht, waaruit volgt dat [de weduwnaar] met uitsluiting van ieder ander bevoegd en gerechtigd is om alle rechtshandelingen met betrekking tot de nalatenschap van erflaatster te verrichten. Gelet hierop is geen sprake van een aanmerkelijk belang bij erflaatster, aldus belanghebbende.
4.1.
Subsidiair stelt belanghebbende dat sprake is van een onderneming die door [de weduwnaar] wordt voortgezet. Volgens belanghebbende kan daardoor de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17a van de Wet IB 2001 worden toegepast.
4.2.
De inspecteur stelt dat bij het overlijden van erflaatster sprake is van een fictieve vervreemding op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001. Daartoe voert de inspecteur aan dat erflaatster per 15 november 2019 is gerechtigd tot de helft van het aandelenbelang van de Holding. De inspecteur verwijst daarbij naar een inmiddels vervallen voorbeeld uit het besluit van de Staassecretaris van 4 april 2001, CPP2001/765M, onderdeel F.7. en het arrest van de Hoge Raad van 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2004, r.o. 3.3.3.
4.3.
De inspecteur stelt voorts dat geen gebruik kan worden gemaakt van de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17a van de Wet IB 2001. Volgens de inspecteur is geen sprake van een materiële onderneming, omdat geen sprake is van een organisatie van kapitaal en arbeid die deelneemt aan het economisch verkeer. De inspecteur verwijst daarbij naar de balansen en de winst- en verliesrekeningen van de Holding en de Bloemhandel, waaruit volgt dat al jaren geen omzet wordt behaald. Gelet op de balansen per [datum] 2020 van de Holding en de Bloemhandel bedraagt het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang € 241.893, aldus de inspecteur.
Is sprake van een fictieve vervreemding?
4.4.
Aangezien de aandelen in de Holding ten tijde van het overlijden van erflaatster in de huwelijksgemeenschap vielen, had erflaatster ten tijde van overlijden een aanmerkelijk belang in de Holding. Ook de echtgenoot die niet over de aandelen kan beschikken wordt geacht - voor de helft - aanmerkelijkbelanghouder te zijn en voor de helft gerechtigd te zijn in de verkoopopbrengst van de aandelen.
4.5.
Op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001, wordt de overgang onder algemene titel alsmede de overgang krachtens erfrecht onder bijzondere titel als een fictieve vervreemding aangemerkt. Erflaatster is op [datum] 2020 overleden. Dit betekent dat op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001, in 2020 sprake is van een fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang van belanghebbende ten aanzien van de aandelen van de Holding.
4.6.
De inspecteur heeft aan de hand van de balansen per [datum] 2020 van de Holding en de Bloemhandel het vervreemdingsvoordeel voor erflaatster in 2020 vastgesteld op € 241.893. Belanghebbende heeft ter zitting toegelicht dat deze berekening niet wordt betwist. De rechtbank sluit bij deze berekening aan.
4.7.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank in zoverre tot de conclusie dat in het onderhavige jaar voor erflaatster sprake is van een fictief vervreemdingsvoordeel van € 241.893.
Kan een beroep worden gedaan op de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17a, eerste lid, van de Wet IB 2001?
4.8.
Op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden wordt de overgang krachtens erfrecht onder algemene titel of onder bijzondere titel onder bepaalde omstandigheden niet als vervreemding aangemerkt ingevolge artikel 4.17a, eerste lid, van de Wet IB 2001. Daarvan is onder meer sprake indien de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben een onderneming drijft of een medegerechtigdheid houdt. Het deel van de overdrachtsprijs dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap, blijft buiten beschouwing ingevolge artikel 4.17a, tweede lid, van de Wet IB 2001.
4.9.
Van het drijven van een onderneming is sprake bij de aanwezigheid van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die is gericht op het deelnemen aan het economisch verkeer met het oogmerk om winst te behalen. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een materiële onderneming, gelet op de balansen en winst- en verliesrekeningen van de Holding en de Bloemhandel. Daarin is sinds 2015 bij ‘omschrijving activiteiten van de onderneming’ bij zowel de Holding als de Bloemhandel steeds vermeld dat geen activiteiten worden verricht. Voorts blijkt uit de winst- en verliesrekeningen dat sinds 2015 geen sprake is van omzet. Bijkomend heeft belanghebbende geen nadere toelichting van de activiteiten gegeven. Dat sprake is van een medegerechtigdheid in vorenbedoelde zin is niet gesteld, noch gebleken.
