Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6028
2026-06-12
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/448463 / FA RK 26-2642
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Een verzoek om een zorgmachtiging. Het verweer gaat onder meer over de (elektronische, dan wel stempel) handtekeningen op de bevindingen van de GD en de medische verklaring. Er wordt verwezen naar het arrest van de HR: ECLI:NL:HR:2019:957.
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2019:957 Hoge Raad 14-06-2019
- ECLI:HR:NL:2025:1736
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3310 Rechtbank Amsterdam 12-03-2026
- ECLI:NL:HR:2019:957 Hoge Raad 14-06-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.116 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448463 / FA RK 26-2642
Datum uitspraak: 12 juni 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene]
,
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [plaats 1] ,
advocaat mr. A.W.A.P. Doesburg uit Breda.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 22 mei 2026;
de op zitting overgelegde pleitnota van mr. A.W.A.P. Doesburg;
de op 10 juni 2026 ontvangen ondertekende bevindingen van de geneesheer directeur;
de op 11 juni 2026 ontvangen e-mail van mr. A.W.A.P. Doesburg;
de op 12 juni 2026 ontvangen ondertekende medische verklaring;
de op 12 juni 2026 ontvangen e-mail van mr. A.W.A.P. Doesburg.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. Daarbij zijn gehoord:
betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
mevrouw [persoon] , casemanager van het FACT-team.
1.3
De mentor is niet op zitting verschenen maar uit de stukken blijkt dat zij het eens is met het verzoek.
1.4
De officier is zoals hij reeds aangaf in zijn verzoek niet op de zitting verschenen.
2Wat vaststaat
2.1.
De rechtbank heeft een zorgmachtiging verleend tot en met 8 juli 2026.
2.2.
Voor betrokkene is bij beschikking van 2 december 2021 mentorschap ingesteld.
3Het verzoek
3.1.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
4De standpunten
4.1.
Betrokkene is het absoluut niet eens met het verzoek om een zorgmachtiging. Er is bij haar geen sprake van een psychische stoornis. Betrokkene is helemaal klaar met de [accommodatie] . Zij wil helemaal geen medicatie meer, dus zij wil zo snel mogelijk gaan afbouwen. Verder geeft betrokkene aan dat zij niet tevreden is met haar huidige verblijf. Zij wil zo snel mogelijk verhuizen.
4.2.
De casemanager vindt een zorgmachtiging nodig. Het toestandsbeeld van betrokkene is (nog) niet stabiel. Betrokkene is tot eind maart opgenomen geweest om gestabiliseerd te worden. De afgelopen twee weken laat betrokkene weer veel boosheid zien richting het FACT-team. Betrokkene is ziek geworden van de Lithium, waardoor er gekozen is om dat af te bouwen. Verder heeft betrokkene inzage gehad in haar dossier. Zij is boos geworden door wat ze gelezen heeft, ze is het niet eens met de diagnoses. Betrokkene heeft medicatie nodig om verder te stabiliseren. De huidige medicatie is vooral gericht op de bipolaire stoornis. Desgevraagd geeft de casemanager aan dat een persoonlijkheidsstoornis niet is vastgesteld en van verslavingsstoornis geen sprake meer is.
Betrokkene heeft onlangs een bloedonderzoek gehad, waaruit naar voren kwam dat haar bloedspiegel te laag was. Dat is ook een reden om voorlopig de medicatie niet af te bouwen. De laatste weken wil ze geen medicatie meer. Wanneer zij de medicatie weigert is de kans op een negatieve terugval groot en dan is een opname noodzakelijk. Ook bestaat dan het risico dat zij haar woning verliest. Het is op dit moment niet voorzienbaar dat betrokkene moet worden opgenomen, maar het is niet uit te sluiten dat het de komende periode niet meer nodig zal zijn. Betrokkene heeft een zeer wisselende houding ten aanzien van de hulp. Dat maakt het lastig om haar te behandelen in een vrijwillig kader.
4.3.
De advocaat verzoekt de rechtbank primair om het verzoek af te wijzen. Betrokkene stelt dat het goed genoeg met haar gaat en dat er geen sprake is van ernstig nadeel. Bovendien vindt betrokkene dat zij geen zorg nodig heeft. Betrokkene heeft ook de bereidheid om samen te werken met het FACT-team. Zij wil in gesprek over de medicatie dus zorg kan in het vrijwillig kader worden gegeven.
