Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:5955
2026-06-02
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/447312 / JE RK 26-674
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verlenging OTS en MUHP gezinsgerichte voorziening.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:10058 Rechtbank Den Haag 08-08-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.814 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447312 / JE RK 26-674
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 3] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. D.J.A. Burlet uit Oostburg,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A. Sarioglu uit Amsterdam.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 april 2026;
de brief met bijlage van mr. Burlet, ontvangen op 20 mei 2026;
de brief met producties 1 t/m 16 van mr. Sarioglu, ontvangen op 28 mei 2026;
de brief van mr. Burlet, ontvangen op 1 juni 2026;
de brief met productie 17 van mr. Sarioglu, ontvangen op 1 juni 2026.
1.2.
De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 2 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder via een Teams-verbinding, bijgestaan door haar advocaat;
de vader via een Teams-verbinding, bijgestaan door zijn advocaat;
een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI, van wie één via een Teams-verbinding.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 juni 2025 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld met ingang van 3 juni 2025 tot 3 juni 2026.
2.3.
Bij beschikking van 5 februari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening verlengd met ingang van 5 februari 2026 tot 3 juni 2026.
2.4.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven sinds 23 augustus 2025 in een gezinshuis.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van zes maanden.
3.3.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
De GI
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Sinds 23 augustus 2025 verblijven de kinderen in een gezinshuis. Sinds de plaatsing in het gezinshuis laten de kinderen een positieve ontwikkeling zien. Er is rust, stabiliteit en voorspelbaarheid. De omgang tussen de vader en de kinderen is in de afgelopen periode stapsgewijs opgebouwd en uitgebreid, waarbij momenteel wekelijks contact plaatsvindt, afwisselend op woensdag en zaterdag. De ene week is dit woensdag van 14:00 tot 18:00 uur en de andere week zaterdag van 09:00 uur tot 18:00 uur. De moeder heeft geen fysiek contact met de kinderen, maar onderhoudt wekelijks videobelcontact. De moeder heeft aangegeven momenteel geen ruimte te ervaren voor uitbreiding van het contact, waardoor opbouw van fysieke omgang niet mogelijk is.
4.2.
Er is gekeken naar het uitbreiden van het contact tussen de vader en de kinderen. Op zaterdag 21 maart 2026 zijn hierover onduidelijkheden ontstaan. De vader heeft toen onbegeleid contact met de kinderen gehad, waarbij meerdere familieleden aanwezig waren. De GI geeft aan dat de fout in deze onduidelijkheid bij haar ligt. Hoewel het contact over het algemeen positief verloopt, heeft deze onduidelijkheid en het niet naleven van afspraken ertoe geleid dat de GI heeft besloten om het contact voorlopig volgens de vastgestelde regels te laten verlopen en niet verder uit te breiden. Na dit incident is een nieuwe gezinsvoogd betrokken, die nog niet bekend was met het dossier. Zij geeft aan dat zij stukken in het dossier mist. Omdat de nieuwe gezinsvoogd geen beslissingen wil nemen zonder die stukken, is er niet verder gewerkt aan het uitbreiden van de contacten.
4.3.
In de afgelopen periode zijn er meerdere aanvragen gedaan bij hulpverleningsorganisaties voor een terug-thuisplaatsingsonderzoek, omdat de GI zicht wil verkrijgen op de thuissituatie en opvoedvaardigheden van de vader. Deze organisaties zijn allemaal afgevallen, omdat ze niet geschikt waren of buiten het bereik vielen. Het laatste onderzoek bij SDiZ levert volgens de GI onvoldoende basis op voor een zorgvuldig perspectiefbesluit, omdat het alleen is gebaseerd op bestaande rapportages. De GI verzoekt de rechtbank om de Raad te verzoeken een perspectiefonderzoek uit te voeren, teneinde verdere stagnatie in het bepalen van het toekomstperspectief van de kinderen te voorkomen. Het is van belang dat er snel duidelijkheid komt voor de kinderen zodat zij weten waar zij aan toe zijn.
4.4.
De GI is van oordeel dat de verlenging van zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Er is op dit moment geen sprake van een stabiel en veilig opvoedperspectief bij één van de ouders. De moeder biedt onvoldoende opvoedperspectief vanwege het ontbreken van medewerking en fysieke aanwezigheid. Bij de vader ontbreekt nog onderzoek naar zijn opvoedcapaciteiten. De rust en stabiliteit die de kinderen ervaren in het gezinshuis moeten op dit moment gecontinueerd worden.
