Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:5185

2026-06-12 Strafrecht 02-072859-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-12
Publicatiedatum
2026-06-12
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Op tegenspraak
Zaaknummer
02-072859-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor het meermalen plegen van seksuele handelingen bij zijn dochter die toen drie tot zes jaar oud was. Daarbij was ook sprake van seksueel binnendringen. Aan verdachte wordt een gevangenisstraf van 48 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk opgelegd met bijzondere voorwaarden. Voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar. Vordering benadeelde partij. Oude en nieuwe zedenwetgeving.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (30.078 tekens)
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT


Strafrecht



Zittingsplaats: Breda



Parketnummer: 02-072859-25




Vonnis van de meervoudige kamer van 12 juni 2026






[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1968,
wonende te [adres] ,
raadsvrouw mr. I.M. d' Hont, advocaat te Breda.




1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. A. Verhoeven en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.



2De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: zich in de periode van 2 mei 2021 tot en met 30 juni 2024 (onder andere) schuldig heeft gemaakt aan seksuele handelingen, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam, van zijn dochter [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), terwijl zij nog geen twaalf jaar oud was (artikel 244 jo. 248 Sr oud) dan wel dat hij bij haar ontuchtige handelingen heeft gepleegd (artikel 249 Sr oud);feit 2: zich in de periode van 1 juli 2024 tot en met 6 maart 2025 schuldig heeft gemaakt aan verkrachting (artikel 250 jo 254 Sr nieuw) dan wel aanranding (artikel 249 jo. 254 Sr nieuw) van [slachtoffer] die nog geen twaalf jaar oud was.




3De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.




4De beoordeling van het bewijs

4.1.


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht beide primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. De verklaring van [slachtoffer] is betrouwbaar en wordt in voldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. Gelet op de verklaring van [slachtoffer] kan ook worden vastgesteld dat er sprake is geweest van seksueel binnendringen.



4.2.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit dat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van seksueel binnendringen. Gelet hierop moet verdachte worden vrijgesproken van de onder feit 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten. Voor het onder die feiten subsidiair tenlastegelegde wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.



4.3.

Het oordeel van de rechtbank


4.3.1.


De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.



4.3.2.


De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De rechtbank stelt allereerst vast dat het hier gaat om één en hetzelfde feitencomplex, maar dat er vanwege de invoering van de nieuwe wetgeving per 1 juli 2024 twee afzonderlijke feiten ten laste zijn gelegd, waarbij feit 1 de periode voor 1 juli 2024 betreft en feit 2 de periode na 1 juli 2024.




Verklaringen

De verklaring van [slachtoffer] houdt, kort en zakelijk weergegeven, het volgende in. Volgens [slachtoffer] heeft verdachte elke keer als zij samen gingen douchen seksuele handelingen bij haar verricht, bestaande uit het met zijn piemel wrijven over haar vagina. Verdachte en [slachtoffer] stonden dan samen naakt onder de douche waarbij verdachte haar op enig moment op een nisje in de douche tilde. Terwijl [slachtoffer] met haar benen wijd op dat nisje zat, wreef verdachte met zijn piemel over haar vagina en maakte hij met zijn piemel draaiende bewegingen. [slachtoffer] heeft tijdens het douchen ook vaak de piemel van verdachte gewassen. Verdachtes piemel stond volgens [slachtoffer] altijd rechtop als dit gebeurde. Het voorgaande is voor het eerst gebeurd toen [slachtoffer] drie jaar oud was, namelijk twee à drie dagen na haar derde verjaardag.



Verdachte bekent dat er tussen hem en zijn dochter [slachtoffer] seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Volgens verdachte heeft [slachtoffer] tijdens het douchen, en terwijl zij op het nisje van de douche zat, een aantal keren onverwachts zijn piemel vastgepakt. Vervolgens wreef [slachtoffer] zijn piemel over haar vagina. Verder zou [slachtoffer] een aantal keren zijn piemel hebben gewassen, omdat ze dit zelf wilde. Volgens verdachte is het vastpakken van zijn piemel maximaal vijf keer gebeurd.



Gelet op de deels uiteenlopende verklaringen zal de rechtbank eerst de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] beoordelen en, indien de rechtbank die verklaring voldoende betrouwbaar acht, vervolgens beoordelen of er voor die verklaring voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.




Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer]

heeft naar het oordeel van de rechtbank zeer authentieke verklaringen afgelegd. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] in het kindvriendelijke studioverhoor gedetailleerd en consistent heeft verklaard over zowel de seksuele handelingen zelf als over de omstandigheden waaronder die zouden hebben plaatsgevonden. [slachtoffer] verklaart op een beeldende manier niet alleen over de specifieke handelingen, maar ook over de houding die verdachte en zij aannamen als dit gebeurde. Zij beschrijft ook het gevoel dat zij daarbij had: het voelde lekker en eigenlijk fijn. Bij dit alles komt dat de onthulling over het vermeende misbruik, de zogenaamde ‘disclosure’, spontaan is verlopen. Toen haar werd voorgelezen uit een boek over seksualiteit, herkende [slachtoffer] dat papa net als bij volwassen mensen de piemel bij de vagina doet en heeft zij haar moeder op een rustige en ongedwongen manier verteld over het masseren door verdachte met zijn piemel bij haar vagina in de douche.
Uit het dossier blijkt niet van een mogelijke verklaring of aanleiding voor [slachtoffer] om in strijd met de waarheid te verklaren. Integendeel, de rechtbank acht de manier waarop [slachtoffer] verklaart passend bij een meisje van zes jaar oud dat zich op geen enkele manier bewust is geweest van de strafbaarheid van de handelingen die verdachte bij haar verrichtte. De rechtbank heeft dan ook geen enkele reden om aan de verklaring van [slachtoffer] te twijfelen en acht deze verklaring betrouwbaar.




Steunbewijs

Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van [slachtoffer] daarnaast voldoende steun in andere op zichzelf staande bewijsmiddelen. Allereerst wordt de verklaring van [slachtoffer] voor een groot deel ondersteund door de verklaring van verdachte zelf dat er seksuele handelingen tussen hem en [slachtoffer] hebben plaatsgevonden, zoals hierboven al is weergegeven. Ook vindt de verklaring van [slachtoffer] steun in de verklaring van getuige [aangeefster] , de moeder van [slachtoffer] . Zij verklaart dat op het moment dat zij verdachte confronteerde met het misbruik van hun dochter, verdachte dit aan haar heeft toegegeven.




Handelingen

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank uit van de verklaring van [slachtoffer] en de periode, het aantal keren en de handelingen zoals deze door haar zijn beschreven. Voor de rechtbank staat aldus vast dat verdachte in de periode 2 mei 2021 tot en met 6 maart 2025 telkens als hij met [slachtoffer] onder de douche stond seksuele handelingen met haar heeft verricht. Deze seksuele handelingen bestonden uit het met zijn piemel wrijven over de vagina van [slachtoffer] , waarbij hij met zijn piemel draaiende bewegingen maakte.




Seksueel binnendringen

Naar het oordeel van de rechtbank is met het wrijven van de piemel over de vagina en daarbij draaiende bewegingen maken, sprake van seksueel binnendringen. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het brengen van de piemel tussen de schaamlippen wordt gekwalificeerd als seksueel binnendringen.




Conclusie


Feit 1: seksueel binnendringen bij een twaalfminner

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] , terwijl zij nog geen twaalf jaar oud was, zoals hierna onder 4.4 weergegeven.




Feit 2: verkrachting twaalfminner

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer] , terwijl zij nog geen twaalf jaar oud was, zoals hierna onder 4.4 weergegeven.




4.4.


De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte




Feit 1
op tijdstippen in de periode van 2 mei 2021 tot en met 30 juni 2024 te [plaats 2], met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2018, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt en zijn kind handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten zijn geslachtsdeel tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] te brengen en/of dat geslachtsdeel tussen de schaamlippen, van die [slachtoffer] een of meerdere malen heen en weer te bewegen;




Feit 2

op tijdstippen in de periode van 1 juli 2024 tot en met 6 maart 2025 te [plaats 2] met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren en zijn kind, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2018, seksuele handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten: zijn geslachtsdeel tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] te brengen en/of dat geslachtsdeel tussen de schaamlippen, van die [slachtoffer] een of meerdere malen heen en weer te bewegen.



De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.





5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.


Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.




6De strafoplegging

6.1.


De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijke deel kunnen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Verzocht wordt om deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.



6.2.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt om bij de strafbepaling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en aan hem een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarbij de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. Aan dit voorwaardelijke deel kunnen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Daarnaast kan aan verdachte een taakstraf worden opgelegd.



6.3.


Het oordeel van de rechtbank


De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna vier jaar stelselmatig schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn dochter [slachtoffer] die toen drie tot zes jaar oud was. Hierbij is ook sprake geweest van seksueel binnendringen. De seksuele handelingen vonden meerdere malen per week plaats, namelijk telkens als zij samen gingen douchen en dat was om de dag. [slachtoffer] was als dochter van verdachte aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwd. In plaats van [slachtoffer] te beschermen en haar geborgenheid te bieden, heeft verdachte een grote inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Hierdoor heeft hij haar normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, doorkruist. Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Verdachte heeft geen enkele rekening gehouden met de gevolgen van zijn handelen voor [slachtoffer] en heeft zich enkel laten leiden door, en oog gehad voor, de bevrediging van zijn eigen seksuele verlangens.



