Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:5888
2026-07-02
Strafrecht; Materieel strafrecht
26-001698
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Klaagschriftprocedure ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering. Onderzoek Durmstrang. Verdenking witwassen.
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2011:BO2962 Hoge Raad 08-02-2011
- ECLI:NL:HR:2010:BL2823 Hoge Raad 28-09-2010
- ECLI:NL:HR:2010:BL2823 Hoge Raad 28-09-2010
- ECLI:NL:HR:2023:81 Hoge Raad 31-01-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.165 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-265101-25
raadkamernummer : 26-001698
datum : 02 juli 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedag] 1982,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. S.D. Polat, advocaat te Amsterdam (Pedro de Medinalaan 87B, 1086 XP Amsterdam),
hierna te noemen: de klager.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 21 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 21 november 2025 in het strafvorderlijk onderzoek tegen [bedrijf 1] GmbH in beslag is genomen: een auto Audi Sport, model RS6 Avant met kenteken [kenteken] ;
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 4 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. M. Nieuwenhuis, klager en de raadsman van klager, mr. S.D. Polat, gehoord.
De belanghebbende is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Dit is: [bedrijf 1] GmbH (tevens verdachte).
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag. Namens klager is een pleitnota overgelegd. De inhoud van deze pleitnota kan hier als ingelast worden beschouwd en zal als bijlage bij deze beslissing worden gevoegd. Aanvullend is namens klager verklaard dat hij al langer met het bedrijf [bedrijf 1] samenwerkte, dat dat altijd goed ging en hij dus te goeder trouw heeft gehandeld. De auto heeft niet in Nederland gereden, dus BPM hoefde niet te worden betaald. Klager heeft een koopovereenkomst overgelegd van de aankoop van de auto.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is dat klager ook de rechthebbende is van de auto. Daarom dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er nog onderzoeksbelang is en dat gelet op de verdenking van witwassen en mogelijk valsheid in geschrifte jegens klager, het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de auto zal verbeurdverklaren. Daarom dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klager ontvankelijk is in zijn klaagschrift. De rechtbank stelt in dat kader vast dat klager uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij rechthebbende is. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO2962) heeft dan als uitgangspunt te gelden dat klager ontvankelijk is.
De rechtbank zal klager daarom ontvankelijk achten in het onderhavige klaagschrift.
De klaagschriftprocedure kent niet de mogelijkheid van een last tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander dan degene die daarover een klaagschrift heeft ingediend (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De aanwezigheid van een strafvorderlijk belang sluit niet uit dat de rechtbank onder omstandigheden bij de beoordeling van het klaagschrift ook onderzoekt of voortzetting van het beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De rechtbank stelt op grond van de thans voorhanden zijnde stukken vast dat binnen het onderzoek ‘Durmstrang’ drie Duitse ondernemingen als verdachte zijn aangemerkt. Die ondernemingen zijn [bedrijf 1] GmbH, [bedrijf 2] UG en [bedrijf 3] UG. Deze ondernemingen hadden bij de aanvang van onderzoek Durmstrang een groot aantal voertuigen op hun naam staan terwijl zij hiervan niet de eigenaren waren. Het betroffen overwegend exclusieve en kostbare voertuigen, die vaak werden bestuurd door personen met antecedenten en die regelmatig betrokken waren bij verdachte situaties. Hierdoor is het vermoeden ontstaan dat personen die hun voertuig op naam van deze ondernemingen hebben laten registeren, hun identiteit wilden verhullen, crimineel geld wilden witwassen of BPM-fraude wilden plegen. Voorts bestaat in een aantal zaken de verdenking dat de eigenaren valsheid in geschrifte hebben gepleegd teneinde een valse voorstelling van zaken te kunnen geven.
Voor klager geldt dat de auto waarvan hij stelt eigenaar te zijn, op 21 november 2025 in beslag is genomen. Klager is zelf niet de beslagene. Voor deze auto staat vast dat deze geregistreerd stond op naam van [bedrijf 1] GmbH. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit een ongebruikelijk gang van zaken is, waar klager geen adequate verklaring voor heeft kunnen geven. Uit de dossierstukken blijkt dat de volmacht van [bedrijf 1] GmbH voor het gebruik maken van de auto op naam van [persoon] en niet op naam van klager staat. Verder is er een onvolledige koopovereenkomst overgelegd waaruit niet onomstotelijk blijkt dat klager de eigenaar van de auto is. Klager is eigenaar van [bedrijf 4] B.V. en wordt ervan verdacht zich samen met [bedrijf 1] GmbH aan witwassen schuldig te maken. Nu [bedrijf 1] GmbH voorts nadrukkelijk in beeld is bij justitie als malafide onderneming waar criminelen gebruik van zouden maken om hun identiteit te verhullen dan wel geld wit te wassen, begrijpt de rechtbank dat klager als verdachte van witwassen wordt gezien en acht zij het niet hoogst waarschijnlijk dat de onderhavige auto later door de zittingsrechter verbeurd zal worden verklaard.
Door klager is betoogd dat voortduring van het beslag disproportioneel is. Gelet op de verdenking van witwassen en het feit dat klager in raadkamer heeft verklaard dat hij de auto niet nodig heeft, is er onvoldoende reden om het beslag disproportioneel te achten.
De rechtbank zal het klaagschrift dan ook ongegrond verklaren.