De moeder
4.5.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat de kinderen zich goed ontwikkelen op de plek waar zij nu verblijven. Deze plek biedt de kinderen de beste kans om een fijne jeugd te krijgen. Er wordt bekeken wat de vader kan betekenen in de verzorging en opvoeding, maar de moeder maakt zich daar zorgen over. Zij betwijfelt of de vader goed voor de kinderen kan zorgen. Tijdens het contact tussen de vader en de kinderen is de oma altijd aanwezig. De moeder is bezorgd dat de oma de opvoedende rol overneemt van de vader. Ook vreest zij dat als de kinderen bij de vader gaan wonen, zij zelf geen contact meer met hen zal hebben. Het is voor de moeder niet mogelijk om enige vorm van contact te hebben met de vader. Zij is daarom ook terughoudend in het fysieke contact met de kinderen. Ze is bang dat informatie over haar via de kinderen bij de vader terechtkomt. De moeder wil graag voor haar kinderen zorgen, maar het lukt haar niet. In het huidige gezin gaat het goed met de kinderen en is er ruimte om het contact met beide ouders uit te breiden. De moeder staat achter het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen. De moeder staat daarnaast achter het uitvoeren van een perspectiefonderzoek. Dit onderzoek is nodig om te beoordelen wat een eventuele plaatsing bij de vader betekent voor het contact en de relatie tussen de kinderen en de moeder.
De vader
4.6.
Door en namens de vader is verweer gevoerd. Hij verzoekt om het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. De huidige situatie duurt al te lang en de kinderen beginnen last te krijgen van de onduidelijkheid. De vader bepleit dat de kinderen bij hem geplaatst moeten worden. Er zijn geen concrete feiten naar voren gebracht waarom plaatsing bij de vader onveilig en onverantwoord zou zijn. De omgangscontacten verlopen goed. De vader betwist de uitingen van de moeder dat hij niet zelf voor de kinderen kan zorgen. De vader heeft zich ontwikkeld en hij is absoluut in staat om voor de kinderen te zorgen, zoals ook blijkt uit de omgangsverslagen. Zolang er sprake is van een ondertoezichtstelling met een machtiging tot uithuisplaatsing, is het uitgangspunt dat er moet worden gewerkt aan thuisplaatsing. De vader verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag uit 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:10058). De moeder stelt dat het contact met haar onmogelijk wordt als de kinderen bij de vader wonen, maar dit betwist de vader nadrukkelijk. Hij staat open voor contact en met hulpverlening kan dit contact geregeld worden.
4.7.
Het frustreert de vader dat het perspectiefonderzoek nog niet is uitgevoerd. Ten aanzien van het omgangsincident waarbij eenmalig onbegeleid contact heeft plaatsgevonden geeft de vader aan dat er onduidelijkheid was gecreëerd door de GI. Zij heeft dit later ook toegegeven. Ondanks deze onduidelijkheid, is het contact goed verlopen. De vader heeft zich aan de afspraken gehouden. Hij handelt in het belang van de kinderen en volgens de regels.
4.8.
Bij de moeder is geen perspectief voor de kinderen, omdat zij aangeeft niet in staat te zijn om voor hen te zorgen. Bij de vader is het perspectief wel aanwezig. Dit wordt bevestigd door de Raad en de GI. Het is belangrijk voor de kinderen dat zij terugkeren naar de vader en hun vertrouwde leefomgeving. Zij zijn inmiddels al een jaar uit huis geplaatst, dus voortvarendheid is vereist. De GI geeft aan dat de opvoedvaardigheden van de vader nog niet goed in kaart zijn gebracht. Naar mening van de vader klopt dit niet: uit alle omgangsverslagen blijkt dat de vader goed met de kinderen omgaat. Primair verzoekt de vader, ondanks dat dat verzoek niet voorligt, om de kinderen zo snel mogelijk bij hem te plaatsen. Als dat niet meteen kan, verzoekt hij subsidiair om een machtiging tot uithuisplaatsing van maximaal drie maanden. In die periode moet zicht komen op zijn opvoedvaardigheden. Daarnaast verzoekt hij om een concreet en toetsbaar tijdspad voor het perspectiefonderzoek. Het is van belang dat de rechtbank hierbij een vinger aan de pols houdt.
De Raad
4.9.
