Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:5923

2026-06-02 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/441131 / FA RK 25-5438
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-02
Publicatiedatum
2026-07-03
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/441131 / FA RK 25-5438
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek ingediend als gegrondverklaring ontkenning vaderschap. Ambtshalve aanvulling rechsgronden. Vernietiging erkenning toegewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.425 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT




Team Familie- en Jeugdrecht



Zittingsplaats: Middelburg



Zaaknummer: C/02/441131 / FA RK 25-5438
Datum uitspraak: 2 juni 2026




beschikking over vernietiging erkenning en wijziging geslachtsnaam




in de zaak van





[minderjarige]
, geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2008, hierna: [minderjarige]
wonende te [woonplaats 1] ,
vertegenwoordigd door mr. E. Sijnesael in haar hoedanigheid van bijzondere curator.



Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:





[de moeder]
,
hierna: de moeder,
wonende in Portugal,





[de juridische vader]
,
hierna: de juridische vader of de man,
wonende in [woonplaats 2] .





1Het procesverloop


1.1.
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:


het op 3 oktober 2025 ontvangen verzoek tot gegrondverklaring ontkenning vaderschap, met bijlagen;


de oproep van de juridische vader door de griffier van deze rechtbank in de Staatscourant van 23 december 2025;


de op 23 januari 2026 ontvangen e-mail van de moeder;


de oproepen van de moeder en de juridische vader door de griffier van deze rechtbank in de Staatscourant van 27 januari 2026.





1.2.
De zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026. Bij die behandeling waren aanwezig [minderjarige] met haar advocaat. De moeder heeft voorafgaand aan de zitting per e-mail laten weten dat zij niet bij de zitting aanwezig zou zijn en zij was dat ook niet. De juridische vader is juist opgeroepen (zowel per brief als door middel van de plaatsing van een oproep in de Staatscourant), maar was, zonder voorafgaand bericht, (ook) niet bij de zitting aanwezig.





2Het verzoek


2.1.

De bijzondere curator namens [minderjarige] verzoekt:
I. Het vaderschap van de heer [de juridische vader] ten aanzien van [minderjarige] te ontkennen;
II. De ambtenaar van de gemeente Haarlem te gelasten de geslachtsnaam van [minderjarige] te wijzigen in die zin dat de geslachtsnaam van [minderjarige] wordt gewijzigd in “ [geslachtsnaam van de moeder] ” en dat de naam aldus [naam] zal zijn;
III. De beschikking, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;
IV. Kosten rechtens.






3De beoordeling


3.1.
Bij beschikking van 18 juli 2025 in de zaak C/02/435196 / FA RK 25-2383 heeft de rechtbank mr. Sijnesael benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] . De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht de belangen van [minderjarige] in kaart te brengen en na beoordeling daarvan te bepalen of namens haar een verzoek zal worden ingediend tot ontkenning vaderschap en in dat kader de belangen van [minderjarige] in en buiten rechte te vertegenwoordigen.



3.2.
De bijzondere curator is op 3 oktober 2025 overgegaan tot het indienen van een verzoekschrift namens [minderjarige] tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader.



3.3.
Op grond van de overgelegde stukken staat het volgende vast:
- De moeder is op [geboortedag 1] 2008 te [geboorteplaats 1] bevallen van [minderjarige] .
- De juridische vader heeft [minderjarige] op 2 april 2014 erkend.
- De juridische vader en de moeder zijn op [datum 1] 2014 in de gemeente Bloemendaal met elkaar gehuwd.
- Bij beschikking van de rechtbank [datum 2] 2018 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, is in het huwelijk van de juridische vader en de moeder de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op [datum 3] 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
- De moeder is bij beschikking van [datum 2] 2018 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
- De moeder, de juridische vader en [minderjarige] hebben allen de Nederlandse nationaliteit.
- [minderjarige] en de juridische vader hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland. De moeder woont in Portugal.



3.4.

De bijzondere curator heeft namens [minderjarige] aan het verzoek ten grondslag gelegd dat

[minderjarige] niet langer wil dat de man als haar juridisch vader staat geregistreerd. [minderjarige] ervaart geen enkele band met hem. Sterker nog, de juridische vader roept negatieve gevoelens bij [minderjarige] op. [minderjarige] heeft geen positieve ervaringen met haar juridische vader gehad. Er was sprake van geweld wanneer de juridische vader bij [minderjarige] en haar moeder (en broertje) verbleef. De juridische vader speelt op dit moment geen enkele rol in het leven van [minderjarige] . [minderjarige] wil dit nu en in de toekomst ook niet meer. Zowel biologisch als emotioneel is er geen enkele verbondenheid tussen [minderjarige] en de juridische vader. [minderjarige] wordt juridisch geconfronteerd met de keuze die moeder heeft gemaakt om haar door de man te laten erkennen. [minderjarige] ervaart iedere dag de gevolgen van deze keuze. Niet alleen op juridisch vlak (door het juridisch vaderschap en de achternaam van [minderjarige] ), maar ook emotioneel. [minderjarige] is al jarenlang onder behandeling bij een psycholoog en psychiater. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat zij ervaart dat haar belangen belangrijk zijn en prioriteit hebben. De moeder van [minderjarige] heeft, volgens [minderjarige] , nooit prioriteit aan de belangen van [minderjarige] gegeven, maar altijd aan die van haar zelf. [minderjarige] dient gehoord te worden. Daarnaast is van belang dat de juridische en feitelijke situatie met elkaar in
overeenstemming wordt gebracht. Ook wil [minderjarige] niet langer de achternaam van haar juridische vader dragen.




