Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6019
2026-06-04
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/440433 FA RK 25-5089
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wijziging kinderalimentatie. Verdiencapaciteit. Geen terugbetalingsverplichting.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3328 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-10-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.365 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/440433 FA RK 25-5089
datum uitspraak 4 juni 2026
beschikking betreffende levensonderhoud
in de zaak van
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.J.R. Albicher,
en
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M.M.M. Heesmans.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 2 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift met producties 1 tot en met 24;
- het op 27 november 2025 ontvangen verweerschrift met producties 1 tot en met 9;
- een brief van mr. Heesmans van 21 april 2026 met producties 10 tot en met 15;
- het F9-formulier van mr. Albicher met producties 25 tot en met 34;
- de beschikking van de rechtbank van 23 juli 2022, verbeterd bij beschikking van 3 oktober 2022 en het daaraan gehechte ouderschapsplan.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 7 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.
1.3 Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek.
2De feiten
2.1
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2007 tot [datum 2] 2022;
- uit hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2008,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2010,
3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2020.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarigen;
2.2
Op grond van voormelde beschikking met aangehecht ouderschapsplan dient de man nu -inclusief de wettelijke indexeringen- € 342,52 per maand per kind te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen.
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben schriftelijk een reactie gestuurd aan de rechtbank. Door [minderjarige 1]
is (samengevat) verklaard dat hij het niet eens is met de voorgestelde wijziging in de alimentatie. Hij geeft aan dat hij bij zijn opa verblijft in plaats van bij de man en de man dus minder kosten heeft. Hij heeft het gevoel dat de veranderingen in het belang van de man zijn en niet in zijn belang. Verder wil hij dat de man kleding voor hem koopt voor als hij bij hem is, zoals dat in het ouderschapsplan staat volgens hem.
[minderjarige 2] heeft aangegeven dat hij niet wil dat zijn reactie wordt gedeeld. De rechtbank respecteert dit verzoek van [minderjarige 2] .
3Het verzoek
3.1
De man verzoekt, samengevat, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift te wijzigen naar € 161,00 per kind per maand, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag.
3.2.
De vrouw voert verweer.
4De beoordeling
Grondslag verzoek
4.1
De man verzoekt wijziging van de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie. Partijen zijn het erover eens dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW, omdat het inkomen van de vrouw is toegenomen nadat zij meer uren is gaan werken. Dat betekent dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek en dat een onderzoek naar de huidige financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen noodzakelijk is. Daarna zal blijken of de wijziging als rechtens relevant is aan te merken.
Ingangsdatum
4.2
De man verzoekt de rechtbank de onderhoudsverplichting met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift te wijzigen omdat de vrouw er vanaf dat moment rekening mee kon houden dat de onderhoudsverplichting zou worden verlaagd. De vrouw had vanaf dat moment een gedeelte van de kinderalimentatie kunnen reserveren.
4.3
De vrouw is van mening dat de wijziging van de onderhoudsverplichting pas moet ingaan vanaf de datum van deze beschikking. De vrouw verwijst naar jurisprudentie waaruit volgens haar voortvloeit dat terughoudend moet worden omgegaan met het verlenen van terugwerkende kracht aan de wijziging van een onderhoudsverplichting. Bij een wijziging met terugwerkende kracht wordt zij geconfronteerd met een verplichting tot terugbetaling van de al ontvangen kinderalimentatie, maar dit heeft de vrouw al besteed aan de kinderen. Zij beschikt ook niet over spaargeld waarmee zij een eventueel bedrag terug zou kunnen betalen.
4.4
De rechtbank hanteert als ingangsdatum 2 oktober 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, nu de vrouw vanaf die datum daadwerkelijk rekening heeft kunnen houden met de mogelijkheid dat de kinderalimentatie zou worden verlaagd. De rechtbank zal hierna nog beslissen over de vraag of de vroegere ingangsdatum ook leidt tot een eventuele terugbetaling van te veel ontvangen alimentatie door de vrouw aan de man.
Uitgangspunten bij de berekening van kinderalimentatie
4.5.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]
4.6.
