Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6064
2026-07-06
Bestuursrecht
BRE 25/3522
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
wht. Afwijzing, geen vooringenomenheid of hardheid van het stelsel.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2025:3141 Raad van State 09-07-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (31.954 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3522
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
Dienst Toeslagen.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers verzoek om compensatie in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen op goede gronden heeft geoordeeld dat eiser geen recht heeft op compensatie. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2
Onder 2 staat de voorgeschiedenis. Onder 3 staat het procesverloop. Vanaf punt 4 volgt de beoordeling van de rechtbank, waarbij eerst de grondslag van het bestreden besluit wordt genoemd (punt 4) en de standpunten van partijen (punten 5 tot en met 6). Onder punt 7 wordt de omvang van het geschil besproken en onder punt 8 het toetsingskader. De rechtbank bespreekt in punt 9 of alle relevante stukken zijn overgelegd, in punt 10 of er sprake is van vooringenomen handelen en onder punt 11 of er sprake is van hardheid van de toepassing van het systeem. Onder punt 12 staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Voorgeschiedenis
2. Eiser heeft over een aantal jaren kinderopvangtoeslag ontvangen. Voor deze beroepszaak is alleen de besluitvorming over het jaar 2018 van belang.2.1 Met betrekking tot het jaar 2018 zijn er diverse besluiten afgegeven. Op 21 februari 2018 is een voorschotbeschikking afgegeven waarbij de toeslag over het jaar 2018 op € 7.304 is vastgesteld. Daarna zijn de voorschotten aangepast naar € 7.965 en € 4.646.
2.2
Met de brief van 6 juni 2019 is aan eiser meegedeeld dat de Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag over het jaar 2018 wil controleren en definitief wil vaststellen. In dat verband is aan eiser gevraagd om een antwoordformulier en de jaaropgave(n) van de kinderopvang vóór 20 juni 2019 op te sturen. Met de brief van 22 augustus 2019 heeft de Dienst Toeslagen een herinnering gestuurd aan eiser. Eiser heeft de gevraagde stukken niet aangeleverd.
2.3
Met de brief van 12 maart 2020 is aan eiser meegedeeld dat de gevraagde stukken niet zijn aangeleverd en dat daarom het recht op toeslag over 2018 niet vastgesteld kan worden. De toeslag zal worden gestopt en wat er is betaald zal hij moeten terugbetalen. Met het besluit van 3 april 2020 is de toeslag over 2018 vervolgens op nihil gezet. Het bezwaar dat eiser tegen dit besluit heeft ingediend is op 16 juli 2020 ongegrond verklaard.
2.4
Op 31 augustus 2020 heeft eiser een verzoek ingediend om het recht op kinderopvangtoeslag te herzien. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij in alle hectiek is vergeten om de jaaropgave toe te zenden. Bij zijn herzieningsverzoek heeft hij deze alsnog overgelegd.
2.5
Met het besluit van 4 november 2020 heeft de Dienst Toeslagen meegedeeld dat aan eisers verzoek tegemoet wordt gekomen en dat de toeslag opnieuw berekend zal worden. Met het besluit van 31 december 2020 is de toeslag over 2018 vastgesteld op € 3.672. Eiser heeft een nabetaling ontvangen.
Procesverloop
3. Eiser heeft verzocht om een herbeoordeling van zijn kinderopvangtoeslag.
Met het besluit van 2 november 2023 is aan eiser meegedeeld dat hij geen recht heeft op een vergoeding. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2
De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser en namens de Dienst Toeslagen mr. [persoon] .
3.3
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.
Beoordeling door de rechtbank
Grondslag bestreden besluit en nadere motivering in beroep
4. Aan het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen ten grondslag gelegd dat de besluiten tot nihilstelling en terugvordering van na 23 oktober 2019 zijn en daarom buiten het behandelkader van de Wht vallen. Eiser heeft daarom geen recht op compensatie op grond van vooringenomen handelen of hardheid van het systeem. 4.1 Hangende beroep heeft de Dienst Toeslagen met de brief van 12 januari 2026 de motivering van het bestreden besluit aangevuld. De Dienst Toeslagen stelt dat de stopbrief van 12 maart 2020 en de daaruit volgende nihilbeschikking van 3 april 2020 dateren van na 23 oktober 2019 (de peildatum voor de compensatieregeling) maar er wel een rechtstreeks verband is tussen de verzoeken om informatie die hebben plaatsgevonden voor 23 oktober 2019 en de nihilstelling daarna. De Dienst Toeslagen heeft daarom alsnog beoordeeld of er sprake was van vooringenomenheid of hardheid bij de stopzetting/nihilstelling van de toeslag. De Dienst Toeslagen is van mening dat hiervan geen sprake was. De stopzetting/nihilstelling heeft plaatsgevonden omdat eiser niet heeft gereageerd op verzoeken om informatie, terwijl hij daarvoor wel voldoende gelegenheid is geboden. Nadat eiser de jaaropgave heeft verstrekt, is alsnog de toeslag juist vastgesteld. De (afwikkeling van de) bezwaarprocedure kan niet worden meegenomen bij de beoordeling of er recht op compensatie bestaat omdat die na 23 oktober 2019 heeft plaatsgevonden en er geen rechtstreeks verband bestaat met de beslissingen en handelingen voor die datum die hebben geleid tot de nihilstelling.
Standpunt eiser
5. Eiser heeft, zakelijk weergegeven, gesteld dat een onvolledig dossier is verstrekt en dat het besluit is genomen in strijd met de zorgvuldigheids- en motiveringseisen. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft eiser gewezen op een aantal bijzonderheden/termen die hij heeft aangetroffen in zijn dossier. Eiser heeft ook gesteld dat stukken uit het Toeslagen Verstrekkingen Systeem (TVS) over de jaren 2018 en 2019 ontbreken terwijl deze stukken bepalend zijn voor de peildatum. Deze stukken zijn volgens eiser voldoende concreet benoemd en zijn nodig om te controleren of er juist is gehandeld door de Dienst Toeslagen, onder meer om duidelijk te krijgen waarom er een uitvraag is gestart op 6 juni 2019. Eiser heeft in dit kader gesteld dat, nu de Dienst Toeslagen ook de stopbrief en nihilbeslissing heeft betrokken bij zijn beoordeling, er een noodzaak bestaat om de bronbasis van deze toets controleerbaar te maken. Daarom moeten de dossierdragers, vindplaatsen van de startcontext, triggers en andere aspecten van die beoordeling (zoals weging van kenbaarheid en doenvermogen) inzichtelijk worden gemaakt. Dit geldt volgens eiser te meer omdat de huurtoeslag per 1 februari 2020 is stopgezet en dat dit valt in dezelfde periode als het traject binnen de kinderopvangtoeslag richting de stopzetting en nihilstelling.
