Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:5979

2026-06-03 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/436513 FA RK 25-3025 en C/02/439518 FA RK 25-4555
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-03
Publicatiedatum
2026-07-04
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/436513 FA RK 25-3025 en C/02/439518 FA RK 25-4555
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen. verzoek partneralimentatie toegewezen. vrouw aan stelplicht voldaan. man geen financiële stukken ingediend. beoordeling toepasselijk recht op huwelijksvermogensstelsel. artikel 4 HVV.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.842 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT



Team Familie- en Jeugdrecht


Breda


Zaaknummers: C/02/436513 FA RK 25-3025 en C/02/439518 FA RK 25-4555


datum uitspraak: 3 juni 2026



beschikking betreffende echtscheiding met nevenvoorzieningen



in de zaak van




[de vrouw]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A. van Tol-Macharoblishvili,


en




[de man]
,
wonende in [plaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M.M. van der Marel.


1 Het procesverloop


1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 3 juni 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 26 augustus 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;
- het op 5 september 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek;
- de brieven van mr. Van Tol-Macharoblishvili van 5 maart 2026 met bijlagen en van
5 mei 2026.

1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 3 april 2026. Bij die gelegenheid zijn gekomen partijen met hun advocaat en een tolk voor de vrouw.


1.3 Bij beschikking van deze rechtbank van 21 november 2024 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de vrouw. Tot bewindvoerder is benoemd [bewindvoerder] Het verzoekschrift is ingediend door [bewindvoerder] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van de vrouw. Dit betekent dat de bewindvoerder procespartij is geworden ten aanzien van de verzoeken die financieel gerelateerd zijn (de partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgemeenschap). De vrouw is procespartij ten aanzien van het niet-financieel gerelateerde verzoek, zijnde de echtscheiding. De rechtbank zal in het navolgende wel blijven spreken over “de vrouw”. Tijdens de zitting heeft de advocaat van de vrouw bevestigd dat zij optreedt namens de vrouw en de bewindvoerder.


1.4 Tijdens de zitting is besproken dat partijen na de zitting nog in overleg kunnen gaan over de partneralimentatie. De rechtbank heeft met partijen afgesproken dat zij de rechtbank informeren over de uitkomst van dit overleg en dat als het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid de rechtbank zal beslissen op het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de partneralimentatie op basis van de stukken en dat wat tijdens de zitting is besproken. De advocaat van de vrouw heeft in de brief van 5 mei 2026 aangegeven dat er geen overeenstemming is bereikt tussen partijen. De man heeft tevens op 5 mei 2026 een aanvullend verweerschrift (zonder producties) ingediend. Dit verweerschrift zal gelet op het voorgaande buiten beschouwing worden gelaten.



2De feiten


2.1
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- zij zijn op [datum] 2011 in [plaats 2] , Turkije met elkaar gehuwd;
- de vrouw heeft de Nederlandse en de Syrische nationaliteit en de man heeft de Nederlandse nationaliteit;
- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.