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in 2022 €500,00 per maand per kind bedroeg, zoals destijds ook vastgelegd in artikel 7.1. van het ouderschapsplan. Inclusief de wettelijke indexeringen bedraagt de behoefte per 1 januari 2026 € 612,00 per maand per kind. De totale behoefte van de kinderen is daarmee (afgerond) € 1.836,00.
Verdeling van de kosten van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]
4.7.
Het aandeel van partijen in de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Draagkracht vrouw
4.8.
Partijen zijn het erover eens dat voor wat betreft het inkomen van de vrouw bij [stichting] moet worden uitgegaan van de jaaropgave 2025, waaruit een bruto jaarinkomen blijkt van € 30.553,00.
4.9.
De man heeft ter zitting gesteld dat aan de zijde van de vrouw ook nog rekening moet worden gehouden met een inkomen bij [bedrijf] omdat de vrouw volgens hem werkzaamheden verricht als badmeester c.q. zweminstructrice. Voor zover zij die werkzaamheden niet meer uitvoert, heeft de vrouw die situatie zelf veroorzaakt en kan van haar gevergd worden dat zij dit inkomen opnieuw zal gaan verwerven. Verder heeft de man gesteld dat de vrouw na de echtscheiding is gaan werken als interieurverzorgster bij particulieren, hetgeen inkomsten oplevert waarmee rekening gehouden moet worden in de alimentatieberekening. Als laatste wordt door de man nog gesteld dat niet alleen rekening gehouden moet worden met het inkomen dat feitelijk door de vrouw wordt verdiend maar ook met het inkomen dat de vrouw redelijkerwijs zou kunnen verdienen. De man is van mening dat aan een vrouw een hogere verdiencapaciteit kan worden toegerekend. De vrouw moet in staat zijn 32 uur per week te werken, waarbij hij verwijst naar een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
4.10.
De vrouw is van mening dat voor de berekening van haar draagkracht alleen moet worden uitgegaan van de jaaropgave 2025 van [stichting] . Die jaaropgave ziet op haar vaste inkomen. De vrouw heeft ter zitting toegelicht dat haar werk bij [stichting] voor 25 uur per week voor haar op dit moment het maximaal haalbare is, mede gelet op haar psychische gesteldheid. De werkzaamheden bij [stichting] zijn volgens de vrouw ook niet eenvoudig uit te breiden omdat zij werkt als leraar-assistent in het speciaal onderwijs waar wordt gewerkt met vaste teams voor een klas. Uitbreiding van de uren is verder ook niet mogelijk omdat zij de zorg heeft voor drie kinderen, waarvan de jongste 5 jaar is. Verder is de vrouw veel tijd kwijt aan de verschillende afspraken, zoals speltherapie voor de jongste zoon, therapie bij [therapeut] voor partijen gezamenlijk en afspraken bij GGZ voor zichzelf.
Voor wat betreft de werkzaamheden bij [bedrijf] heeft de vrouw aangevoerd dat die al geruime tijd geleden zijn komen te vervallen. Er was sprake van een nulurencontract en sinds 2025 heeft zij niet meer gewerkt voor [bedrijf] .
De schoonmaakwerkzaamheden waar de man naar verwijst voert de vrouw slechts beperkt en niet structureel uit. Deze moeten daarom naar haar mening buiten beschouwing worden gelaten. De vrouw heeft ter zitting toegelicht dat zij ongeveer 8 uur per twee weken schoonmaakwerkzaamheden uitvoert. Zij verdient met die werkzaamheden € 15,00 netto per uur. De vrouw merkt daarbij nog op dat alles wat zij met de schoonmaakwerkzaamheden verdient door haar wordt besteed aan de kinderen.
4.11.