5.1
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van vooringenomenheid in de fase van de nihilstelling. De Dienst Toeslagen mocht informatie opvragen, maar heeft daarbij niet juist gehandeld. Hem wordt verweten dat hij niet heeft gereageerd (non-respons), terwijl een contra-indicatie al voldoende is om geen non-respons aan te nemen. Die contra-indicatie ligt in het feit dat hij bij de inspecteur heeft gemeld dat hij problemen had met zijn administratie en de opgave van zijn inkomen uit onderneming. Met de inspecteur was hij in gesprek om tot een oplossing te komen. Hij heeft zijn hulpvraag bsn-breed kenbaar heeft gemaakt zodat het verzoek om uitstel niet vernauwd kan worden tot het ondernemersloket. De Dienst Toeslagen had hiermee rekening moeten houden bij het opvragen van gegevens voor de kinderopvangtoeslag over 2018.
5.2
Verder heeft hij opgemerkt dat de bezwaarprocedure inzake de nihilstelling niet zorgvuldig is doorlopen. Dit moet volgens eiser ook betrokken worden bij de beoordeling of er sprake is van vooringenomenheid. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is geweest van een verzwaring van de bewijslast doordat in de bezwaarprocedure niet alleen een jaaropgave werd gevraagd maar ook een overzicht van gewerkte uren, terwijl later in de herzieningsbeslissing enkel op grond van de jaaropgave aan eiser is tegemoetgekomen. Hij heeft nog voor de beslissing op bezwaar de jaaropgave overgelegd en er is ten onrechte gesteld dat er geen telefoonnummer van hem bekend was.
5.3
Volgens eiser is er ook sprake van hardheid. Zijn toeslag is immers na herziening vastgesteld op € 3.672, zodat de drempel van € 1.500 is gehaald.
5.4
Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft eiser een aantal stukken overgelegd.
Verweer Dienst Toeslagen
6. Met de brief van 7 november 2025 heeft de Dienst Toeslagen een nadere toelichting gegeven op de overgelegde stukken. Gesteld is dat alle relevante gegevens over de kinderopvangtoeslag in de jaren die herbeoordeeld zijn, zijn opgenomen. Als eiser meent dat er nog relevante informatie ontbreekt moet hij concreet maken welke stukken ontbreken en waarom die relevant zijn voor de beoordeling van het geschil. De termen die eiser noemt zijn algemeen technische aanduidingen, zonder duidelijke verwijzing naar concrete documenten. Met betrekking tot de opmerking over ontbrekende TVS-gegevens, heeft de Dienst Toeslagen verwezen naar TVS-prints in het ouderdossier. Ter toelichting heeft de Dienst Toeslagen nog opgemerkt dat de term “ [term] ” bij een beoordeling in juni 2014 betrekking heeft op de zorgtoeslag en dat in dat kader destijds onderzocht is of er een toeslagpartner was. Ook heeft de Dienst Toeslagen opgemerkt dat de stopzetting van de huurtoeslag geen verband heeft met de stopzetting van de kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen is van mening dat er geen gegevens ontbreken.
6.1
De Dienst Toeslagen is van mening dat het besluit voldoende is gemotiveerd en ook zorgvuldig is voorbereid. Voor wat betreft het jaar 2018 is gesteld dat de eerste verlaging van de kinderopvangtoeslag het gevolg was van een door de ouder zelf doorgegeven stopzetting met ingang van 1 augustus 2018. Dit is een reguliere wijziging en getuigt niet van vooringenomenheid of hardheid van het stelsel.
6.2
Met het oog op de definitieve vaststelling van het recht over het jaar 2018 is vanaf 6 juni 2019 herhaaldelijk gevraagd om stukken over te leggen. Eiser is ruimschoots in de gelegenheid gesteld om de gevraagde stukken over te leggen. Omdat eiser geen stukken heeft overgelegd kon het recht niet worden vastgesteld en is de toeslag op nihil gesteld. Er is hierbij de nodige zorgvuldigheid betracht, zodat ook hier geen sprake is van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel. Eisers persoonlijke omstandigheden maken dit niet anders. Hij heeft niet bij de Dienst Toeslagen om uitstel gevraagd voor het inleveren van gegevens. Het verzoek om uitstel dat eiser als ondernemer heeft gedaan aan de Dienst inkomensheffing en zijn vraag om hulp bij het afhandelen van zijn administratieve verplichtingen, is niet automatisch van toepassing op verzoeken om informatie van de Dienst Toeslagen waarop hij als ouder moet reageren.
6.3
Verder heeft de Dienst Toeslagen nog opgemerkt dat ondanks de aanvankelijke nihilstelling over het jaar 2018 eiser uiteindelijk toch nog heeft gekregen waar hij recht op had, zodat er geen sprake is van een benadeling. Dit bewijst volgens de Dienst Toeslagen dat de nihilstelling enkel is gedaan vanwege het ontbreken van gegevens en niet vanwege vooringenomenheid.
Overwegingen rechtbank
Wat is de omvang van het geschil?
7. Ter zitting is de omvang van het geschil besproken. Eiser heeft desgevraagd aangegeven dat het geschil beperkt is tot de vraag of er over het jaar 2018 sprake is geweest van vooringenomen handelen of hardheid van het systeem.
Wat is het toetsingskader?
8. Recht op compensatie bestaat als er sprake is geweest van een van de volgende situaties:
er is schade geleden doordat er voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid.
Er is sprake van onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
8.1
Bij de beoordeling of recht op compensatie bestaat, zijn in beginsel dus alleen die beslissingen/handelingen van de Dienst Toeslagen van belang die voor 23 oktober 2019 hebben plaatsgevonden. Als er sprake is van beslissingen of handelingen na 23 oktober 2019, maar waarbij er een causaal verband is met een beslissing of handelingen van voor 23 oktober 2019 dan kan die beslissing of handeling ook meegenomen worden bij de beoordeling.
8.2
De rechtbank stelt vast dat er in het jaar 2018 alleen op 21 september 2018 een neerwaartse bijstelling heeft plaatsgevonden. Uit de stukken blijkt echter dat deze bijstelling is gedaan omdat de ouder zelf de toeslag heeft stopgezet. Van deze neerwaartse bijstelling kan daarom niet worden gezegd dat er sprake was van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel. Dit wordt overigens ook niet gesteld door eiser.
8.3
Uit het dossier blijkt verder dat er voorafgaand aan 23 oktober 2019 brieven zijn verstuurd aan eiser met het verzoek om informatie te verstrekken. Omdat eiser geen informatie heeft verstrekt is met het besluit van 3 april 2020 de toeslag over het jaar 2018 op nihil gezet. Omdat deze nihilstelling in causaal verband staat met de uitvraag die voor 23 oktober 2019 heeft plaatsgevonden, zal beoordeeld moeten worden of er bij deze nihilstelling sprake was van vooringenomenheid of hardheid van het stelsel.
8.4
Met betrekking tot de nihilstelling heeft er een bezwaarprocedure plaatsgevonden in 2020. Het handelen van de Dienst Toeslagen in deze bezwaarprocedure heeft dus na 23 oktober 2019 plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat het handelen in deze bezwaarprocedure in een te ver verwijderd verband staat tot het opvragen van de informatie. Handelingen of beslissingen in de bezwaarprocedure kunnen daarom niet betrokken worden bij de vraag of er recht bestaat op compensatie. De opmerkingen van eiser over de bezwaarprocedure, zoals de verzwaring van de bewijslast, het ontbreken van een telefoonnummer en dat de Dienst Toeslagen ten tijde van de bezwaarprocedure al de beschikking had over een jaaropgave, blijven daarom bij deze beoordeling buiten beschouwing.