3De verzoeken


3.1

De vrouw verzoekt, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
I. echtscheiding;
II. vaststelling van een door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage van € 2.000,= per maand;
III. partijen te veroordelen om met elkaar over te gaan tot verdeling van de
huwelijksgoederengemeenschap, als omschreven in punt 13 van het
verzoekschrift;
IV. te bepalen dat het onroerend goed aan [adres 1] in [plaats 1] binnen twee weken na de in deze te wijzen beschikking middels een erkende makelaar door partijen in de verkoop wordt gezet;
V. in het geval de man niet zijn medewerking verleent aan het in de verkoop zetten van het onroerend goed zoals genoemd onder IV. de vrouw te machtigen om het onroerend goed te gelden te maken en namens de man aan de makelaar de benodigde toestemming/wilsverklaring te verstrekken en de man te veroordelen om de makelaar de toegang tot het perceel en bebouwingen te verschaffen;
VI. de man te veroordelen om aan de vrouw na betekening van de beschikking een
dwangsom te betalen van € 250,= per dag dat hij niet aan hetgeen verzocht is onder V. voldoet tot een maximum van € 100.000,= is bereikt;
VII. te bepalen dat de man alles moet doen wat noodzakelijk is voor de verkoop van de woning, door de aanwijzingen van de makelaar op te volgen, de vraagprijs van de woning te verlagen als dat wordt geadviseerd, het perceel met de bebouwing verkoop klaar te maken en te houden en het perceel met bebouwing tijdig, in ieder geval uiterlijk één maand voor de levering te ontruimen en te verlaten;
VIII. te bepalen dat de vrouw gemachtigd is om, als de man in gebreke blijft aan hetgeen verzocht onder VII. te voldoen, de ontruiming van het perceel en de bebouwing zelf te bewerkstelligen op kosten van de man;
IX. te bepalen dat de man zijn medewerking moet verlenen aan de eigendomsoverdracht en levering van de woning aan de koper en voor zover de man na betekening van de in deze te wijzen beslissing in gebreke blijft zijn medewerking te verlenen, te bepalen dat de ten deze te wijzen beslissing in de plaats zal treden van de tot verdeling bestemde notariële akte, dan wel van de bij die akte noodzakelijke wilsverklaring, toestemming en/of handtekening van de man;
X. te bepalen dat de te realiseren verkoopopbrengst verminderd met de makelaarskosten en de overige met de verkoop gemoeide kosten, tussen partijen bij helfte moet worden gedeeld;
XI. te bepalen dat ten aanzien van al het verzochte onder de punten IV. tot en met X. eveneens van toepassing is op het onroerend goed aan [adres 2] in [plaats 1] .




3.2

De man verzoekt, samengevat:
- echtscheiding.






4De beoordeling



Echtscheiding





Rechtsmacht en toepasselijk recht



4.1
Omdat ten tijde van de indiening van de verzoeken tot echtscheiding partijen hun gewone verblijfplaats hadden in Nederland, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe op grond van artikel 3 van de verordening Brussel II-ter (Verordening (EG) Nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019).



4.2
De rechtbank zal op de verzoeken tot echtscheiding Nederlands recht toepassen ingevolge artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).



Rechtsgeldigheid huwelijk




4.3
Voordat het verzoek tot echtscheiding kan worden beoordeeld, moet eerst ambtshalve worden onderzocht of sprake is van een rechtsgeldig huwelijk. Artikel 10:31 lid 1 BW bepaalt dat een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden als zodanig wordt erkend. Het vierde lid van artikel 10:31 BW bepaalt dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn als een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit. De vrouw heeft bij de indiening van haar verzoekschrift tot echtscheiding een recent afschrift van de Turkse huwelijksakte (met vertaling) ingediend, afgegeven door de ambtenaar huwelijkszaken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat dit afschrift als bewijs dient voor de rechtsgeldigheid van het huwelijk.



4.4
De verzoeken tot echtscheiding zullen als over en weer niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.



Partneralimentatie





Rechtsmacht en toepasselijk recht




4.5
Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft zij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (artikel 3 onder c van de Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008).



4.6

Op het verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage voor de vrouw is Nederlands recht van toepassing, omdat de onderhoudsgerechtigde haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft (artikel 15 van de Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 jo artikel 3 van het Haags Protocol van 23 november 2007).

Behoefte




4.7
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.



4.8

De vrouw stelt dat zij behoefte heeft aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud. Tijdens het huwelijk heeft zij minimale inkomsten gehad. Als productie 4 bij haar verzoekschrift heeft de vrouw financiële gegevens van haar over de jaren 2023 en 2024 ingediend. Bij de brief van 5 maart 2026 heeft zij de jaaropgaven 2024 en 2025 ingediend en uitkeringsspecificaties van oktober 2025 tot en met december 2025 en van januari 2026. De vrouw ontvangt op dit moment een uitkering op grond van de Participatiewet. Daarop worden de inkomsten uit haar WIA-uitkering in mindering gebracht.
Tijdens de samenleving had de vrouw al geen inzicht in de financiële gegevens van de man. De (advocaat van de) vrouw heeft de (advocaat van de) man verzocht om financiële stukken te verstrekken, maar er is geen gehoor gegeven aan dit verzoek. De vrouw kan daarom geen berekening maken van het netto gezinsinkomen en van de draagkracht van de man. De bewindvoerder van de vrouw beschikt ook niet over inkomensgegevens van de man. De vrouw was al vertrokken uit de woning toen het bewind is ingesteld. De vrouw stelt dat haar aanvullende behoefte € 2.000,= per maand bedraagt.




