Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:5883
2026-07-02
Strafrecht; Materieel strafrecht
25-032414
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Klaagschriftprocedure ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering. Onderzoek Durmstrang. Verdenking witwassen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2011:BO2962 Hoge Raad 08-02-2011
- ECLI:NL:HR:2010:BL2823 Hoge Raad 28-09-2010
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.264 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-265165-25
raadkamernummer : 25-032414
datum : 02 juli 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klaagster/beslagene] B.V.,
vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht (Meerssenerweg 273A, 6224 AH Maastricht),
hierna te noemen: de klaagster, tevens beslagene.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 16 december 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 21 november 2025 onder beslagene ([vertegenwoordiger]) in het strafvorderlijk onderzoek tegen [bedrijf 1] UG in beslag is genomen: een Audi type RSQ8 met voertuigidentificatienummer [nummer], en kenteken [kenteken].
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 4 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, klaagster en mr. Daamen als raadsman van klaagster, gehoord.
De belanghebbende (tevens verdachte) is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Dit is: [bedrijf 1] UG.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klaagster. Namens klaagster is een pleitnota overgelegd. De inhoud van deze pleitnota kan hier als ingelast worden beschouwd en zal als bijlage bij deze beslissing worden gevoegd. Aanvullend is namens klaagster verklaard dat zij te goeder trouw heeft gehandeld, dat de papieren in de vorm van een volledig kentekenbewijs compleet waren zoals dat in Duitsland te doen gebruikelijk is. Klaagster heeft ten slotte een inkoopfactuur van de auto overgelegd.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is dat klaagster ook de rechthebbende is van de auto. Daarom dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er nog onderzoeksbelang is en dat gelet op de verdenking van witwassen en mogelijk valsheid in geschrifte jegens klaagster, het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend, de auto zal verbeurdverklaren. Het lijkt erop dat de inkoopfactuur pas na de verdenking is ondertekend nu dezelfde inkoopfactuur volgens de stukken zonder handtekening bij de RDW was overgelegd en later met handtekening als bewijs van de inkoop is overgelegd ter onderbouwing van het standpunt dat de auto is aangekocht. Dat ondersteunt de stelling dat het niet klopt wat klaagster zegt. Daarom dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klaagster ontvankelijk is in haar klaagschrift. De rechtbank stelt in dat kader vast dat klaagster uitdrukkelijk heeft gesteld dat zij rechthebbende is. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO2962) heeft dan als uitgangspunt te gelden dat klaagster ontvankelijk is. Anders dan de officier van justitie zal de rechtbank klaagster daarom ontvankelijk achten in het onderhavige klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
In dit geval is klaagster een ander dan degene tegen wie het strafvorderlijk onderzoek zich richt. Klaagster stelt rechthebbende te zijn en klaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave. De rechtbank zal dan bij de beoordeling ook rekening moeten houden met art. 33a, tweede lid aanhef en onder a, Sr. In dit artikel is bepaald onder welke voorwaarden een voorwerp dat niet aan de veroordeelde toebehoort kan worden verbeurd verklaard. Die verbeurdverklaring is mogelijk als de rechthebbende wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat kort gezegd er een relatie bestaat tussen het voorwerp en een strafbaar feit.
De rechtbank stelt op grond van de thans voorhanden zijnde stukken vast dat binnen het onderzoek ‘Durmstrang’ drie Duitse ondernemingen als verdachte zijn aangemerkt. Die ondernemingen zijn [bedrijf 2] GmbH, [bedrijf 1] UG en [bedrijf 3] UG. Deze ondernemingen hadden bij de aanvang van onderzoek Durmstrang een groot aantal voertuigen op hun naam staan terwijl zij hiervan niet de eigenaren waren. Het betroffen overwegend exclusieve en kostbare voertuigen, die vaak werden bestuurd door personen met antecedenten en die regelmatig betrokken waren bij verdachte situaties. Hierdoor is het vermoeden ontstaan dat personen die hun voertuig op naam van deze ondernemingen hebben laten registeren, hun identiteit wilden verhullen, crimineel geld wilden witwassen of BPM-fraude wilden plegen. Voorts bestaat in een aantal zaken de verdenking dat de eigenaren valsheid in geschrifte hebben gepleegd teneinde een valse voorstelling van zaken te kunnen geven.
Voor klaagster geldt dat de auto waarvan zij stelt eigenaar te zijn, op 21 november 2025 onder haar in beslag is genomen. Voor deze auto staat vast dat deze geregistreerd stond op naam van [bedrijf 1] UG. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit op zichzelf een ongebruikelijke gang van zaken is. Klaagster heeft in het (aanvullend) klaagschrift en in raadkamer echter uitvoerig uitgelegd dat zij (samen met iemand anders) de auto van [persoon] heeft gekocht, dat [persoon] de auto op naam van [bedrijf 1] had gezet en klaagster daar geen wetenschap van had. Er was sprake van een volledig kentekenbewijs en daaruit bleek voor klaagster dat de aangekochte auto niet van diefstal afkomstig was. Klaagster heeft ook stukken van de administratie overgelegd. Op onderdelen zitten hier onduidelijkheden in, maar niet zodanig dat dit doorslaggevend moet zijn. Voorts heeft klaagster gesteld over voldoende financiële middelen te beschikken om het onderhavige voertuig te kunnen bekostigen en dit ook met stukken onderbouwd. Tegen die achtergrond en oordelend op basis van de beperkte hoeveelheid stukken waar de rechtbank thans over beschikt, begrijpt zij de officier van justitie niet in zijn standpunt dat klaagster als verdachte van witwassen wordt gezien. Zij acht het ook niet niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter die uiteindelijk inhoudelijk over de zaak zal oordelen, op basis van een veroordeling voor witwassen tot verbeurdverklaring zal overgaan.
Nu er geen strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag en de rechtbank niet is gebleken dat een ander dan klaagster redelijkerwijs als rechthebbende van de Audi type RSQ8 met voertuigidentificatienummer : [nummer], en kenteken [kenteken] is aan te merken, zal de rechtbank het klaagschrift gegrond verklaren en de teruggave van de auto aan klaagster gelasten.
3De beslissing
De rechtbank verklaart:
- het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van de Audi type RSQ8 met voertuigidentificatienummer [nummer], en kenteken [kenteken].
aan klaagster.
Deze beslissing is op 2 juli 2026 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
Bijlage:
-de pleitnota overgelegd op de zitting van 4 juni 2026.
ECLI:NL:HR:2010:BL2823.
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-265165-25
raadkamernummer : 25-032414
datum : 02 juli 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klaagster/beslagene] B.V.,
vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht (Meerssenerweg 273A, 6224 AH Maastricht),
hierna te noemen: de klaagster, tevens beslagene.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 16 december 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 21 november 2025 onder beslagene ([vertegenwoordiger]) in het strafvorderlijk onderzoek tegen [bedrijf 1] UG in beslag is genomen: een Audi type RSQ8 met voertuigidentificatienummer [nummer], en kenteken [kenteken].
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 4 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, klaagster en mr. Daamen als raadsman van klaagster, gehoord.
De belanghebbende (tevens verdachte) is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Dit is: [bedrijf 1] UG.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klaagster. Namens klaagster is een pleitnota overgelegd. De inhoud van deze pleitnota kan hier als ingelast worden beschouwd en zal als bijlage bij deze beslissing worden gevoegd. Aanvullend is namens klaagster verklaard dat zij te goeder trouw heeft gehandeld, dat de papieren in de vorm van een volledig kentekenbewijs compleet waren zoals dat in Duitsland te doen gebruikelijk is. Klaagster heeft ten slotte een inkoopfactuur van de auto overgelegd.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is dat klaagster ook de rechthebbende is van de auto. Daarom dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er nog onderzoeksbelang is en dat gelet op de verdenking van witwassen en mogelijk valsheid in geschrifte jegens klaagster, het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend, de auto zal verbeurdverklaren. Het lijkt erop dat de inkoopfactuur pas na de verdenking is ondertekend nu dezelfde inkoopfactuur volgens de stukken zonder handtekening bij de RDW was overgelegd en later met handtekening als bewijs van de inkoop is overgelegd ter onderbouwing van het standpunt dat de auto is aangekocht. Dat ondersteunt de stelling dat het niet klopt wat klaagster zegt. Daarom dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klaagster ontvankelijk is in haar klaagschrift. De rechtbank stelt in dat kader vast dat klaagster uitdrukkelijk heeft gesteld dat zij rechthebbende is. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO2962) heeft dan als uitgangspunt te gelden dat klaagster ontvankelijk is. Anders dan de officier van justitie zal de rechtbank klaagster daarom ontvankelijk achten in het onderhavige klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
In dit geval is klaagster een ander dan degene tegen wie het strafvorderlijk onderzoek zich richt. Klaagster stelt rechthebbende te zijn en klaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave. De rechtbank zal dan bij de beoordeling ook rekening moeten houden met art. 33a, tweede lid aanhef en onder a, Sr. In dit artikel is bepaald onder welke voorwaarden een voorwerp dat niet aan de veroordeelde toebehoort kan worden verbeurd verklaard. Die verbeurdverklaring is mogelijk als de rechthebbende wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat kort gezegd er een relatie bestaat tussen het voorwerp en een strafbaar feit.
De rechtbank stelt op grond van de thans voorhanden zijnde stukken vast dat binnen het onderzoek ‘Durmstrang’ drie Duitse ondernemingen als verdachte zijn aangemerkt. Die ondernemingen zijn [bedrijf 2] GmbH, [bedrijf 1] UG en [bedrijf 3] UG. Deze ondernemingen hadden bij de aanvang van onderzoek Durmstrang een groot aantal voertuigen op hun naam staan terwijl zij hiervan niet de eigenaren waren. Het betroffen overwegend exclusieve en kostbare voertuigen, die vaak werden bestuurd door personen met antecedenten en die regelmatig betrokken waren bij verdachte situaties. Hierdoor is het vermoeden ontstaan dat personen die hun voertuig op naam van deze ondernemingen hebben laten registeren, hun identiteit wilden verhullen, crimineel geld wilden witwassen of BPM-fraude wilden plegen. Voorts bestaat in een aantal zaken de verdenking dat de eigenaren valsheid in geschrifte hebben gepleegd teneinde een valse voorstelling van zaken te kunnen geven.
Voor klaagster geldt dat de auto waarvan zij stelt eigenaar te zijn, op 21 november 2025 onder haar in beslag is genomen. Voor deze auto staat vast dat deze geregistreerd stond op naam van [bedrijf 1] UG. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit op zichzelf een ongebruikelijke gang van zaken is. Klaagster heeft in het (aanvullend) klaagschrift en in raadkamer echter uitvoerig uitgelegd dat zij (samen met iemand anders) de auto van [persoon] heeft gekocht, dat [persoon] de auto op naam van [bedrijf 1] had gezet en klaagster daar geen wetenschap van had. Er was sprake van een volledig kentekenbewijs en daaruit bleek voor klaagster dat de aangekochte auto niet van diefstal afkomstig was. Klaagster heeft ook stukken van de administratie overgelegd. Op onderdelen zitten hier onduidelijkheden in, maar niet zodanig dat dit doorslaggevend moet zijn. Voorts heeft klaagster gesteld over voldoende financiële middelen te beschikken om het onderhavige voertuig te kunnen bekostigen en dit ook met stukken onderbouwd. Tegen die achtergrond en oordelend op basis van de beperkte hoeveelheid stukken waar de rechtbank thans over beschikt, begrijpt zij de officier van justitie niet in zijn standpunt dat klaagster als verdachte van witwassen wordt gezien. Zij acht het ook niet niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter die uiteindelijk inhoudelijk over de zaak zal oordelen, op basis van een veroordeling voor witwassen tot verbeurdverklaring zal overgaan.
Nu er geen strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag en de rechtbank niet is gebleken dat een ander dan klaagster redelijkerwijs als rechthebbende van de Audi type RSQ8 met voertuigidentificatienummer : [nummer], en kenteken [kenteken] is aan te merken, zal de rechtbank het klaagschrift gegrond verklaren en de teruggave van de auto aan klaagster gelasten.
3De beslissing
De rechtbank verklaart:
- het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van de Audi type RSQ8 met voertuigidentificatienummer [nummer], en kenteken [kenteken].
aan klaagster.
Deze beslissing is op 2 juli 2026 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
Bijlage:
-de pleitnota overgelegd op de zitting van 4 juni 2026.
ECLI:NL:HR:2010:BL2823.