3.5.
De rechtbank overweegt als volgt.



Internationaal privaatrecht (IPR)




3.6.
Vanwege het feit dat de moeder in Portugal verblijft draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek.



Internationale bevoegdheid




3.7.
In artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat dat met uitzondering van zaken als bedoeld in de artikelen 4 en 5, in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingediend de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, indien hetzij de verzoeker of, indien er meer verzoekers zijn, een van hen, hetzij een van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbende in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.



3.8.
Nu [minderjarige] als verzoekster in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.



Relatieve bevoegdheid




3.9.
Op grond van artikel 265 Rv is de rechter van de woonplaats van de minderjarige of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige, bevoegd om van het onderhavige verzoek kennis te nemen.



3.10.
Ten tijde van indiening van het verzoekschrift was [minderjarige] nog minderjarig. Uit artikel 1:12 Burgerlijk Wetboek (BW) blijkt dat een minderjarige de woonplaats volgt van hem die het gezag over hem uitoefent. De moeder had ten tijde van indiening van het verzoek het gezag over [minderjarige] . [minderjarige] volgde op dat moment dus de woonplaats van de moeder. De moeder woonde toen (en woont nog steeds) in Portugal. Dat betekent dat [minderjarige] ten tijde van indiening van het verzoekschrift geen (afgeleide) woonplaats in Nederland had. Volgens de toelichting bij artikel 265 Rv dient dan te worden aangesloten bij het werkelijk verblijf van de minderjarige. Nu [minderjarige] ten tijde van indiening van het verzoekschrift haar werkelijk verblijf in Oost-Souburg had, is deze rechtbank bevoegd om van de verzoeken van [minderjarige] kennis te nemen en daarop te beslissen.



Ambtshalve aanvulling rechtsgronden




3.11.

[minderjarige] heeft verzocht om op grond van artikel 1:200 BW de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader gegrond te verklaren. Aan haar verzoek heeft zij ten grondslag gelegd dat de man niet haar biologische vader is en dat zij wil dat hij niet langer als haar juridische vader geregistreerd staat.



3.12.
Op grond van artikel 25 Rv heeft de rechter de plicht om zelfstandig na te gaan op welke juridische grondslag een verzoek wordt gebaseerd en, indien nodig, deze rechtsgrond ambtshalve aan te vullen.



3.13.

Vast staat dat [minderjarige] op 2 april 2014 is erkend door de juridische vader. Op grond van artikel 10:95, eerste lid, BW wordt, voor zover hier van belang, de vraag of een erkenning familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen de man en een kind, wat betreft de bevoegdheid van de man en de voorwaarden voor de erkenning, bepaald door het recht van de staat waarvan de man de nationaliteit bezit. Bezit de man de nationaliteit van meer dan een staat, dan is bepalend het nationale recht volgens hetwelk de erkenning mogelijk is. Indien volgens het nationale recht van de man erkenning niet of niet meer mogelijk is, is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.
Uit artikel 10:95 lid 2 BW volgt dat de akte van erkenning vermeldt welk recht ingevolge lid 1 is toegepast.




3.14.
Uit de latere vermelding betreffende de erkenning die bij de geboorteakte van [minderjarige] is gevoegd, blijkt dat Nederlands recht op (de bevoegdheid van de man en de voorwaarden voor) de erkenning is toegepast. Dit betekent dat op de vraag of de erkenning familierechtelijke betrekkingen heeft doen ontstaan tussen de man en [minderjarige] (wat betreft de bevoegdheid van de man en de voorwaarden voor de erkenning) het Nederlands recht van toepassing is.



3.15.
Naar Nederlands recht is de vader van een kind – onder andere – de man die het kind heeft erkend (artikel 1:199 onder c BW). Dit betekent dat de man door de erkenning – naar Nederlands recht – de juridische vader van [minderjarige] is geworden. Nu het juridisch vaderschap van de man is ontstaan door de erkenning en niet door het op [datum 1] 2014 gesloten huwelijk tussen de moeder en de juridisch vader, waarvan de bijzondere curator in haar verzoekschrift is uitgegaan, is de juiste grondslag van het verzoek van [minderjarige] artikel 1:205 BW (vernietiging van de erkenning). De rechtbank zal daarom, zoals ter zitting van 7 mei 2026 ook is besproken, ambtshalve de rechtsgronden aanvullen.



Toepasselijk recht




3.16.
In artikel 10:96, eerste lid, BW staat dat, op welke wijze erkenning kan worden tenietgedaan, wat betreft de bevoegdheid van een persoon die het kind heeft erkend en de voorwaarden voor de erkenning, wordt bepaald door het ingevolge artikel 10:95, eerste lid, BW toegepaste recht en wat betreft de toestemming van de moeder, onderscheidenlijk het kind, door het recht dat ingevolge artikel 10:95 lid 3 BW toepasselijk is.



