Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6083

2026-07-07 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/4836 en 25/4837
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-07
Publicatiedatum
2026-07-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
25/4836 en 25/4837
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Van toepassing verklaren van Nederlandse socialezekerheidswetgeving en afgifte A1-verklaringen (rijnvarenden).

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.828 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Bestuursrecht



zaaknummers: BRE 25/4836 en 25/4837 BESLU




uitspraak van 7 juli 2026 van de meervoudige kamer in de zaken tussen




[eiser 1] (eiser in de zaak met nummer 25/4836), te [woonplaats 1] , en


[eiser 2] (eiser in de zaak met nummer 25/4837), te [woonplaats 2] ,
(gemachtigde: mr. M.J. Van Dam),



en




de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (de Svb), verweerder
(gemachtigden: mr. A. van der Weerd en mr. A. Marijnissen),



Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen besluiten van de Svb over het toepasselijk verklaren van Nederlandse socialezekerheidswetgeving en de afgifte van A1-verklaringen.



1.1.
In twee afzonderlijke besluiten van 28 november 2024 (de primaire besluiten) heeft de Svb aan eisers meegedeeld dat op hen de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is gedurende de periode van 1 april 2019 tot en met 31 december 2019 ( [eiser 1] ) respectievelijk tot en met 31 oktober 2022 ( [eiser 2] ). Als onderdeel van deze besluiten zijn over deze periodes A1-verklaringen afgegeven. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.


1.2.
In de bestreden besluiten van 13 augustus 2025 ( [eiser 1] ) en 15 augustus 2025 ( [eiser 2] ) heeft de Svb de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.


1.3.
De Svb heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.


1.4.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 2 juni 2026. Partijen werden vertegenwoordigd door hun gemachtigden.



OverwegingenRelevante feiten en omstandigheden


2. Eisers waren in de periode van 1 april 2019 tot en met 31 december 2019 ( [eiser 1] ) respectievelijk tot en met 31 oktober 2022 ( [eiser 2] ) in dienst van [bedrijf] . Zij verrichtten werkzaamheden aan boord van schepen waarvan de exploitanten in Nederland waren gevestigd. [eiser 2] werkte op een schip geëxploiteerd door Admiral Tankscheepvaartbedrijf B.V., gevestigd te Zwijndrecht, en [eiser 1] werkte op een schip geëxploiteerd door [B.V.] , gevestigd te [plaats] .


2.1.
De Svb heeft op 9 maart 2018 A1-verklaringen afgegeven voor eisers. Als toepasselijke socialezekerheidswetgeving is voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2019 de Nederlandse wetgeving aangewezen. Het Liechtensteinse bevoegde orgaan heeft bezwaar gemaakt tegen deze verklaringen, en op 15 oktober 2018 A1-verklaringen afgegeven waarin de Liechtensteinse wetgeving vanaf 1 september 2018 als (voorlopige) toepasselijke wetgeving is aangewezen. De Svb heeft hier op 20 november 2018 bezwaar tegen gemaakt.



2.2.
Het Liechtensteinse orgaan heeft op 21 december 2019 aan de Svb medegedeeld niet langer vast te houden aan de (voorlopige) aanwijzing van de Liechtensteinse socialezekerheids-wetgeving. De Liechtensteinse autoriteiten hebben dit in een brief van 12 januari 2024 (nogmaals) bevestigd en te kennen gegeven dat zij hun bezwaren tegen de door de Svb afgegeven A1-verklaringen hebben ingetrokken.



2.3.
Op basis van bovenstaande feiten heeft de Svb ambtshalve beoordeeld welke sociale-zekerheidswetgeving op eisers van toepassing was. Deze beoordeling heeft geleid tot de bestreden besluitvorming.