Verder blijkt dat op de medische verklaring en de bevindingen van de geneesheer-directeur slechts een ogenschijnlijk geplakte of ingescande handtekening zichtbaar is. Nu een geavanceerde of gekwalificeerde elektronische handtekening lijkt te ontbreken op deze kerndocumenten, dient de zorgmachtiging te worden afgewezen (ECLI:NL:HR:2019:957). Subsidiair dient de beslissing te worden aangehouden om de herkomst van de handtekeningen te kunnen vaststellen.
Meer subsidiair, indien de rechtbank een aansluitende zorgmachtiging noodzakelijk acht, wordt verzocht de gevraagde machtiging te beperken tot maximaal 6 maanden. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat betrokkene niet vrijwillig wenst mee te werken, volgt daaruit niet dat alle gevraagde zorgvormen voor 12 maanden toewijsbaar zijn.
Verder wordt verzocht de zorgvorm opname af te wijzen. Indien deze wel wordt toegewezen, dan de vormen van verplichte zorg die zien op een opname slechts toe te wijzen voor zover strikt noodzakelijk voor maximaal 3 maanden. En de zorgvorm insluiten af te wijzen.
Wat betreft de zorgvorm dat ziet op toedienen van de medicatie wordt verzocht om deze te beperken tot: het toedienen van concrete psychiatrische medicatie en de strikt noodzakelijke medische controles die direct met die medicatie samenhangen. Ten slotte de zorgvorm “beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten” te beperken tot concreet omschreven contact- en begeleidingsmomenten.
4.4
In de e-mail van 11 juni 2026, als reactie op de ontvangen ondertekende bevindingen van de geneesheer-directeur, geeft de advocaat het volgende aan. De Wvggz biedt geen expliciete herstelregeling, waarmee een ondeugdelijke handtekening van de geneesheer-directeur of de psychiater op een later moment, i.c. ruim drie weken na opmaak, alsnog met terugwerkende kracht rechtsgeldig wordt door enkel op hetzelfde stuk opnieuw te tekenen. Het enkele formele “herstellen” door het alsnog plaatsen van een handtekening op het oorspronkelijke stuk, waarvan in deze zaak sprake is, volstaat derhalve niet. In deze zaak dient sprake te zijn van een nieuw opgesteld en correct ondertekend, actueel stuk. Tevens volgt uit het slechts zetten van de (herstel-)handtekening niet dat het oorspronkelijke stuk daadwerkelijk door de betreffende psychiater en geneesheer-directeur is opgesteld. Over de feitelijke gang van zaken wordt geen uitleg gegeven. Dit klemt temeer nu op voorhand niet valt in te zien, waarom de opsteller niet ook meteen bij het opmaken van het stuk zelf het betreffende stuk heeft voorzien van een eigen handtekening, die voldoet aan de eisen die daaraan dienen te worden gesteld.
De medische verklaring onder de Wvggz is een formeel en inhoudelijk dragend stuk. Uit art. 5:8 Wvggz volgt dat de geneesheer-directeur zorgdraagt voor een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van betrokkene. Een latere, juiste handtekening zou hoogstens verdedigbaar kunnen zijn als sprake is van een zuiver formeel gebrek en buiten twijfel staat dat:
Het stuk inhoudelijk al op de oorspronkelijke datum door de bevoegde functionaris was op- en/of vastgesteld;
De identiteit van de ondertekenaar en diens bevoegdheid toen al vaststonden; en
De actualiteit van de medische beoordeling in de tussentijd niet is aangetast.
Juist dat derde punt is bij een periode van ruim drie weken en met het oog op het verhandelde ter zitting, naar het standpunt van de advocaat problematisch. Als pas drie weken later rechtsgeldig wordt ondertekend, kan discussie ontstaan of de verklaring nog wel voldoende actueel is en of feitelijk niet een nieuwe medische verklaring nodig is. Wat dit laatste betreft geeft hij aan:
dat uit de opmerkingen van de casemanager blijkt dat de gezondheidstoestand sinds het opmaken van de medische verklaring en in het voordeel van cliënte aanzienlijk is veranderd;
Ook heeft zij aangegeven dat het nadeel thans uitsluitend bestaat in mogelijk verlies van de huidige woning, hetgeen geen wettelijk genoemd nadeel is;
Voorts heeft cliënte aangegeven dat zij vrijwillig wenst mee te werken aan de zorg d.m.v. het FACT. De GD noch de psychiater hebben dit met het oog op de huidige toestand van cliënt besproken dan wel overwogen. Daar komt bij dat cliënte door de GD ten onrechte niet is geïnformeerd over voorbereiding van het verzoek tot het verlenen van een ZM en over de mogelijkheid zich bij te laten staan door een familielid of naaste bij het zelf opstellen van een plan van aanpak (ECLI:HR:NL:2025:1736). De mogelijkheid van vrijwillige behandeling is niet met cliënte besproken. Verplichte zorg is een ultimum remedium en dient zo veel mogelijk te worden voorkomen. Door de mogelijkheid van vrijwillige behandeling niet eens met haar te bespreken, zijn de behandelaren voorbij gegaan aan deze fundamentele toets. De gevraagde machtiging dient in zo’n geval te worden afgewezen (ECLI:NL:RBAMS:2026:3310).