In het nadeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met zijn proceshouding. Weliswaar heeft verdachte erkend dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, maar hij bagatelliseert zijn handelen door het initiatief en de verantwoordelijkheid volledig bij [slachtoffer] te leggen. Vanaf de openbaring van het misbruik heeft hij daarbij steeds willen doen voorkomen dat hetgeen zich heeft plaatsgevonden hem iedere keer weer is overkomen. De rechtbank vindt deze houding van verdachte zeer kwalijk. Verdachte neemt daarmee namelijk geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen en geeft [slachtoffer] in wezen de schuld ervan, terwijl duidelijk is dat hij degene is geweest die steeds het initiatief nam; hij tilde haar op, zette haar op het nisje en misbruikte haar. Door niet naar zichzelf, maar vooral naar [slachtoffer] te wijzen, beschadigt hij haar nog meer dan hij nu al gedaan heeft. Deze ‘victimblaming’ draagt bovendien niet bij aan haar herstel en zal – als zij later tot het besef komt wat er eigenlijk is gebeurd – het voor haar nog lastiger maken om hiermee een weg te vinden.



Naast het feit dat verdachte met zijn handelen het vertrouwen van [slachtoffer] heeft geschonden, heeft hij ook het vertrouwen van zijn (ex-)vrouw en moeder van [slachtoffer] en haar broer in ernstige mate geschonden. De moeder van [slachtoffer] heeft tijdens de zitting verwoord hoe het handelen van verdachte [slachtoffer] , haarzelf en haar gezin heeft geraakt.




De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte

Over verdachte is een reclasseringsrapport opgemaakt. Uit dit rapport van 19 mei 2026 volgt dat de reclassering moeilijk verbanden kan leggen tussen eventuele criminogene factoren en het delictgedrag, doordat verdachte het delict lijkt te bagatelliseren. Verder volgt hieruit dat verdachte zijn leven op de rit heeft. Hij heeft een huurwoning, een vaste baan en inkomen. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. Bij een veroordeling wordt een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling en een contactverbod.



Daarnaast is er over verdachte een Pro Justitia rapportage opgemaakt door drs. [persoon] . Uit dit rapport van 13 april 2026 volgt dat verdachte geen psychische stoornis, verstandelijke beperking of psychogeriatrische aandoening heeft. Er wordt dan ook geadviseerd de feiten geheel aan verdachte toe te rekenen. Verder blijkt uit het rapport dat de psycholoog de kans op herhaling inschat als laag.




De straf

Gelet op de aard en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat alleen een
gevangenisstraf van een aanzienlijke duur een passende strafrechtelijke reactie is. Bij het bepalen van de hoogte van die gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. In strafverzwarende zin houdt de rechtbank rekening met de proceshouding van verdachte en de omstandigheid dat [slachtoffer] de dochter van verdachte is. De rechtbank ziet ook aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Dit om verdachte te stimuleren zich in de toekomst te weerhouden van het plegen van dit soort feiten en om – ook in het belang van [slachtoffer] – het reclasseringstoezicht mogelijk te maken. De rechtbank acht daarbij een proeftijd van drie jaar passend om ervoor te zorgen dat verdachte gedurende een langere tijd de juiste begeleiding en behandeling krijgt.



Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar passend en geboden. Aan het voorwaardelijke deel zal zij de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering zijn geadviseerd.. Mede om te voorkomen dat [slachtoffer] (onverhoeds) met verdachte geconfronteerd wordt, zal de rechtbank ook een locatieverbod opnemen als bijzondere voorwaarde. Dat locatieverbod houdt in dat het de verdachte gedurende de volledige proeftijd verboden is zich te bevinden in [plaats 1] en/of de straat van de (toekomstige) school waar [slachtoffer] naar school gaat.



Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.





7De vordering van de benadeelde partij
Namens [slachtoffer] vordert haar moeder (en wettelijk vertegenwoordiger) [aangeefster] voor beide feiten een schadevergoeding van € 23.500,00, bestaande uit € 13.500,00 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade.


De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.




Materiële schade (verhuiskosten)

De rechtbank is van oordeel dat de verhuiskosten een rechtstreeks gevolg zijn van de bewezenverklaarde feiten.



Welke kosten noodzakelijk zijn bij een verhuizing (en daarmee een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit) en welke niet, is tot op zekere hoogte arbitrair. De rechtbank kiest er daarom voor niet de afzonderlijke posten te beoordelen, maar het gevorderde bedrag op zichzelf te beoordelen. Voor de vraag of de hoogte van deze verhuisvergoeding redelijk is, heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de (minimum) verhuiskostenvergoeding zoals bedoeld in artikel 7:275, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek bij gedwongen verhuizing in een verhuursituatie. In het geval van een zelfstandige woning bedraagt deze tegemoetkoming in de verhuiskosten en inrichtingskosten € 7.926,00. De rechtbank zal de gevorderde schadepost tot dit bedrag toewijzen.