De rechtbank oordeelt dat het inkomen dat de vrouw heeft uit de schoonmaakwerk-zaamheden wel als structureel kan worden beschouwd. De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat het gaat om gemiddeld 8 uur per twee weken (en dus gemiddeld 4 uur per week). Dat is weliswaar geen groot aantal uren, maar ook een klein aantal uren per week of per twee weken kan een structureel karakter hebben. De rechtbank zal daarom in de alimentatieberekening rekening houden met het inkomen dat de vrouw hiermee verdient. De rechtbank stelt het aantal weken waarin gewerkt wordt vast op 46 weken omdat de kinderen volgens de zorg- en contactregeling de helft van de vakanties (6 weken) bij de vrouw zijn. In die weken zal de vrouw niet kunnen werken of samen met de kinderen vakantie willen hebben. Alles overziend zal de rechtbank rekenen met een netto jaarinkomen voor de schoonmaakwerkzaamheden van € 2.760,00 (gemiddeld 4 uur per week tegen € 15,00 netto per uur gedurende 46 weken per jaar).
4.12.
Uitgaande van het 25-urige dienstverband bij [stichting] en het gemiddelde van 4 uur schoonmaakwerkzaamheden per week, werkt de vrouw 29 uur per week. Door de man is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende onderbouwd waarom de vrouw 32 uur per week zou moeten werken in plaats van 29 uur per week. De uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarop de man zich beroept ondersteunt dit in ieder geval niet. Daaruit vloeit - in tegenstelling tot wat de man zegt - niet voort dat van de vrouw verlangd zou mogen worden 32 uur te gaan werken.
4.13.
De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 13.022,00 op jaarbasis.
4.14.
Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.861,00 per maand.
4.15.
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 937,00 per maand.
Draagkracht man
4.16.
Partijen zijn het erover eens dat voor wat betreft het NBI van de man kan worden aangesloten bij de door de man overgelegde berekening die op basis van de jaaropgave 2025 uitkomt op een NBI van € 5.495,00 per maand.
4.17.
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 1.737,00 per maand.
Draagkrachtvergelijking
4.18.
De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen. Uit de draagkrachtvergelijking tussen partijen volgt dan dat de vrouw met € 643,00 per maand en de man met € 1.193,00 per maand moet bijdragen in de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van € 1.836,00 per maand.
Zorgkorting
4.20.
Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 35%. Nu de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] € 1.836,00 per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van (afgerond) € 642,00 per maand.
4.21.
Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen € 184,00 per maand per kind.
Terugbetalingsverplichting
4.22.
Nu de rechtbank de onderhoudsverplichting met ingang van een voor deze uitspraak gelegen datum zal verlagen, moet de rechtbank op basis van de geldende jurisprudentie aan de hand van de gebleken feiten en omstandigheden beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting voor de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard. Daarbij is de rechtbank niet afhankelijk van een door de vrouw gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend, verweer. Bij de beoordeling moet de rechter ook het belang van de man om het te veel betaalde terug te krijgen in aanmerking nemen.
4.23.
Aangezien de kinderalimentatie van consumptieve aard is overweegt de rechtbank - mede gelet op het aanzienlijke verschil tussen het inkomen van de man en het inkomen van de vrouw - dat, voor zover de vrouw over de periode tussen 2 oktober 2025 tot de datum van deze beschikking ten behoeve van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] meer aan onderhoudsbijdrage heeft ontvangen dan op grond van deze beschikking is bepaald, het te veel betaalde door haar niet aan de man terugbetaald hoeft te worden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet overstijgt.
Conclusie
4.24.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die leidt tot een aanpassing van de huidige bijdrage. De rechtbank zal de door de man te betalen bijdrage met ingang van 2 oktober 2025 wijzigen in € 184,00 per maand per kind. Eventueel te veel ontvangen alimentatie hoeft de vrouw niet terug te betalen aan de man.
Berekeningen
4.25.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijzigt voormelde (verbeterde) beschikking van 3 oktober 2022 met aangehecht ouderschapsplan als volgt:
bepaalt dat de in het ouderschapsplan overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2008,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2010,
3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2020
met ingang van 2 oktober 2025 nader wordt vastgesteld op € 184,00 (eenhonderd vierentachtig euro) per maand per kind, voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
5.2.
stelt het bedrag dat de man ingevolge voormelde beschikking tot heden gehouden was te betalen nader vast op hetgeen hij tot heden in feite heeft betaald of met hem is verrekend;
5.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Broek, en, in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 oktober 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3328.