4.9
De man voert tijdens de zitting verweer tegen het verzoek van de vrouw. Hij voert aan dat de vrouw niet heeft gesteld en onderbouwd wat de huwelijksgerelateerde behoefte is. De vrouw heeft deze hele stap overgeslagen. Zij heeft ook geen berekening ingediend. Vervolgens stelt de vrouw zonder onderbouwing en concretisering dat haar aanvullende behoefte, na aftrek van haar inkomsten uit de uitkering, € 2.000,= per maand bedraagt. Zij heeft haar eigen inkomen onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Zij heeft geen drie recente uitkeringsspecificaties ingediend. Ook is de vrouw niet transparant over het inkomen dat zij ontvangt uit de verhuur van twee panden in Syrië. De man gaat ervan uit dat zij per maand ongeveer € 700,= aan huurinkomsten ontvangt. De man heeft hier geen stukken van. Hij doet tijdens de zitting een bewijsaanbod door middel van het horen van getuigen en van de vrouw met betrekking tot haar verborgen huurinkomsten. Over de draagkracht van de man heeft de vrouw ook niets gesteld. Zij had met berekeningen moeten komen. Over zijn inkomen stelt de man dat hij al bijna twee jaar arbeidsongeschikt is. Hij krijgt nu nog zijn volledige loon doorbetaald, maar dit zal binnenkort verminderen naar 70%. Hij heeft hier geen stukken van. De man verzoekt om afwijzing van het verzoek van de vrouw.



4.10
De rechtbank overweegt als volgt. Nu de vrouw om partneralimentatie verzoekt, ligt het op haar weg om de hoogte van haar behoefte te stellen en, bij betwisting door de man, te onderbouwen. Daarbij dient de vrouw te stellen, en zo nodig te onderbouwen, dat zij zelf niet in die behoefte kan voorzien (artikel 1:392 lid 2 BW). Vervolgens ligt het op de weg van de man om te stellen, en zo nodig te onderbouwen, dat hij niet de draagkracht heeft om de verzochte bijdrage te voldoen.



4.11
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw aan haar stelplicht voldaan. De vrouw heeft gesteld dat haar (aanvullende) behoefte bepaald kan worden op € 2.000,= per maand. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij in juni 2024 uit de echtelijke woning is vertrokken en heeft haar financiële gegevens over 2023 en 2024 ingediend. De vrouw heeft de man verzocht om zijn inkomensgegevens teneinde ook het aandeel van de man in de huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen bepalen. De man heeft ervoor gekozen om deze gegevens niet aan de vrouw te verstrekken. Ook tijdens deze procedure heeft de man er, zo is gebleken bewust, voor gekozen om geen enkel financieel stuk over te leggen en overigens ook geen stelling in te nemen over de hoogte van zijn inkomen. Daarbij heeft de vrouw verklaard dat zij gedurende het huwelijk geen zicht had op de financiën en het inkomen van de man. De vrouw heeft aangevoerd dat zij een berekening had kunnen maken met bijvoorbeeld een geschat gezinsinkomen van € 10.000,= maar dat haar gestelde behoefte redelijker is. Verder heeft de vrouw gesteld dat zij onvoldoende inkomsten heeft om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Niet te verwachten is dat dit zal veranderen. Zij ontvangt een Participatiewet-uitkering, waar haar WIA-uitkering in mindering op strekt. Hiervan heeft zij ook financiële stukken ingediend. De man heeft in zijn verweerschrift geen enkele stelling over de partneralimentatie ingenomen. Hij heeft volstaan met de algemene zinsnede dat de bewindvoerder (de vrouw) niet ontvankelijk verklaard althans de verzoeken afgewezen moeten worden. Eerst ter zitting heeft de man de behoefte van de vrouw betwist, stellende dat zij de hoogte van haar behoefte niet inzichtelijk heeft gemaakt, nu zij geen berekening heeft gemaakt en dat de vrouw huurinkomsten zou hebben uit de verhuur van twee panden in Syrië (waarvoor de man een bewijsaanbod heeft gedaan). Dit verweer wordt als te laat en niet onderbouwd gepasseerd. Met het oog op het voorgaande kon van de vrouw niet worden gevergd om een berekening over te leggen. De man heeft zijn stellingen pas ter zitting, zonder onderbouwing ingenomen. De vrouw heeft deze stellingen betwist en geen gelegenheid gehad haar stellingen nog nader te onderbouwen. Gelet op dit alles heeft de vrouw ter zake haar behoefte voldoende gesteld. Aan het bewijsaanbod van de man wordt niet toegekomen.



