Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:5846
2026-07-01
Strafrecht
02-172700-23
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie van 7 mei 2026, dat veroordeelde niet voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld, ongegrond verklaard.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.602 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-172700-23
v.i. nummer: 89-000152-16
raadkamernummer: 8072411
beslissing van de raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:
[veroordeelde]
geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats]
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [locatie]
hierna: veroordeelde.
1Feiten
Bij onherroepelijk vonnis van deze rechtbank van 28 november 2025 onder het voornoemde parketnummer is veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
Gelet op artikel 6:2:10 Sv kan veroordeelde in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) per 19 juni 2026 met een proeftijd van 480 dagen en een strafrestant van 480 dagen.
De directeur van de PI te [locatie] heeft in een advies, gedateerd 30 maart 2026, geconcludeerd tot uitstel van de v.i. In het v.i.-advies van de reclassering van 2 april 2026 is geconcludeerd tot afstel van de v.i.
Het Openbaar Ministerie heeft op 7 mei 2026 beslist dat veroordeelde niet voorwaardelijk
in vrijheid wordt gesteld. Een kennisgeving van de beslissing van het Openbaar Ministerie
is op 18 mei 2026 aan veroordeelde betekend.
Veroordeelde heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie.
2Procedure
Het bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 21 mei 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 17 juni 2026 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft veroordeelde, zijn raadsman mr. J. de Vries, advocaat in Zaandam, en
de officier van justitie, mr. S.A.A.P. van Hees, in raadkamer gehoord.
3Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.
4Bezwaar
Veroordeelde is het niet eens met de beslissing van het Openbaar Ministerie om hem niet voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Hoewel zijn raadsman zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, is - kort gezegd - nog het volgende aangevoerd.
Veroordeelde kan zich niet laten inschrijven op het woonadres van zijn partner, onder meer vanwege het feit dat inschrijving consequenties heeft voor haar uitkering en toeslagen, maar hij kan daar wel verblijven en voorwaardelijke invrijheidstelling is mogelijk, omdat een en ander kan worden opgelost met een postadres. Verder heeft veroordeelde in het verleden weliswaar meerdere keren voorwaarden overtreden, maar hij is inmiddels vader geworden en het vaderschap heeft hem veranderd als mens.
5Beoordeling
Gelet op het dossier is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
Anders dan de verdediging aanvankelijk heeft doen voorkomen, berust de beslissing van het Openbaar Ministerie niet alleen op het ontbreken van een inschrijfadres. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat die beslissing met name berust op het hoge herhalingsgevaar door het verleden van veroordeelde. Hij heeft nooit willen meewerken aan diagnostiek, zodat er geen zicht bestaat op eventuele problematiek en verbanden met delictgedrag. Hierdoor kan er niet worden ingezet op gedragsinterventies en zonder gedragsverandering is er sprake van een hoog herhalingsgevaar. Daar komt bij dat veroordeelde in het verleden meerdere malen bijzondere voorwaarden heeft overtreden en tijdens zijn schorsing zelfs een nieuw strafbaar feit heeft gepleegd. De rechtbank betwijfelt dat het vaderschap op zichzelf zal leiden tot structurele gedragsverandering. Zonder inzicht in en behandeling van problematiek ontbreekt een concrete basis voor de verwachting dat een wezenlijke gedragsverandering zal plaatsvinden en de aan de invrijheidstelling verbonden risico’s voldoende kunnen worden beperkt en beheerst. De rechtbank ziet, gezien het voorgaande, ook geen aanknopingspunten om de v.i. slechts voor een beperkte duur uit te stellen.
Gelet hierop zal de rechtbank het bezwaar ongegrond verklaren, waarbij de rechtbank veroordeelde nog wel wil meegeven dat de omstandigheden anders kunnen zijn indien hij zich alsnog laat diagnosticeren en onder behandeling laat stellen. De rechtbank acht dat in het belang van zowel veroordeelde zelf als zijn gezin, met name zijn zoon, en de samenleving. Bij een blijvend afstel van de v.i. wordt deze kans gemist.
6Beslissing
De rechtbank
- verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter, mr. H. Skalonjic en mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 juli 2026.