Conclusie
4.10.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur het inkomen uit aanmerkelijk belang terecht heeft gecorrigeerd en dat de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd.
Belastingrente
5. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de beschikking belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Dat de belastingrente in strijd met de daartoe strekkende wettelijke bepalingen of enige andere regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag en de beschikking belastingrente in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, prof. dr. A.H.H. Bollen-Vandenboorn en mr. T.S.K.L. Tjon, leden, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.
Hoge Raad 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2004, r.o. 3.3.3.
Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/8071
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen
de erven van [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur met dagtekening 6 juni 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.045, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 241.893 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.193 (de aanslag). Bij gelijktijdige beschikking heeft de inspecteur € 1.841 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag en de beschikking belastingrente bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur: mr. drs. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
1.4.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag en de beschikking belastingrente naar de juiste bedragen heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Meer specifiek is in geschil of sprake is van een fictieve vervreemding op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Indien dit het geval is, is in geschil of de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17a van de Wet IB 2001 kan worden toegepast.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat de aanslag en de beschikking belastingrente naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Feiten
3. Wijlen mevrouw [belanghebbende] is geboren op [geboortedag] 1945 en overleden op [datum] 2020 (erflaatster).
3.1.
Ten tijde van het overlijden was erflaatster gehuwd met de heer [de weduwnaar] ( [de weduwnaar] ).
3.2.
Erflaatster en [de weduwnaar] zijn op 29 november 1971 gehuwd buiten iedere gemeenschap van goederen.
3.3.
Op 14 november 2019 zijn de huwelijkse voorwaarden van erflaatster en [de weduwnaar] gewijzigd en is sprake van een algehele gemeenschap van goederen vanaf 15 november 2019.
3.4.
[de weduwnaar] is sinds de oprichtingsdatum van 6 april 1984 enig aandeelhouder van [de holding] BV (de Holding). Op de dag van oprichting heeft erflaatster haar enige aandeel in de Holding direct overgedragen aan [de weduwnaar] . Holding BV houdt alle aandelen in [de bloemhandel] BV (de Bloemhandel).
Motivering
4. Belanghebbende stelt dat de aanslag naar een onjuist bedrag is opgelegd, omdat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag ten onrechte inkomsten uit aanmerkelijk belang bij erflaatster in aanmerking heeft genomen. Daartoe voert belanghebbende primair aan dat [de weduwnaar] enig aandeelhouder van de Holding dan wel de Bloemhandel is, nu erflaatster haar enige aandeel in de Holding op de oprichtingsdatum van de Holding bij notariële akte aan [de weduwnaar] heeft overgedragen. Volgens belanghebbende maakt de wijziging van de huwelijkse voorwaarden naar een algehele gemeenschap van goederen dit niet anders. Belanghebbende verwijst daarbij naar de verklaring van erfrecht, waaruit volgt dat [de weduwnaar] met uitsluiting van ieder ander bevoegd en gerechtigd is om alle rechtshandelingen met betrekking tot de nalatenschap van erflaatster te verrichten. Gelet hierop is geen sprake van een aanmerkelijk belang bij erflaatster, aldus belanghebbende.
4.1.
Subsidiair stelt belanghebbende dat sprake is van een onderneming die door [de weduwnaar] wordt voortgezet. Volgens belanghebbende kan daardoor de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17a van de Wet IB 2001 worden toegepast.
4.2.
De inspecteur stelt dat bij het overlijden van erflaatster sprake is van een fictieve vervreemding op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001. Daartoe voert de inspecteur aan dat erflaatster per 15 november 2019 is gerechtigd tot de helft van het aandelenbelang van de Holding. De inspecteur verwijst daarbij naar een inmiddels vervallen voorbeeld uit het besluit van de Staassecretaris van 4 april 2001, CPP2001/765M, onderdeel F.7. en het arrest van de Hoge Raad van 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2004, r.o. 3.3.3.