De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.




Immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met het bewezenverklaarde op grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] . Namens [slachtoffer] is voldoende onderbouwd dat zij nadelige psychische gevolgen ondervindt van het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat zij in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade. Door de verdediging is dit ook niet betwist. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank het gevorderde bedrag (€ 10.000,00) in zijn geheel billijk en toewijsbaar.




Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. De rechtbank zal ten aanzien van de toegewezen schade (in totaal € 17.926,00) de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf 6 maart 2025.




8De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 244 (oud), 248 (oud), 250 (nieuw) en 254 (nieuw) van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.



9Beslissing
De rechtbank:



Bewezenverklaring


- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;



Strafbaarheid


- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:


feit 1: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd;

feit 2: verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren, begaan jegens een kind van diegene, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;



Strafoplegging


- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag;
* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met [aangeefster] , geboren op [geboortedag 3] 1984 te [geboorteplaats 2] en [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2018, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt, met dien verstande dat er uitsluitend met toestemming en onder begeleiding van officiële instanties contactmomenten met [slachtoffer] zijn toegestaan;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in [plaats 1] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt en evenmin bevindt verdachte zich in de straat van basisschool [school] , te weten de [locatie] , en/of de straat van een andere (middelbare) school waar [slachtoffer] (in de toekomst) naar school gaat;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;


- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;



Benadeelde partij

T.a.v. beide feiten:

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 17.926,00, waarvan € 7.926,00 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 6 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster] € 17.926,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 6 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 114 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.


Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, en mr. R. de Jong en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C.L.J. Luijten, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 juni 2026.



Mr. P.A.M. Wijffels en mr. S.C.S. van Bree zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.




Bijlage I: De tenlastelegging



1hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 02 mei 2021 tot en met 30 juni 2024 te [plaats 2], met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2018, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt en/of zijn kind en/of bij welk persoon misbruik van een kwetsbare positie werd gemaakt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten zijn geslachtsdeel in de vagina, in ieder geval tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] te duwen/brengen en/of vervolgens dat geslachtsdeel in de vagina in iedeer geval tussen de schaamlippen, van die [slachtoffer] een of meerdere malen heen en weer te bewegen;art 248 lid 2 Wetboek van Strafrecht, artikel 248 lid 3 Wetboek van Strafrecht( art 244 Wetboek van Strafrecht )


subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 02 mei 2021 tot en met 30 juni 2024 te [plaats 2], ontucht heeft gepleegdmet zijn minderjarig kind en/of bij welk persoon misbruik van een kwetsbare positie werd gemaakt te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2018, welke ontuchtige handeling(en) (telkens) bestond(en) uit:- het door [slachtoffer] laten vasthouden/betasten/aanraken van zijn geslachtsdeel en/of laten wrijven over zijn geslachtsdeel en/of het door [slachtoffer] laten wassen van zijn gelachtsdeel en/of- met zijn geslachtsdeel tegen/langs de schaamlippen en/of de vagina van die [slachtoffer] te wrijven en/of met zijn geslachtsdeel tegen/langs de schaamlippen en/of de vagina van die [slachtoffer] heen en weer te bewegen;artikel 248 lid 3 Wetboek van Strafrecht( art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht )


2hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 01 juli 2024 tot en met 06 maart 2025 te [plaats 2] met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren en/of zijn kind en/of bij welk persoon misbruik van een kwetsbare positie werd gemaakt, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2018, een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten: zijn geslachtsdeel in de vagina, in ieder geval tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] te duwen/brengen en/of vervolgens dat geslachtsdeel in de vagina in iedeer geval tussen de schaamlippen, van die [slachtoffer] een of meerdere malen heen en weer te bewegen;(artikel 254 lid 1 onder d Wetboek van Strafrecht)( art 250 lid 1 Wetboek van Strafrecht )


subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:





hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 01 juli 2024 tot en met 06 maart 2025 te [plaats 2] met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren en/of zijn kind en/of bij welk persoon misbruik van een kwetsbare positie werd gemaakt, te weten, geboren op 2018, een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten:- het door laten vasthouden/betasten/aanraken van zijn geslachtsdeel en/of laten wrijven over zijn geslachtsdeel en/of het door laten wassen van zijn gelachtsdeel en/of- met zijn geslachtsdeel tegen/langs de schaamlippen en/of de vagina van die te wrijven en/of met zijn geslachtsdeel tegen/langs de schaamlippen en/of de vagina van die heen en weer te bewegen;(artikel 254 lid 1 onder d Wetboek van Strafrecht)( art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht )