Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:5856
2026-06-01
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/441847 / FA RK 25-5843
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verwijzing UHA op verzoek pp - zonder zitting
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.680 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/441847 / FA RK 25-5843
beschikking d.d. 1 juni 2026
in de zaak van
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. I. de Dobbelaere-Woets te Terneuzen,
tegen
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. A.A. Broekman-de Feijter.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad.
1. Het procesverloop
1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 13 november 2025 ingekomen verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen, met bijlagen;
- het op 11 februari 2026 ingekomen verweerschrift echtscheiding, met bijlagen;
- het F-formulier d.d. 1 april 2026 van mr. Broekman-de Feijter;
- de brief d.d. 2 april 2026 van mr. De Dobbelaere-Woets.
- het F-formulier d.d. 9 april 2026 van mr. De Dobbelaere-Woets, met bijlage;
- het F-formulier d.d. 15 april 2026 van mr. Broekman-de Feijter.
1.2 Op verzoek van partijen heeft de op 3 april 2026 geplande mondelinge behandeling geen doorgang gevonden.
2De feiten
2.1
Partijen zijn blijkens de huwelijksakte op [datum 1] 2008 te [plaats] , Ghana, met elkaar gehuwd.
2.2
Uit het huwelijk van partijen is het navolgende thans nog minderjarige kind geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2014.
2.3
De man heeft de minderjarige erkend.
2.4
Partijen zijn tevens de ouders van de inmiddels jongmeerderjarige [jongmeerderjarige] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2006.
2.5
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
3De verzoeken
3.1
De man verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. uit te spreken de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum 1] 2008 te
[plaats] , Ghana;
II. te bepalen dat het door partijen nog te ondertekenen en in de procedure in te
dienen ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant onderdeel uitmaken van
de te wijzen beschikking en aan de beschikking te hechten.
3.2
De vrouw voert verweer en verzoekt:
I. tot referte ten aanzien van het verzoek van de man om de echtscheiding tussen partijen,
gehuwd op [datum 1] 2008 te [plaats] , Ghana, uit te spreken;
II. tot afwijzing van het verzoek van de man tot aanhechting van het ouderschapsplan en/of
het echtscheidingsconvenant.
3.3
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.
4De beoordeling
Verwijzing Uniform Hulpaanbod;
4.1
Uit het F-formulier van 1 april 2026 van mr. Broekman-de Feijter alsmede de brief van 2 april 2026 van mr. De Dobbelaere-Woets volgt dat partijen wensen dat de hulpverlening in hun gezin wordt ingezet en dat de onderhandelingen over de overige gevolgen van de scheiding met de advocaten worden hervat. Verzocht wordt partijen door te verwijzen naar het UHA traject en de zitting van 3 april 2026 niet te laten doorgaan. De zaak kan in verband met het inzetten van het UHA traject worden aangehouden, pro forma, voor de duur van zes maanden.
4.2
Met partijen is de rechtbank van oordeel dat de problematiek van deze ouders en/of de minderjarige dringend vraagt om de inzet van een zorgtraject en volgt daarin de door partijen ingevulde “Resultatenlijst hulp en ondersteuning bij verwijzingen” waarin als doelen zijn opgenomen:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund;
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind (lichte interventie);De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij de beschikking gevoegd.
4.3
Gelet op het vorenstaande en omdat beide partijen schriftelijk hebben verklaard hiermee in te kunnen stemmen, zal de rechtbank partijen en de minderjarige voor een zorgtraject ten behoeve van de hiervoor genoemde resultaten verwijzen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. De verwijzing heeft op 21 april 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket.
4.4
Tevens hebben partijen schriftelijk verklaard dat zij instemmen met de (privacy) aspecten van de doorverwijzing, te weten dat de door de woonplaatsgemeente van de minderjarige aangewezen zorgaanbieder aan de rechtbank rapporteert over het verloop en de resultaten van het zorgtraject als ook dat de rapportage over een niet geslaagd zorgtraject bij de Raad terecht komt en voor de Raad aanleiding kan zijn om advies uit te brengen aan de rechtbank.
4.5
In verband met de verwijzing van partijen naar het loket zal de rechtbank de beslissing met betrekking tot de voorliggende verzoeken aanhouden, teneinde partijen en/of de minderjarige in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan de noodzakelijk geachte zorg.
4.6
De rechtbank verzoekt het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland om uiterlijk op de familiekamerrol van 20 oktober 2026, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank de eindrapportage over het verloop en de resultaten van het zorgtraject in te dienen.
4.7
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een zitting nodig is..
4.8
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.9
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.10
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
4.11
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.12
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1
verwijst partijen en de minderjarige voor (jeugd)hulpverlening ten behoeve van de hiervoor genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland;
5.2
verzoekt het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland om uiterlijk op 20 oktober 2026 pro forma een eindrapportage van de in te zetten zorgaanbieder over het verloop en de resultaten van het zorgtraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
5.3
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.4
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.5
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.10 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.6
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
5.7
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hen in persoon of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/441847 / FA RK 25-5843
beschikking d.d. 1 juni 2026
in de zaak van
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. I. de Dobbelaere-Woets te Terneuzen,
tegen
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. A.A. Broekman-de Feijter.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad.
1. Het procesverloop
1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 13 november 2025 ingekomen verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen, met bijlagen;
- het op 11 februari 2026 ingekomen verweerschrift echtscheiding, met bijlagen;
- het F-formulier d.d. 1 april 2026 van mr. Broekman-de Feijter;
- de brief d.d. 2 april 2026 van mr. De Dobbelaere-Woets.
- het F-formulier d.d. 9 april 2026 van mr. De Dobbelaere-Woets, met bijlage;
- het F-formulier d.d. 15 april 2026 van mr. Broekman-de Feijter.
1.2 Op verzoek van partijen heeft de op 3 april 2026 geplande mondelinge behandeling geen doorgang gevonden.
2De feiten
2.1
Partijen zijn blijkens de huwelijksakte op [datum 1] 2008 te [plaats] , Ghana, met elkaar gehuwd.
2.2
Uit het huwelijk van partijen is het navolgende thans nog minderjarige kind geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2014.
2.3
De man heeft de minderjarige erkend.
2.4
Partijen zijn tevens de ouders van de inmiddels jongmeerderjarige [jongmeerderjarige] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2006.
2.5
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
3De verzoeken
3.1
De man verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. uit te spreken de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum 1] 2008 te
[plaats] , Ghana;
II. te bepalen dat het door partijen nog te ondertekenen en in de procedure in te
dienen ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant onderdeel uitmaken van
de te wijzen beschikking en aan de beschikking te hechten.
3.2
De vrouw voert verweer en verzoekt:
I. tot referte ten aanzien van het verzoek van de man om de echtscheiding tussen partijen,
gehuwd op [datum 1] 2008 te [plaats] , Ghana, uit te spreken;
II. tot afwijzing van het verzoek van de man tot aanhechting van het ouderschapsplan en/of
het echtscheidingsconvenant.
3.3
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.
4De beoordeling
Verwijzing Uniform Hulpaanbod;
4.1
Uit het F-formulier van 1 april 2026 van mr. Broekman-de Feijter alsmede de brief van 2 april 2026 van mr. De Dobbelaere-Woets volgt dat partijen wensen dat de hulpverlening in hun gezin wordt ingezet en dat de onderhandelingen over de overige gevolgen van de scheiding met de advocaten worden hervat. Verzocht wordt partijen door te verwijzen naar het UHA traject en de zitting van 3 april 2026 niet te laten doorgaan. De zaak kan in verband met het inzetten van het UHA traject worden aangehouden, pro forma, voor de duur van zes maanden.
4.2
Met partijen is de rechtbank van oordeel dat de problematiek van deze ouders en/of de minderjarige dringend vraagt om de inzet van een zorgtraject en volgt daarin de door partijen ingevulde “Resultatenlijst hulp en ondersteuning bij verwijzingen” waarin als doelen zijn opgenomen:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund;
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind (lichte interventie);De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij de beschikking gevoegd.
4.3
Gelet op het vorenstaande en omdat beide partijen schriftelijk hebben verklaard hiermee in te kunnen stemmen, zal de rechtbank partijen en de minderjarige voor een zorgtraject ten behoeve van de hiervoor genoemde resultaten verwijzen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. De verwijzing heeft op 21 april 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket.
4.4
Tevens hebben partijen schriftelijk verklaard dat zij instemmen met de (privacy) aspecten van de doorverwijzing, te weten dat de door de woonplaatsgemeente van de minderjarige aangewezen zorgaanbieder aan de rechtbank rapporteert over het verloop en de resultaten van het zorgtraject als ook dat de rapportage over een niet geslaagd zorgtraject bij de Raad terecht komt en voor de Raad aanleiding kan zijn om advies uit te brengen aan de rechtbank.
4.5
In verband met de verwijzing van partijen naar het loket zal de rechtbank de beslissing met betrekking tot de voorliggende verzoeken aanhouden, teneinde partijen en/of de minderjarige in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan de noodzakelijk geachte zorg.
4.6
De rechtbank verzoekt het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland om uiterlijk op de familiekamerrol van 20 oktober 2026, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank de eindrapportage over het verloop en de resultaten van het zorgtraject in te dienen.
4.7
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een zitting nodig is..
4.8
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.9
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.10
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
4.11
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.12
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1
verwijst partijen en de minderjarige voor (jeugd)hulpverlening ten behoeve van de hiervoor genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland;
5.2
verzoekt het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland om uiterlijk op 20 oktober 2026 pro forma een eindrapportage van de in te zetten zorgaanbieder over het verloop en de resultaten van het zorgtraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
5.3
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.4
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.5
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.10 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.6
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
5.7
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hen in persoon of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.