De Raad adviseert, samengevat, als volgt. Het laten uitvoeren van een perspectiefonderzoek door de Raad heeft geen meerwaarde, aangezien de Raad ook alleen dossieronderzoek doet. Bovendien heeft er recentelijk een uitgebreid raadsonderzoek plaatsgevonden. De Raad vindt dat er duidelijkheid moet komen over de thuissituatie en opvoedvaardigheden van de vader. Er zijn geen contra-indicaties voor terugplaatsing van de kinderen bij de vader en het perspectief bij de vader staat nog open. Volgens de Raad moet er gewerkt worden aan een terugplaatsing bij de vader, maar daarvoor is eerst goed zicht op de situatie nodig. Door het contact uit te breiden, kan beter worden gekeken wat de hulpvragen van de vader zijn. Dit is belangrijk om te kunnen beoordelen of de kinderen bij de vader kunnen wonen. De Raad vindt daarom dat het contact zo snel mogelijk uitgebreid moet worden. Daarbij moet een organisatie worden gevonden die kan beoordelen of er sprake is van goed genoeg ouderschap.
5De beoordeling
Ondertoezichtstelling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben veel meegemaakt. Niet geheel duidelijk is hoe hun voorgeschiedenis eruit heeft gezien, maar wel is duidelijk dat er veel ruzies en spanningen zijn geweest in het huwelijk van de ouders, en dat de kinderen daar getuige van zijn geweest. Onduidelijk is wat deze onrust, onvoorspelbaarheid en spanningen voor impact hebben gehad op de kinderen. Sinds 23 augustus 2025 verblijven de kinderen in een gezinshuis. Daar laten ze een positieve ontwikkeling zien en er is meer rust. De kinderen hebben contact met de moeder via een video-verbinding. De omgang tussen de vader en de kinderen is in de afgelopen periode stapsgewijs opgebouwd en uitgebreid, waarbij momenteel wekelijks contact plaatsvindt, afwisselend op woensdag en zaterdag. Deze omgangsmomenten verlopen positief.
5.3.
Gebleken is dat er de afgelopen periode geen perspectiefonderzoek is uitgevoerd en dat er nog onvoldoende zicht is op de thuissituatie van de vader. Daarnaast bestaat er nog steeds een groot wantrouwen tussen de ouders en angst bij de moeder voor de vader. Het is noodzakelijk dat de GI betrokken blijft om het contact tussen beide ouders en de kinderen te organiseren en verder uit te breiden.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengen voor de duur van een jaar.
Machtiging tot uithuisplaatsing
5.5.
Op dit moment kunnen de kinderen niet bij (een van de) ouders wonen. De moeder heeft geen mogelijkheid, en bij de vader moet zicht worden verkregen op zijn opvoedvaardigheden en thuissituatie. De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is daarom noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding.
5.6.
Bij beschikking van 12 mei 2026 is de beslissing in de bodemzaak ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling aangehouden tot 27 oktober 2026, in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling (meer specifiek de resultaten van het perspectiefonderzoek). De kinderrechter meent dat het noodzakelijk is dat deze twee zaken gelijktijdig behandeld worden. De advocaten van de ouders onderschrijven dit. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing daarom verlengen voor de duur van twee maanden, onder aanhouding van het resterende deel.
5.7.
Tijdens de komende zitting worden beide zaken volledig behandeld, met de actuele stand van zaken.
5.8.
De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk 13 juli 2026 een uitgebreid schriftelijk verslag aan te leveren, met daarin de actuele stand van zaken en haar standpunt over het resterende verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.
5.9.
De kinderrechter verzoekt de advocaten van de ouders, indien gewenst, eventuele aanvullende stukken in beide zaken te overleggen, met inachtneming van het procesreglement.
5.10.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.11.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot met ingang van 3 juni 2026 tot 3 juni 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 3 juni 2026 tot 3 augustus 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de behandeling van het resterende verzoek aan en roept de GI, de Raad en de ouders en hun advocaten op te verschijnen tijdens de zitting van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (kinderrechter mr. Phillips), in het gerechtsgebouw aan Stationslaan 10 te Breda, op [datum] 2026 om [uur], teneinde op het resterende verzoek te worden gehoord;
6.5.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als een oproep voor de GI, de Raad en de ouders en hun advocaat voor deze zitting;
6.6.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking tevens geldt als een oproep in de bodemzaak (met zaaknummer C/02/431946 / FA RK 25-790) voor de ouders en hun advocaten, de Raad en de GI voor deze zitting;
6.7.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier, en op schrift gesteld op 15 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:260 BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447312 / JE RK 26-674
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 3] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. D.J.A. Burlet uit Oostburg,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A. Sarioglu uit Amsterdam.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 april 2026;
de brief met bijlage van mr. Burlet, ontvangen op 20 mei 2026;
de brief met producties 1 t/m 16 van mr. Sarioglu, ontvangen op 28 mei 2026;
de brief van mr. Burlet, ontvangen op 1 juni 2026;
de brief met productie 17 van mr. Sarioglu, ontvangen op 1 juni 2026.
1.2.
De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 2 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder via een Teams-verbinding, bijgestaan door haar advocaat;
de vader via een Teams-verbinding, bijgestaan door zijn advocaat;
een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI, van wie één via een Teams-verbinding.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 juni 2025 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld met ingang van 3 juni 2025 tot 3 juni 2026.
2.3.
Bij beschikking van 5 februari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening verlengd met ingang van 5 februari 2026 tot 3 juni 2026.
2.4.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven sinds 23 augustus 2025 in een gezinshuis.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van zes maanden.
3.3.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
De GI
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Sinds 23 augustus 2025 verblijven de kinderen in een gezinshuis. Sinds de plaatsing in het gezinshuis laten de kinderen een positieve ontwikkeling zien. Er is rust, stabiliteit en voorspelbaarheid. De omgang tussen de vader en de kinderen is in de afgelopen periode stapsgewijs opgebouwd en uitgebreid, waarbij momenteel wekelijks contact plaatsvindt, afwisselend op woensdag en zaterdag. De ene week is dit woensdag van 14:00 tot 18:00 uur en de andere week zaterdag van 09:00 uur tot 18:00 uur. De moeder heeft geen fysiek contact met de kinderen, maar onderhoudt wekelijks videobelcontact. De moeder heeft aangegeven momenteel geen ruimte te ervaren voor uitbreiding van het contact, waardoor opbouw van fysieke omgang niet mogelijk is.
4.2.
Er is gekeken naar het uitbreiden van het contact tussen de vader en de kinderen. Op zaterdag 21 maart 2026 zijn hierover onduidelijkheden ontstaan. De vader heeft toen onbegeleid contact met de kinderen gehad, waarbij meerdere familieleden aanwezig waren. De GI geeft aan dat de fout in deze onduidelijkheid bij haar ligt. Hoewel het contact over het algemeen positief verloopt, heeft deze onduidelijkheid en het niet naleven van afspraken ertoe geleid dat de GI heeft besloten om het contact voorlopig volgens de vastgestelde regels te laten verlopen en niet verder uit te breiden. Na dit incident is een nieuwe gezinsvoogd betrokken, die nog niet bekend was met het dossier. Zij geeft aan dat zij stukken in het dossier mist. Omdat de nieuwe gezinsvoogd geen beslissingen wil nemen zonder die stukken, is er niet verder gewerkt aan het uitbreiden van de contacten.
4.3.
In de afgelopen periode zijn er meerdere aanvragen gedaan bij hulpverleningsorganisaties voor een terug-thuisplaatsingsonderzoek, omdat de GI zicht wil verkrijgen op de thuissituatie en opvoedvaardigheden van de vader. Deze organisaties zijn allemaal afgevallen, omdat ze niet geschikt waren of buiten het bereik vielen. Het laatste onderzoek bij SDiZ levert volgens de GI onvoldoende basis op voor een zorgvuldig perspectiefbesluit, omdat het alleen is gebaseerd op bestaande rapportages. De GI verzoekt de rechtbank om de Raad te verzoeken een perspectiefonderzoek uit te voeren, teneinde verdere stagnatie in het bepalen van het toekomstperspectief van de kinderen te voorkomen. Het is van belang dat er snel duidelijkheid komt voor de kinderen zodat zij weten waar zij aan toe zijn.
4.4.
De GI is van oordeel dat de verlenging van zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Er is op dit moment geen sprake van een stabiel en veilig opvoedperspectief bij één van de ouders. De moeder biedt onvoldoende opvoedperspectief vanwege het ontbreken van medewerking en fysieke aanwezigheid. Bij de vader ontbreekt nog onderzoek naar zijn opvoedcapaciteiten. De rust en stabiliteit die de kinderen ervaren in het gezinshuis moeten op dit moment gecontinueerd worden.
