Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:5882
2026-07-02
Strafrecht; Materieel strafrecht
26008691
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Klaagschriftprocedure ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering.Onderzoek Durmstrang. Verdenking witwassen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2010:BL2823 Hoge Raad 28-09-2010
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.998 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-300742-25
raadkamernummer : 26-008691
datum : 02 juli 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedag] 1956, te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. I.J.D.M.L. Bardoel advocaat te Oss, (Postbus 278, 5340 AG Oss),
hierna te noemen: de klager, tevens beslagene.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 19 maart 2026 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 19 november 2025 onder beslagene in het strafvorderlijk onderzoek tegen hem in beslag is genomen: communicatieapparatuur, twee laptops, twee desktops inclusief harde schijf, USB-sticks, een externe harde schijf, een geldbedrag van € 2.920,= en boekhouding;
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 4 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, klager en mr. I.J.D.M.I. Bardoel, raadsvrouw, gehoord.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag. Namens klager is een pleitnota overgelegd. De inhoud van deze pleitnota kan hier als ingelast worden beschouwd en zal als bijlage bij deze beslissing worden gevoegd. Aanvullend is namens klager verklaard dat hij pas sinds 5 mei 2025 directeur is van [bedrijf 1] UG en dat hij in de veronderstelling was dat het om een lege B.V. ging, maar dat later bleek dat er auto’s op naam van [bedrijf 1] stonden waar hij niets van wist. Klager verzoekt met name om teruggave van de gegevensdragers en verzoekt daar zo spoedig mogelijk een kopie van te maken zodat deze aan hem kunnen worden geretourneerd.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de kleding en het schoeisel waarover in het klaagschrift wordt geklaagd, niet op de kennisgevingen inbeslagname (hierna: kvi) staan, zodat daarover geen beslissing kan worden genomen. Over de overige goederen heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek nog niet is afgerond zodat er nog strafvorderlijk belang is bij handhaving van het beslag. Het klaagschrift dient daarom ongegrond te worden verklaard.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Bij de ter beschikking staande stukken zitten geen kvi’s van kleding en schoeisel en ook overigens is niet gebleken dat er kleding en schoeisel in beslag is genomen. De rechtbank zal daarom het klaagschrift, in zoverre dat ziet op kleding en schoeisel, niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank stelt op grond van de thans voorhanden zijnde stukken vast dat binnen het onderzoek ‘Durmstrang’ drie Duitse ondernemingen als verdachte zijn aangemerkt. Die ondernemingen zijn [bedrijf 2] GmbH, [bedrijf 3] UG en [bedrijf 1] UG. Deze ondernemingen hadden bij de aanvang van onderzoek Durmstrang een groot aantal voertuigen op hun naam staan terwijl zij hiervan niet de eigenaren waren. Het betroffen overwegend exclusieve en kostbare voertuigen, die vaak werden bestuurd door personen met antecedenten en die regelmatig betrokken waren bij verdachte situaties. Hierdoor is het vermoeden ontstaan dat personen die hun voertuig op naam van deze ondernemingen hebben laten registeren, hun identiteit wilden verhullen, crimineel geld wilden witwassen of BPM-fraude wilden plegen. Voorts bestaat in een aantal zaken de verdenking dat de eigenaren valsheid in geschrifte hebben gepleegd teneinde een valse voorstelling van zaken te kunnen geven. Klager is bestuurder van [bedrijf 1] , een van de drie Duitse ondernemingen. [bedrijf 1] had op het moment van het beslag meerdere exclusieve voertuigen op naam.
De officier van justitie heeft aangegeven dat klager als verdachte van het medeplegen van gewoontewitwassen is aangemerkt. Er is nog onderzoeksbelang bij handhaving van het beslag omdat de administratie wordt onderzocht. Het standpunt van de verdediging dat er kopieën van de administratie kunnen en moeten worden gemaakt, volgt de rechtbank niet. Onderzoek Durmstrang is een groot onderzoek waarbij een grote hoeveelheid goederen in beslag is genomen dat op urgentie zal moeten worden onderzocht. Het onderzoek is nog niet zo lang gaande en zal nog de nodige tijd gaan kosten. Onder die omstandigheden is voortduring van het beslag thans nog niet disproportioneel.
Gelet hierop verklaart de rechtbank het klaagschrift voor het overige ongegrond.
3De beslissing
De rechtbank verklaart:
- klaagster partieel niet-ontvankelijk in het klaagschrift, voor zover dat ziet op kleding en schoeisel;
- het klaagschrift voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is op 2 juli 2026 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
Bijlage:
-de pleitnota, overgelegd in raadkamer van 4 juni 2026.