Zijn alle relevante stukken overgelegd?
9 De Dienst toeslagen moet alle relevante stukken die op de zaak betrekking hebben overleggen. Uit vaste rechtspraak volgt dat dit alle stukken zijn die het bestuursorgaan ter beschikking staan of hebben gestaan bij het nemen van het besluit en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van het geschil. Gelet op de omvang van het geschil gaat het hier om stukken die relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of er over het jaar 2018 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen of hardheid van het systeem.
9.1
De Dienst Toeslagen heeft desgevraagd toegelicht en gemotiveerd dat alle op het geschil betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar wat hiervoor onder punt 6 is opgenomen.
9.2
De rechtbank overweegt dat de door eiser genoemde stukken die zien op gebeurtenissen in de bezwaarfase van de nihilstelling (zoals door eiser genoemde ‘auditlogs’ en ‘doclogs’ betreffende contacten in de bezwaarfase, het al dan niet bekend zijn van zijn telefoonnummer en het voor de beslissing op bezwaar opsturen van informatie) niet aan het bestreden besluit ten grondslag liggen. De Dienst Toeslagen heeft immers dat handelen in de bezwaarfase niet inhoudelijk beoordeeld, zoals hiervoor onder 4 en 4.1 overwogen, wat door de rechtbank onder 8.4 als terecht is geoordeeld. Al om die reden kan niet geconcludeerd worden dat stukken betreffende de bezwaarfase (voor zover niet overgelegd) ten onrechte ontbreken.
9.3
Verder merkt de rechtbank op dat de opmerking die eiser heeft gemaakt over de term “ [term] ” niet langer door hem is gehandhaafd, nadat de Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat deze term zag op het toe te passen criterium, bedacht door [term] , over het begrip toeslagpartner bij de zorgtoeslag. Deze opmerking hoeft daarom niet verder besproken te worden.
9.4
Gelet op de reactie van Dienst Toeslagen en in samenhang bezien met alle overgelegde stukken is de rechtbank van oordeel dat ook op de in deze procedure te beoordelen punten alle relevante stukken zijn overgelegd die nodig zijn voor de beoordeling van het geschil. Eiser heeft weliswaar gesteld dat er meer of andere stukken zijn waaruit volgens hem blijkt dat er sprake is van vooringenomen handelen, maar die stellingen zijn onvoldoende onderbouwd om te oordelen dat er ontbrekende relevante stukken zijn. Met de argumenten die eiser heeft aangevoerd is namelijk niet concreet en aannemelijk geworden dat er relevante stukken ontbreken, die nodig zijn voor het beoordelen van het geschil zoals dat onder 8.1 tot en met 8.3 is vermeld. Ter verduidelijking aan eiser waarom zijn stelling over ontbrekende stukken onvoldoende onderbouwd is, zal de rechtbank hierna een aantal door eiser opgesomde argumenten/opmerkingen bespreken.
Versie A/B en causaliteitsanalyseEiser heeft gesteld dat er twee verschillende versies zijn van de interne analyse van de Dienst Toeslagen, aangezien een zinsnede over de causaliteit verschilt. Volgens eiser is niet duidelijk welke versie is voorgelegd aan de Commissie van Wijzen. Deze stelling onderbouwt echter niet dat er meer of andere stukken moeten zijn. Het advies van de Commissie van Wijzen is immers al gegeven op 3 oktober 2023. Pas met de brief van 12 januari 2026 heeft de Dienst Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat causaliteit aangenomen kan worden tussen de stopbrief, de nihilstelling en de gegevensuitvraag voor 23 oktober 2019. Vervolgens is inhoudelijk getoetst of er bij die stopbrief/nihilstelling sprake is geweest van vooringenomenheid. Dit verklaart de twee verschillende versies van de interne analyse. Overigens heeft de Commissie van Wijzen in zijn advies ook al een oordeel gegeven over de nihilstelling. Opgemerkt is immers dat deze nihilstelling heeft plaatsgevonden vanwege het feit dat eiser geen informatie heeft verstrekt en dat daardoor het recht op toeslag niet vastgesteld kon worden.
Term ‘contra info’ in het TVS-overzichtVolgens eiser is zonder nadere stukken niet te controleren welke raadplegingen zijn verricht en welke beoordelingsstappen zijn vastgelegd. De rechtbank overweegt dat uit de TVS print echter blijkt dat de term ‘contra info’ op 6 juni 2019 is opgenomen in verband met het definitief vaststellen van het recht op toeslag. Daarbij is vermeld dat gewacht moet worden op reactie en behandeling van de vraagbrief. Gelet op deze beschrijving is het voor de rechtbank duidelijk dat de start van de uitvraag gerelateerd is aan het ontbreken van gegevens en dat deze opgevraagd moeten worden. Het gaat hierbij dan om de normale uitvraag van gegevens die nodig zijn om het recht definitief vast te stellen. Bij de afvoerdatum staat 4 maart 2020 en deze datum ligt kort voor de datum van de stopbrief. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het enkele feit dat de gevraagde gegevens niet zijn verstrekt, de reden is geweest voor de stopbrief en nihilstelling. Uit deze registratie volgt in ieder geval niet dat er nog andere raadplegingen of beoordelingsstappen zijn geweest. Uit de term ‘contra info’ kan dan ook niet de conclusie worden getrokken dat er stukken ontbreken.
Geen controleerbare vastlegging in de viewer. Eiser heeft gesteld dat er in het jaar 2018 geen gegevens zijn opgenomen in de viewer. Gelet hierop is eiser van mening dat niet toetsbaar is welke gegevens daadwerkelijk zijn geraadpleegd en of deze de daaropvolgende beoordeling hebben gedragen. Ter zitting heeft de Dienst Toeslagen toegelicht dat een reguliere uitvraag niet als werkitem in de viewer komt te staan. De reguliere uitvraagbrieven worden automatisch verstuurd en komen daarom niet als actie in de viewer te staan. Volgens de Dienst Toeslagen is het verder juist aannemelijk dat sprake was van een reguliere uitvraag en eiser niet onder intensief toezicht stond, nu er geen acties in de viewer staan. Deze uitleg kan de rechtbank volgen. Daarbij heeft de rechtbank ook betrokken dat in het hele dossier consistent is weergegeven dat er sprake is van ontbrekende gegevens en dat daarom de toeslag op nihil is gesteld. Dit wordt overigens ook nog bevestigd door het feit dat, nadat eiser de jaaropgave had overgelegd bij zijn verzoek om herziening, de toeslag meteen is gecorrigeerd en definitief is vastgesteld.