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/440433 FA RK 25-5089
datum uitspraak 4 juni 2026
beschikking betreffende levensonderhoud
in de zaak van
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.J.R. Albicher,
en
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M.M.M. Heesmans.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 2 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift met producties 1 tot en met 24;
- het op 27 november 2025 ontvangen verweerschrift met producties 1 tot en met 9;
- een brief van mr. Heesmans van 21 april 2026 met producties 10 tot en met 15;
- het F9-formulier van mr. Albicher met producties 25 tot en met 34;
- de beschikking van de rechtbank van 23 juli 2022, verbeterd bij beschikking van 3 oktober 2022 en het daaraan gehechte ouderschapsplan.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 7 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.
1.3 Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek.
2De feiten
2.1
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2007 tot [datum 2] 2022;
- uit hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2008,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2010,
3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2020.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarigen;
2.2
Op grond van voormelde beschikking met aangehecht ouderschapsplan dient de man nu -inclusief de wettelijke indexeringen- € 342,52 per maand per kind te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen.
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben schriftelijk een reactie gestuurd aan de rechtbank. Door [minderjarige 1]
is (samengevat) verklaard dat hij het niet eens is met de voorgestelde wijziging in de alimentatie. Hij geeft aan dat hij bij zijn opa verblijft in plaats van bij de man en de man dus minder kosten heeft. Hij heeft het gevoel dat de veranderingen in het belang van de man zijn en niet in zijn belang. Verder wil hij dat de man kleding voor hem koopt voor als hij bij hem is, zoals dat in het ouderschapsplan staat volgens hem.
[minderjarige 2] heeft aangegeven dat hij niet wil dat zijn reactie wordt gedeeld. De rechtbank respecteert dit verzoek van [minderjarige 2] .
3Het verzoek
3.1
De man verzoekt, samengevat, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift te wijzigen naar € 161,00 per kind per maand, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag.
3.2.
De vrouw voert verweer.
4De beoordeling
Grondslag verzoek
4.1
De man verzoekt wijziging van de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie. Partijen zijn het erover eens dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW, omdat het inkomen van de vrouw is toegenomen nadat zij meer uren is gaan werken. Dat betekent dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek en dat een onderzoek naar de huidige financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen noodzakelijk is. Daarna zal blijken of de wijziging als rechtens relevant is aan te merken.
Ingangsdatum
4.2
De man verzoekt de rechtbank de onderhoudsverplichting met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift te wijzigen omdat de vrouw er vanaf dat moment rekening mee kon houden dat de onderhoudsverplichting zou worden verlaagd. De vrouw had vanaf dat moment een gedeelte van de kinderalimentatie kunnen reserveren.
4.3
De vrouw is van mening dat de wijziging van de onderhoudsverplichting pas moet ingaan vanaf de datum van deze beschikking. De vrouw verwijst naar jurisprudentie waaruit volgens haar voortvloeit dat terughoudend moet worden omgegaan met het verlenen van terugwerkende kracht aan de wijziging van een onderhoudsverplichting. Bij een wijziging met terugwerkende kracht wordt zij geconfronteerd met een verplichting tot terugbetaling van de al ontvangen kinderalimentatie, maar dit heeft de vrouw al besteed aan de kinderen. Zij beschikt ook niet over spaargeld waarmee zij een eventueel bedrag terug zou kunnen betalen.
4.4
De rechtbank hanteert als ingangsdatum 2 oktober 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, nu de vrouw vanaf die datum daadwerkelijk rekening heeft kunnen houden met de mogelijkheid dat de kinderalimentatie zou worden verlaagd. De rechtbank zal hierna nog beslissen over de vraag of de vroegere ingangsdatum ook leidt tot een eventuele terugbetaling van te veel ontvangen alimentatie door de vrouw aan de man.
Uitgangspunten bij de berekening van kinderalimentatie
4.5.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]
4.6.
