Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:5728

2026-06-09 Strafrecht 11588274 \ MB VERZ 25-402
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-09
Publicatiedatum
2026-06-29
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11588274 \ MB VERZ 25-402
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Gedeeltelijk gegrond: beroep tegen verkeersboete, gedraging staat vast, reden om boete te matigen, gedeeltelijk gegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.464 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht


Zittingsplaats Breda



zaaknummer.: 11588274 \ MB VERZ 25-402
CJIB-nummer: [cjib-nummer]
uitspraakdatum: 9 juni 2026




proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)




in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene




Verloop van de procedure
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.


De zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.




Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: parkeren op parkeergelegenheid terwijl het voertuig niet tot de aangegeven categorie of groep voertuigen behoorde op de Molengracht te Breda op 6 oktober 2023 om 11:59 uur.


Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Betrokkene was op de pleegdatum zijn moeder uit het ziekenhuis opgehaald na een onderbeen amputatie. Daarbij heeft betrokkene op aanwijzing van een medewerker van het ziekenhuis geparkeerd op de parkeerplaats. Bij terugkomst stonden twee verbalisanten te bekeuren. Ook na uitleg van betrokkene gaven zij aan de bekeuring uit te schrijven. Betrokkene verwijst naar twee schermafbeeldingen van de automatische ritregistratie van het voertuig. Verder is de pleeglocatie onjuist en klopt het niet dat betrokkene niets wenste te verklaren. Ook was er wel sprake van een laad- en losactiviteit.



Ter zitting heeft betrokkene hieraan toegevoegd dat hij bekend is met het ziekenhuis en normaal in de parkeergarage parkeert, maar dit keer naar de ingang reed omdat hij een rolstoel bij zich had. Daarbij mocht hij op aanwijzing van het personeel het einde van de parkeerplaats parkeren omdat daar niemand zou worden gehinderd. Terwijl betrokkene gezamenlijk met zijn moeder en een verpleegster naar buiten liepen, stonden de verbalisanten te bekeuren. De verbalisanten hadden begrip voor de situatie, maar adviseerden om in bezwaar te gaan. Daarbij gaven ze aan dat betrokkene op een plaats bestemd voor taxi’s stond, waardoor ze moesten bekeuren. Betrokkene heeft dit bord gezien, maar ging uit van de instructie. Daarbij zag betrokkene de pleeglocatie niet als openbare weg, anders had hij er sowieso niet geparkeerd.



De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het betreft hier een parkeergelegenheid voor taxi’s met een officiële vergunning. De uitzondering dat sprake is van een laad- en losactiviteit doet zich niet voor. Betrokkene had ervoor moeten kiezen om te parkeren waar dat is toegestaan en met de rolstoel heen en weer te gaan. De officiële bebording is leidend en aan een toezegging kunnen geen rechten worden ontleend. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%.




Overwegingen


Inhoudelijk

De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Betrokkene ontkent dit ook niet, waardoor de gedraging kan worden vastgesteld.
De boete is dus terecht opgelegd.




Omstandigheden

De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd wel aanleiding om de boete te matigen. Daarbij is van belang dat de kantonrechter begrip heeft voor het opvolgen van een aanwijzing van het ziekenhuispersoneel. De boete zal worden gematigd tot de helft.



Het beroep is gelet op de matiging gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.




Overschrijding redelijke termijn

Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de redelijke termijn overschreden.



Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete verder matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.




Beslissing
De kantonrechter:


‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 41,25, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 68,75, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.



Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.



De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.






Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.



Datum verzending: