Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:5721

2026-05-29 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/446552 / FA RK 26-1616
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-05-29
Publicatiedatum
2026-06-29
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/446552 / FA RK 26-1616
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Toewijzing voorlopige voogdij

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.855 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/446552 / FA RK 26-1616



Datum uitspraak: 29 mei 2026




Beschikking van de kinderrechter over de voorlopige voogdij




in de zaak van



de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:



de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Tilburg.
hierna te noemen: de GI.



De kinderrechter merkt als informant aan:





[de vader]
,
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen: de vader.






1Het verloop van de procedure


1.1.

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 18 mei 2026.




1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster namens de GI;
- de vader.




1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening over het verzoek gevraagd. [minderjarige] heeft een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.





2De feiten


2.1.
De moeder van [minderjarige] is op [datum] 2026 overleden.



2.2.
De moeder was alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.3.

[minderjarige] woonde bij haar moeder. Sinds het overlijden van de moeder verblijft [minderjarige] bij een vriendin en haar moeder.





3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt de GI te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2.

De Raad motiveert het verzoek als volgt. Door het overlijden van de moeder van [minderjarige] op [datum] 2026, is er een gezagsvacuüm ontstaan. Er zijn sindsdien vanuit verschillende kanten - vader, Veilig Thuis, [hulpverlening] - zorgen geuit over [minderjarige] . Op dit moment is er geen gezaghebbende ouder die beslissingen over en voor [minderjarige] kan nemen. Een voogd is nodig om allerlei praktische zaken te regelen rondom [minderjarige] , waaronder zaken met betrekking tot een zorgverzekering, eventueel een aanmelding voor kamertraining, de nalatenschap, etc. Er moet ook snel zicht komen op wat er nog geregeld moet worden voor het moment waarop [minderjarige] 18 jaar wordt ( [maand] 2026).
Verder moet onderzocht worden welke hulpverlening en ondersteuning noodzakelijk is voor een veilige opvoedomgeving voor [minderjarige] . De vader heeft de laatste jaren een minimale rol gespeeld in het leven van [minderjarige] . Om die reden is het naar de mening van de Raad nu (nog) niet wenselijk hem direct het gezag te laten uitoefenen. De Raad vindt het belangrijk daaromtrent eerst een onderzoek uit te voeren.






4De standpunten van de GI, de vader en [minderjarige]


4.1.
De GI heeft het verzoek van de Raad gelezen en de toelichting daarop ter zitting gehoord. De GI stemt in met het verzoek van de Raad. De GI heeft voorafgaand aan de zitting al kennisgemaakt met de vader en aan hem toegelicht dat zij in de komende drie maanden met de vader willen onderzoeken of de vader met het gezag kan worden belast. De GI heeft aangegeven dat als er in de komende tijd beslissingen genomen moeten worden die beslissingen in samenspraak met de vader zullen worden genomen. De GI benadrukt daarbij dat de vader natuurlijk de vader van [minderjarige] blijft.



4.2.
De vader heeft ter zitting aangegeven dat hij [minderjarige] vóór het overlijden van de moeder niet veel heeft gezien. Inmiddels ziet hij haar bijna elke dag. Hij geeft aan dat hij in een tweestrijd zit met zichzelf. Enerzijds vindt hij het dragen van het gezag spannend en is het om die reden misschien beter als er een korte tussenperiode is (waarin JBB de voogdij heeft). Anderzijds heeft hij het gevoel dat hij het gezag afgeeft waardoor iemand anders ineens beslissingen gaat nemen over zijn dochter. Hij zou er de voorkeur aangeven als iemand gedurende enige tijd met hem beslissingen neemt over [minderjarige] .



4.3.

[minderjarige] heeft aan de kinderrechter verteld dat ze nog steeds bij een vriendin verblijft en dat ze het daar fijn vindt. Verder werkt ze en in haar vrije tijd is ze veel met familie van de vriendin waar ze verblijft of met haar schoonzus. Ze vindt het fijn om haar vader veel te zien. Ze staat open voor hulpverlening, zoals bijvoorbeeld van een psycholoog. Ze heeft verder aangegeven dat ze het goed vindt als jeugdzorg de voogdij voorlopig oppakt maar dat ze hoopt dat de voogdij/het gezag daarna naar haar vader gaat.





5De beoordeling


5.1.
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] na het verdrietige overlijden van haar moeder op [datum] 2026 niet onder het wettelijk vereiste gezag staat. De kinderrechter is van oordeel dat het noodzakelijk is om in de gezagsuitoefening over [minderjarige] te voorzien om haar belangen te kunnen behartigen.



5.2.
De komende periode zullen belangrijke (gezags)beslissingen moeten worden genomen en er zullen praktische zaken moeten worden geregeld. De voogd heeft de kennis om deze zaken voor [minderjarige] te regelen en haar belangen daarin te behartigen. De Raad kan in deze periode zijn onderzoek afronden met betrekking tot de invulling van het gezag, mogelijk door de vader. De kinderrechter begrijpt het dilemma dat de vader heeft geschetst. De kinderrechter begrijpt ook dat het voor de vader belangrijk is er in deze moeilijke tijd voor [minderjarige] te zijn. Het is echter wel in het belang van [minderjarige] dat er meteen goede beslissingen worden genomen. Gezien het feit dat er gedurende langere tijd geen contact is geweest tussen [minderjarige] en de vader, is het naar het oordeel van de kinderrechter goed als er eerst een onderzoek wordt uitgevoerd door de Raad. Als uit dat onderzoek blijkt dat de vader prima in staat is om het gezag uit te oefenen zal dat uiteindelijk waarschijnlijk ook de feitelijke situatie worden. Het verzoek om de GI te belasten met de voorlopige voogdij wordt daarom toegewezen.



5.3.
Ten overvloede wijst de kinderrechter erop dat de voorlopige voogdij van rechtswege vervalt na verloop van drie maanden, tenzij voor het einde van die termijn een voorziening in het gezag van [minderjarige] is verzocht.



5.4.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.


5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
belast Stichting Jeugdbescherming Brabant met de voorlopige voogdij over [minderjarige] van 29 mei 2026 tot 29 augustus 2026;



6.2.
stelt vast dat de voorlopige voogdij van rechtswege na drie maanden eindigt, namelijk op 29 augustus 2026, tenzij voor het einde van die termijn aan de rechtbank een voorziening in het gezag over [minderjarige] is verzocht. De voorlopige voogdij loopt dan door totdat op dat verzoek is beslist;


6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026 door mr. Van den Broek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier, en op schrift gesteld op 5 juni 2026.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:241 BW


Artikel 2 Besluit gezagsregisters.