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in 2022 €500,00 per maand per kind bedroeg, zoals destijds ook vastgelegd in artikel 7.1. van het ouderschapsplan. Inclusief de wettelijke indexeringen bedraagt de behoefte per 1 januari 2026 € 612,00 per maand per kind. De totale behoefte van de kinderen is daarmee (afgerond) € 1.836,00.
Verdeling van de kosten van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]
4.7.
Het aandeel van partijen in de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Draagkracht vrouw
4.8.
Partijen zijn het erover eens dat voor wat betreft het inkomen van de vrouw bij [stichting] moet worden uitgegaan van de jaaropgave 2025, waaruit een bruto jaarinkomen blijkt van € 30.553,00.
4.9.
De man heeft ter zitting gesteld dat aan de zijde van de vrouw ook nog rekening moet worden gehouden met een inkomen bij [bedrijf] omdat de vrouw volgens hem werkzaamheden verricht als badmeester c.q. zweminstructrice. Voor zover zij die werkzaamheden niet meer uitvoert, heeft de vrouw die situatie zelf veroorzaakt en kan van haar gevergd worden dat zij dit inkomen opnieuw zal gaan verwerven. Verder heeft de man gesteld dat de vrouw na de echtscheiding is gaan werken als interieurverzorgster bij particulieren, hetgeen inkomsten oplevert waarmee rekening gehouden moet worden in de alimentatieberekening. Als laatste wordt door de man nog gesteld dat niet alleen rekening gehouden moet worden met het inkomen dat feitelijk door de vrouw wordt verdiend maar ook met het inkomen dat de vrouw redelijkerwijs zou kunnen verdienen. De man is van mening dat aan een vrouw een hogere verdiencapaciteit kan worden toegerekend. De vrouw moet in staat zijn 32 uur per week te werken, waarbij hij verwijst naar een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
4.10.
De vrouw is van mening dat voor de berekening van haar draagkracht alleen moet worden uitgegaan van de jaaropgave 2025 van [stichting] . Die jaaropgave ziet op haar vaste inkomen. De vrouw heeft ter zitting toegelicht dat haar werk bij [stichting] voor 25 uur per week voor haar op dit moment het maximaal haalbare is, mede gelet op haar psychische gesteldheid. De werkzaamheden bij [stichting] zijn volgens de vrouw ook niet eenvoudig uit te breiden omdat zij werkt als leraar-assistent in het speciaal onderwijs waar wordt gewerkt met vaste teams voor een klas. Uitbreiding van de uren is verder ook niet mogelijk omdat zij de zorg heeft voor drie kinderen, waarvan de jongste 5 jaar is. Verder is de vrouw veel tijd kwijt aan de verschillende afspraken, zoals speltherapie voor de jongste zoon, therapie bij [therapeut] voor partijen gezamenlijk en afspraken bij GGZ voor zichzelf.
Voor wat betreft de werkzaamheden bij [bedrijf] heeft de vrouw aangevoerd dat die al geruime tijd geleden zijn komen te vervallen. Er was sprake van een nulurencontract en sinds 2025 heeft zij niet meer gewerkt voor [bedrijf] .
De schoonmaakwerkzaamheden waar de man naar verwijst voert de vrouw slechts beperkt en niet structureel uit. Deze moeten daarom naar haar mening buiten beschouwing worden gelaten. De vrouw heeft ter zitting toegelicht dat zij ongeveer 8 uur per twee weken schoonmaakwerkzaamheden uitvoert. Zij verdient met die werkzaamheden € 15,00 netto per uur. De vrouw merkt daarbij nog op dat alles wat zij met de schoonmaakwerkzaamheden verdient door haar wordt besteed aan de kinderen.
4.11.