9.5
Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat eiser de indruk heeft gekregen dat er een relatie is met de problemen die hij heeft ervaren met de huurtoeslag, bevat het dossier geen enkele aanwijzing dat er andere redenen zijn geweest dan het ontbreken van gegevens, om de kinderopvangtoeslag op nihil te zetten. Het is logisch en gebruikelijk dat er verifieerbare gegevens worden opgevraagd over de opvanguren voordat het recht op toeslag definitief kan worden vastgesteld. Omdat er geen aanwijzingen zijn dat er een relatie is tussen de stopzetting van de huurtoeslag en de problemen met de inkomstenbelasting, bestaat er geen aanleiding om de Dienst Toeslagen te vragen daarover stukken over te leggen.
9.6
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat alle stukken die van belang zijn voor de beoordeling van het geschil zijn overgelegd. Eiser wordt dus niet gevolgd in zijn stelling dat er meer overgelegd moet worden.
Is sprake van vooringenomen handelen?
10. Ten aanzien van de vraagtekens die eiser stelt bij de start van de uitvraag van gegevens in 2019 overweegt de rechtbank dat de uitvraag naar opvanguren binnen de normale uitvraag valt die de Dienst Toeslagen moet doen om de rechtmatigheid van de betaalde toeslag te kunnen beoordelen. Dat staat ook vermeld in de eerste opvraagbrief van 6 juni 2019. Eiser is ruim in de gelegenheid gesteld om stukken in te brengen of uitstel te vragen voordat tot nihilstelling op 3 april 2020 werd overgegaan. Dat eiser op 13 augustus 2019 bij de inkomstenbelasting gevraagd heeft om uitstel betekent niet dat dit verzoek ook aangemerkt moet worden als een verzoek om uitstel voor het inleveren van de gevraagde stukken in het kader van de beoordeling of de kinderopvangtoeslag rechtmatig is verstrekt. Het overgelegde verzoek tot uitstel was niet (ook) aan de Dienst Toeslagen gericht. Het gaat hier om gescheiden afdelingen binnen de belastingdienst die niet verplicht zijn onderling informatie met elkaar te delen. De stelling van eiser dat hij een bsn-brede melding heeft gedaan, is niet onderbouwd. Anders dan eiser lijkt te stellen wordt er binnen de diverse afdelingen ook niet bsn-breed gewerkt, in die zin dat alle informatie met andere afdelingen wordt gedeeld. De Dienst Toeslagen was daarom niet op de hoogte van de persoonlijke omstandigheden van eiser en had daarvan ook niet op de hoogte moeten zijn. Het had op de weg van eiser gelegen om die omstandigheden (ook) te melden bij Dienst Toeslagen als hij daardoor niet in staat was om de gevraagde stukken over te leggen.
10.1
Verder acht de rechtbank het van belang dat een vooraankondiging is verstuurd dat de toeslag op nihil zal worden gesteld. Met de ontvangst daarvan moet ook aan eiser duidelijk zijn geweest dat de Dienst Toeslagen niet bekend was met zijn verzoek om uitstel bij de inkomstenbelasting. Eiser had op de vooraankondiging kunnen reageren en dat had ook van hem verwacht mogen worden. Ook het gegeven dat er tussen de eerste uitvraag en de daadwerkelijke nihilstelling een periode van meer dan een half jaar is gelegen heeft de rechtbank hierbij betrokken. Eiser is dus ruimschoots in de gelegenheid geweest om de gevraagde stukken over te leggen of contact te zoeken met de Dienst Toeslagen om zijn persoonlijke situatie uit te leggen. Omdat de Dienst Toeslagen niet op de hoogte was of kon zijn van de persoonlijke omstandigheden van eiser heeft hij daarmee bij de nihilstelling ook geen rekening kunnen houden. Dat er geen rekening is gehouden met eisers persoonlijke omstandigheden is dus niet veroorzaakt door vooringenomen handelen.
10.2
Eisers stelling dat ten onrechte is aangenomen dat er sprake was van een non-respons volgt de rechtbank niet. Zoals hiervoor ook al overwogen heeft eiser ondanks diverse uitvraagmomenten de gevraagde informatie niet overgelegd. Dit kan niet anders uitgelegd worden als dat eiser niet heeft gereageerd en dat er dus sprake is geweest van non-respons.
10.3
De stelling van eiser dat er in de opvraagbrief vermeld staat dat het recht op basis van de beschikbare gegevens vastgesteld zal worden als er geen gegevens worden overgelegd, maakt ook niet dat de Dienst Toeslagen niet tot een nihilstelling van de toeslag heeft kunnen komen. Zonder opgaaf van de uren dat er opvang is genoten kan het recht immers niet vastgesteld worden. Overigens staat in de opvraagbrief ook vermeld dat als het recht niet beoordeeld kan worden, de toeslag stopgezet zal worden.
10.4
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de rechtbank van oordeel is dat de Dienst Toeslagen terecht heeft gesteld dat er geen sprake is geweest van vooringenomen handelen.
Is sprake van hardheid van de toepassing van het systeem?
11. Van hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijk stelsel, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wht is sprake als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen. Hierbij is de drempel van € 1.500 van belang.
11.1
De rechtbank overweegt dat niet gebleken is dat sprake is van een van de situaties zoals genoemd onder punt 11. De toeslag is immers met het besluit van 31 december 2020 definitief vastgesteld op basis van de daadwerkelijk afgenomen opvanguren. Deze vaststelling heeft ook geleid tot een nabetaling. Eiser heeft dus gekregen waar hij recht op had. Ter zitting heeft eiser ook erkend dat er uiteindelijk geen sprake meer is geweest van een terugvordering.
11.3
Andere omstandigheden waaruit opgemaakt zou kunnen worden dat er sprake was van hardheid van de toepassing van het systeem zijn niet gesteld en zijn de rechtbank ook niet gebleken. De rechtbank kan de Dienst Toeslagen dan ook volgen in zijn stelling dat er geen sprake is geweest van hardheid bij de toepassing van het wettelijk stelsel.
Conclusie en gevolgen
12. Uit alles wat hiervoor is overwogen blijkt dat Dienst Toeslagen op goede gronden heeft geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor compensatie. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.
12.1
Omdat de Dienst Toeslagen pas met de brief van 12 januari 2026 een toereikende motivering heeft gegeven, is er sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank zal dit gebrek passeren op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Eiser heeft immers op die aanvullende motivering kunnen reageren. Omdat artikel 6:22 van de Awb is toegepast, bestaat er aanleiding om de Dienst Toeslagen te veroordelen in de proceskosten van eiser. Ook moet de Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiser vergoeden.
12.2
De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde wordt een vast bedrag per proceshandeling vergoed. Ten tijde van het indienen van het beroep had eiser nog een gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend, zodat er sprake is van één proceshandeling. Anders dan de Dienst Toeslagen ter zitting heeft gesteld was dit geen pro forma beroepschrift. In het beroep is immers een beroepsgrond opgenomen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om een lagere wegingsfactor dan 1 toe te kennen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande rechter, in aanwezigheid van A.J.M. van Hees griffier, op 6 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zie overweging 7
Met de beschikkingen van 23 juli 2018 respectievelijk 21 september 2018
Artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen.
