Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:5885
2026-07-02
Strafrecht; Materieel strafrecht
25-033217
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Klaagschriftprocedure ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering. Onderzoek Durmstrang. Verdenking witwassen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2011:BO2962 Hoge Raad 08-02-2011
- ECLI:NL:HR:2010:BL2823 Hoge Raad 28-09-2010
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.330 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-265101-25
raadkamernummer : 25-033217
datum : 02 juli 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedag] 1988, te ’ [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezende ten kantore van mr. W. van Vliet, advocaat te Diemen, H.J.E. Wenckebachweg 150D, 1114 AD Amsterdam-Duivendrecht.
hierna te noemen: de klager.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 23 december 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 2 december 2025 onder [beslagene] in het strafvorderlijk onderzoek tegen [bedrijf 1] GmbH in beslag is genomen: een Mercedes G63 met kenteken [kenteken] ;
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 4 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, klager en mr. Van Vliet, raadsman van klager, gehoord.
De belanghebbenden zijn behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Dit zijn: [beslagene] (beslagene) en [bedrijf 1] GmbH (belanghebbende, tevens verdachte).
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Namens klager is een pleitnota overgelegd. De inhoud van deze pleitnota kan hier als ingelast worden beschouwd en zal als bijlage bij deze beslissing worden gevoegd. Klager heeft in raadkamer de factuur van de aankoop van de Mercedes en een factuur voor een Brabuspakket overgelegd. Deze aankopen zijn giraal gedaan. De auto stond bij [bedrijf 4] voor het plaatsen van het Brabus pakket op de auto. Klager is te goeder trouw geweest.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat klager de rechthebbende op de auto is. Daarom dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er valse facturen zijn opgemaakt om te proberen te bewijzen dat de aankoop legaal was. De auto is een witwasvoorwerp. Gelet op deze omstandigheden acht de officier van justitie het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring van de auto zal komen.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klager ontvankelijk is in zijn/haar klaagschrift. De rechtbank stelt in dat kader vast dat klager uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij rechthebbende is. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO2962) heeft dan als uitgangspunt te gelden dat klager ontvankelijk is.
Anders dan de officier van justitie zal de rechtbank klager daarom ontvankelijk achten in het onderhavige klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende vandat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De rechtbank stelt op grond van de thans voorhanden zijnde stukken vast dat binnen het onderzoek ‘Durmstrang’ drie Duitse ondernemingen als verdachte zijn aangemerkt. Die ondernemingen zijn [bedrijf 1] GmbH, [bedrijf 2] UG en [bedrijf 3] UG. Deze ondernemingen hadden bij de aanvang van onderzoek Durmstrang een groot aantal voertuigen op hun naam staan terwijl zij hiervan niet de eigenaren waren. Het betroffen overwegend exclusieve en kostbare voertuigen, die vaak werden bestuurd door personen met antecedenten en die regelmatig betrokken waren bij verdachte situaties. Hierdoor is het vermoeden ontstaan dat personen die hun voertuig op naam van deze ondernemingen hebben laten registeren, hun identiteit wilden verhullen, crimineel geld wilden witwassen of BPM-fraude wilden plegen. Voorts bestaat in een aantal zaken de verdenking dat de eigenaren valsheid in geschrifte hebben gepleegd teneinde een valse voorstelling van zaken te kunnen geven.
Voor klager geldt dat de auto waarvan hij stelt eigenaar te zijn, op 2 december 2025 in beslag is genomen bij [bedrijf 4] B.V. onder [beslagene] . Klager is dus zelf niet de beslagene. Vaststaat dat deze auto geregistreerd stond op naam van [bedrijf 1] GmbH. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit op zichzelf een ongebruikelijke gang van zaken is. Klager heeft in het (aanvullend) klaagschrift en in raadkamer echter uitvoerig uitgelegd hoe een en ander in zijn werk is gegaan. Hij heeft een factuur en een giraal betalingsbewijs van zijn bedrijf [bedrijf 5] overgelegd waaruit volgt dat hij de auto heeft aangekocht. Uit de stukken volgt voorts dat klager voldoende financiële middelen had om het onderhavige voertuig te kunnen bekostigen. Ook heeft hij gemotiveerd aangegeven dat de auto bij [bedrijf 4] stond voor herstel van de schade aan de auto en dat hij om die reden nog niet over de auto beschikte. De auto was nog niet geïmporteerd en klager wist niet dat de auto op naam van [bedrijf 1] GmbH stond. De politie stelt dat er met de auto op de Nederlandse wegen is gereden. Volgens klager was dit echter niet met het Brabuspakket dat klager heeft aangeschaft om op de auto te monteren, maar met een oud Brabuspakket dat vervangen moest worden. Derhalve is niet gebleken dat klager met de onderhavige auto op de Nederlandse wegen heeft gereden.
Tegen deze achtergrond en oordelend op basis van de beperkte hoeveelheid stukken waar de rechtbank thans over beschikt, begrijpt zij de officier van justitie niet in zijn standpunt dat klager als verdachte van witwassen wordt gezien. Zij acht het ook niet niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter die uiteindelijk inhoudelijk over de zaak zal oordelen, op basis van een veroordeling voor witwassen tot verbeurdverklaring zal overgaan.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gegrond verklaren en de teruggave gelasten van de Mercedes G63 met kenteken [kenteken] aan klager.
3De beslissing
De rechtbank verklaart:
- het klaagschrift gegrond voor zover het is gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag op de Mercedes G63 met kenteken [kenteken] en gelast de teruggave daarvan aan klager.