De griffier in niet in staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-172700-23
v.i. nummer: 89-000152-16
raadkamernummer: 8072411
beslissing van de raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:
[veroordeelde]
geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats]
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [locatie]
hierna: veroordeelde.
1Feiten
Bij onherroepelijk vonnis van deze rechtbank van 28 november 2025 onder het voornoemde parketnummer is veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
Gelet op artikel 6:2:10 Sv kan veroordeelde in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) per 19 juni 2026 met een proeftijd van 480 dagen en een strafrestant van 480 dagen.
De directeur van de PI te [locatie] heeft in een advies, gedateerd 30 maart 2026, geconcludeerd tot uitstel van de v.i. In het v.i.-advies van de reclassering van 2 april 2026 is geconcludeerd tot afstel van de v.i.
Het Openbaar Ministerie heeft op 7 mei 2026 beslist dat veroordeelde niet voorwaardelijk
in vrijheid wordt gesteld. Een kennisgeving van de beslissing van het Openbaar Ministerie
is op 18 mei 2026 aan veroordeelde betekend.
Veroordeelde heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie.
2Procedure
Het bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 21 mei 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 17 juni 2026 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft veroordeelde, zijn raadsman mr. J. de Vries, advocaat in Zaandam, en
de officier van justitie, mr. S.A.A.P. van Hees, in raadkamer gehoord.
3Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.
4Bezwaar
Veroordeelde is het niet eens met de beslissing van het Openbaar Ministerie om hem niet voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Hoewel zijn raadsman zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, is - kort gezegd - nog het volgende aangevoerd.
Veroordeelde kan zich niet laten inschrijven op het woonadres van zijn partner, onder meer vanwege het feit dat inschrijving consequenties heeft voor haar uitkering en toeslagen, maar hij kan daar wel verblijven en voorwaardelijke invrijheidstelling is mogelijk, omdat een en ander kan worden opgelost met een postadres. Verder heeft veroordeelde in het verleden weliswaar meerdere keren voorwaarden overtreden, maar hij is inmiddels vader geworden en het vaderschap heeft hem veranderd als mens.
5Beoordeling
Gelet op het dossier is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
Anders dan de verdediging aanvankelijk heeft doen voorkomen, berust de beslissing van het Openbaar Ministerie niet alleen op het ontbreken van een inschrijfadres. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat die beslissing met name berust op het hoge herhalingsgevaar door het verleden van veroordeelde. Hij heeft nooit willen meewerken aan diagnostiek, zodat er geen zicht bestaat op eventuele problematiek en verbanden met delictgedrag. Hierdoor kan er niet worden ingezet op gedragsinterventies en zonder gedragsverandering is er sprake van een hoog herhalingsgevaar. Daar komt bij dat veroordeelde in het verleden meerdere malen bijzondere voorwaarden heeft overtreden en tijdens zijn schorsing zelfs een nieuw strafbaar feit heeft gepleegd. De rechtbank betwijfelt dat het vaderschap op zichzelf zal leiden tot structurele gedragsverandering. Zonder inzicht in en behandeling van problematiek ontbreekt een concrete basis voor de verwachting dat een wezenlijke gedragsverandering zal plaatsvinden en de aan de invrijheidstelling verbonden risico’s voldoende kunnen worden beperkt en beheerst. De rechtbank ziet, gezien het voorgaande, ook geen aanknopingspunten om de v.i. slechts voor een beperkte duur uit te stellen.
Gelet hierop zal de rechtbank het bezwaar ongegrond verklaren, waarbij de rechtbank veroordeelde nog wel wil meegeven dat de omstandigheden anders kunnen zijn indien hij zich alsnog laat diagnosticeren en onder behandeling laat stellen. De rechtbank acht dat in het belang van zowel veroordeelde zelf als zijn gezin, met name zijn zoon, en de samenleving. Bij een blijvend afstel van de v.i. wordt deze kans gemist.
6Beslissing
De rechtbank
- verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter, mr. H. Skalonjic en mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 juli 2026.
De griffier in niet in staat deze beslissing mede te ondertekenen.