Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:5879
2026-07-02
Strafrecht; Materieel strafrecht
26-000502
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Klaagschriftprocedure ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering. Onderzoek Durmstrang. Verdenking witwassen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2010:BL2823 Hoge Raad 28-09-2010
- ECLI:NL:HR:2010:BL2823 Hoge Raad 28-09-2010
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.674 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-265101-25
raadkamernummer : 26-000502
datum : 2 juli 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam (Westersingel 43, 3014 GT Rotterdam),
hierna te noemen: klager.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 7 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 27 november 2025 onder beslagene [beslagene] in het strafvorderlijk onderzoek tegen [bedrijf 1] GmbH in beslag is genomen: een Audi RS3 met kenteken [kenteken] ;
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 4 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. M. Nieuwenhuis, en mr. G.N. Weski als gemachtigd raadsman van klager gehoord.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
De belanghebbenden zijn behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Dit zijn: [beslagene] (beslagene) en [bedrijf 1] GmbH (belanghebbende, tevens verdachte).
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Klager heeft hiertoe aangevoerd dat het niet niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring zal komen. Klager wil graag verhoord worden zodat hij zijn verhaal kan doen en heeft aanvullende stukken overgelegd waaruit volgt dat hij de auto via de bank heeft gekocht.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat klager de rechthebbende op de auto is. Daarom dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er nog onderzoeksbelang is bij voortzetting van het beslag, zodat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klager ontvankelijk is in zijn klaagschrift. De rechtbank stelt in dat kader vast dat klager uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij rechthebbende is. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2011 (ECLI:NL: HR:2011:BO2962) heeft dan als uitgangspunt te gelden dat klager ontvankelijk is. Hier komt bij dat klager stukken heeft overgelegd die zijn stelling dat hij eigenaar is van de onderhavige auto onderbouwen. Anders dan de officier van justitie zal de rechtbank klager daarom ontvankelijk achten in het onderhavige klaagschrift.
De klaagschriftprocedure kent niet de mogelijkheid van een last tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander dan degene daarover een klaagschrift heeft ingediend (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De rechtbank stelt op grond van de thans voorhanden zijnde stukken vast dat binnen het onderzoek ‘Durmstrang’ drie Duitse ondernemingen als verdachte zijn aangemerkt. Die ondernemingen zijn [bedrijf 1] GmbH, [bedrijf 2] UG en [bedrijf 3] UG. Deze ondernemingen hadden bij de aanvang van onderzoek Durmstrang een groot aantal voertuigen op hun naam staan terwijl zij hiervan niet de eigenaren waren. Het betroffen overwegend exclusieve en kostbare voertuigen, die vaak werden bestuurd door personen met antecedenten en die regelmatig betrokken waren bij verdachte situaties. Hierdoor is het vermoeden ontstaan dat personen die hun voertuig op naam van deze ondernemingen hebben laten registeren, hun identiteit wilden verhullen, crimineel geld wilden witwassen of BPM-fraude wilden plegen. Voorts bestaat in een aantal zaken de verdenking dat de eigenaren valsheid in geschrifte hebben gepleegd teneinde een valse voorstelling van zaken te kunnen geven.
Voor klager geldt dat de auto waarvan hij stelt eigenaar te zijn, op 27 november 2025 in beslag is genomen. Klager is zelf niet de beslagene. Voor deze auto staat vast dat deze geregistreerd stond op naam van [bedrijf 1] GmbH. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit een ongebruikelijke gang van zaken is, waar klager geen adequate verklaring voor heeft kunnen geven. Sterker, in de verklaring die namens klager in het klaagschrift is gegeven, zitten hiaten en aandachtspunten die om nader onderzoek vragen. Zo heeft klager in zijn verhoor op 14 januari 2026 aangegeven dat hij als pakketbezorger werkte en schulden had. Hij heeft niet aangetoond over voldoende financiële middelen te bezitten om een dure auto als de onderhavige te kunnen aanschaffen. Immers, de Audi RS3 heeft een nieuwwaarde van € 99.852,=. In het dossier zitten twee volmachten voor deze auto, waarvan een op naam van klager en een op naam van zijn broer. Dit is eveneens vreemd. Nu [bedrijf 1] GmbH voorts nadrukkelijk in beeld is bij justitie als malafide onderneming waar criminelen gebruik van zouden maken om hun identiteit te verhullen dan wel geld wit te wassen, begrijpt de rechtbank dat klager als verdachte van witwassen wordt gezien en acht zij het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de onderhavige auto later door de zittingsrechter verbeurd zal worden verklaard. De rechtbank zal het klaagschrift daarom ongegrond verklaren.
3De beslissing
De rechtbank verklaart:
- het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 2 juli 2026 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
ECLI:NL:HR:2010:BL2823.
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-265101-25
raadkamernummer : 26-000502
datum : 2 juli 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam (Westersingel 43, 3014 GT Rotterdam),
hierna te noemen: klager.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 7 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 27 november 2025 onder beslagene [beslagene] in het strafvorderlijk onderzoek tegen [bedrijf 1] GmbH in beslag is genomen: een Audi RS3 met kenteken [kenteken] ;
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 4 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. M. Nieuwenhuis, en mr. G.N. Weski als gemachtigd raadsman van klager gehoord.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
De belanghebbenden zijn behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Dit zijn: [beslagene] (beslagene) en [bedrijf 1] GmbH (belanghebbende, tevens verdachte).
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Klager heeft hiertoe aangevoerd dat het niet niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring zal komen. Klager wil graag verhoord worden zodat hij zijn verhaal kan doen en heeft aanvullende stukken overgelegd waaruit volgt dat hij de auto via de bank heeft gekocht.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat klager de rechthebbende op de auto is. Daarom dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er nog onderzoeksbelang is bij voortzetting van het beslag, zodat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klager ontvankelijk is in zijn klaagschrift. De rechtbank stelt in dat kader vast dat klager uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij rechthebbende is. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2011 (ECLI:NL: HR:2011:BO2962) heeft dan als uitgangspunt te gelden dat klager ontvankelijk is. Hier komt bij dat klager stukken heeft overgelegd die zijn stelling dat hij eigenaar is van de onderhavige auto onderbouwen. Anders dan de officier van justitie zal de rechtbank klager daarom ontvankelijk achten in het onderhavige klaagschrift.
De klaagschriftprocedure kent niet de mogelijkheid van een last tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander dan degene daarover een klaagschrift heeft ingediend (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De rechtbank stelt op grond van de thans voorhanden zijnde stukken vast dat binnen het onderzoek ‘Durmstrang’ drie Duitse ondernemingen als verdachte zijn aangemerkt. Die ondernemingen zijn [bedrijf 1] GmbH, [bedrijf 2] UG en [bedrijf 3] UG. Deze ondernemingen hadden bij de aanvang van onderzoek Durmstrang een groot aantal voertuigen op hun naam staan terwijl zij hiervan niet de eigenaren waren. Het betroffen overwegend exclusieve en kostbare voertuigen, die vaak werden bestuurd door personen met antecedenten en die regelmatig betrokken waren bij verdachte situaties. Hierdoor is het vermoeden ontstaan dat personen die hun voertuig op naam van deze ondernemingen hebben laten registeren, hun identiteit wilden verhullen, crimineel geld wilden witwassen of BPM-fraude wilden plegen. Voorts bestaat in een aantal zaken de verdenking dat de eigenaren valsheid in geschrifte hebben gepleegd teneinde een valse voorstelling van zaken te kunnen geven.
Voor klager geldt dat de auto waarvan hij stelt eigenaar te zijn, op 27 november 2025 in beslag is genomen. Klager is zelf niet de beslagene. Voor deze auto staat vast dat deze geregistreerd stond op naam van [bedrijf 1] GmbH. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit een ongebruikelijke gang van zaken is, waar klager geen adequate verklaring voor heeft kunnen geven. Sterker, in de verklaring die namens klager in het klaagschrift is gegeven, zitten hiaten en aandachtspunten die om nader onderzoek vragen. Zo heeft klager in zijn verhoor op 14 januari 2026 aangegeven dat hij als pakketbezorger werkte en schulden had. Hij heeft niet aangetoond over voldoende financiële middelen te bezitten om een dure auto als de onderhavige te kunnen aanschaffen. Immers, de Audi RS3 heeft een nieuwwaarde van € 99.852,=. In het dossier zitten twee volmachten voor deze auto, waarvan een op naam van klager en een op naam van zijn broer. Dit is eveneens vreemd. Nu [bedrijf 1] GmbH voorts nadrukkelijk in beeld is bij justitie als malafide onderneming waar criminelen gebruik van zouden maken om hun identiteit te verhullen dan wel geld wit te wassen, begrijpt de rechtbank dat klager als verdachte van witwassen wordt gezien en acht zij het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de onderhavige auto later door de zittingsrechter verbeurd zal worden verklaard. De rechtbank zal het klaagschrift daarom ongegrond verklaren.
3De beslissing
De rechtbank verklaart:
- het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 2 juli 2026 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
ECLI:NL:HR:2010:BL2823.