De rechtbank oordeelt dat het inkomen dat de vrouw heeft uit de schoonmaakwerk-zaamheden wel als structureel kan worden beschouwd. De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat het gaat om gemiddeld 8 uur per twee weken (en dus gemiddeld 4 uur per week). Dat is weliswaar geen groot aantal uren, maar ook een klein aantal uren per week of per twee weken kan een structureel karakter hebben. De rechtbank zal daarom in de alimentatieberekening rekening houden met het inkomen dat de vrouw hiermee verdient. De rechtbank stelt het aantal weken waarin gewerkt wordt vast op 46 weken omdat de kinderen volgens de zorg- en contactregeling de helft van de vakanties (6 weken) bij de vrouw zijn. In die weken zal de vrouw niet kunnen werken of samen met de kinderen vakantie willen hebben. Alles overziend zal de rechtbank rekenen met een netto jaarinkomen voor de schoonmaakwerkzaamheden van € 2.760,00 (gemiddeld 4 uur per week tegen € 15,00 netto per uur gedurende 46 weken per jaar).
4.12.
Uitgaande van het 25-urige dienstverband bij [stichting] en het gemiddelde van 4 uur schoonmaakwerkzaamheden per week, werkt de vrouw 29 uur per week. Door de man is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende onderbouwd waarom de vrouw 32 uur per week zou moeten werken in plaats van 29 uur per week. De uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarop de man zich beroept ondersteunt dit in ieder geval niet. Daaruit vloeit - in tegenstelling tot wat de man zegt - niet voort dat van de vrouw verlangd zou mogen worden 32 uur te gaan werken.
4.13.
De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 13.022,00 op jaarbasis.
4.14.
Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.861,00 per maand.
4.15.
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 937,00 per maand.
Draagkracht man
4.16.
Partijen zijn het erover eens dat voor wat betreft het NBI van de man kan worden aangesloten bij de door de man overgelegde berekening die op basis van de jaaropgave 2025 uitkomt op een NBI van € 5.495,00 per maand.
4.17.
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 1.737,00 per maand.
Draagkrachtvergelijking
4.18.
De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen. Uit de draagkrachtvergelijking tussen partijen volgt dan dat de vrouw met € 643,00 per maand en de man met € 1.193,00 per maand moet bijdragen in de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van € 1.836,00 per maand.
Zorgkorting
4.20.
Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 35%. Nu de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] € 1.836,00 per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van (afgerond) € 642,00 per maand.
4.21.
Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen € 184,00 per maand per kind.
Terugbetalingsverplichting
4.22.
Nu de rechtbank de onderhoudsverplichting met ingang van een voor deze uitspraak gelegen datum zal verlagen, moet de rechtbank op basis van de geldende jurisprudentie aan de hand van de gebleken feiten en omstandigheden beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting voor de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard. Daarbij is de rechtbank niet afhankelijk van een door de vrouw gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend, verweer. Bij de beoordeling moet de rechter ook het belang van de man om het te veel betaalde terug te krijgen in aanmerking nemen.
4.23.
Aangezien de kinderalimentatie van consumptieve aard is overweegt de rechtbank - mede gelet op het aanzienlijke verschil tussen het inkomen van de man en het inkomen van de vrouw - dat, voor zover de vrouw over de periode tussen 2 oktober 2025 tot de datum van deze beschikking ten behoeve van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] meer aan onderhoudsbijdrage heeft ontvangen dan op grond van deze beschikking is bepaald, het te veel betaalde door haar niet aan de man terugbetaald hoeft te worden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet overstijgt.
Conclusie
4.24.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die leidt tot een aanpassing van de huidige bijdrage. De rechtbank zal de door de man te betalen bijdrage met ingang van 2 oktober 2025 wijzigen in € 184,00 per maand per kind. Eventueel te veel ontvangen alimentatie hoeft de vrouw niet terug te betalen aan de man.
Berekeningen
4.25.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijzigt voormelde (verbeterde) beschikking van 3 oktober 2022 met aangehecht ouderschapsplan als volgt:
bepaalt dat de in het ouderschapsplan overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2008,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2010,
3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2020
met ingang van 2 oktober 2025 nader wordt vastgesteld op € 184,00 (eenhonderd vierentachtig euro) per maand per kind, voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
5.2.
stelt het bedrag dat de man ingevolge voormelde beschikking tot heden gehouden was te betalen nader vast op hetgeen hij tot heden in feite heeft betaald of met hem is verrekend;
5.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Broek, en, in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 oktober 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3328.