Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:5892
2026-07-02
Strafrecht; Materieel strafrecht
25-030743
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Klaagschriftprocedure ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering. Onderzoek Durmstrang. Verdenking witwassen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2011:BO2962 Hoge Raad 08-02-2011
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.018 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-265101-25
raadkamernummer : 25-030743
datum : 02 juli 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedag] 1987, te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [woonadres] ,
mr. J.J.J. Zwaan, advocaat te Utrecht,
hierna te noemen: de klager.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 28 november 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 20 november 2025 onder beslagene [beslagene] ( [bedrijf 1] te [plaats] ) in het strafvorderlijk onderzoek tegen [bedrijf 2] GmbH in beslag is genomen: een Mercedes-Benz SL63 AMG 4Matic Performance voorzien van kenteken [kenteken] ;.
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 4 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. van Nieuwenhuis, klager en mr. Zwaan, raadsman van klager, gehoord.
De belanghebbenden zijn behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Dit zijn: [beslagene] (beslagene) en [bedrijf 2] GmbH (verdachte, tevens belanghebbende).
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Namens klager is een pleitnota overgelegd. De inhoud van deze pleitnota kan hier als ingelast worden beschouwd en zal als bijlage bij deze beslissing worden gevoegd. Aanvullend is aangevoerd dat klager het voornemen had om de auto aan [bedrijf 1] verkopen, maar dat de auto nog niet door [bedrijf 1] was betaald, zodat klager nog eigenaar was van de auto. Er was sprake van een voorovereenkomst tussen [bedrijf 1] en klager.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet afdoende is aangetoond dat klager de rechthebbende is van de auto. Om die reden dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat klager wordt verdachte van witwassen, valsheid van geschrifte en ontduiking van het betalen van BPM. De officier van justitie is van mening dat het klaagschrift daarom ongegrond dient te worden verklaard.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klager ontvankelijk is in zijn klaagschrift. De rechtbank stelt in dat kader vast dat klager uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij rechthebbende is. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO2962) heeft dan als uitgangspunt te gelden dat klager ontvankelijk is.
Anders dan de officier van justitie zal de rechtbank klager daarom ontvankelijk achten in het onderhavige klaagschrift.
De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klager daadwerkelijk redelijkerwijs rechthebbende is. De auto werd immers bij [bedrijf 1] in beslag genomen.
Uit de voorliggende stukken blijkt dat de officier van justitie bij de Belastingdienst het BPM-dossier van de Mercedes heeft gevorderd. Uit de ontvangen informatie bleek dat [bedrijf 1]
op 4 november 2025 aangifte BPM heeft ingediend. Er was een door beide partijen
getekende inkoopverklaring bij de aangifte gevoegd, waaruit bleek dat verdachte [de klager] de
Mercedes op 1 november 2025 heeft verkocht aan [bedrijf 1] voor een bedrag van EUR 85.000. [bedrijf 1] heeft aangifte BPM voor de Mercedes gedaan namens zichzelf en niet als gemachtigde.
Op 10 november 2025 heeft de afdeling BPM Domeinen Roerende Zaken van de Belastingdienst een mail gestuurd naar [bedrijf 1] , omdat het voertuig op 12 november 2025 gecontroleerd diende te worden door een belastinginspecteur in verband met de Wet BPM. Dit was kort voor de inbeslagname. Klager heeft gesteld dat het slechts om een voorovereenkomst van verkoop ging en dat [bedrijf 1] geen eigenaar is, maar dit volgt de rechtbank niet gezien de bovengenoemde inkoopverklaring. Gelet hierop heeft klager naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat hij redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt. Dit leidt tot de conclusie dat het klaagschrift reeds hierom ongegrond moet worden verklaard.
3De beslissing
De rechtbank verklaart:
- het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 2 juli 2026 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
Bijlage:
- de pleitnota, overgelegd ter zitting van 4 juni 2026.
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-265101-25
raadkamernummer : 25-030743
datum : 02 juli 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedag] 1987, te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [woonadres] ,
mr. J.J.J. Zwaan, advocaat te Utrecht,
hierna te noemen: de klager.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 28 november 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 20 november 2025 onder beslagene [beslagene] ( [bedrijf 1] te [plaats] ) in het strafvorderlijk onderzoek tegen [bedrijf 2] GmbH in beslag is genomen: een Mercedes-Benz SL63 AMG 4Matic Performance voorzien van kenteken [kenteken] ;.
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 4 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. van Nieuwenhuis, klager en mr. Zwaan, raadsman van klager, gehoord.
De belanghebbenden zijn behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Dit zijn: [beslagene] (beslagene) en [bedrijf 2] GmbH (verdachte, tevens belanghebbende).
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Namens klager is een pleitnota overgelegd. De inhoud van deze pleitnota kan hier als ingelast worden beschouwd en zal als bijlage bij deze beslissing worden gevoegd. Aanvullend is aangevoerd dat klager het voornemen had om de auto aan [bedrijf 1] verkopen, maar dat de auto nog niet door [bedrijf 1] was betaald, zodat klager nog eigenaar was van de auto. Er was sprake van een voorovereenkomst tussen [bedrijf 1] en klager.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet afdoende is aangetoond dat klager de rechthebbende is van de auto. Om die reden dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat klager wordt verdachte van witwassen, valsheid van geschrifte en ontduiking van het betalen van BPM. De officier van justitie is van mening dat het klaagschrift daarom ongegrond dient te worden verklaard.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klager ontvankelijk is in zijn klaagschrift. De rechtbank stelt in dat kader vast dat klager uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij rechthebbende is. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO2962) heeft dan als uitgangspunt te gelden dat klager ontvankelijk is.
Anders dan de officier van justitie zal de rechtbank klager daarom ontvankelijk achten in het onderhavige klaagschrift.
De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klager daadwerkelijk redelijkerwijs rechthebbende is. De auto werd immers bij [bedrijf 1] in beslag genomen.
Uit de voorliggende stukken blijkt dat de officier van justitie bij de Belastingdienst het BPM-dossier van de Mercedes heeft gevorderd. Uit de ontvangen informatie bleek dat [bedrijf 1]
op 4 november 2025 aangifte BPM heeft ingediend. Er was een door beide partijen
getekende inkoopverklaring bij de aangifte gevoegd, waaruit bleek dat verdachte [de klager] de
Mercedes op 1 november 2025 heeft verkocht aan [bedrijf 1] voor een bedrag van EUR 85.000. [bedrijf 1] heeft aangifte BPM voor de Mercedes gedaan namens zichzelf en niet als gemachtigde.
Op 10 november 2025 heeft de afdeling BPM Domeinen Roerende Zaken van de Belastingdienst een mail gestuurd naar [bedrijf 1] , omdat het voertuig op 12 november 2025 gecontroleerd diende te worden door een belastinginspecteur in verband met de Wet BPM. Dit was kort voor de inbeslagname. Klager heeft gesteld dat het slechts om een voorovereenkomst van verkoop ging en dat [bedrijf 1] geen eigenaar is, maar dit volgt de rechtbank niet gezien de bovengenoemde inkoopverklaring. Gelet hierop heeft klager naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat hij redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt. Dit leidt tot de conclusie dat het klaagschrift reeds hierom ongegrond moet worden verklaard.
3De beslissing
De rechtbank verklaart:
- het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 2 juli 2026 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
Bijlage:
- de pleitnota, overgelegd ter zitting van 4 juni 2026.