3.17.

Nu de grondslag van het verzoek van [minderjarige] – namelijk dat de man niet de
biologische vader van de minderjarige is – ligt in de bevoegdheid van de persoon die het kind heeft erkend c.q. voorwaarden voor de erkenning, dient te worden gekeken naar artikel 10:95, eerste lid, BW.




3.18.
Zoals reeds is overwogen in ro. 3.13 is, met toepassing van artikel 10:95, eerste lid, BW, op de erkenning het Nederlandse recht toegepast. Dit betekent dat in dit geval op de vernietiging van de erkenning ook Nederlands recht van toepassing is.



Ontvankelijkheid




3.19.
In artikel 1:205 lid 1 BW staat, voor zover hier van belang, dat een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank kan worden ingediend door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden. Volgens lid 4 van dit artikel wordt het verzoek door het kind ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.



3.20.
Nu het verzoek namens [minderjarige] tijdens haar minderjarigheid is ingediend, is het verzoek tijdig ingediend. Daarmee is het verzoek ontvankelijk.



Vernietiging erkenning




3.21.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de overgelegde stukken voldoende vast staat dat de juridische vader niet de biologische vader van [minderjarige] is. De rechtbank baseert zich daarbij op de inhoud van de echtscheidingsbeschikking van [datum 2] 2018, de gespreksverslagen van de bijzondere curator en de verklaringen van de moeder en de juridische vader tijdens de zitting in de procedure van de informele rechtsingang, waarvan de inhoud verkort is opgenomen in de beschikking van 18 juli 2025 tot benoeming van een bijzondere curator over [minderjarige] .



3.22.
Tijdens de relatie van de moeder en de juridisch vader hebben zij ervoor gekozen om de juridische vader [minderjarige] te laten erkennen. Inmiddels is de relatie van de moeder en de juridisch vader verbroken en de juridisch vader speelt geen rol meer in het leven van [minderjarige] als ouder. Ook is niet te verwachten dat hij in de toekomst deze rol nog op zich zal nemen. De juridische vader wil dit niet en [minderjarige] ook niet. Hoewel het in het algemeen in het belang is van een kind om twee juridische ouders te hebben, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is in deze zaak. Het belang van [minderjarige] dat de biologische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie weegt hier zwaarder. [minderjarige] heeft duidelijk verteld dat zij er veel last van heeft dat de juridische vader nog als haar vader geregistreerd staat. Daarnaast hebben zowel de moeder als de juridische vader tijdens de zitting in de procedure van de informele rechtsingang aangegeven dat zij achter het verzoek van [minderjarige] staan. De moeder heeft bovendien per e-mail op 23 januari 2026 laten weten dat die zienswijze ongewijzigd is gebleven. Gelet op al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de man niet langer de juridische vader van [minderjarige] is. De rechtbank zal daarom de erkenning van [minderjarige] door de juridische vader vernietigen.



Geslachtsnaam




3.23.
In artikel 10:20 BW staat dat, voor zover hier van belang, de geslachtsnaam van een persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit, ongeacht de vraag of hij nog een andere nationaliteit heeft, wordt bepaald door het Nederlandse recht. Dit geldt ook indien vreemd recht van toepassing is op de familierechtelijke betrekkingen waarvan het ontstaan of het tenietgaan gevolg kan hebben voor de geslachtsnaam.



3.24.
Nu [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit heeft, is het Nederlandse recht van toepassing op haar geslachtsnaam.



3.25.

Artikel 1:206 lid 1 BW bepaalt dat nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, de erkenning door de juridische vader geacht wordt nimmer gevolg te hebben gehad. Dit betekent dat [minderjarige] alleen in een familierechtelijke betrekking tot de moeder komt te staan. [minderjarige] zal dan, van rechtswege, op grond van artikel 1:5 lid 1 BW de geslachtsnaam
van haar moeder zal dragen. De rechtbank zal voor de volledigheid verstaan dat [minderjarige] na vernietiging van de erkenning de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam van de moeder] ’ zal hebben.




Beëindiging taak van de bijzondere curator




3.26.
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.



3.27.
Al het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.



3.28.
Dit betekent dat als volgt wordt beslist.





4De beslissing


De rechtbank



4.1.
vernietigt de op 2 april 2014 in de gemeente Haarlem gedane erkenning van [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2008, door [de juridische vader] , geboren te [geboorteplaats 2] , Afghanistan, op [geboortedag 2] 1987;



4.2.
verstaat, na het in kracht van gewijsde gaan van deze beschikking, dat [minderjarige] de geslachtsnaam van haar moeder, te weten ‘ [geslachtsnaam van de moeder] ’, heeft;



4.3.
beschouwt de taak van de bijzondere curator in de procedure in eerste aanleg als beëindigd;



4.4.
draagt de griffier op, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Haarlem om daarin aantekening te doen van deze beschikking;



4.5.
wijst het meer of anders verzochte af.


Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Lavrijssen, griffier.










Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.