4.5.
In voormelde e-mail van 12 juni 2026, als reactie op de ontvangen ondertekende medische verklaring, geeft advocaat aan geen behoefte te hebben aan een aanvullende reactie.
5De beoordeling
Formeel verweer
5.1.
Voordat de rechtbank overgaat tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek, wordt eerst ingegaan op het formele punt van de advocaat. De advocaat voert aan dat op de medische verklaring en de bevindingen van de geneesheer-directeur slechts een ogenschijnlijk geplakte of ingescande handtekening zichtbaar is. Nu een geavanceerde of gekwalificeerde elektronische handtekening lijkt te ontbreken op deze kerndocumenten, dient de zorgmachtiging te worden afgewezen. De Hoge Raad heeft bij arrest van 14 juni 2019 (ECLI:NL:HR:2019:957) geconcludeerd dat een elektronische handtekening onder een geneeskundige verklaring een geavanceerde of een gekwalificeerde elektronische handtekening moet zijn zoals bedoeld in art. 3:15a BW. Bovendien moet de rechtbank onderzoeken of de handtekeningen op de bevindingen van de geneesheer-directeur en de medische verklaring zelf door de geneesheer-directeur en de psychiater zijn geplaatst op het moment dat daar ook verweer op wordt gevoerd. De griffier heeft op 8 juni 2026 een reactie daarover opgevraagd bij het openbaar ministerie. Op 10 en 12 juni 2026 heeft het openbaar ministerie een met pen getekende versie van de bevindingen van de geneesheer-directeur en de medische verklaring overgelegd. Deze zijn vervolgens op 11 juni 2026 doorgestuurd naar de advocaat. De advocaat stelt dat het alsnog plaatsen van een handtekening met pen niet volstaat. Tevens volgt uit het slechts zetten van de (herstel-)handtekening niet dat het oorspronkelijke stuk daadwerkelijk door de betreffende psychiater of geneesheer-directeur is opgesteld. Over de feitelijke gang van zaken wordt geen uitleg gegeven. Dit klemt temeer nu op voorhand niet valt in te zien, waarom de opsteller niet ook meteen bij het opmaken van het stuk zelf het betreffende stuk heeft voorzien van een eigen handtekening, die voldoet aan de eisen die daaraan dienen te worden gesteld. De vraag blijft dan ook of de ondertekenaar ook daadwerkelijk zelf het stuk heeft opgemaakt.
De rechtbank gaat niet mee in dit standpunt van de advocaat. De handtekening van de geneesheer-directeur lijkt niet gestempeld maar een elektronische handtekening. De handtekening van de psychiater lijkt door de streepjes wel een stempel te zijn, dit voldoet inderdaad niet. Een gebrek in de stukken kan worden hersteld binnen de expiratiedatum van de zorgmachtiging. Doordat zowel de geneesheer-directeur als de psychiater de betreffende verklaringen alsnog handgeschreven ondertekend hebben, kan de rechtbank er vanuit gaan dat zij deze stukken ook daadwerkelijk hebben opgesteld. Waarom de psychiater niet meteen het betreffende stuk voorzien heeft van eigen handtekening, hoeft niet onderzocht te worden.