ECLI:NL:HR:2010:BL2823.
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-300742-25
raadkamernummer : 26-008691
datum : 02 juli 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedag] 1956, te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. I.J.D.M.L. Bardoel advocaat te Oss, (Postbus 278, 5340 AG Oss),
hierna te noemen: de klager, tevens beslagene.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 19 maart 2026 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 19 november 2025 onder beslagene in het strafvorderlijk onderzoek tegen hem in beslag is genomen: communicatieapparatuur, twee laptops, twee desktops inclusief harde schijf, USB-sticks, een externe harde schijf, een geldbedrag van € 2.920,= en boekhouding;
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 4 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, klager en mr. I.J.D.M.I. Bardoel, raadsvrouw, gehoord.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag. Namens klager is een pleitnota overgelegd. De inhoud van deze pleitnota kan hier als ingelast worden beschouwd en zal als bijlage bij deze beslissing worden gevoegd. Aanvullend is namens klager verklaard dat hij pas sinds 5 mei 2025 directeur is van [bedrijf 1] UG en dat hij in de veronderstelling was dat het om een lege B.V. ging, maar dat later bleek dat er auto’s op naam van [bedrijf 1] stonden waar hij niets van wist. Klager verzoekt met name om teruggave van de gegevensdragers en verzoekt daar zo spoedig mogelijk een kopie van te maken zodat deze aan hem kunnen worden geretourneerd.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de kleding en het schoeisel waarover in het klaagschrift wordt geklaagd, niet op de kennisgevingen inbeslagname (hierna: kvi) staan, zodat daarover geen beslissing kan worden genomen. Over de overige goederen heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek nog niet is afgerond zodat er nog strafvorderlijk belang is bij handhaving van het beslag. Het klaagschrift dient daarom ongegrond te worden verklaard.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Bij de ter beschikking staande stukken zitten geen kvi’s van kleding en schoeisel en ook overigens is niet gebleken dat er kleding en schoeisel in beslag is genomen. De rechtbank zal daarom het klaagschrift, in zoverre dat ziet op kleding en schoeisel, niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank stelt op grond van de thans voorhanden zijnde stukken vast dat binnen het onderzoek ‘Durmstrang’ drie Duitse ondernemingen als verdachte zijn aangemerkt. Die ondernemingen zijn [bedrijf 2] GmbH, [bedrijf 3] UG en [bedrijf 1] UG. Deze ondernemingen hadden bij de aanvang van onderzoek Durmstrang een groot aantal voertuigen op hun naam staan terwijl zij hiervan niet de eigenaren waren. Het betroffen overwegend exclusieve en kostbare voertuigen, die vaak werden bestuurd door personen met antecedenten en die regelmatig betrokken waren bij verdachte situaties. Hierdoor is het vermoeden ontstaan dat personen die hun voertuig op naam van deze ondernemingen hebben laten registeren, hun identiteit wilden verhullen, crimineel geld wilden witwassen of BPM-fraude wilden plegen. Voorts bestaat in een aantal zaken de verdenking dat de eigenaren valsheid in geschrifte hebben gepleegd teneinde een valse voorstelling van zaken te kunnen geven. Klager is bestuurder van [bedrijf 1] , een van de drie Duitse ondernemingen. [bedrijf 1] had op het moment van het beslag meerdere exclusieve voertuigen op naam.
De officier van justitie heeft aangegeven dat klager als verdachte van het medeplegen van gewoontewitwassen is aangemerkt. Er is nog onderzoeksbelang bij handhaving van het beslag omdat de administratie wordt onderzocht. Het standpunt van de verdediging dat er kopieën van de administratie kunnen en moeten worden gemaakt, volgt de rechtbank niet. Onderzoek Durmstrang is een groot onderzoek waarbij een grote hoeveelheid goederen in beslag is genomen dat op urgentie zal moeten worden onderzocht. Het onderzoek is nog niet zo lang gaande en zal nog de nodige tijd gaan kosten. Onder die omstandigheden is voortduring van het beslag thans nog niet disproportioneel.
Gelet hierop verklaart de rechtbank het klaagschrift voor het overige ongegrond.
3De beslissing
De rechtbank verklaart:
- klaagster partieel niet-ontvankelijk in het klaagschrift, voor zover dat ziet op kleding en schoeisel;
- het klaagschrift voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is op 2 juli 2026 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
Bijlage:
-de pleitnota, overgelegd in raadkamer van 4 juni 2026.
ECLI:NL:HR:2010:BL2823.