ECLI:NL:RVS:2025:3141
Reactie van 21 januari 2026, onder punt 7.2
Kamerstukken II, 2021/2022, 36 151, nr. 3, blz. 71
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3522
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
Dienst Toeslagen.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers verzoek om compensatie in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen op goede gronden heeft geoordeeld dat eiser geen recht heeft op compensatie. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2
Onder 2 staat de voorgeschiedenis. Onder 3 staat het procesverloop. Vanaf punt 4 volgt de beoordeling van de rechtbank, waarbij eerst de grondslag van het bestreden besluit wordt genoemd (punt 4) en de standpunten van partijen (punten 5 tot en met 6). Onder punt 7 wordt de omvang van het geschil besproken en onder punt 8 het toetsingskader. De rechtbank bespreekt in punt 9 of alle relevante stukken zijn overgelegd, in punt 10 of er sprake is van vooringenomen handelen en onder punt 11 of er sprake is van hardheid van de toepassing van het systeem. Onder punt 12 staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Voorgeschiedenis
2. Eiser heeft over een aantal jaren kinderopvangtoeslag ontvangen. Voor deze beroepszaak is alleen de besluitvorming over het jaar 2018 van belang.2.1 Met betrekking tot het jaar 2018 zijn er diverse besluiten afgegeven. Op 21 februari 2018 is een voorschotbeschikking afgegeven waarbij de toeslag over het jaar 2018 op € 7.304 is vastgesteld. Daarna zijn de voorschotten aangepast naar € 7.965 en € 4.646.
2.2
Met de brief van 6 juni 2019 is aan eiser meegedeeld dat de Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag over het jaar 2018 wil controleren en definitief wil vaststellen. In dat verband is aan eiser gevraagd om een antwoordformulier en de jaaropgave(n) van de kinderopvang vóór 20 juni 2019 op te sturen. Met de brief van 22 augustus 2019 heeft de Dienst Toeslagen een herinnering gestuurd aan eiser. Eiser heeft de gevraagde stukken niet aangeleverd.
2.3
Met de brief van 12 maart 2020 is aan eiser meegedeeld dat de gevraagde stukken niet zijn aangeleverd en dat daarom het recht op toeslag over 2018 niet vastgesteld kan worden. De toeslag zal worden gestopt en wat er is betaald zal hij moeten terugbetalen. Met het besluit van 3 april 2020 is de toeslag over 2018 vervolgens op nihil gezet. Het bezwaar dat eiser tegen dit besluit heeft ingediend is op 16 juli 2020 ongegrond verklaard.
2.4
Op 31 augustus 2020 heeft eiser een verzoek ingediend om het recht op kinderopvangtoeslag te herzien. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij in alle hectiek is vergeten om de jaaropgave toe te zenden. Bij zijn herzieningsverzoek heeft hij deze alsnog overgelegd.
2.5
Met het besluit van 4 november 2020 heeft de Dienst Toeslagen meegedeeld dat aan eisers verzoek tegemoet wordt gekomen en dat de toeslag opnieuw berekend zal worden. Met het besluit van 31 december 2020 is de toeslag over 2018 vastgesteld op € 3.672. Eiser heeft een nabetaling ontvangen.
Procesverloop
3. Eiser heeft verzocht om een herbeoordeling van zijn kinderopvangtoeslag.
Met het besluit van 2 november 2023 is aan eiser meegedeeld dat hij geen recht heeft op een vergoeding. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2
De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser en namens de Dienst Toeslagen mr. [persoon] .
3.3
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.
Beoordeling door de rechtbank
Grondslag bestreden besluit en nadere motivering in beroep
4. Aan het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen ten grondslag gelegd dat de besluiten tot nihilstelling en terugvordering van na 23 oktober 2019 zijn en daarom buiten het behandelkader van de Wht vallen. Eiser heeft daarom geen recht op compensatie op grond van vooringenomen handelen of hardheid van het systeem. 4.1 Hangende beroep heeft de Dienst Toeslagen met de brief van 12 januari 2026 de motivering van het bestreden besluit aangevuld. De Dienst Toeslagen stelt dat de stopbrief van 12 maart 2020 en de daaruit volgende nihilbeschikking van 3 april 2020 dateren van na 23 oktober 2019 (de peildatum voor de compensatieregeling) maar er wel een rechtstreeks verband is tussen de verzoeken om informatie die hebben plaatsgevonden voor 23 oktober 2019 en de nihilstelling daarna. De Dienst Toeslagen heeft daarom alsnog beoordeeld of er sprake was van vooringenomenheid of hardheid bij de stopzetting/nihilstelling van de toeslag. De Dienst Toeslagen is van mening dat hiervan geen sprake was. De stopzetting/nihilstelling heeft plaatsgevonden omdat eiser niet heeft gereageerd op verzoeken om informatie, terwijl hij daarvoor wel voldoende gelegenheid is geboden. Nadat eiser de jaaropgave heeft verstrekt, is alsnog de toeslag juist vastgesteld. De (afwikkeling van de) bezwaarprocedure kan niet worden meegenomen bij de beoordeling of er recht op compensatie bestaat omdat die na 23 oktober 2019 heeft plaatsgevonden en er geen rechtstreeks verband bestaat met de beslissingen en handelingen voor die datum die hebben geleid tot de nihilstelling.
Standpunt eiser
5. Eiser heeft, zakelijk weergegeven, gesteld dat een onvolledig dossier is verstrekt en dat het besluit is genomen in strijd met de zorgvuldigheids- en motiveringseisen. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft eiser gewezen op een aantal bijzonderheden/termen die hij heeft aangetroffen in zijn dossier. Eiser heeft ook gesteld dat stukken uit het Toeslagen Verstrekkingen Systeem (TVS) over de jaren 2018 en 2019 ontbreken terwijl deze stukken bepalend zijn voor de peildatum. Deze stukken zijn volgens eiser voldoende concreet benoemd en zijn nodig om te controleren of er juist is gehandeld door de Dienst Toeslagen, onder meer om duidelijk te krijgen waarom er een uitvraag is gestart op 6 juni 2019. Eiser heeft in dit kader gesteld dat, nu de Dienst Toeslagen ook de stopbrief en nihilbeslissing heeft betrokken bij zijn beoordeling, er een noodzaak bestaat om de bronbasis van deze toets controleerbaar te maken. Daarom moeten de dossierdragers, vindplaatsen van de startcontext, triggers en andere aspecten van die beoordeling (zoals weging van kenbaarheid en doenvermogen) inzichtelijk worden gemaakt. Dit geldt volgens eiser te meer omdat de huurtoeslag per 1 februari 2020 is stopgezet en dat dit valt in dezelfde periode als het traject binnen de kinderopvangtoeslag richting de stopzetting en nihilstelling.
