Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:5863

2026-06-01 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/442688 / FA RK 25-6284
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-01
Publicatiedatum
2026-07-02
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/442688 / FA RK 25-6284
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Gezagsbeeindiging moeder na eerdere voorlopige voogdij maatregel

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.640 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/442688 / FA RK 25-6284
Datum uitspraak: 1 juni 2026




Beschikking van de rechtbank over de gezagsbeëindiging




in de zaak van




RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,



over





[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag 1] 2021 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige] .



De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) op een bij de rechtbank bekend adres,
voorheen advocaat: J.J.R. Albicher uit Roosendaal, onttrokken op 12 mei 2026,





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
ingeschreven in de BRP op een bij de rechtbank bekend adres,



de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd in Etten-Leur,
hierna te noemen de GI.






1Het verloop van de procedure


1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlage van de Raad van 4 december 2025 over de benoeming van een tijdelijke voogd;


het bericht van de Raad van 13 januari 2026;


de brief van de Raad van 23 januari 2026;


het verzoekschrift van de Raad van 6 maart 2026 over de beëindiging van het gezag van de moeder en de intrekking van het verzoekschrift van de Raad van4 december 2025 over de benoeming van een tijdelijke voogd;


het stelbericht van mr. Albicher van 23 maart 2026;


het rapport van de Raad van 2 april 2026, ontvangen op 3 april 2026;


het onttrekkingsbericht van mr. Albicher van 12 mei 2026.





1.2.
De behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op de zitting van 12 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.


Ook aanwezig waren een stagiaire van de GI en een begeleidster van de vader vanuit [zorginstelling] , aan wie bijzondere toestemming is verleend.



De moeder is, hoewel correct opgeroepen, niet ter zitting verschenen.






2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.

[minderjarige] is erkend door de heer [persoon] . Deze juridische vader is niet betrokken.



2.3.

[minderjarige] is direct na zijn geboorte onder toezicht gesteld van de GI. Na een plaatsing in een crisispleeggezin is [minderjarige] met de inzet van een intensief, aanvankelijk residentieel, hulpverleningstraject (moeder-kind plaatsing) onder de zorg van de moeder geplaatst.



2.4.
Bij beschikking van 20 december 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] laatstelijk verlengd tot 24 december 2025.



2.5.
Bij beschikking van 21 maart 2025, opgevolgd bij beschikking van 28 maart 2025, is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend bij de ouder zonder gezag, te weten de biologische vader, tot 4 oktober 2025.



2.6.
Bij verzoekschrift van 5 september 2025 heeft de Raad de rechtbank verzocht om de GI (met spoed) te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige] .



2.7.
Bij beschikking van 5 september 2025 heeft de rechtbank de moeder in de uitoefening van het gezag over [minderjarige] geschorst. De GI is belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] met ingang van 5 september 2025 tot 19 september 2025. De behandeling van het verzoek van de Raad is voor het overige aangehouden.



2.8.
Bij beschikking van 17 september 2025 is bepaald dat de GI met de voorlopige voogdij over [minderjarige] belast blijft met ingang van 19 september 2025 tot 5 december 2025. Deze maatregel vervalt van rechtswege na drie maanden (te weten op 4 december 2025), tenzij voor het einde van deze termijn om een voorziening in het gezag over [minderjarige] is verzocht. De voorlopige voogdij loopt in dat geval door totdat op dit verzoek is beslist.





3Het verzoek


3.1.
Bij verzoekschrift van 4 december 2025 heeft de Raad de rechtbank verzocht om de GI tot tijdelijk voogdes over [minderjarige] te benoemen. Bij verzoekschrift van 6 maart 2026 heeft de Raad voormeld verzoek ingetrokken en in plaats daarvan de rechtbank verzocht om het gezag van de moeder over [minderjarige] te beëindigen, de GI tot voogdes over [minderjarige] te benoemen en om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank begrijpt hieruit dat het verzoek gewijzigd is en dat alleen het laatste verzoek nog ter beoordeling voorligt.



3.2.
De Raad onderbouwt het verzoek als volgt. Uit het onderzoek blijkt dat de moeder haar gezag over [minderjarige] al langere tijd niet uitoefent. Sinds de plaatsing van [minderjarige] bij zijn biologische vader is de moeder niet meer betrokken in het leven van [minderjarige] . Er is al meer dan een jaar geen contact tussen de moeder en [minderjarige] . Evenmin is er sprake van een samenwerking tussen de moeder en de GI. De moeder is niet of nauwelijks bereikbaar voor de GI voor overleg over [minderjarige] en om de benodigde (gezags)beslissingen met betrekking tot [minderjarige] te nemen. Langere tijd is bovendien onduidelijk geweest waar de moeder verbleef. Gezien de ernst van de problematiek die bij de moeder speelt, waarbij vermoedelijk sprake is van een terugval in het gebruik van drugs, is het niet de verwachting dat de moeder in staat zal zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen. Bovendien is de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] om in onzekerheid te verkeren over zijn opvoedperspectief verstreken. Mede gezien de belaste voorgeschiedenis van [minderjarige] en de zorgen over zijn spraak-, taal-, sociale en emotionele ontwikkeling, is het belangrijk dat hem structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid wordt geboden. Dit zijn namelijk belangrijke voorwaarden voor [minderjarige] om zich verder positief te kunnen ontwikkelen. [minderjarige] groeit op dit moment op in een veilige opvoedingsomgeving bij de vader, waarbij hij de hulpverlening en zorg krijgt die hij nodig heeft en gestimuleerd wordt in zijn ontwikkeling. Het opvoedperspectief van [minderjarige] is niet meer bij de moeder, maar bij de vader gelegen. Minder ingrijpende maatregelen dan een gezagsbeëindiging van de moeder om de ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] weg te nemen dan wel te verminderen zijn er niet. Inzet van een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing heeft niet tot een verbetering van de situatie geleid. In een vrijwillig hulpverleningskader worden geen mogelijkheden gezien. Ook is voldaan aan de vereisten die artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) stelt aan een gezagsbeëindiging omdat de ontwikkeling van [minderjarige] geschaad zou worden als de moeder haar gezag behoudt. Het is in het belang van [minderjarige] dat de GI belast wordt met de voogdij over hem. De GI is al langere tijd betrokken bij [minderjarige] en heeft goed zicht op wat hij nodig heeft voor een goede verdere ontwikkeling. Hoewel de vader uiteindelijk (ook) gezagsbeslissingen over [minderjarige] wil kunnen gaan nemen, is de procedure van de aanvraag van erkenning van de vader nog lopende. Bovendien ervaart de vader nog veel steun van de GI ten aanzien van beslissingen die nu over [minderjarige] genomen moeten worden. Er is sprake van een goede samenwerkingsrelatie tussen de GI en de vader en de betrokken hulpverlening. Het voortzetten van de huidige situatie ten aanzien van de gezagsbeslissingen is vooralsnog in het belang van de stabiliteit en structuur in het leven van [minderjarige] en doet ook recht aan de inspanning die geleverd moet worden om de moeder te betrekken in het leven van [minderjarige] . Dit kan niet volledig bij de vader belegd worden.








4De standpunten


4.1.
De vader stemt in met het verzoek van de Raad. Het gaat goed met [minderjarige] bij hem thuis. [minderjarige] maakt grote stappen vooruit, waarover de vader trots is. De vader ervaart veel plezier aan [minderjarige] en hij voedt [minderjarige] met veel liefde op. [minderjarige] is aangemeld bij [hulpverlening] , maar in verband met wachtlijstproblematiek kan [minderjarige] hoogstwaarschijnlijk pas in oktober/november 2026 de overstap naar [hulpverlening] maken. Tot die tijd zal [minderjarige] bij [accommodatie] verblijven voor dagopvang. De vader vindt het prettig dat de GI betrokken blijft en vooralsnog belast blijft met de voogdij over [minderjarige] . Dit geeft de vader rust omdat de vader op deze manier de verantwoordelijkheid over [minderjarige] nog kan delen en, waar nodig, steun en advies van de GI kan vragen. De vader hoopt dat de procedure rondom de erkenning snel afgerond zal zijn.



4.2.
De GI steunt het verzoek van de Raad. Het is de moeder langere tijd gelukt om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Zij was clean, had werk en ritme en stelde zich begeleidbaar op. In een hele korte tijd heeft de moeder een terugval gekregen, hetgeen heeft geleid tot een plaatsing van [minderjarige] bij de vader. Nadat [minderjarige] bij de vader is gaan wonen, zijn er heel veel pogingen gedaan om met de moeder in contact te komen, maar tevergeefs. Op dit moment is de verblijfplaats van de moeder bekend, maar zij is nog altijd niet tot nauwelijks bereikbaar voor de GI. Zij houdt het contact af. De GI gunt het [minderjarige] en de moeder dat er in de toekomst alsnog een vorm van contact komt. [minderjarige] ontwikkelt zich goed bij de vader. Er wordt veel liefde bij de vader naar [minderjarige] gezien. Na het overlijden van oma vaderszijde, de moeder van vader, is de begeleiding van [zorginstelling] aan de vader opgehoogd. Belangrijk is dat de positieve ontwikkelingen zich blijven voortzetten. Gezien wordt dat de vader daarvoor hard zijn best doet. Het perspectief van [minderjarige] ligt niet meer bij de moeder, maar bij de vader.





5De beoordeling



Waar gaat het om in deze zaak?




5.1.
In deze zaak gaat het om [minderjarige] van vier jaar oud. Het gezag van de moeder is geschorst en de GI is belast met de voorlopige voogdij. De vraag is of het gezag van de moeder over [minderjarige] , zoals (uiteindelijk) verzocht door de Raad, moet worden beëindigd.



Wat staat er in de wet?





5.2.
Artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft voor de beëindiging van het gezag twee gronden. De Raad grondt zijn verzoek op één van die gronden; artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW. Dat artikel bepaalt, samengevat weergegeven, dat de rechter het gezag kan beëindigen als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder(s) niet in staat is binnen een voor de leeftijd en ontwikkeling van het kind aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen.



Wat beslist de rechter?





5.3.
Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Hoewel inmiddels duidelijk is waar de moeder op dit moment verblijft, is de moeder al geruime tijd afwezig in het leven van [minderjarige] en is zij niet tot nauwelijks bereikbaar. Vanwege haar afwezigheid en onbereikbaarheid is zij onvoldoende beschikbaar voor [minderjarige] en is zij niet in staat om [minderjarige] te verzorgen en op te voeden. Daar komt bij dat er grote zorgen zijn over het functioneren van de moeder. De moeder heeft in het verleden een positieve verandering doorgemaakt toen het haar, na een spoeduithuisplaatsing direct na de geboorte van [minderjarige] , met de inzet van intensieve (residentiële) hupverlening is gelukt om abstinent van drugs te zijn, de verantwoordelijkheid te dragen voor de basale zorg voor [minderjarige] en hem ritme en structuur te bieden. Het is de moeder echter niet gelukt om deze positieve ontwikkeling vast te houden, waarbij de zorgen over een terugval in drugsgebruik en de bijkomende zorgen van een gebrekkige basale zorg, beschikbaarheid en hygiëne in de opvoedomgeving toenamen naarmate de moeder langer zelfstandig woonde met [minderjarige] . Uiteindelijk heeft dit geleid tot (wederom) een spoeduithuisplaatsing van [minderjarige] , ditmaal bij de vader, omdat de veiligheid van [minderjarige] niet langer gewaarborgd kon worden bij de moeder. Het is niet gelukt om na deze tweede uithuisplaatsing van [minderjarige] in de situatie van de moeder verandering te brengen. De moeder houdt het contact met de GI en de hulpverlening tot op heden af.



5.4.
Met de Raad en de GI is de rechtbank van oordeel dat het perspectief van [minderjarige] bij de vader ligt en dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is verstreken. De persoonlijke problematiek van de moeder, waarbij sprake is van een hardnekkige drugsverslaving, staat al langere tijd op de voorgrond als gevolg waarvan zij niet in staat wordt geacht de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , als bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, structureel en binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen. Niet is gebleken dat de moeder op dit moment werkt aan haar verslavings-problematiek zodat er vooralsnog geen verandering van de situatie is te verwachten. De opvoedsituatie bij de vader komt tegemoet aan de opvoedbehoeften van [minderjarige] en de rechtbank acht het in zijn belang dat hij zich bij zijn vader in rust en met voldoende stabiliteit en veiligheid verder kan gaan ontwikkelen. Dit betekent dat aan de wettelijke vereisten voor een beëindiging van het gezag van de moeder wordt voldaan.



5.5.
Gezagsbeëindiging is een verstrekkende en ingrijpende maatregel, waardoor inmenging plaatsvindt in het gezinsleven van ouder en kind. Op deze inmenging is artikel 8 van het EVRM van toepassing. Blijkens jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens kan van beëindiging van het ouderlijk gezag slechts sprake zijn op het moment dat is gebleken dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind. De rechtbank dient derhalve te beoordelen of voortduring van het gezag van de moeder schadelijk is voor [minderjarige] .



5.6.
De moeder geeft al langere tijd geen invulling aan haar gezag. Het is de GI die, in overleg met de vader, zaken voor [minderjarige] regelt, organiseert en in gang zet. Kennis over de ontwikkeling en behoeften van [minderjarige] ontbreekt bij de moeder vanwege het niet hebben van contact met [minderjarige] . Dit beperkt de moeder in de uitoefening van haar gezag over [minderjarige] in vergaande mate, en maakt dat zij niet in staat is om gezagsbeslissingen over [minderjarige] op een gedegen wijze te nemen. Daarnaast weegt de rechtbank als relevante omstandigheid mee dat het belang van [minderjarige] , gezien de problematiek die bij hem speelt waarbij sprake is van een achterstand in zijn spraak-, taal-, sociale en emotionele ontwikkeling, mee brengt dat er voortvarend beslissingen over hem genomen kunnen worden door ouders die betrokken zijn bij de in te zetten hulpverlening. Die betrokkenheid laat de moeder niet zien. De moeder staat niet open voor hulpverlening.



5.7.
Uit het vorenstaande volgt dat aan zowel het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a, van het BW, als aan het criterium van artikel 8 EVRM is voldaan en dat beëindiging van het gezag van de moeder in het belang van [minderjarige] is. Het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder zal daarom worden toegewezen.



5.8.
Door de beëindiging van het gezag van de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. De rechtbank benoemt daarom op grond van artikel 1:275, eerste lid, van het BW een voogd over [minderjarige] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. De GI heeft ter zitting mondeling verklaard dat te willen doen. De rechtbank is van oordeel dat de GI de voogdij moet krijgen. De GI is op dit moment belast met de voorlopige voogdijmaatregel, en dus al betrokken bij [minderjarige] . Vanuit haar deskundigheid en professie is de GI toegerust om de belangen van [minderjarige] te behartigen. Wanneer op termijn de mogelijkheid bestaat dat de vader het gezag over [minderjarige] kan dragen, gaat de rechtbank ervan uit dat de GI hierop zal gaan inzetten.



5.9.
Deze beslissing tot beëindiging van gezag van de moeder betekent niet dat de moeder geen rol meer kan spelen in het leven van [minderjarige] . De moeder zal altijd de moeder van [minderjarige] blijven. Het verlies van het ouderlijk gezag hoeft niet te leiden tot een beperking van het recht op contact met [minderjarige] en omgekeerd. De moeder behoudt het recht en de plicht om contact te hebben met [minderjarige] en [minderjarige] heeft onverminderd recht op contact met zijn moeder. Wat daarin mogelijk is kan onder de regie van de GI worden verkend en ingevuld. Er wordt vanuit gegaan dat, wanneer de moeder weer contact wil met [minderjarige] , alle betrokkenen zich zullen inzetten voor een betekenisvolle rol van de moeder in het leven van [minderjarige] , op een wijze die passend is bij de persoon, ontwikkeling en belastbaarheid van [minderjarige] .



5.10.
De rechtbank zal bepalen dat de moeder aan de GI die tot voogdes wordt benoemd rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] . Dit betekent dat zij de GI op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige] gaan, zodat de GI vanaf nu voor [minderjarige] de geldzaken kan regelen.



5.11.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.



5.12.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De rechtbank:



6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder], geboren op [geboortedag 2] 1984 in [geboorteplaats 2] , over [minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2021 in [geboorteplaats 1] ;



6.2.
benoemt Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd in Etten-Leur tot voogdes over genoemde minderjarige;



6.3.
bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;


6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beschikking is gegeven door mr. Tempel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:276, eerste lid, BW.


Artikel 2 Besluit gezagsregisters.