Het standpunt van de Svb



3. Volgens de Svb is terecht vastgesteld dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is op eisers in de betrokken periodes. De Rijnvaartschepen waarop eisers werkten, werden geëxploiteerd door een in Nederland gevestigde onderneming. Op hen is dan uitsluitend de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing. Dat op het moment van de primaire besluiten nog geldige Liechtensteinse A1-verklaringen bestonden, maakt deze besluiten niet onrechtmatig. Deze verklaringen zijn bovendien inmiddels met terugwerkende kracht ingetrokken bij beslissingen van het Liechtensteinse verbindingsorgaan van 7 februari 2025. De Svb betwist dat haar besluiten in strijd zijn met het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel. De vaststelling van de toepasselijke wetgeving vindt plaats middels dwingendrechtelijke aanwijsregels, die uitsluitend afhangen van de objectieve omstandigheden van de betrokken werknemer. Een belangenafweging of gewekt vertrouwen speelt daarbij geen rol. De Svb is op grond van artikel 5 van de Rijnvarendenovereenkomst (Rvo) het bevoegde orgaan om een A1-verklaring af te geven, ook ambtshalve en met terugwerkende kracht. Dat de Svb niet eerder heeft beslist, maakt de bestreden besluiten daarom niet onrechtmatig.



De beroepsgronden van eisers



4. Volgens eisers heeft de Svb de goede procesorde en artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschonden, omdat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage zijn gelegd en stukken van de Belastingdienst en het Liechtensteinse verbindingsorgaan ontbreken. Zij stellen verder dat artikel 4:8 van de Awb is geschonden, omdat zij voorafgaand aan de primaire besluiten niet in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen. Daarnaast voeren zij aan dat de Svb de door Liechtenstein afgegeven A1-verklaringen had moeten respecteren en daaraan rechtskracht had moeten toekennen. Verder stellen eisers dat de Svb is uitgegaan van een onjuiste juridische grondslag, en dat de Svb ten onrechte heeft gehandeld alsof een dialoogprocedure met Liechtenstein kon worden gevoerd. Ook voeren zij aan dat de Svb bezwaar heeft gemaakt tegen de Liechtensteinse A1-verklaringen zonder over voldoende feitelijke informatie te beschikken, en dat de besluiten zijn genomen ter ondersteuning van Nederlandse heffingen. Volgens eisers is daarom sprake van onbehoorlijk bestuur en détournement de pouvoir. Daarnaast voeren eisers aan dat de Svb niet tijdig heeft gehandeld door de A1-verklaringen pas na een periode van zes jaar af te geven. De bestreden besluiten zijn ook onvoldoende gemotiveerd, omdat daarin geen verklaring wordt gegeven voor het genoemde tijdsverloop. Tot slot voeren eisers aan dat de bestreden besluiten in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel.



Het relevante beoordelingskader



5. Het relevante beoordelingskader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.



Is sprake van schending van de goede procesorde en artikel 7:4 van de Awb?



6. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van schending van de goede procesorde, dan wel artikel 7:4 van de Awb. Ingevolge het tweede lid van dit artikel legt het bestuursorgaan alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eisers de Svb in de bezwaarfase verschillende keren heeft verzocht om de toezending van (meer) dossierstukken, en dat de Svb tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase heeft erkend dat niet alle stukken in het dossier zaten, maar dat de in het dossier aanwezige stukken zijn verstrekt. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de bestreden besluitvorming (mede) is gebaseerd op stukken van de Belastingdienst die niet ter inzage zijn gelegd. De Svb heeft blijkens de dossierstukken weliswaar overleg gevoerd met de Belastingdienst en informatie uitgewisseld, maar dit maakt nog niet dat het daarbij gaat om op de zaak betrekking hebbende stukken die ten onrechte niet ter inzage zijn gelegd voorafgaand aan het horen in de bezwaarfase. Evenzo is niet gebleken dat, naast de wel aanwezige stukken van Liechtenstein, vanuit (mondelinge contacten met het Liechtensteinse verbindingsorgaan stukken ontbreken die ten grondslag hebben gelegen aan de bestreden besluiten.



Is artikel 4:8 van de Awb geschonden?