Deze beslissing is op 2 juli 2026 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
Bijlage:
-de pleitnota, overgelegd op de zitting van 4 juni 2026.
ECLI:NL:HR:2010:BL2823.
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-265101-25
raadkamernummer : 25-033217
datum : 02 juli 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedag] 1988, te ’ [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezende ten kantore van mr. W. van Vliet, advocaat te Diemen, H.J.E. Wenckebachweg 150D, 1114 AD Amsterdam-Duivendrecht.
hierna te noemen: de klager.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 23 december 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 2 december 2025 onder [beslagene] in het strafvorderlijk onderzoek tegen [bedrijf 1] GmbH in beslag is genomen: een Mercedes G63 met kenteken [kenteken] ;
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 4 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, klager en mr. Van Vliet, raadsman van klager, gehoord.
De belanghebbenden zijn behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Dit zijn: [beslagene] (beslagene) en [bedrijf 1] GmbH (belanghebbende, tevens verdachte).
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Namens klager is een pleitnota overgelegd. De inhoud van deze pleitnota kan hier als ingelast worden beschouwd en zal als bijlage bij deze beslissing worden gevoegd. Klager heeft in raadkamer de factuur van de aankoop van de Mercedes en een factuur voor een Brabuspakket overgelegd. Deze aankopen zijn giraal gedaan. De auto stond bij [bedrijf 4] voor het plaatsen van het Brabus pakket op de auto. Klager is te goeder trouw geweest.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat klager de rechthebbende op de auto is. Daarom dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er valse facturen zijn opgemaakt om te proberen te bewijzen dat de aankoop legaal was. De auto is een witwasvoorwerp. Gelet op deze omstandigheden acht de officier van justitie het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring van de auto zal komen.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klager ontvankelijk is in zijn/haar klaagschrift. De rechtbank stelt in dat kader vast dat klager uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij rechthebbende is. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO2962) heeft dan als uitgangspunt te gelden dat klager ontvankelijk is.
Anders dan de officier van justitie zal de rechtbank klager daarom ontvankelijk achten in het onderhavige klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende vandat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De rechtbank stelt op grond van de thans voorhanden zijnde stukken vast dat binnen het onderzoek ‘Durmstrang’ drie Duitse ondernemingen als verdachte zijn aangemerkt. Die ondernemingen zijn [bedrijf 1] GmbH, [bedrijf 2] UG en [bedrijf 3] UG. Deze ondernemingen hadden bij de aanvang van onderzoek Durmstrang een groot aantal voertuigen op hun naam staan terwijl zij hiervan niet de eigenaren waren. Het betroffen overwegend exclusieve en kostbare voertuigen, die vaak werden bestuurd door personen met antecedenten en die regelmatig betrokken waren bij verdachte situaties. Hierdoor is het vermoeden ontstaan dat personen die hun voertuig op naam van deze ondernemingen hebben laten registeren, hun identiteit wilden verhullen, crimineel geld wilden witwassen of BPM-fraude wilden plegen. Voorts bestaat in een aantal zaken de verdenking dat de eigenaren valsheid in geschrifte hebben gepleegd teneinde een valse voorstelling van zaken te kunnen geven.
Voor klager geldt dat de auto waarvan hij stelt eigenaar te zijn, op 2 december 2025 in beslag is genomen bij [bedrijf 4] B.V. onder [beslagene] . Klager is dus zelf niet de beslagene. Vaststaat dat deze auto geregistreerd stond op naam van [bedrijf 1] GmbH. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit op zichzelf een ongebruikelijke gang van zaken is. Klager heeft in het (aanvullend) klaagschrift en in raadkamer echter uitvoerig uitgelegd hoe een en ander in zijn werk is gegaan. Hij heeft een factuur en een giraal betalingsbewijs van zijn bedrijf [bedrijf 5] overgelegd waaruit volgt dat hij de auto heeft aangekocht. Uit de stukken volgt voorts dat klager voldoende financiële middelen had om het onderhavige voertuig te kunnen bekostigen. Ook heeft hij gemotiveerd aangegeven dat de auto bij [bedrijf 4] stond voor herstel van de schade aan de auto en dat hij om die reden nog niet over de auto beschikte. De auto was nog niet geïmporteerd en klager wist niet dat de auto op naam van [bedrijf 1] GmbH stond. De politie stelt dat er met de auto op de Nederlandse wegen is gereden. Volgens klager was dit echter niet met het Brabuspakket dat klager heeft aangeschaft om op de auto te monteren, maar met een oud Brabuspakket dat vervangen moest worden. Derhalve is niet gebleken dat klager met de onderhavige auto op de Nederlandse wegen heeft gereden.
Tegen deze achtergrond en oordelend op basis van de beperkte hoeveelheid stukken waar de rechtbank thans over beschikt, begrijpt zij de officier van justitie niet in zijn standpunt dat klager als verdachte van witwassen wordt gezien. Zij acht het ook niet niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter die uiteindelijk inhoudelijk over de zaak zal oordelen, op basis van een veroordeling voor witwassen tot verbeurdverklaring zal overgaan.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gegrond verklaren en de teruggave gelasten van de Mercedes G63 met kenteken [kenteken] aan klager.
3De beslissing
De rechtbank verklaart:
- het klaagschrift gegrond voor zover het is gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag op de Mercedes G63 met kenteken [kenteken] en gelast de teruggave daarvan aan klager.
Deze beslissing is op 2 juli 2026 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
Bijlage:
-de pleitnota, overgelegd op de zitting van 4 juni 2026.
ECLI:NL:HR:2010:BL2823.