Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:5837
2026-07-01
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 25/2870, 25/2872, 25/2873, 25/2874. 25/2875, 25/2876, 25/2878, 25/2879.
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
NTB dwangsombeschikkingen, Wet compensatie wegens selectie aan de poort.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1715 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-03-2025
- ECLI:NL:HR:2019:787 Hoge Raad 24-05-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.421 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/2870, 25/2872 t/m 25/2876, 25/2878, 25/2879
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 juli 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende]
, uit [plaats], belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende vanwege het niet tijdig geven van dwangsombeschikkingen in verband met het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar betreffende het verzoek van belanghebbende om hem, voor de jaren 2012 tot en met 2019, bij voor bezwaar vatbare beschikking compensatie toe te kennen op grond van de Wet compensatie wegens selectie aan de poort (de Wet).
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 20 mei 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met de beroepen van belanghebbende met zaaknummers 25/3341, 25/3343 t/m 25/3349, 25/6412, 25/6584, 25/6586, 25/6587, 24/7667, 24/6610 en 25/704. Hieraan hebben deelgenomen:
belanghebbende;
namens de inspecteur: mr. drs. [inspecteur 1], mr. [inspecteur 2],
mr. [inspecteur 3], [inspecteur 4] en [inspecteur 5];
- namens de ontvanger: drs. [naam 1], [naam 2], mr. [naam 3] en [naam 4].
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur niet tijdig dwangsombeschikkingen heeft afgegeven wegens het niet tijdig nemen van uitspraken op bezwaar. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank zal de beroepen niet-ontvankelijk verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft bij brief van 9 februari 2024 verzocht om bij voor bezwaar vatbare beschikkingen, voor de jaren 2012 tot en met 2019, aan hem compensatie toe te kennen op grond van de Wet (het verzoek).
3.1.
Bij brief van 11 juli 2024 is namens de minister van Financiën aangegeven dat het verzoek niet in behandeling wordt genomen.
3.2.
Bij brief van 19 juli 2024 heeft belanghebbende gereageerd op de brief van 11 juli 2024.
3.3.
Bij brief van 25 juli 2024 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de brief van 11 juli 2024.
3.4.
Op 4 oktober 2024 heeft de inspecteur uitspraak gedaan op het bezwaar van 25 juli 2024. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Deze zaak wordt behandeld onder het zaaknummer BRE 24/7667.
3.5.
Belanghebbende heeft reeds eerder beroep ingesteld bij de rechtbank omdat de inspecteur volgens hem niet tijdig heeft beslist zijn verzoek van 9 februari 2024. De rechtbank heeft, zonder zitting, op dat beroep beslist bij uitspraak van 25 maart 2025. In deze uitspraak heeft de rechtbank, onder meer, de inspecteur opgedragen om de brief van
19 juli 2024 van belanghebbende in behandeling te nemen als bezwaarschrift tegen de brief van 11 juli 2024.
3.6.
Bij brief van 24 mei 2025 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 25 maart 2025, en verzocht om een dwangsombeschikking af te geven.
3.7.
Op 25 juni 2025 heeft de inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat geen recht bestaat op een dwangsom.
Motivering
4. De rechtbank overweegt dat met het aandragen van klachten die zien op het niet (tijdig) nemen van een dwangsombeschikking niet een aparte procedure bij de rechter wordt gestart, maar dat deze klachten worden ingebracht en behandeld in het kader van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar. In dit geval is op het bezwaar van belanghebbende beslist bij uitspraak op bezwaar van 4 oktober 2024. Door belanghebbende is beroep ingesteld tegen die uitspraak op bezwaar (de procedure met zaaknummer BRE 24/7667). Daarom worden de klachten wegens het niet (tijdig) nemen van een dwangsombeschikking en de vraag of recht bestaat op een dwangsom in die procedure behandeld. De onderhavige beroepen zijn daarom naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaken dus niet inhoudelijk. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier, op 1 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Vgl. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 maart 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1715.
Vgl. Hoge Raad 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787, r.o. 2.4.2.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/2870, 25/2872 t/m 25/2876, 25/2878, 25/2879
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 juli 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende]
, uit [plaats], belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende vanwege het niet tijdig geven van dwangsombeschikkingen in verband met het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar betreffende het verzoek van belanghebbende om hem, voor de jaren 2012 tot en met 2019, bij voor bezwaar vatbare beschikking compensatie toe te kennen op grond van de Wet compensatie wegens selectie aan de poort (de Wet).
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 20 mei 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met de beroepen van belanghebbende met zaaknummers 25/3341, 25/3343 t/m 25/3349, 25/6412, 25/6584, 25/6586, 25/6587, 24/7667, 24/6610 en 25/704. Hieraan hebben deelgenomen:
belanghebbende;
namens de inspecteur: mr. drs. [inspecteur 1], mr. [inspecteur 2],
mr. [inspecteur 3], [inspecteur 4] en [inspecteur 5];
- namens de ontvanger: drs. [naam 1], [naam 2], mr. [naam 3] en [naam 4].
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur niet tijdig dwangsombeschikkingen heeft afgegeven wegens het niet tijdig nemen van uitspraken op bezwaar. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank zal de beroepen niet-ontvankelijk verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft bij brief van 9 februari 2024 verzocht om bij voor bezwaar vatbare beschikkingen, voor de jaren 2012 tot en met 2019, aan hem compensatie toe te kennen op grond van de Wet (het verzoek).
3.1.
Bij brief van 11 juli 2024 is namens de minister van Financiën aangegeven dat het verzoek niet in behandeling wordt genomen.
3.2.
Bij brief van 19 juli 2024 heeft belanghebbende gereageerd op de brief van 11 juli 2024.
3.3.
Bij brief van 25 juli 2024 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de brief van 11 juli 2024.
3.4.
Op 4 oktober 2024 heeft de inspecteur uitspraak gedaan op het bezwaar van 25 juli 2024. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Deze zaak wordt behandeld onder het zaaknummer BRE 24/7667.
3.5.
Belanghebbende heeft reeds eerder beroep ingesteld bij de rechtbank omdat de inspecteur volgens hem niet tijdig heeft beslist zijn verzoek van 9 februari 2024. De rechtbank heeft, zonder zitting, op dat beroep beslist bij uitspraak van 25 maart 2025. In deze uitspraak heeft de rechtbank, onder meer, de inspecteur opgedragen om de brief van
19 juli 2024 van belanghebbende in behandeling te nemen als bezwaarschrift tegen de brief van 11 juli 2024.
3.6.
Bij brief van 24 mei 2025 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 25 maart 2025, en verzocht om een dwangsombeschikking af te geven.
3.7.
Op 25 juni 2025 heeft de inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat geen recht bestaat op een dwangsom.
Motivering
4. De rechtbank overweegt dat met het aandragen van klachten die zien op het niet (tijdig) nemen van een dwangsombeschikking niet een aparte procedure bij de rechter wordt gestart, maar dat deze klachten worden ingebracht en behandeld in het kader van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar. In dit geval is op het bezwaar van belanghebbende beslist bij uitspraak op bezwaar van 4 oktober 2024. Door belanghebbende is beroep ingesteld tegen die uitspraak op bezwaar (de procedure met zaaknummer BRE 24/7667). Daarom worden de klachten wegens het niet (tijdig) nemen van een dwangsombeschikking en de vraag of recht bestaat op een dwangsom in die procedure behandeld. De onderhavige beroepen zijn daarom naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaken dus niet inhoudelijk. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier, op 1 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Vgl. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 maart 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1715.
Vgl. Hoge Raad 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787, r.o. 2.4.2.