7. In artikel 4:8 van de Awb is bepaald dat voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen indien de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen en die gegevens niet door hemzelf zijn verstrekt. De bestreden besluitvorming is – anders dan uit de primaire besluiten kan worden afgeleid en zoals door de Svb ook erkend bij de hoorzitting in de bezwaarfase – ambtshalve tot stand gekomen, en deze steunt op gegevens over feiten en belangen die eisers betreffen. Deze gegevens – waaronder die over de exploitanten van de schepen waar eisers als rijnvarenden op voeren – zijn niet door hen aan de Svb verstrekt, waardoor artikel 4:8 van de Awb van toepassing is in deze zaken. De Svb heeft in de verweerschriften aangevoerd dat de primaire besluiten zijn gebaseerd op informatie die eisers aan de Belastingdienst hebben verstrekt, maar dit neemt niet weg dat deze informatie niet door eisers aan de Svb zelf is verstrekt. Vaststaat dat eisers voorafgaand aan het nemen van de primaire besluiten niet in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen. De rechtbank ziet echter aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat eisers daardoor niet in hun belangen zijn geschaad. Daarvoor is van belang dat eisers in de bezwaarfase zijn gehoord en hun standpunten vervolgens ook in beroep naar voren hebben kunnen brengen. Daar waar eisers in dit kader in de brief van 22 mei 2026 opmerken dat zij (naar de rechtbank begrijpt in de periode in geding) niet ermee bekend waren dat sprake was van een Nederlandse exploitant, raakt dit niet aan de vraag of op grond van artikel 4:8 van de Awb gelegenheid had moeten worden geboden om een zienswijze in te brengen. Op de pas op zitting naar voren gebrachte betwisting van eisers dat beide schepen een Nederlandse exploitant hebben, zal de rechtbank voorbij gaan omdat deze betwisting laattijdig is gedaan.



Had de Svb de Liechtensteinse A1-verklaringen moeten respecteren?



8. In deze zaken doet zich de bijzondere situatie voor dat aan eisers twee A1-verklaringen zijn afgegeven. Eerst door de Svb voor de periode tot 1 april 2019, en daarna door het Liechtensteinse orgaan voor de periode na 1 september 2018. Het voor de afgifte van A1-verklaringen ontwikkelde systeem gaat er echter van uit dat er maar één A1-verklaring kan zijn. In artikel 4, eerste lid, van de Rvo is bepaald dat op de rijnvarende slechts de wetgeving van één enkele ondertekenende Staat van toepassing is. Artikel 5 van de Toepassingsverordening bepaalt dat de door het orgaan van een lidstaat voor de toepassing van de Basisverordening en de Toepassingsverordening afgegeven documenten over iemands situatie voor de organen van de andere lidstaten bindend zijn zolang de documenten niet door de lidstaat waar zij zijn afgegeven zijn ingetrokken of ongeldig zijn verklaard. Deze regels zijn erop gericht te voorkomen dat over dezelfde periode meer dan één A1-verklaring wordt afgegeven. Uit de regelgeving volgt daarom dat het Liechtensteinse orgaan op 15 oktober 2018 geen A1-verklaringen voor eisers had mogen afgeven, omdat er toen al door de Svb gegeven A1-verklaringen lagen die voor het Liechtensteinse orgaan bindend waren.



8.1.
Voor de in dit geding te beoordelen periodes zijn eerder geen A1-verklaringen door de Svb afgegeven. Wel waren de op 15 oktober 2018 door het Liechtensteinse orgaan afgegeven A1-verklaringen nog van kracht. Zoals deze rechtbank eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 11 september 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:6274), kan worden betoogd dat deze verklaringen moeten worden gerespecteerd, omdat eisers daaraan het vertrouwen konden ontlenen dat zij in Liechtenstein en niet in Nederland premieplichtig waren. Daartegenover staan echter zwaarwegende argumenten om aan deze verklaringen geen rechtskracht toe te kennen. Ten eerste hadden de Liechtensteinse A1-verklaringen in 2018 niet mogen worden afgegeven. Ten tweede heeft het Liechtensteinse orgaan reeds op 21 december 2019 aan de Svb meegedeeld niet langer vast te houden aan de voorlopige aanwijzing van de Liechtensteinse socialezekerheidswetgeving. Uit de brief van 12 januari 2024 blijkt bovendien dat de Liechtensteinse autoriteiten hun bezwaren tegen de door de Svb afgegeven A1-verklaringen op 19 december 2019 hebben ingetrokken en dat zij niet langer uitgaan van toepasselijkheid van de Liechtensteinse wetgeving. Met de brieven van 7 februari 2025 – dus nog voor de bestreden besluiten – heeft het Liechtensteinse verbindingsorgaan de op 15 oktober 2018 door hem afgegeven A1-verklaringen met terugwerkende kracht ingetrokken. Ten derde zijn er, afgezien van de A1-verklaringen zelf, geen aanwijzingen dat de Liechtensteinse socialezekerheidswetgeving op eisers van toepassing was. Toepassing van de Liechtensteinse A1-verklaringen zou daarom leiden tot een verzekeringsplicht contra legem. Het vertrouwensbeginsel kan verder niet afdoen aan de juiste toepassing van de Rvo. In een situatie van rechtstreekse toepassing van Unierecht, zoals hier aan de orde, geldt immers het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel, dat geen ruimte laat voor een contra legem toepassing (vgl. HvJ EU 14 september 2017, C-184/16, en de conclusie van [persoon] van 24 januari 2013, C-568/11). Dit vormt een vierde argument tegen toepassing van de Liechtensteinse A1-verklaringen.



8.2.
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat aan de argumenten tegen toepassing van de Liechtensteinse Al-verklaring meer gewicht moet worden toegekend dan aan de argumenten daarvoor. De Svb hoefde daarom geen rechtskracht meer toe te kennen aan de Liechtensteinse A1-verklaringen. De door eisers aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 oktober 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2609) geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat daaruit niet kan worden afgeleid dat Liechtensteinse A1-verklaringen ook moeten worden gerespecteerd als zij zijn afgegeven gedurende de looptijd van A1-verklaringen van de Svb, zoals in deze zaken aan de orde.



Onjuiste juridische grondslag, onbehoorlijk bestuur en vertraging



9. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat de Svb uitgaat van een onjuiste juridische grondslag. Anders dan zoals door hen is bepleit, is de bestreden besluitvorming gebaseerd op de aanwijsregels zoals opgenomen in de Rvo. Dit volgt uit de tekst van de bestreden besluiten, en is door de Svb ook bevestigd in de verweerschriften. De rechtbank volgt eisers ook niet in hun standpunt dat de Svb ten onrechte heeft gehandeld alsof een dialoogprocedure tussen Nederland en Liechtenstein kon worden gevoerd. Zoals terecht opgemerkt door de Svb in de verweerschriften, heeft zij geen dialoogprocedure gevolgd maar enkel gebruik gemaakt van haar bevoegdheid in het tweede lid van artikel 5 van de Toepassingsverordening. Op grond van die bepaling mag de Svb de lidstaat die een A1-verklaring heeft afgegeven verzoeken deze in te trekken of een nader onderzoek te verrichten naar de juistheid van de afgegeven A1-verklaring. De communicatie dan wel afstemming tussen de Svb en de Liechtensteinse autoriteiten is reeds hierom niet in strijd met de geldende procedurevoorschriften.

10. De rechtbank volgt eisers ook niet in hun stelling dat de Svb bezwaar heeft gemaakt tegen de Liechtensteinse A1-verklaring zonder zelf over feitelijke informatie te beschikken. De Svb is namelijk bevoegd om een A1-verklaring ambtshalve af te geven, ook zonder bezwaar te maken tegen A1-verklaringen van andere lidstaten. De rechtbank ziet in de dossierstukken ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de primaire besluiten zijn genomen op aandringen van de Belastingdienst, en dat zij met een oneigenlijk doel – naar eisers stellen om Nederlandse heffingen te ondersteunen – zijn afgegeven. De aanleiding voor de primaire besluiten was blijkens de bestreden besluitvorming en een memo van de Svb van 26 november 2024 namelijk een signaal van het Liechtensteinse verbindingsorgaan, waaruit bleek dat eisers gedurende langere tijd als Rijnvarende werkzaam waren voor [bedrijf] . Uit de bijlagen bij de door eisers overgelegde besluiten op grond van de Woo, in het bijzonder de e-mails van 17 mei 2023, 29 mei 2024 en 12 juli 2024, blijkt weliswaar dat de Svb en de Belastingdienst informatie hebben uitgewisseld, overleg hebben gevoerd en elkaar op de hoogte hebben gehouden van de stand van zaken rondom de A1-verklaringen van eisers, maar niet dat de Svb handelde in opdracht van, of op verzoek van de Belastingdienst. Naar het oordeel van de rechtbank geeft de betreffende correspondentie daarom geen aanleiding om te concluderen dat sprake is van schending van het verbod op détournement de pouvoir.

11. De rechtbank begrijpt dat eisers graag hadden gezien dat de A1-verklaringen eerder zouden zijn afgegeven. De omstandigheid dat de Svb mogelijk eerder had kunnen overgaan tot de bestreden besluitvorming, maakt deze echter niet onrechtmatig. Uit vaste rechtspraak volgt namelijk dat het Unierecht geen rechtsgevolgen verbindt aan de omstandigheid dat een bevoegd orgaan niet 'onverwijld' beslist. Het enkele tijdsverloop maakt de bestreden besluitvorming daarom niet onrechtmatig. Dat een A1-verklaring met terugwerkende kracht kan worden afgegeven, is in overeenstemming met vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU. In het arrest Banks is uitdrukkelijk overwogen dat een verklaring als de E101-verklaring (thans A1-verklaring) niet alleen vooraf, maar ook tijdens of na de betreffende periode mag worden afgegeven en zelfs terugwerkende kracht kan hebben. Dit is later bevestigd onder de huidige Basisverordening in het arrest Alpenrind (HvJ EU 6 september 2018, ECLI:EU:C:2018: 669). Gezien deze rechtspraak is de afgifte van een A1-verklaring met terugwerkende kracht rechtmatig, en past deze binnen het systeem van de Europese coördinatie van sociale zekerheid.

12. Het beroep van eisers op de brieven van de staatssecretaris van Financiën en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 december 2019 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, en op de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Financiën van 8 februari 2021 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, slaagt evenmin. In deze brieven is vermeld dat dubbele of onjuiste premieafdracht moet worden voorkomen door middel van een betere uitwisseling van informatie en het tijdig verschaffen van duidelijkheid. Anders dan eisers kennelijk menen, kunnen de genoemde brieven echter niet worden aangemerkt als beleid dan wel beleidsregels (als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, en artikel 4:81 van de Awb) waaraan de Svb is gebonden. De betreffende bewindspersonen zijn immers niet bevoegd tot het nemen van de in deze zaken bestreden besluiten. Bovendien bevatten de brieven geen concrete normen of beoordelingskaders aan de hand waarvan de rechtmatigheid van de bestreden besluitvorming kan worden getoetst. Gezien het voorgaande bestaat geen grond om de beslissingen van de Svb op dit punt onrechtmatig te achten.



Is sprake van schending van het evenredigheidsbeginsel?



13. Eisers voeren ter onderbouwing van hun beroep op het evenredigheidsbeginsel aan dat de Svb jarenlang heeft gedraald met het afgeven van een A1-verklaring, geen acht heeft geslagen op de Liechtensteinse verklaring en heeft nagelaten te streven naar een regularisatieovereenkomst. Door het uitblijven van een passende oplossing zijn de bestreden besluiten volgens eisers onevenredig nadelig, en in strijd met de menselijke maat. De rechtbank ziet echter geen ruimte voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel, omdat dit geding uitsluitend ziet op de vaststelling van de toepasselijke wetgeving op grond van het Unierecht. Bij herhaling heeft de CRvB geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 6 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1223, en van 18 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1489) dat in zo'n kader geen plaats is voor een evenredigheidstoets, zoals in deze zaken is bepleit. De rechtbank gaat om deze reden ook voorbij aan de e-mail van [eiser 1] van 20 april 2026, hoe invoelbaar de inhoud daarvan ook is.