De moeder
4.5.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat de kinderen zich goed ontwikkelen op de plek waar zij nu verblijven. Deze plek biedt de kinderen de beste kans om een fijne jeugd te krijgen. Er wordt bekeken wat de vader kan betekenen in de verzorging en opvoeding, maar de moeder maakt zich daar zorgen over. Zij betwijfelt of de vader goed voor de kinderen kan zorgen. Tijdens het contact tussen de vader en de kinderen is de oma altijd aanwezig. De moeder is bezorgd dat de oma de opvoedende rol overneemt van de vader. Ook vreest zij dat als de kinderen bij de vader gaan wonen, zij zelf geen contact meer met hen zal hebben. Het is voor de moeder niet mogelijk om enige vorm van contact te hebben met de vader. Zij is daarom ook terughoudend in het fysieke contact met de kinderen. Ze is bang dat informatie over haar via de kinderen bij de vader terechtkomt. De moeder wil graag voor haar kinderen zorgen, maar het lukt haar niet. In het huidige gezin gaat het goed met de kinderen en is er ruimte om het contact met beide ouders uit te breiden. De moeder staat achter het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen. De moeder staat daarnaast achter het uitvoeren van een perspectiefonderzoek. Dit onderzoek is nodig om te beoordelen wat een eventuele plaatsing bij de vader betekent voor het contact en de relatie tussen de kinderen en de moeder.
De vader
4.6.
Door en namens de vader is verweer gevoerd. Hij verzoekt om het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. De huidige situatie duurt al te lang en de kinderen beginnen last te krijgen van de onduidelijkheid. De vader bepleit dat de kinderen bij hem geplaatst moeten worden. Er zijn geen concrete feiten naar voren gebracht waarom plaatsing bij de vader onveilig en onverantwoord zou zijn. De omgangscontacten verlopen goed. De vader betwist de uitingen van de moeder dat hij niet zelf voor de kinderen kan zorgen. De vader heeft zich ontwikkeld en hij is absoluut in staat om voor de kinderen te zorgen, zoals ook blijkt uit de omgangsverslagen. Zolang er sprake is van een ondertoezichtstelling met een machtiging tot uithuisplaatsing, is het uitgangspunt dat er moet worden gewerkt aan thuisplaatsing. De vader verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag uit 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:10058). De moeder stelt dat het contact met haar onmogelijk wordt als de kinderen bij de vader wonen, maar dit betwist de vader nadrukkelijk. Hij staat open voor contact en met hulpverlening kan dit contact geregeld worden.
4.7.
Het frustreert de vader dat het perspectiefonderzoek nog niet is uitgevoerd. Ten aanzien van het omgangsincident waarbij eenmalig onbegeleid contact heeft plaatsgevonden geeft de vader aan dat er onduidelijkheid was gecreëerd door de GI. Zij heeft dit later ook toegegeven. Ondanks deze onduidelijkheid, is het contact goed verlopen. De vader heeft zich aan de afspraken gehouden. Hij handelt in het belang van de kinderen en volgens de regels.
4.8.
Bij de moeder is geen perspectief voor de kinderen, omdat zij aangeeft niet in staat te zijn om voor hen te zorgen. Bij de vader is het perspectief wel aanwezig. Dit wordt bevestigd door de Raad en de GI. Het is belangrijk voor de kinderen dat zij terugkeren naar de vader en hun vertrouwde leefomgeving. Zij zijn inmiddels al een jaar uit huis geplaatst, dus voortvarendheid is vereist. De GI geeft aan dat de opvoedvaardigheden van de vader nog niet goed in kaart zijn gebracht. Naar mening van de vader klopt dit niet: uit alle omgangsverslagen blijkt dat de vader goed met de kinderen omgaat. Primair verzoekt de vader, ondanks dat dat verzoek niet voorligt, om de kinderen zo snel mogelijk bij hem te plaatsen. Als dat niet meteen kan, verzoekt hij subsidiair om een machtiging tot uithuisplaatsing van maximaal drie maanden. In die periode moet zicht komen op zijn opvoedvaardigheden. Daarnaast verzoekt hij om een concreet en toetsbaar tijdspad voor het perspectiefonderzoek. Het is van belang dat de rechtbank hierbij een vinger aan de pols houdt.
De Raad
4.9.
