Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:5278
2026-04-07
Strafrecht
25-028038
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
verzoekschrift artikel 530 en 533 Sv gedeeltelijk toewijzing
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.918 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 96-106164-25
raadkamernummer : 25-028038
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam
(Singel 362, 1016 AH Amsterdam),
hierna te noemen: de verzoekster.
1De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 2 november 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 508,20, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
het sepot van 20 oktober 2025,
de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 24 maart 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij is de officier van justitie mr. R.S. Jacobs gehoord.
Verzoekster en haar raadsman zijn behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
De officier van justitie stelt zich ter zitting op het standpunt dat het verzoek voor vergoeding van kosten rechtsbijstand gedeeltelijk kan worden toegewezen. De bij het verzoek gevoegde declaratie is niet alleen in deze zaak ingediend, maar ook namens een andere cliënt van de raadsman in een soortgelijke zaak.
2De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 508,20 is niet alleen verzocht in onderhavige zaak, maar eveneens in een soortgelijke zaak waarbij dezelfde declaratie is gevoegd. Gelet op deze samenhang acht de rechtbank het billijk om de gevraagde vergoeding voor rechtsbijstand te matigen tot een bedrag van € 254,10. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift wordt het forfaitaire bedrag van € 340,00 toegekend.
3De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 594,10, bestaande uit:
- € 254,10 aan kosten van rechtsbijstand;
en
- € 340,00 de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van € 594,10 zal worden overgemaakt op rekeningnummer [iban] ten name [stichting] onder vermelding van “ [verzoekster] /schadevergoeding”;
Deze beslissing is op 7 april 2026 genomen door mr. J. Bergen rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 7 april 2026.
De griffier is buiten staat te tekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 96-106164-25
raadkamernummer : 25-028038
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam
(Singel 362, 1016 AH Amsterdam),
hierna te noemen: de verzoekster.
1De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 2 november 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 508,20, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
het sepot van 20 oktober 2025,
de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 24 maart 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij is de officier van justitie mr. R.S. Jacobs gehoord.
Verzoekster en haar raadsman zijn behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
De officier van justitie stelt zich ter zitting op het standpunt dat het verzoek voor vergoeding van kosten rechtsbijstand gedeeltelijk kan worden toegewezen. De bij het verzoek gevoegde declaratie is niet alleen in deze zaak ingediend, maar ook namens een andere cliënt van de raadsman in een soortgelijke zaak.
2De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 508,20 is niet alleen verzocht in onderhavige zaak, maar eveneens in een soortgelijke zaak waarbij dezelfde declaratie is gevoegd. Gelet op deze samenhang acht de rechtbank het billijk om de gevraagde vergoeding voor rechtsbijstand te matigen tot een bedrag van € 254,10. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift wordt het forfaitaire bedrag van € 340,00 toegekend.
3De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 594,10, bestaande uit:
- € 254,10 aan kosten van rechtsbijstand;
en
- € 340,00 de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van € 594,10 zal worden overgemaakt op rekeningnummer [iban] ten name [stichting] onder vermelding van “ [verzoekster] /schadevergoeding”;
Deze beslissing is op 7 april 2026 genomen door mr. J. Bergen rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 7 april 2026.
De griffier is buiten staat te tekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.