4.12
Met betrekking tot zijn draagkracht heeft de man alleen gesteld dat hij nu nog zijn volledige loon krijgt, maar dat dit binnenkort omlaag zal gaan naar 70%. Voor zover de man zich aldus op het standpunt stelt dat hij onvoldoende draagkracht heeft om het verzochte bedrag te kunnen betalen, gaat de rechtbank ook daar aan voorbij. Zoals hiervoor al is overwogen, is de hoogte van ook het huidige inkomen van de man onbekend gebleven. De man heeft geen berekening van zijn draagkracht overgelegd, geen enkel financieel stuk ingediend noch enig bedrag genoemd. De rechtbank kan de draagkracht van de man dan ook niet vaststellen. Dit komt voor rekening en risico van de man. Dit betekent dat ervan uit wordt gegaan dat de man de draagkracht heeft om het verzochte bedrag te voldoen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook toewijzen.



Verdeling huwelijksgemeenschap





Rechtsmacht




4.13
Omdat de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II-ter Verordening rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding heeft zij ook rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).



Toepasselijk recht




4.14
Tussen partijen is in geschil welk recht van toepassing is op hun huwelijksvermogensstelsel. De rechtbank moet dit ambtshalve toetsen. Voor de vraag welk recht van toepassing is geldt artikel 4 van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van 14 maart 1978 (Haags huwelijksvermogensverdrag). Vaststaat dat partijen voor het huwelijk geen rechtskeuze hebben gemaakt voor een rechtsstelsel.



4.15
Partijen zijn gehuwd op [datum] 2011 in Turkije. De rechtbank constateert aan de hand van het ingediende BRP-uittreksel van de man dat hij zich op 16 december 1993 vanuit Irak in Nederland heeft gevestigd en op 29 september 1998 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Uit de informatie uit de GBA blijkt dat de vrouw zich op 14 september 2012 vanuit Syrië in Nederland heeft gevestigd. Zij heeft vervolgens de Nederlandse nationaliteit verkregen. Uit deze gegevens leidt de rechtbank af dat partijen ten tijde van de huwelijkssluiting geen gemeenschappelijke nationaliteit bezaten. Partijen zijn het hier tijdens de zitting ook over eens gebleken.



4.16
Voornoemd artikel 4 bepaalt dat, als er geen sprake is van een gemeenschappelijke nationaliteit, het huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het recht van het land waar partijen – binnen zes maanden – hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigden.



4.17
De vrouw stelt dat er geen sprake is van een eerste gewone verblijfplaats. Na de huwelijkssluiting in Turkije is zij teruggekeerd naar Syrië en de man naar Nederland. Hoewel de man af en toe langskwam in Syrië, zijn partijen vanaf 14 september 2012 pas echt gaan samenwonen in Nederland.



4.18
De man stelt dat de eerste gewone verblijfplaats van partijen Syrië is. Tijdens de zitting verklaart de man dat hij na het sluiten van het huwelijk een appartement in Syrië had gehuurd en dat, elke keer dat hij twee, drie weken naar Syrië toekwam, partijen daar samenwoonden en -leefden. Hij moest telkens wel terug naar Nederland om te werken. Deze situatie heeft ruim anderhalf jaar geduurd, voordat de vrouw naar Nederland toe kon komen.



