Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:5881
2026-07-02
Strafrecht
25-033212
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Klaagschriftprocedure ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering. Onderzoek Durmstrang. Verdenking witwassen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2011:BO2962 Hoge Raad 08-02-2011
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.167 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-265101-25
raadkamernummer : 25-033212
datum : 02 juli 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedag] 1986,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. N. Assouiki, advocaat te Tilburg (Bisschop Zwijsenstraat 25, 5038 VA Tilburg),
hierna te noemen: de klager.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 19 december 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 26 november 2025 onder beslagene [beslagene] in het strafvorderlijk onderzoek tegen [bedrijf 1] GmbH in beslag is genomen: een BMW X7 xDrive 40i met kenteken [kenteken] ;
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 4 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, klager en mr. N. Assouiki als raadvrouw van klager, gehoord.
De belanghebbenden zijn behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Dit zijn:
[beslagene] (beslagene) en [bedrijf 1] GmbH (belanghebbende, tevens verdachte).
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Namens klager is een pleitnota overgelegd. De inhoud van deze pleitnota kan hier als ingelast worden beschouwd en zal als bijlage bij deze beslissing worden gevoegd. Aanvullend is namens klager verklaard dat hij de auto in Marokko heeft gebruikt en niet in Nederland. Daarom had hij niet de verplichting BPM af te dragen.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is dat klager ook de rechthebbende is van de auto. Daarom dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er nog onderzoeksbelang is en dat gelet op de verdenking jegens klager, het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend, de auto zal verbeurdverklaren. Om die reden dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klager ontvankelijk is in zijn klaagschrift. De rechtbank stelt in dat kader vast dat klager uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij rechthebbende is. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO2962) heeft dan als uitgangspunt te gelden dat klager ontvankelijk is.
Het feit dat klager geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij inderdaad eigenaar is van de onderhavige auto, maakt dit niet anders.
Anders dan de officier van justitie zal de rechtbank klager daarom ontvankelijk achten in het onderhavige klaagschrift.
De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klager redelijkerwijs als rechthebbende van de auto kan worden aangemerkt. Klager heeft in raadkamer uitdrukkelijk verklaard dat zijn auto door [bedrijf 2] VOF is aangekocht. Dat blijkt ook uit het aankoopbewijs dat de rechtbank van klager heeft ontvangen. Gelet op deze stukken moet het ervoor gehouden worden dat de [bedrijf 2] VOF rechthebbende is van de auto en niet klager. Dit leidt tot de conclusie dat het klaagschrift reeds hierom ongegrond moet worden verklaard.
3De beslissing
De rechtbank verklaart:
- het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 2 juli 2026 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
Bijlage:
- de pleitnota, overgelegd op de zitting van 4 juni 2026.
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-265101-25
raadkamernummer : 25-033212
datum : 02 juli 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedag] 1986,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. N. Assouiki, advocaat te Tilburg (Bisschop Zwijsenstraat 25, 5038 VA Tilburg),
hierna te noemen: de klager.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 19 december 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 26 november 2025 onder beslagene [beslagene] in het strafvorderlijk onderzoek tegen [bedrijf 1] GmbH in beslag is genomen: een BMW X7 xDrive 40i met kenteken [kenteken] ;
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 4 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, klager en mr. N. Assouiki als raadvrouw van klager, gehoord.
De belanghebbenden zijn behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Dit zijn:
[beslagene] (beslagene) en [bedrijf 1] GmbH (belanghebbende, tevens verdachte).
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Namens klager is een pleitnota overgelegd. De inhoud van deze pleitnota kan hier als ingelast worden beschouwd en zal als bijlage bij deze beslissing worden gevoegd. Aanvullend is namens klager verklaard dat hij de auto in Marokko heeft gebruikt en niet in Nederland. Daarom had hij niet de verplichting BPM af te dragen.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is dat klager ook de rechthebbende is van de auto. Daarom dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er nog onderzoeksbelang is en dat gelet op de verdenking jegens klager, het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend, de auto zal verbeurdverklaren. Om die reden dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klager ontvankelijk is in zijn klaagschrift. De rechtbank stelt in dat kader vast dat klager uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij rechthebbende is. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO2962) heeft dan als uitgangspunt te gelden dat klager ontvankelijk is.
Het feit dat klager geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij inderdaad eigenaar is van de onderhavige auto, maakt dit niet anders.
Anders dan de officier van justitie zal de rechtbank klager daarom ontvankelijk achten in het onderhavige klaagschrift.
De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klager redelijkerwijs als rechthebbende van de auto kan worden aangemerkt. Klager heeft in raadkamer uitdrukkelijk verklaard dat zijn auto door [bedrijf 2] VOF is aangekocht. Dat blijkt ook uit het aankoopbewijs dat de rechtbank van klager heeft ontvangen. Gelet op deze stukken moet het ervoor gehouden worden dat de [bedrijf 2] VOF rechthebbende is van de auto en niet klager. Dit leidt tot de conclusie dat het klaagschrift reeds hierom ongegrond moet worden verklaard.
3De beslissing
De rechtbank verklaart:
- het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 2 juli 2026 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
Bijlage:
- de pleitnota, overgelegd op de zitting van 4 juni 2026.