Op het standpunt van de advocaat of de medische verklaring nog wel actueel is en of feitelijk niet een nieuwe medische verklaring nodig is, oordeelt de rechtbank als volgt. De psychiater heeft op 15 mei 2026 de medische verklaring opgesteld. Hij heeft deze opnieuw ondertekend omdat er naar het standpunt van de advocaat een gebrek kleefde aan de digitale handtekening. Daaruit blijkt niet dat de psychiater het niet meer eens is met de betreffende medische verklaring of dat deze niet meer actueel is. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring voldoende actueel is en voldoet aan de wettelijke vereisten. Daarbij is in aanmerking genomen dat ter zitting is gebleken dat de actuele situatie en gezondheidstoestand van betrokkene nog overeenkomt met de situatie zoals deze was ten tijde van het opstellen van de medische verklaring. De verklaring van de casemanager ter zitting komt overeen met de medische verklaring. De casemanager geeft aan dat er zelfs meer boosheid is ontstaan de afgelopen weken bij betrokkene.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van twaalf maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Betrokkene heeft namelijk een schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen, een bipolaire stemmingsstoornis en een disruptieve impulsbeheersing- en andere gedragsstoornissen. Betrokkene betwist dat er bij haar sprake is van een stoornis, maar de rechtbank heeft geen gegronde redenen om te twijfelen aan de bevindingen in de medische verklaring en de bevindingen van de behandelaars.
5.4.
Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- maatschappelijke teloorgang;
- bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat betrokkene onder invloed van een ander raakt;
- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag.
5.5.
Uit de stukken blijkt dat betrokkene fel en zowel verbaal als fysiek met grensoverschrijdingen kan reageren als de draagkracht wordt overschreden. Ook is zij kwetsbaar om middels een psychose te ontregelen. Haar gedrag kan dan zeer ontwrichtend zijn, zowel voor haarzelf als voor een ander. Zij heeft dit zelf onvoldoende onder controle. Hiernaast is er het risico dat ze beïnvloedbaar is door anderen, dat ze agressief wordt naar anderen of juist agressie oproept bij anderen door haar gedrag. Het risico bestaat dat ze haar woning dan verliest. Het standpunt van de advocaat dat dit laatste geen ernstig nadeel vormt, kan de rechtbank niet volgen. Indien betrokkene uit haar woning wordt gezet, zal dit leiden tot maatschappelijke teloorgang en ander ernstig nadeel.
5.6.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.
5.7.
Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. De zorgverantwoordelijke geeft aan dat betrokkene de medicatie niet op vrijwillige basis wil gebruiken. Ook op de zitting geeft betrokkene aan geen medicatie en hulp vanuit de [accommodatie] meer te willen. De casemanager zegt dat betrokkene een zeer wisselende houding heeft ten aanzien van de hulp en ze de laatste weken geen medicatie meer wil. Er is sprake van een toenemende boosheid. Dat alles maakt het volgens de casemanager lastig om haar te behandelen in een vrijwillig kader. Dat de advocaat aangeeft dat ze in gesprek wil over de medicatie en de hulp, maakt niet dat er bereidwilligheid is ten aanzien van deze vormen van zorg. Bovendien vinden er regelmatig behandelcontacten en -overleggen plaats met het FACT-team, waarin ze haar wensen hierin kenbaar kan maken. Mede gelet op de relatief korte periode dat betrokkene in zorg is en de ambivalentie ten opzichte van de medicatie en hulp van het FACT, heeft de rechtbank er onvoldoende vertrouwen in dat ze de hulp op vrijwillige basis accepteert. Daarom is verplichte zorg nodig.
5.8.
De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
De rechtbank zal de zorgvormen opname, beperken bewegingsvrijheid en insluiten afwijzen aangezien de casemanager op zitting heeft aangegeven dat opname niet voorzienbaar is.
Onder het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten wordt verstaan het accepteren van FACT-zorg en woonbegeleiding. De regie over de feitelijke uitvoering en precieze toepassing hiervan ligt bij de zorgverantwoordelijke.
5.9.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en haar omgeving.
5.10.
De advocaat verzoekt de rechtbank om de duur van de zorgmachtiging te beperken tot 6 maanden. De rechtbank wijst dat verzoek af en legt uit waarom. Geconstateerd wordt dat er (nog steeds) sprake is van een onstabiele toestandsbeeld bij betrokkene en de afgelopen weken is dat beeld verergerd. Daarnaast is er sprake van een verstoorde verstandhouding tussen betrokkene en het FACT-team. Binnenkort zal er een overdracht gaan plaatsvinden van het huidige FACT-team naar het FACT-team van [plaats 2] . Betrokkene geeft aan te willen verhuizen en zij wil ook geen hulp meer vanuit de [accommodatie] . De rechtbank acht het gelet op het voorgaande niet wenselijk om de zorgmachtiging in duur te beperken. Het herstellen/realiseren van een goede behandelrelatie zal immers naar verwachting met de nodige tijd en zorgvuldigheid gepaard gaan.