4.19
De rechtbank overweegt over de vraag of bij partijen sprake is geweest van een eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk als volgt. Vaststaat dat de vrouw tot 14 september 2012 in Syrië heeft gewoond en dat de man gedurende deze tijd in Nederland ingeschreven stond en daar een eigen woning had. Dit is ook de woning waar partijen, na aankomst van de vrouw in Nederland, zijn gaan samenwonen. Ook is dit adres op de huwelijksakte vermeld bij de gezamenlijke woongegevens van partijen. De vrouw heeft niet weersproken dat de man om de zoveel tijd naar Syrië kwam, maar volgens de vrouw was dit tijdens zijn vakantie en keerde zij na zijn vertrek ook weer terug naar haar ouders. Voor de rechtbank is onduidelijk gebleven hoeveel weken de man in die anderhalf jaar tijd in Syrië heeft verbleven. Vaststaat echter dat de man steeds terugkeerde naar Nederland. Ook de vrouw keerde vanuit het appartement terug naar haar ouders. Het centrum van de belangen van de man is met het enkel verblijven in een gezamenlijk gehuurd appartement in Syrië niet verplaatst, terwijl het centrum van belangen van de vrouw pas is verplaatst met haar vestiging in Nederland. Daarbij staat vast dat de bedoeling van beide partijen bij aanvang van het huwelijk al was dat de vrouw naar Nederland toe zou komen, nu beide partijen verklaren dat de vrouw ondertussen bezig was met het behalen van het inburgeringsexamen. Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat partijen niet een gezamenlijke eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in Syrië hebben gevestigd.



4.20
Artikel 4 lid 3 bepaalt vervolgens dat, bij gebreke van een eerste gewone verblijfplaats en een gemeenschappelijke nationaliteit, het huwelijksvermogensregime dan wordt beheerst door het recht van het land waarmee het, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het nauwst is verbonden. De rechtbank is van oordeel dat Nederlands recht van toepassing is. Partijen wonen vanaf 14 september 2012 in Nederland samen. De man woont sinds 1993 in Nederland en het was ook de bedoeling van partijen dat de vrouw na het huwelijk naar Nederland zou komen. Inmiddels heeft de vrouw ook de Nederlandse nationaliteit.



Bevel tot verdeling




4.21
Tijdens de zitting blijkt voor (de advocaten van) partijen dat de omvang van de huwelijksgemeenschap niet geheel duidelijk is en dat er over en weer onvoldoende informatie is gegeven door partijen over bepaalde bestanddelen. Tijdens een schorsing van de zitting hebben partijen overleg met elkaar gehad. Vervolgens zijn zij het erover eens geworden dat de rechtbank een beslissing neemt over het toepasselijk recht, op basis waarvan partijen nader in onderling overleg gaan met als doel alsnog tot een regeling over de verdeling te komen. Gelet hierop trekt de vrouw haar huidige verzoeken zoals weergegeven onder III. tot en met XI. in en verzoekt zij nu een bevel tot verdeling van de huwelijksgemeenschap, met benoeming van een notaris en onzijdig persoon. De man heeft met deze wijziging ingestemd. De vrouw en de man verzoeken het bevel tot verdeling te verlenen vier weken na de datum van de beschikking. De rechtbank wijst het gewijzigde verzoek van de vrouw als niet weersproken en op de wet gegrond toe, als na te melden.



Proceskosten




4.22
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.





5De beslissing


De rechtbank



5.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2011 in [plaats 2] , Turkije met elkaar gehuwd;



5.2.
beveelt, uitvoerbaar bij voorraad, vier weken na de datum van deze beschikking de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen ten overstaan van een notaris en benoemt [notaris] gevestigd in [plaats 1] , dan wel haar opvolger, waarnemer of plaatsvervanger, tot notaris ten overstaan van wie die verdeling zal plaatsvinden;



5.3.
benoemt tot onzijdige personen mr. J.C. Hissink, gevestigd in Tilburg en mr. J.M.G. Cox gevestigd in Tilburg, tot vertegenwoordiging van de man respectievelijk de vrouw als deze niet meewerkt tot de verdeling;



5.4.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw voor levensonderhoud bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 2.000,= (tweeduizend euro) per maand;



5.5.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;



5.6.
wijst het meer of anders verzochte af.


Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, en, in tegenwoordigheid van mr. Schröder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.




Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:



door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.



Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.