Conclusie



14. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Omdat sprake was van een gebrek en artikel 6:22 van de Awb is toegepast, moet de Svb wel het griffierecht van € 53,- (per zaak) vergoeden. Eisers krijgen ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De beroepen tegen de bestreden besluiten zijn gelijktijdig behandeld op een zitting van de rechtbank. Verder zijn de (aanvullende) beroepschriften door dezelfde rechtsbijstandsverlener ingediend, en zijn de werkzaamheden in de betrokken zaken nagenoeg identiek. Hierdoor worden de zaken wat betreft de proceskosten beschouwd als één zaak, en worden de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868,-, op basis van twee punten (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van de rechtbank met ieder een waarde per punt van € 934,-), met wegingsfactor 1.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;
- bepaalt dat de Svb het griffierecht van (in totaal) € 106,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt de Svb tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.


Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzitter, en mr. S.A.M.L. van de Sande en mr. J. van Alphen, leden, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 7 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.





Bijlage: het relevante beoordelingskader



Basisverordening (Verordening (EG) nr. 883/2004)




In de artikelen 11 tot en met 15 van de Basisverordening is bepaald welke sociale-zekerheidswetgeving van toepassing is.



Artikel 16, eerste lid, van de Basisverordening bepaalt dat twee of meer lidstaten, de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten of de door deze autoriteiten aangewezen instellingen in onderlinge overeenstemming in het belang van bepaalde personen of groepen personen, uitzonderingen op de artikelen 11 tot en met 15 kunnen vaststellen.



Met het sluiten van de Rijnvarendenovereenkomst (Rvo) is gebruik gemaakt van de mogelijkheid van artikel 16 om een uitzondering te maken. Liechtenstein is toegetreden tot de Rvo per 1 september 2018.




Rvo




In artikel 4, eerste lid van de Rvo is bepaald dat op de Rijnvarende slechts de wetgeving van één enkele Ondertekenende Staat van toepassing is. In het tweede lid is bepaald dat op de rijnvarende de wetgeving van toepassing is van de Ondertekenende Staat op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het in artikel 1, sub c bedoelde schip behoort, aan boord waarvan deze rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht.
In voornoemd artikel 1, aanhef en sub c van de Rvo wordt onder ‘de onderneming waartoe het schip behoort’ de onderneming of vennootschap verstaan die het betrokken schip exploiteert, ongeacht of deze eigenaar van het schip is of niet.



In artikel 5 van de Rvo is bepaald dat de Svb op verzoek van de werkgever of werknemer op grond van deze overeenkomst bepaalt welke wetgeving van toepassing is en gedurende welke periode.




Toepassingsverordening (Verordening (EG) nr. 987/2009)




Artikel 5, eerste lid, van de Toepassingsverordening bepaalt dat de door een orgaan van een lidstaat afgegeven documenten en de onderliggende bewijsstukken, voor de toepassing van de basisverordening en de toepassingsverordening, bindend zijn voor de organen van andere lidstaten zolang deze niet door de lidstaat van afgifte zijn ingetrokken of ongeldig verklaard. In het tweede lid is bepaald dat, indien twijfel bestaat over de geldigheid van een document of de juistheid van de daaraan ten grondslag liggende feiten, het orgaan van de ontvangende lidstaat het orgaan van afgifte verzoekt om opheldering en zo nodig om intrekking van het document. Het orgaan van afgifte heroverweegt vervolgens de gronden voor afgifte en, indien nodig, de intrekking daarvan.