5.11.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
De rechtbank:
6.1.
verleent een zorgmachtiging voor [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de maatregelen die in 5.8. staan kunnen worden toegepast;
6.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 12 juni 2027;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026 door mr. Gremmen, rechter, in aanwezigheid van Weterings, griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448463 / FA RK 26-2642
Datum uitspraak: 12 juni 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene]
,
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [plaats 1] ,
advocaat mr. A.W.A.P. Doesburg uit Breda.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 22 mei 2026;
de op zitting overgelegde pleitnota van mr. A.W.A.P. Doesburg;
de op 10 juni 2026 ontvangen ondertekende bevindingen van de geneesheer directeur;
de op 11 juni 2026 ontvangen e-mail van mr. A.W.A.P. Doesburg;
de op 12 juni 2026 ontvangen ondertekende medische verklaring;
de op 12 juni 2026 ontvangen e-mail van mr. A.W.A.P. Doesburg.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. Daarbij zijn gehoord:
betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
mevrouw [persoon] , casemanager van het FACT-team.
1.3
De mentor is niet op zitting verschenen maar uit de stukken blijkt dat zij het eens is met het verzoek.
1.4
De officier is zoals hij reeds aangaf in zijn verzoek niet op de zitting verschenen.
2Wat vaststaat
2.1.
De rechtbank heeft een zorgmachtiging verleend tot en met 8 juli 2026.
2.2.
Voor betrokkene is bij beschikking van 2 december 2021 mentorschap ingesteld.
3Het verzoek
3.1.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
4De standpunten
4.1.
Betrokkene is het absoluut niet eens met het verzoek om een zorgmachtiging. Er is bij haar geen sprake van een psychische stoornis. Betrokkene is helemaal klaar met de [accommodatie] . Zij wil helemaal geen medicatie meer, dus zij wil zo snel mogelijk gaan afbouwen. Verder geeft betrokkene aan dat zij niet tevreden is met haar huidige verblijf. Zij wil zo snel mogelijk verhuizen.
4.2.
De casemanager vindt een zorgmachtiging nodig. Het toestandsbeeld van betrokkene is (nog) niet stabiel. Betrokkene is tot eind maart opgenomen geweest om gestabiliseerd te worden. De afgelopen twee weken laat betrokkene weer veel boosheid zien richting het FACT-team. Betrokkene is ziek geworden van de Lithium, waardoor er gekozen is om dat af te bouwen. Verder heeft betrokkene inzage gehad in haar dossier. Zij is boos geworden door wat ze gelezen heeft, ze is het niet eens met de diagnoses. Betrokkene heeft medicatie nodig om verder te stabiliseren. De huidige medicatie is vooral gericht op de bipolaire stoornis. Desgevraagd geeft de casemanager aan dat een persoonlijkheidsstoornis niet is vastgesteld en van verslavingsstoornis geen sprake meer is.
Betrokkene heeft onlangs een bloedonderzoek gehad, waaruit naar voren kwam dat haar bloedspiegel te laag was. Dat is ook een reden om voorlopig de medicatie niet af te bouwen. De laatste weken wil ze geen medicatie meer. Wanneer zij de medicatie weigert is de kans op een negatieve terugval groot en dan is een opname noodzakelijk. Ook bestaat dan het risico dat zij haar woning verliest. Het is op dit moment niet voorzienbaar dat betrokkene moet worden opgenomen, maar het is niet uit te sluiten dat het de komende periode niet meer nodig zal zijn. Betrokkene heeft een zeer wisselende houding ten aanzien van de hulp. Dat maakt het lastig om haar te behandelen in een vrijwillig kader.
4.3.
De advocaat verzoekt de rechtbank primair om het verzoek af te wijzen. Betrokkene stelt dat het goed genoeg met haar gaat en dat er geen sprake is van ernstig nadeel. Bovendien vindt betrokkene dat zij geen zorg nodig heeft. Betrokkene heeft ook de bereidheid om samen te werken met het FACT-team. Zij wil in gesprek over de medicatie dus zorg kan in het vrijwillig kader worden gegeven.
Verder blijkt dat op de medische verklaring en de bevindingen van de geneesheer-directeur slechts een ogenschijnlijk geplakte of ingescande handtekening zichtbaar is. Nu een geavanceerde of gekwalificeerde elektronische handtekening lijkt te ontbreken op deze kerndocumenten, dient de zorgmachtiging te worden afgewezen (ECLI:NL:HR:2019:957). Subsidiair dient de beslissing te worden aangehouden om de herkomst van de handtekeningen te kunnen vaststellen.