De Raad adviseert, samengevat, als volgt. Het laten uitvoeren van een perspectiefonderzoek door de Raad heeft geen meerwaarde, aangezien de Raad ook alleen dossieronderzoek doet. Bovendien heeft er recentelijk een uitgebreid raadsonderzoek plaatsgevonden. De Raad vindt dat er duidelijkheid moet komen over de thuissituatie en opvoedvaardigheden van de vader. Er zijn geen contra-indicaties voor terugplaatsing van de kinderen bij de vader en het perspectief bij de vader staat nog open. Volgens de Raad moet er gewerkt worden aan een terugplaatsing bij de vader, maar daarvoor is eerst goed zicht op de situatie nodig. Door het contact uit te breiden, kan beter worden gekeken wat de hulpvragen van de vader zijn. Dit is belangrijk om te kunnen beoordelen of de kinderen bij de vader kunnen wonen. De Raad vindt daarom dat het contact zo snel mogelijk uitgebreid moet worden. Daarbij moet een organisatie worden gevonden die kan beoordelen of er sprake is van goed genoeg ouderschap.
5De beoordeling
Ondertoezichtstelling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben veel meegemaakt. Niet geheel duidelijk is hoe hun voorgeschiedenis eruit heeft gezien, maar wel is duidelijk dat er veel ruzies en spanningen zijn geweest in het huwelijk van de ouders, en dat de kinderen daar getuige van zijn geweest. Onduidelijk is wat deze onrust, onvoorspelbaarheid en spanningen voor impact hebben gehad op de kinderen. Sinds 23 augustus 2025 verblijven de kinderen in een gezinshuis. Daar laten ze een positieve ontwikkeling zien en er is meer rust. De kinderen hebben contact met de moeder via een video-verbinding. De omgang tussen de vader en de kinderen is in de afgelopen periode stapsgewijs opgebouwd en uitgebreid, waarbij momenteel wekelijks contact plaatsvindt, afwisselend op woensdag en zaterdag. Deze omgangsmomenten verlopen positief.
5.3.
Gebleken is dat er de afgelopen periode geen perspectiefonderzoek is uitgevoerd en dat er nog onvoldoende zicht is op de thuissituatie van de vader. Daarnaast bestaat er nog steeds een groot wantrouwen tussen de ouders en angst bij de moeder voor de vader. Het is noodzakelijk dat de GI betrokken blijft om het contact tussen beide ouders en de kinderen te organiseren en verder uit te breiden.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengen voor de duur van een jaar.
Machtiging tot uithuisplaatsing
5.5.
Op dit moment kunnen de kinderen niet bij (een van de) ouders wonen. De moeder heeft geen mogelijkheid, en bij de vader moet zicht worden verkregen op zijn opvoedvaardigheden en thuissituatie. De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is daarom noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding.
5.6.
Bij beschikking van 12 mei 2026 is de beslissing in de bodemzaak ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling aangehouden tot 27 oktober 2026, in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling (meer specifiek de resultaten van het perspectiefonderzoek). De kinderrechter meent dat het noodzakelijk is dat deze twee zaken gelijktijdig behandeld worden. De advocaten van de ouders onderschrijven dit. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing daarom verlengen voor de duur van twee maanden, onder aanhouding van het resterende deel.
5.7.
Tijdens de komende zitting worden beide zaken volledig behandeld, met de actuele stand van zaken.
5.8.
De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk 13 juli 2026 een uitgebreid schriftelijk verslag aan te leveren, met daarin de actuele stand van zaken en haar standpunt over het resterende verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.
5.9.
De kinderrechter verzoekt de advocaten van de ouders, indien gewenst, eventuele aanvullende stukken in beide zaken te overleggen, met inachtneming van het procesreglement.
5.10.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.11.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot met ingang van 3 juni 2026 tot 3 juni 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 3 juni 2026 tot 3 augustus 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de behandeling van het resterende verzoek aan en roept de GI, de Raad en de ouders en hun advocaten op te verschijnen tijdens de zitting van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (kinderrechter mr. Phillips), in het gerechtsgebouw aan Stationslaan 10 te Breda, op [datum] 2026 om [uur], teneinde op het resterende verzoek te worden gehoord;
6.5.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als een oproep voor de GI, de Raad en de ouders en hun advocaat voor deze zitting;
6.6.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking tevens geldt als een oproep in de bodemzaak (met zaaknummer C/02/431946 / FA RK 25-790) voor de ouders en hun advocaten, de Raad en de GI voor deze zitting;
6.7.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier, en op schrift gesteld op 15 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:260 BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.