Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:5283

2026-04-07 Strafrecht 26-002090
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-07
Publicatiedatum
2026-06-16
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Raadkamer
Zaaknummer
26-002090
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

bezwaarschrift DNA ongegrond

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.707 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats Middelburg


parketnummer : 02-060994-25
raadkamernummer : 26-002090



beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:




[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] , [geboorteland]
wonende op het adres [adres] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. M.J.F. Zoeteweij, advocaat te Vlissingen (Scheldestraat 76, 4381 RW Vlissingen),



hierna te noemen: de veroordeelde.




Procedure
Het bezwaarschrift is op 22 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.


De rechtbank heeft op 24 maart 2026 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.



De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn advocaat, mr. M.J.F. Zoeteweij, advocaat te Vlissingen en de officier van justitie in raadkamer gehoord.




Bezwaar
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 7 april 2020 heeft veroordeelde zich op het standpunt gesteld dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van bezwaarde disproportioneel is, nu hij ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was. Gezien de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de leeftijd van veroordeelde ten tijde van het feit, het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 19 juni 2025 en de door de kinderrechter opgelegde straf (een werkstraf van 20 uur, zonder voorwaardelijk deel), is er sprake van een gering recidivegevaar. Verzocht wordt dan ook het bezwaarschrift gegrond te verklaren.


In raadkamer heeft de advocaat gepersisteerd bij het ingediende bezwaarschrift. In aanvulling daarop is verwezen naar de justitiële documentatie van veroordeelde.




Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die maken dat het bezwaar gegrond dient te worden verklaard.



Beoordeling
Bij vonnis van 17 november 2025 is de veroordeelde door de kinderrechter in deze rechtbank veroordeeld ter zake van diefstal door twee of meer verenigde personen tot een werkstraf 20 uren subsidiair 10 dagen jeugddetentie met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.


De rechtbank is bevoegd.



Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.



Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.



De rechtbank stelt voorop dat de Wet ertoe strekt gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen en ook veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven tenzij zich een van de in het eerste lid van artikel 2 van de Wet genoemde gevallen voordoet. Een van deze gevallen betreft de situatie waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat daarvan slechts in twee uitzonderingssituaties sprake is.



Bij de eerste uitzondering gaat het om een veroordeling wegens een misdrijf voor de opheldering waarvan DNA-onderzoek niet van betekenis kan zijn. Daarvan is in dit geval geen sprake.



De tweede uitzondering doet zich voor in het geval dat, ondanks dat sprake is van een veroordeling wegens een relevant misdrijf, DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Deze maatstaf hangt samen met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Of, en in welke mate, bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Daarnaast kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of er aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626).




De rechtbank overweegt in dit verband dat veroordeelde ten tijde van het plegen van het strafbare feit weliswaar minderjarig was, maar niet kan worden gezegd dat sprake is van een gering recidiverisico. Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 19 juni 2025 blijkt onder meer dat veroordeelde geen openheid van zaken heeft gegeven, zodat het voor de Raad niet mogelijk was om een uitspraak te doen over de kans op herhaling.



Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.




Beslissing
De rechtbank:


- verklaart het bezwaarschrift ongegrond.



Deze beslissing is op 7 april 2026 gegeven door mr. J. Bergen, rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2026.




De griffier is buiten staat te tekenen.





























Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.