Meer subsidiair, indien de rechtbank een aansluitende zorgmachtiging noodzakelijk acht, wordt verzocht de gevraagde machtiging te beperken tot maximaal 6 maanden. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat betrokkene niet vrijwillig wenst mee te werken, volgt daaruit niet dat alle gevraagde zorgvormen voor 12 maanden toewijsbaar zijn.
Verder wordt verzocht de zorgvorm opname af te wijzen. Indien deze wel wordt toegewezen, dan de vormen van verplichte zorg die zien op een opname slechts toe te wijzen voor zover strikt noodzakelijk voor maximaal 3 maanden. En de zorgvorm insluiten af te wijzen.
Wat betreft de zorgvorm dat ziet op toedienen van de medicatie wordt verzocht om deze te beperken tot: het toedienen van concrete psychiatrische medicatie en de strikt noodzakelijke medische controles die direct met die medicatie samenhangen. Ten slotte de zorgvorm “beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten” te beperken tot concreet omschreven contact- en begeleidingsmomenten.
4.4
In de e-mail van 11 juni 2026, als reactie op de ontvangen ondertekende bevindingen van de geneesheer-directeur, geeft de advocaat het volgende aan. De Wvggz biedt geen expliciete herstelregeling, waarmee een ondeugdelijke handtekening van de geneesheer-directeur of de psychiater op een later moment, i.c. ruim drie weken na opmaak, alsnog met terugwerkende kracht rechtsgeldig wordt door enkel op hetzelfde stuk opnieuw te tekenen. Het enkele formele “herstellen” door het alsnog plaatsen van een handtekening op het oorspronkelijke stuk, waarvan in deze zaak sprake is, volstaat derhalve niet. In deze zaak dient sprake te zijn van een nieuw opgesteld en correct ondertekend, actueel stuk. Tevens volgt uit het slechts zetten van de (herstel-)handtekening niet dat het oorspronkelijke stuk daadwerkelijk door de betreffende psychiater en geneesheer-directeur is opgesteld. Over de feitelijke gang van zaken wordt geen uitleg gegeven. Dit klemt temeer nu op voorhand niet valt in te zien, waarom de opsteller niet ook meteen bij het opmaken van het stuk zelf het betreffende stuk heeft voorzien van een eigen handtekening, die voldoet aan de eisen die daaraan dienen te worden gesteld.
De medische verklaring onder de Wvggz is een formeel en inhoudelijk dragend stuk. Uit art. 5:8 Wvggz volgt dat de geneesheer-directeur zorgdraagt voor een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van betrokkene. Een latere, juiste handtekening zou hoogstens verdedigbaar kunnen zijn als sprake is van een zuiver formeel gebrek en buiten twijfel staat dat:
Het stuk inhoudelijk al op de oorspronkelijke datum door de bevoegde functionaris was op- en/of vastgesteld;
De identiteit van de ondertekenaar en diens bevoegdheid toen al vaststonden; en
De actualiteit van de medische beoordeling in de tussentijd niet is aangetast.
Juist dat derde punt is bij een periode van ruim drie weken en met het oog op het verhandelde ter zitting, naar het standpunt van de advocaat problematisch. Als pas drie weken later rechtsgeldig wordt ondertekend, kan discussie ontstaan of de verklaring nog wel voldoende actueel is en of feitelijk niet een nieuwe medische verklaring nodig is. Wat dit laatste betreft geeft hij aan:
dat uit de opmerkingen van de casemanager blijkt dat de gezondheidstoestand sinds het opmaken van de medische verklaring en in het voordeel van cliënte aanzienlijk is veranderd;
Ook heeft zij aangegeven dat het nadeel thans uitsluitend bestaat in mogelijk verlies van de huidige woning, hetgeen geen wettelijk genoemd nadeel is;
Voorts heeft cliënte aangegeven dat zij vrijwillig wenst mee te werken aan de zorg d.m.v. het FACT. De GD noch de psychiater hebben dit met het oog op de huidige toestand van cliënt besproken dan wel overwogen. Daar komt bij dat cliënte door de GD ten onrechte niet is geïnformeerd over voorbereiding van het verzoek tot het verlenen van een ZM en over de mogelijkheid zich bij te laten staan door een familielid of naaste bij het zelf opstellen van een plan van aanpak (ECLI:HR:NL:2025:1736). De mogelijkheid van vrijwillige behandeling is niet met cliënte besproken. Verplichte zorg is een ultimum remedium en dient zo veel mogelijk te worden voorkomen. Door de mogelijkheid van vrijwillige behandeling niet eens met haar te bespreken, zijn de behandelaren voorbij gegaan aan deze fundamentele toets. De gevraagde machtiging dient in zo’n geval te worden afgewezen (ECLI:NL:RBAMS:2026:3310).