5.1
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van vooringenomenheid in de fase van de nihilstelling. De Dienst Toeslagen mocht informatie opvragen, maar heeft daarbij niet juist gehandeld. Hem wordt verweten dat hij niet heeft gereageerd (non-respons), terwijl een contra-indicatie al voldoende is om geen non-respons aan te nemen. Die contra-indicatie ligt in het feit dat hij bij de inspecteur heeft gemeld dat hij problemen had met zijn administratie en de opgave van zijn inkomen uit onderneming. Met de inspecteur was hij in gesprek om tot een oplossing te komen. Hij heeft zijn hulpvraag bsn-breed kenbaar heeft gemaakt zodat het verzoek om uitstel niet vernauwd kan worden tot het ondernemersloket. De Dienst Toeslagen had hiermee rekening moeten houden bij het opvragen van gegevens voor de kinderopvangtoeslag over 2018.
5.2
Verder heeft hij opgemerkt dat de bezwaarprocedure inzake de nihilstelling niet zorgvuldig is doorlopen. Dit moet volgens eiser ook betrokken worden bij de beoordeling of er sprake is van vooringenomenheid. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is geweest van een verzwaring van de bewijslast doordat in de bezwaarprocedure niet alleen een jaaropgave werd gevraagd maar ook een overzicht van gewerkte uren, terwijl later in de herzieningsbeslissing enkel op grond van de jaaropgave aan eiser is tegemoetgekomen. Hij heeft nog voor de beslissing op bezwaar de jaaropgave overgelegd en er is ten onrechte gesteld dat er geen telefoonnummer van hem bekend was.
5.3
Volgens eiser is er ook sprake van hardheid. Zijn toeslag is immers na herziening vastgesteld op € 3.672, zodat de drempel van € 1.500 is gehaald.
5.4
Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft eiser een aantal stukken overgelegd.
Verweer Dienst Toeslagen
6. Met de brief van 7 november 2025 heeft de Dienst Toeslagen een nadere toelichting gegeven op de overgelegde stukken. Gesteld is dat alle relevante gegevens over de kinderopvangtoeslag in de jaren die herbeoordeeld zijn, zijn opgenomen. Als eiser meent dat er nog relevante informatie ontbreekt moet hij concreet maken welke stukken ontbreken en waarom die relevant zijn voor de beoordeling van het geschil. De termen die eiser noemt zijn algemeen technische aanduidingen, zonder duidelijke verwijzing naar concrete documenten. Met betrekking tot de opmerking over ontbrekende TVS-gegevens, heeft de Dienst Toeslagen verwezen naar TVS-prints in het ouderdossier. Ter toelichting heeft de Dienst Toeslagen nog opgemerkt dat de term “ [term] ” bij een beoordeling in juni 2014 betrekking heeft op de zorgtoeslag en dat in dat kader destijds onderzocht is of er een toeslagpartner was. Ook heeft de Dienst Toeslagen opgemerkt dat de stopzetting van de huurtoeslag geen verband heeft met de stopzetting van de kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen is van mening dat er geen gegevens ontbreken.
6.1
De Dienst Toeslagen is van mening dat het besluit voldoende is gemotiveerd en ook zorgvuldig is voorbereid. Voor wat betreft het jaar 2018 is gesteld dat de eerste verlaging van de kinderopvangtoeslag het gevolg was van een door de ouder zelf doorgegeven stopzetting met ingang van 1 augustus 2018. Dit is een reguliere wijziging en getuigt niet van vooringenomenheid of hardheid van het stelsel.
6.2
Met het oog op de definitieve vaststelling van het recht over het jaar 2018 is vanaf 6 juni 2019 herhaaldelijk gevraagd om stukken over te leggen. Eiser is ruimschoots in de gelegenheid gesteld om de gevraagde stukken over te leggen. Omdat eiser geen stukken heeft overgelegd kon het recht niet worden vastgesteld en is de toeslag op nihil gesteld. Er is hierbij de nodige zorgvuldigheid betracht, zodat ook hier geen sprake is van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel. Eisers persoonlijke omstandigheden maken dit niet anders. Hij heeft niet bij de Dienst Toeslagen om uitstel gevraagd voor het inleveren van gegevens. Het verzoek om uitstel dat eiser als ondernemer heeft gedaan aan de Dienst inkomensheffing en zijn vraag om hulp bij het afhandelen van zijn administratieve verplichtingen, is niet automatisch van toepassing op verzoeken om informatie van de Dienst Toeslagen waarop hij als ouder moet reageren.
6.3
Verder heeft de Dienst Toeslagen nog opgemerkt dat ondanks de aanvankelijke nihilstelling over het jaar 2018 eiser uiteindelijk toch nog heeft gekregen waar hij recht op had, zodat er geen sprake is van een benadeling. Dit bewijst volgens de Dienst Toeslagen dat de nihilstelling enkel is gedaan vanwege het ontbreken van gegevens en niet vanwege vooringenomenheid.
Overwegingen rechtbank
Wat is de omvang van het geschil?
7. Ter zitting is de omvang van het geschil besproken. Eiser heeft desgevraagd aangegeven dat het geschil beperkt is tot de vraag of er over het jaar 2018 sprake is geweest van vooringenomen handelen of hardheid van het systeem.
Wat is het toetsingskader?
8. Recht op compensatie bestaat als er sprake is geweest van een van de volgende situaties:
er is schade geleden doordat er voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid.
Er is sprake van onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
8.1
Bij de beoordeling of recht op compensatie bestaat, zijn in beginsel dus alleen die beslissingen/handelingen van de Dienst Toeslagen van belang die voor 23 oktober 2019 hebben plaatsgevonden. Als er sprake is van beslissingen of handelingen na 23 oktober 2019, maar waarbij er een causaal verband is met een beslissing of handelingen van voor 23 oktober 2019 dan kan die beslissing of handeling ook meegenomen worden bij de beoordeling.
8.2
De rechtbank stelt vast dat er in het jaar 2018 alleen op 21 september 2018 een neerwaartse bijstelling heeft plaatsgevonden. Uit de stukken blijkt echter dat deze bijstelling is gedaan omdat de ouder zelf de toeslag heeft stopgezet. Van deze neerwaartse bijstelling kan daarom niet worden gezegd dat er sprake was van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel. Dit wordt overigens ook niet gesteld door eiser.
8.3
Uit het dossier blijkt verder dat er voorafgaand aan 23 oktober 2019 brieven zijn verstuurd aan eiser met het verzoek om informatie te verstrekken. Omdat eiser geen informatie heeft verstrekt is met het besluit van 3 april 2020 de toeslag over het jaar 2018 op nihil gezet. Omdat deze nihilstelling in causaal verband staat met de uitvraag die voor 23 oktober 2019 heeft plaatsgevonden, zal beoordeeld moeten worden of er bij deze nihilstelling sprake was van vooringenomenheid of hardheid van het stelsel.
8.4
Met betrekking tot de nihilstelling heeft er een bezwaarprocedure plaatsgevonden in 2020. Het handelen van de Dienst Toeslagen in deze bezwaarprocedure heeft dus na 23 oktober 2019 plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat het handelen in deze bezwaarprocedure in een te ver verwijderd verband staat tot het opvragen van de informatie. Handelingen of beslissingen in de bezwaarprocedure kunnen daarom niet betrokken worden bij de vraag of er recht bestaat op compensatie. De opmerkingen van eiser over de bezwaarprocedure, zoals de verzwaring van de bewijslast, het ontbreken van een telefoonnummer en dat de Dienst Toeslagen ten tijde van de bezwaarprocedure al de beschikking had over een jaaropgave, blijven daarom bij deze beoordeling buiten beschouwing.