4.3.
De inspecteur stelt voorts dat geen gebruik kan worden gemaakt van de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17a van de Wet IB 2001. Volgens de inspecteur is geen sprake van een materiële onderneming, omdat geen sprake is van een organisatie van kapitaal en arbeid die deelneemt aan het economisch verkeer. De inspecteur verwijst daarbij naar de balansen en de winst- en verliesrekeningen van de Holding en de Bloemhandel, waaruit volgt dat al jaren geen omzet wordt behaald. Gelet op de balansen per [datum] 2020 van de Holding en de Bloemhandel bedraagt het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang € 241.893, aldus de inspecteur.
Is sprake van een fictieve vervreemding?
4.4.
Aangezien de aandelen in de Holding ten tijde van het overlijden van erflaatster in de huwelijksgemeenschap vielen, had erflaatster ten tijde van overlijden een aanmerkelijk belang in de Holding. Ook de echtgenoot die niet over de aandelen kan beschikken wordt geacht - voor de helft - aanmerkelijkbelanghouder te zijn en voor de helft gerechtigd te zijn in de verkoopopbrengst van de aandelen.
4.5.
Op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001, wordt de overgang onder algemene titel alsmede de overgang krachtens erfrecht onder bijzondere titel als een fictieve vervreemding aangemerkt. Erflaatster is op [datum] 2020 overleden. Dit betekent dat op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001, in 2020 sprake is van een fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang van belanghebbende ten aanzien van de aandelen van de Holding.
4.6.
De inspecteur heeft aan de hand van de balansen per [datum] 2020 van de Holding en de Bloemhandel het vervreemdingsvoordeel voor erflaatster in 2020 vastgesteld op € 241.893. Belanghebbende heeft ter zitting toegelicht dat deze berekening niet wordt betwist. De rechtbank sluit bij deze berekening aan.
4.7.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank in zoverre tot de conclusie dat in het onderhavige jaar voor erflaatster sprake is van een fictief vervreemdingsvoordeel van € 241.893.
Kan een beroep worden gedaan op de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17a, eerste lid, van de Wet IB 2001?
4.8.
Op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden wordt de overgang krachtens erfrecht onder algemene titel of onder bijzondere titel onder bepaalde omstandigheden niet als vervreemding aangemerkt ingevolge artikel 4.17a, eerste lid, van de Wet IB 2001. Daarvan is onder meer sprake indien de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben een onderneming drijft of een medegerechtigdheid houdt. Het deel van de overdrachtsprijs dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap, blijft buiten beschouwing ingevolge artikel 4.17a, tweede lid, van de Wet IB 2001.
4.9.
Van het drijven van een onderneming is sprake bij de aanwezigheid van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die is gericht op het deelnemen aan het economisch verkeer met het oogmerk om winst te behalen. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een materiële onderneming, gelet op de balansen en winst- en verliesrekeningen van de Holding en de Bloemhandel. Daarin is sinds 2015 bij ‘omschrijving activiteiten van de onderneming’ bij zowel de Holding als de Bloemhandel steeds vermeld dat geen activiteiten worden verricht. Voorts blijkt uit de winst- en verliesrekeningen dat sinds 2015 geen sprake is van omzet. Bijkomend heeft belanghebbende geen nadere toelichting van de activiteiten gegeven. Dat sprake is van een medegerechtigdheid in vorenbedoelde zin is niet gesteld, noch gebleken.
Conclusie
4.10.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur het inkomen uit aanmerkelijk belang terecht heeft gecorrigeerd en dat de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd.
Belastingrente
5. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de beschikking belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Dat de belastingrente in strijd met de daartoe strekkende wettelijke bepalingen of enige andere regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag en de beschikking belastingrente in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, prof. dr. A.H.H. Bollen-Vandenboorn en mr. T.S.K.L. Tjon, leden, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.
Hoge Raad 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2004, r.o. 3.3.3.
Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.