4.5.
In voormelde e-mail van 12 juni 2026, als reactie op de ontvangen ondertekende medische verklaring, geeft advocaat aan geen behoefte te hebben aan een aanvullende reactie.
5De beoordeling
Formeel verweer
5.1.
Voordat de rechtbank overgaat tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek, wordt eerst ingegaan op het formele punt van de advocaat. De advocaat voert aan dat op de medische verklaring en de bevindingen van de geneesheer-directeur slechts een ogenschijnlijk geplakte of ingescande handtekening zichtbaar is. Nu een geavanceerde of gekwalificeerde elektronische handtekening lijkt te ontbreken op deze kerndocumenten, dient de zorgmachtiging te worden afgewezen. De Hoge Raad heeft bij arrest van 14 juni 2019 (ECLI:NL:HR:2019:957) geconcludeerd dat een elektronische handtekening onder een geneeskundige verklaring een geavanceerde of een gekwalificeerde elektronische handtekening moet zijn zoals bedoeld in art. 3:15a BW. Bovendien moet de rechtbank onderzoeken of de handtekeningen op de bevindingen van de geneesheer-directeur en de medische verklaring zelf door de geneesheer-directeur en de psychiater zijn geplaatst op het moment dat daar ook verweer op wordt gevoerd. De griffier heeft op 8 juni 2026 een reactie daarover opgevraagd bij het openbaar ministerie. Op 10 en 12 juni 2026 heeft het openbaar ministerie een met pen getekende versie van de bevindingen van de geneesheer-directeur en de medische verklaring overgelegd. Deze zijn vervolgens op 11 juni 2026 doorgestuurd naar de advocaat. De advocaat stelt dat het alsnog plaatsen van een handtekening met pen niet volstaat. Tevens volgt uit het slechts zetten van de (herstel-)handtekening niet dat het oorspronkelijke stuk daadwerkelijk door de betreffende psychiater of geneesheer-directeur is opgesteld. Over de feitelijke gang van zaken wordt geen uitleg gegeven. Dit klemt temeer nu op voorhand niet valt in te zien, waarom de opsteller niet ook meteen bij het opmaken van het stuk zelf het betreffende stuk heeft voorzien van een eigen handtekening, die voldoet aan de eisen die daaraan dienen te worden gesteld. De vraag blijft dan ook of de ondertekenaar ook daadwerkelijk zelf het stuk heeft opgemaakt.
De rechtbank gaat niet mee in dit standpunt van de advocaat. De handtekening van de geneesheer-directeur lijkt niet gestempeld maar een elektronische handtekening. De handtekening van de psychiater lijkt door de streepjes wel een stempel te zijn, dit voldoet inderdaad niet. Een gebrek in de stukken kan worden hersteld binnen de expiratiedatum van de zorgmachtiging. Doordat zowel de geneesheer-directeur als de psychiater de betreffende verklaringen alsnog handgeschreven ondertekend hebben, kan de rechtbank er vanuit gaan dat zij deze stukken ook daadwerkelijk hebben opgesteld. Waarom de psychiater niet meteen het betreffende stuk voorzien heeft van eigen handtekening, hoeft niet onderzocht te worden.
Op het standpunt van de advocaat of de medische verklaring nog wel actueel is en of feitelijk niet een nieuwe medische verklaring nodig is, oordeelt de rechtbank als volgt. De psychiater heeft op 15 mei 2026 de medische verklaring opgesteld. Hij heeft deze opnieuw ondertekend omdat er naar het standpunt van de advocaat een gebrek kleefde aan de digitale handtekening. Daaruit blijkt niet dat de psychiater het niet meer eens is met de betreffende medische verklaring of dat deze niet meer actueel is. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring voldoende actueel is en voldoet aan de wettelijke vereisten. Daarbij is in aanmerking genomen dat ter zitting is gebleken dat de actuele situatie en gezondheidstoestand van betrokkene nog overeenkomt met de situatie zoals deze was ten tijde van het opstellen van de medische verklaring. De verklaring van de casemanager ter zitting komt overeen met de medische verklaring. De casemanager geeft aan dat er zelfs meer boosheid is ontstaan de afgelopen weken bij betrokkene.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van twaalf maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Betrokkene heeft namelijk een schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen, een bipolaire stemmingsstoornis en een disruptieve impulsbeheersing- en andere gedragsstoornissen. Betrokkene betwist dat er bij haar sprake is van een stoornis, maar de rechtbank heeft geen gegronde redenen om te twijfelen aan de bevindingen in de medische verklaring en de bevindingen van de behandelaars.