3De beslissing
De rechtbank verklaart:
- het klaagschrift ongegrond;
Deze beslissing is op 2 juli 2026 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
Bijlage:
- de pleitnota, overgelegd op de zitting van 4 juni 2026.
ECLI:NL:HR:2010:BL2823.
ECLI:NL:HR:2023:81.
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-265101-25
raadkamernummer : 26-001698
datum : 02 juli 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedag] 1982,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. S.D. Polat, advocaat te Amsterdam (Pedro de Medinalaan 87B, 1086 XP Amsterdam),
hierna te noemen: de klager.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 21 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 21 november 2025 in het strafvorderlijk onderzoek tegen [bedrijf 1] GmbH in beslag is genomen: een auto Audi Sport, model RS6 Avant met kenteken [kenteken] ;
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 4 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. M. Nieuwenhuis, klager en de raadsman van klager, mr. S.D. Polat, gehoord.
De belanghebbende is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Dit is: [bedrijf 1] GmbH (tevens verdachte).
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag. Namens klager is een pleitnota overgelegd. De inhoud van deze pleitnota kan hier als ingelast worden beschouwd en zal als bijlage bij deze beslissing worden gevoegd. Aanvullend is namens klager verklaard dat hij al langer met het bedrijf [bedrijf 1] samenwerkte, dat dat altijd goed ging en hij dus te goeder trouw heeft gehandeld. De auto heeft niet in Nederland gereden, dus BPM hoefde niet te worden betaald. Klager heeft een koopovereenkomst overgelegd van de aankoop van de auto.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is dat klager ook de rechthebbende is van de auto. Daarom dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er nog onderzoeksbelang is en dat gelet op de verdenking van witwassen en mogelijk valsheid in geschrifte jegens klager, het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de auto zal verbeurdverklaren. Daarom dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klager ontvankelijk is in zijn klaagschrift. De rechtbank stelt in dat kader vast dat klager uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij rechthebbende is. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO2962) heeft dan als uitgangspunt te gelden dat klager ontvankelijk is.
De rechtbank zal klager daarom ontvankelijk achten in het onderhavige klaagschrift.
De klaagschriftprocedure kent niet de mogelijkheid van een last tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander dan degene die daarover een klaagschrift heeft ingediend (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De aanwezigheid van een strafvorderlijk belang sluit niet uit dat de rechtbank onder omstandigheden bij de beoordeling van het klaagschrift ook onderzoekt of voortzetting van het beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De rechtbank stelt op grond van de thans voorhanden zijnde stukken vast dat binnen het onderzoek ‘Durmstrang’ drie Duitse ondernemingen als verdachte zijn aangemerkt. Die ondernemingen zijn [bedrijf 1] GmbH, [bedrijf 2] UG en [bedrijf 3] UG. Deze ondernemingen hadden bij de aanvang van onderzoek Durmstrang een groot aantal voertuigen op hun naam staan terwijl zij hiervan niet de eigenaren waren. Het betroffen overwegend exclusieve en kostbare voertuigen, die vaak werden bestuurd door personen met antecedenten en die regelmatig betrokken waren bij verdachte situaties. Hierdoor is het vermoeden ontstaan dat personen die hun voertuig op naam van deze ondernemingen hebben laten registeren, hun identiteit wilden verhullen, crimineel geld wilden witwassen of BPM-fraude wilden plegen. Voorts bestaat in een aantal zaken de verdenking dat de eigenaren valsheid in geschrifte hebben gepleegd teneinde een valse voorstelling van zaken te kunnen geven.
Voor klager geldt dat de auto waarvan hij stelt eigenaar te zijn, op 21 november 2025 in beslag is genomen. Klager is zelf niet de beslagene. Voor deze auto staat vast dat deze geregistreerd stond op naam van [bedrijf 1] GmbH. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit een ongebruikelijk gang van zaken is, waar klager geen adequate verklaring voor heeft kunnen geven. Uit de dossierstukken blijkt dat de volmacht van [bedrijf 1] GmbH voor het gebruik maken van de auto op naam van [persoon] en niet op naam van klager staat. Verder is er een onvolledige koopovereenkomst overgelegd waaruit niet onomstotelijk blijkt dat klager de eigenaar van de auto is. Klager is eigenaar van [bedrijf 4] B.V. en wordt ervan verdacht zich samen met [bedrijf 1] GmbH aan witwassen schuldig te maken. Nu [bedrijf 1] GmbH voorts nadrukkelijk in beeld is bij justitie als malafide onderneming waar criminelen gebruik van zouden maken om hun identiteit te verhullen dan wel geld wit te wassen, begrijpt de rechtbank dat klager als verdachte van witwassen wordt gezien en acht zij het niet hoogst waarschijnlijk dat de onderhavige auto later door de zittingsrechter verbeurd zal worden verklaard.
Door klager is betoogd dat voortduring van het beslag disproportioneel is. Gelet op de verdenking van witwassen en het feit dat klager in raadkamer heeft verklaard dat hij de auto niet nodig heeft, is er onvoldoende reden om het beslag disproportioneel te achten.
De rechtbank zal het klaagschrift dan ook ongegrond verklaren.
3De beslissing
De rechtbank verklaart:
- het klaagschrift ongegrond;
Deze beslissing is op 2 juli 2026 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
Bijlage:
- de pleitnota, overgelegd op de zitting van 4 juni 2026.
ECLI:NL:HR:2010:BL2823.
ECLI:NL:HR:2023:81.