Zijn alle relevante stukken overgelegd?
9 De Dienst toeslagen moet alle relevante stukken die op de zaak betrekking hebben overleggen. Uit vaste rechtspraak volgt dat dit alle stukken zijn die het bestuursorgaan ter beschikking staan of hebben gestaan bij het nemen van het besluit en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van het geschil. Gelet op de omvang van het geschil gaat het hier om stukken die relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of er over het jaar 2018 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen of hardheid van het systeem.
9.1
De Dienst Toeslagen heeft desgevraagd toegelicht en gemotiveerd dat alle op het geschil betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar wat hiervoor onder punt 6 is opgenomen.
9.2
De rechtbank overweegt dat de door eiser genoemde stukken die zien op gebeurtenissen in de bezwaarfase van de nihilstelling (zoals door eiser genoemde ‘auditlogs’ en ‘doclogs’ betreffende contacten in de bezwaarfase, het al dan niet bekend zijn van zijn telefoonnummer en het voor de beslissing op bezwaar opsturen van informatie) niet aan het bestreden besluit ten grondslag liggen. De Dienst Toeslagen heeft immers dat handelen in de bezwaarfase niet inhoudelijk beoordeeld, zoals hiervoor onder 4 en 4.1 overwogen, wat door de rechtbank onder 8.4 als terecht is geoordeeld. Al om die reden kan niet geconcludeerd worden dat stukken betreffende de bezwaarfase (voor zover niet overgelegd) ten onrechte ontbreken.
9.3
Verder merkt de rechtbank op dat de opmerking die eiser heeft gemaakt over de term “ [term] ” niet langer door hem is gehandhaafd, nadat de Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat deze term zag op het toe te passen criterium, bedacht door [term] , over het begrip toeslagpartner bij de zorgtoeslag. Deze opmerking hoeft daarom niet verder besproken te worden.
9.4
Gelet op de reactie van Dienst Toeslagen en in samenhang bezien met alle overgelegde stukken is de rechtbank van oordeel dat ook op de in deze procedure te beoordelen punten alle relevante stukken zijn overgelegd die nodig zijn voor de beoordeling van het geschil. Eiser heeft weliswaar gesteld dat er meer of andere stukken zijn waaruit volgens hem blijkt dat er sprake is van vooringenomen handelen, maar die stellingen zijn onvoldoende onderbouwd om te oordelen dat er ontbrekende relevante stukken zijn. Met de argumenten die eiser heeft aangevoerd is namelijk niet concreet en aannemelijk geworden dat er relevante stukken ontbreken, die nodig zijn voor het beoordelen van het geschil zoals dat onder 8.1 tot en met 8.3 is vermeld. Ter verduidelijking aan eiser waarom zijn stelling over ontbrekende stukken onvoldoende onderbouwd is, zal de rechtbank hierna een aantal door eiser opgesomde argumenten/opmerkingen bespreken.
Versie A/B en causaliteitsanalyseEiser heeft gesteld dat er twee verschillende versies zijn van de interne analyse van de Dienst Toeslagen, aangezien een zinsnede over de causaliteit verschilt. Volgens eiser is niet duidelijk welke versie is voorgelegd aan de Commissie van Wijzen. Deze stelling onderbouwt echter niet dat er meer of andere stukken moeten zijn. Het advies van de Commissie van Wijzen is immers al gegeven op 3 oktober 2023. Pas met de brief van 12 januari 2026 heeft de Dienst Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat causaliteit aangenomen kan worden tussen de stopbrief, de nihilstelling en de gegevensuitvraag voor 23 oktober 2019. Vervolgens is inhoudelijk getoetst of er bij die stopbrief/nihilstelling sprake is geweest van vooringenomenheid. Dit verklaart de twee verschillende versies van de interne analyse. Overigens heeft de Commissie van Wijzen in zijn advies ook al een oordeel gegeven over de nihilstelling. Opgemerkt is immers dat deze nihilstelling heeft plaatsgevonden vanwege het feit dat eiser geen informatie heeft verstrekt en dat daardoor het recht op toeslag niet vastgesteld kon worden.
Term ‘contra info’ in het TVS-overzichtVolgens eiser is zonder nadere stukken niet te controleren welke raadplegingen zijn verricht en welke beoordelingsstappen zijn vastgelegd. De rechtbank overweegt dat uit de TVS print echter blijkt dat de term ‘contra info’ op 6 juni 2019 is opgenomen in verband met het definitief vaststellen van het recht op toeslag. Daarbij is vermeld dat gewacht moet worden op reactie en behandeling van de vraagbrief. Gelet op deze beschrijving is het voor de rechtbank duidelijk dat de start van de uitvraag gerelateerd is aan het ontbreken van gegevens en dat deze opgevraagd moeten worden. Het gaat hierbij dan om de normale uitvraag van gegevens die nodig zijn om het recht definitief vast te stellen. Bij de afvoerdatum staat 4 maart 2020 en deze datum ligt kort voor de datum van de stopbrief. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het enkele feit dat de gevraagde gegevens niet zijn verstrekt, de reden is geweest voor de stopbrief en nihilstelling. Uit deze registratie volgt in ieder geval niet dat er nog andere raadplegingen of beoordelingsstappen zijn geweest. Uit de term ‘contra info’ kan dan ook niet de conclusie worden getrokken dat er stukken ontbreken.
Geen controleerbare vastlegging in de viewer. Eiser heeft gesteld dat er in het jaar 2018 geen gegevens zijn opgenomen in de viewer. Gelet hierop is eiser van mening dat niet toetsbaar is welke gegevens daadwerkelijk zijn geraadpleegd en of deze de daaropvolgende beoordeling hebben gedragen. Ter zitting heeft de Dienst Toeslagen toegelicht dat een reguliere uitvraag niet als werkitem in de viewer komt te staan. De reguliere uitvraagbrieven worden automatisch verstuurd en komen daarom niet als actie in de viewer te staan. Volgens de Dienst Toeslagen is het verder juist aannemelijk dat sprake was van een reguliere uitvraag en eiser niet onder intensief toezicht stond, nu er geen acties in de viewer staan. Deze uitleg kan de rechtbank volgen. Daarbij heeft de rechtbank ook betrokken dat in het hele dossier consistent is weergegeven dat er sprake is van ontbrekende gegevens en dat daarom de toeslag op nihil is gesteld. Dit wordt overigens ook nog bevestigd door het feit dat, nadat eiser de jaaropgave had overgelegd bij zijn verzoek om herziening, de toeslag meteen is gecorrigeerd en definitief is vastgesteld.