5.4.
Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- maatschappelijke teloorgang;
- bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat betrokkene onder invloed van een ander raakt;
- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag.
5.5.
Uit de stukken blijkt dat betrokkene fel en zowel verbaal als fysiek met grensoverschrijdingen kan reageren als de draagkracht wordt overschreden. Ook is zij kwetsbaar om middels een psychose te ontregelen. Haar gedrag kan dan zeer ontwrichtend zijn, zowel voor haarzelf als voor een ander. Zij heeft dit zelf onvoldoende onder controle. Hiernaast is er het risico dat ze beïnvloedbaar is door anderen, dat ze agressief wordt naar anderen of juist agressie oproept bij anderen door haar gedrag. Het risico bestaat dat ze haar woning dan verliest. Het standpunt van de advocaat dat dit laatste geen ernstig nadeel vormt, kan de rechtbank niet volgen. Indien betrokkene uit haar woning wordt gezet, zal dit leiden tot maatschappelijke teloorgang en ander ernstig nadeel.
5.6.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.
5.7.
Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. De zorgverantwoordelijke geeft aan dat betrokkene de medicatie niet op vrijwillige basis wil gebruiken. Ook op de zitting geeft betrokkene aan geen medicatie en hulp vanuit de [accommodatie] meer te willen. De casemanager zegt dat betrokkene een zeer wisselende houding heeft ten aanzien van de hulp en ze de laatste weken geen medicatie meer wil. Er is sprake van een toenemende boosheid. Dat alles maakt het volgens de casemanager lastig om haar te behandelen in een vrijwillig kader. Dat de advocaat aangeeft dat ze in gesprek wil over de medicatie en de hulp, maakt niet dat er bereidwilligheid is ten aanzien van deze vormen van zorg. Bovendien vinden er regelmatig behandelcontacten en -overleggen plaats met het FACT-team, waarin ze haar wensen hierin kenbaar kan maken. Mede gelet op de relatief korte periode dat betrokkene in zorg is en de ambivalentie ten opzichte van de medicatie en hulp van het FACT, heeft de rechtbank er onvoldoende vertrouwen in dat ze de hulp op vrijwillige basis accepteert. Daarom is verplichte zorg nodig.
5.8.
De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
De rechtbank zal de zorgvormen opname, beperken bewegingsvrijheid en insluiten afwijzen aangezien de casemanager op zitting heeft aangegeven dat opname niet voorzienbaar is.
Onder het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten wordt verstaan het accepteren van FACT-zorg en woonbegeleiding. De regie over de feitelijke uitvoering en precieze toepassing hiervan ligt bij de zorgverantwoordelijke.
5.9.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en haar omgeving.
5.10.
De advocaat verzoekt de rechtbank om de duur van de zorgmachtiging te beperken tot 6 maanden. De rechtbank wijst dat verzoek af en legt uit waarom. Geconstateerd wordt dat er (nog steeds) sprake is van een onstabiele toestandsbeeld bij betrokkene en de afgelopen weken is dat beeld verergerd. Daarnaast is er sprake van een verstoorde verstandhouding tussen betrokkene en het FACT-team. Binnenkort zal er een overdracht gaan plaatsvinden van het huidige FACT-team naar het FACT-team van [plaats 2] . Betrokkene geeft aan te willen verhuizen en zij wil ook geen hulp meer vanuit de [accommodatie] . De rechtbank acht het gelet op het voorgaande niet wenselijk om de zorgmachtiging in duur te beperken. Het herstellen/realiseren van een goede behandelrelatie zal immers naar verwachting met de nodige tijd en zorgvuldigheid gepaard gaan.
5.11.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
De rechtbank:
6.1.
verleent een zorgmachtiging voor [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de maatregelen die in 5.8. staan kunnen worden toegepast;
6.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 12 juni 2027;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026 door mr. Gremmen, rechter, in aanwezigheid van Weterings, griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.