9.5
Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat eiser de indruk heeft gekregen dat er een relatie is met de problemen die hij heeft ervaren met de huurtoeslag, bevat het dossier geen enkele aanwijzing dat er andere redenen zijn geweest dan het ontbreken van gegevens, om de kinderopvangtoeslag op nihil te zetten. Het is logisch en gebruikelijk dat er verifieerbare gegevens worden opgevraagd over de opvanguren voordat het recht op toeslag definitief kan worden vastgesteld. Omdat er geen aanwijzingen zijn dat er een relatie is tussen de stopzetting van de huurtoeslag en de problemen met de inkomstenbelasting, bestaat er geen aanleiding om de Dienst Toeslagen te vragen daarover stukken over te leggen.
9.6
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat alle stukken die van belang zijn voor de beoordeling van het geschil zijn overgelegd. Eiser wordt dus niet gevolgd in zijn stelling dat er meer overgelegd moet worden.
Is sprake van vooringenomen handelen?
10. Ten aanzien van de vraagtekens die eiser stelt bij de start van de uitvraag van gegevens in 2019 overweegt de rechtbank dat de uitvraag naar opvanguren binnen de normale uitvraag valt die de Dienst Toeslagen moet doen om de rechtmatigheid van de betaalde toeslag te kunnen beoordelen. Dat staat ook vermeld in de eerste opvraagbrief van 6 juni 2019. Eiser is ruim in de gelegenheid gesteld om stukken in te brengen of uitstel te vragen voordat tot nihilstelling op 3 april 2020 werd overgegaan. Dat eiser op 13 augustus 2019 bij de inkomstenbelasting gevraagd heeft om uitstel betekent niet dat dit verzoek ook aangemerkt moet worden als een verzoek om uitstel voor het inleveren van de gevraagde stukken in het kader van de beoordeling of de kinderopvangtoeslag rechtmatig is verstrekt. Het overgelegde verzoek tot uitstel was niet (ook) aan de Dienst Toeslagen gericht. Het gaat hier om gescheiden afdelingen binnen de belastingdienst die niet verplicht zijn onderling informatie met elkaar te delen. De stelling van eiser dat hij een bsn-brede melding heeft gedaan, is niet onderbouwd. Anders dan eiser lijkt te stellen wordt er binnen de diverse afdelingen ook niet bsn-breed gewerkt, in die zin dat alle informatie met andere afdelingen wordt gedeeld. De Dienst Toeslagen was daarom niet op de hoogte van de persoonlijke omstandigheden van eiser en had daarvan ook niet op de hoogte moeten zijn. Het had op de weg van eiser gelegen om die omstandigheden (ook) te melden bij Dienst Toeslagen als hij daardoor niet in staat was om de gevraagde stukken over te leggen.
10.1
Verder acht de rechtbank het van belang dat een vooraankondiging is verstuurd dat de toeslag op nihil zal worden gesteld. Met de ontvangst daarvan moet ook aan eiser duidelijk zijn geweest dat de Dienst Toeslagen niet bekend was met zijn verzoek om uitstel bij de inkomstenbelasting. Eiser had op de vooraankondiging kunnen reageren en dat had ook van hem verwacht mogen worden. Ook het gegeven dat er tussen de eerste uitvraag en de daadwerkelijke nihilstelling een periode van meer dan een half jaar is gelegen heeft de rechtbank hierbij betrokken. Eiser is dus ruimschoots in de gelegenheid geweest om de gevraagde stukken over te leggen of contact te zoeken met de Dienst Toeslagen om zijn persoonlijke situatie uit te leggen. Omdat de Dienst Toeslagen niet op de hoogte was of kon zijn van de persoonlijke omstandigheden van eiser heeft hij daarmee bij de nihilstelling ook geen rekening kunnen houden. Dat er geen rekening is gehouden met eisers persoonlijke omstandigheden is dus niet veroorzaakt door vooringenomen handelen.
10.2
Eisers stelling dat ten onrechte is aangenomen dat er sprake was van een non-respons volgt de rechtbank niet. Zoals hiervoor ook al overwogen heeft eiser ondanks diverse uitvraagmomenten de gevraagde informatie niet overgelegd. Dit kan niet anders uitgelegd worden als dat eiser niet heeft gereageerd en dat er dus sprake is geweest van non-respons.
10.3
De stelling van eiser dat er in de opvraagbrief vermeld staat dat het recht op basis van de beschikbare gegevens vastgesteld zal worden als er geen gegevens worden overgelegd, maakt ook niet dat de Dienst Toeslagen niet tot een nihilstelling van de toeslag heeft kunnen komen. Zonder opgaaf van de uren dat er opvang is genoten kan het recht immers niet vastgesteld worden. Overigens staat in de opvraagbrief ook vermeld dat als het recht niet beoordeeld kan worden, de toeslag stopgezet zal worden.
10.4
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de rechtbank van oordeel is dat de Dienst Toeslagen terecht heeft gesteld dat er geen sprake is geweest van vooringenomen handelen.
Is sprake van hardheid van de toepassing van het systeem?
11. Van hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijk stelsel, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wht is sprake als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen. Hierbij is de drempel van € 1.500 van belang.
11.1
De rechtbank overweegt dat niet gebleken is dat sprake is van een van de situaties zoals genoemd onder punt 11. De toeslag is immers met het besluit van 31 december 2020 definitief vastgesteld op basis van de daadwerkelijk afgenomen opvanguren. Deze vaststelling heeft ook geleid tot een nabetaling. Eiser heeft dus gekregen waar hij recht op had. Ter zitting heeft eiser ook erkend dat er uiteindelijk geen sprake meer is geweest van een terugvordering.
11.3
Andere omstandigheden waaruit opgemaakt zou kunnen worden dat er sprake was van hardheid van de toepassing van het systeem zijn niet gesteld en zijn de rechtbank ook niet gebleken. De rechtbank kan de Dienst Toeslagen dan ook volgen in zijn stelling dat er geen sprake is geweest van hardheid bij de toepassing van het wettelijk stelsel.
Conclusie en gevolgen
12. Uit alles wat hiervoor is overwogen blijkt dat Dienst Toeslagen op goede gronden heeft geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor compensatie. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.
12.1
Omdat de Dienst Toeslagen pas met de brief van 12 januari 2026 een toereikende motivering heeft gegeven, is er sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank zal dit gebrek passeren op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Eiser heeft immers op die aanvullende motivering kunnen reageren. Omdat artikel 6:22 van de Awb is toegepast, bestaat er aanleiding om de Dienst Toeslagen te veroordelen in de proceskosten van eiser. Ook moet de Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiser vergoeden.
12.2
De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde wordt een vast bedrag per proceshandeling vergoed. Ten tijde van het indienen van het beroep had eiser nog een gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend, zodat er sprake is van één proceshandeling. Anders dan de Dienst Toeslagen ter zitting heeft gesteld was dit geen pro forma beroepschrift. In het beroep is immers een beroepsgrond opgenomen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om een lagere wegingsfactor dan 1 toe te kennen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande rechter, in aanwezigheid van A.J.M. van Hees griffier, op 6 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zie overweging 7
Met de beschikkingen van 23 juli 2018 respectievelijk 21 september 2018
Artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen.
ECLI:NL:RVS:2025:3141
Reactie van 21 januari 2026, onder punt 7.2
Kamerstukken II, 2021/2022, 36 151, nr. 3, blz. 71