Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:4925
2026-06-04
Bestuursrecht
25/2829
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Pkv-uitspraak
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:9114 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-12-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.388 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2829
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.
Procesverloop
1. Eiseres heeft op 16 december 2024 een vergoeding aangevraagd voor de kosten van leerlingenvervoer voor haar dochter [dochter] , die gediagnosticeerd is met een autismespectrumstoornis. De aanvraag ziet op het schooljaar 2024-2025.
1.1.
Het college heeft op 2 januari 2025 de aanvraag afgewezen. Het college stelt namelijk dat de afstand tussen de woning van eiseres en de school van [dochter] minder is dan zes kilometer (het primaire besluit). Eiseres komt daarmee niet in aanmerking voor een vergoeding van de kosten van leerlingenvervoer voor het schooljaar 2024-2025.
1.2.
Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt .
1.3.
In de beslissing op bezwaar van 25 april 2025 heeft het college het bezwaar gegrond verklaard (het bestreden besluit). Het college kent eiseres in het bestreden besluit toch een reiskostenvergoeding toe gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer voor [dochter] en haar begeleider. Het college blijft erbij dat eiseres voor een vergoeding van de kosten van taxivervoer niet in aanmerking komt.
1.4.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.5.
Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiseres deelgenomen. Namens het college waren [gemachtigde] en mr. I.K.P. Romers op de zitting aanwezig.
1.7.
In de tussenuitspraak van 22 december 2025 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek in het bestreden besluit te herstellen door zelf advies van een onafhankelijk deskundige in te winnen.
1.8.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak op 10 maart 2026 twee nieuwe besluiten genomen. Daarbij heeft het college zowel het primaire besluit als het bestreden besluit ingetrokken. Voor de schooljaren 2025-2026 en 2026-2027 kent het college eiseres ten behoeve van [dochter] een vergoeding van de kosten van leerlingenvervoer toe op basis van de kosten van taxivervoer. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep van eiseres van rechtswege mede betrekking op het besluit dat ziet op het schooljaar 2024-2025.
1.9.
Naar aanleiding van de twee nieuwe besluiten heeft eiseres het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek het college te veroordelen tot vergoeding van haar proceskosten.
1.10.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
1.11.
Het college heeft de rechtbank verzocht het verzoek van eiseres af te wijzen voor zover het ziet op de verletkosten.
1.12.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Overwegingen
2. Eiseres heeft het college verzocht om een vergoeding voor reiskosten ter hoogte van € 6,72 en voor verletkosten ter hoogte van € 196,-. De verletkosten zijn als volgt opgebouwd. Eiseres heeft een vergoeding gevraagd van € 96,- in verband met het bijwonen van de zitting en een vergoeding van € 100,- vanwege de tijd die eiseres in deze procedure heeft gestopt (lees: het schrijven van brieven en e-mails). Alleen de verletkosten worden door het college betwist.
2.1.
Zoals in de toelichting bij het door eiseres ingevulde formulier proceskosten staat vermeld, komen de kosten voor het doorlezen van de stukken e.d. niet in aanmerking komen voor een vergoeding. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat eiseres niet in aanmerking komt voor een vergoeding van € 100,- voor de tijd die eiseres aan het schrijven van brieven en e-mails voor de procedure heeft besteed.
2.2.
Eiseres is ervan uitgegaan dat het bijwonen van de zitting vier uur heeft gekost. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiseres uit is gegaan van een uurtarief van € 24,-. De rechtbank stelt vast dat ze de hoogte van dit uurtarief niet heeft onderbouwd, terwijl in de toelichting bij het formulier proceskosten staat vermeld dat het uurtarief onderbouwd dient te worden met bijvoorbeeld een kopie van een loonstrookje of een kopie van een verlofkaart. Dit heeft eiseres niet gedaan. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat in dat geval voor het bepalen van de hoogte van de verletkosten moet worden uitgegaan van het minimale uurtarief dat is genoemd in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dat is een tarief van € 9,- per uur. Op basis hiervan stelt de rechtbank de hoogte van de vergoeding voor verletkosten vast op € 36,- (4 x € 9,-). Het college zal daarnaast de door haar opgegeven reiskosten van € 6,72 moeten vergoeden.
2.3.
De rechtbank wijst erop dat het college op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door eiseres betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden. Eiseres zal zich hiervoor dan ook tot het college moeten wenden.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 42,72,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 4 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Op grond van artikel 10 en artikel 11, eerste lid en onder b, van de Verordening.
Volgens het college wordt namelijk niet voldaan aan één van de voorwaarden uit artikel 12, eerste lid, van de Verordening.
Zie de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 december 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9114.
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2829
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.
Procesverloop
1. Eiseres heeft op 16 december 2024 een vergoeding aangevraagd voor de kosten van leerlingenvervoer voor haar dochter [dochter] , die gediagnosticeerd is met een autismespectrumstoornis. De aanvraag ziet op het schooljaar 2024-2025.
1.1.
Het college heeft op 2 januari 2025 de aanvraag afgewezen. Het college stelt namelijk dat de afstand tussen de woning van eiseres en de school van [dochter] minder is dan zes kilometer (het primaire besluit). Eiseres komt daarmee niet in aanmerking voor een vergoeding van de kosten van leerlingenvervoer voor het schooljaar 2024-2025.
1.2.
Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt .
1.3.
In de beslissing op bezwaar van 25 april 2025 heeft het college het bezwaar gegrond verklaard (het bestreden besluit). Het college kent eiseres in het bestreden besluit toch een reiskostenvergoeding toe gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer voor [dochter] en haar begeleider. Het college blijft erbij dat eiseres voor een vergoeding van de kosten van taxivervoer niet in aanmerking komt.
1.4.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.5.
Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiseres deelgenomen. Namens het college waren [gemachtigde] en mr. I.K.P. Romers op de zitting aanwezig.
1.7.
In de tussenuitspraak van 22 december 2025 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek in het bestreden besluit te herstellen door zelf advies van een onafhankelijk deskundige in te winnen.
1.8.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak op 10 maart 2026 twee nieuwe besluiten genomen. Daarbij heeft het college zowel het primaire besluit als het bestreden besluit ingetrokken. Voor de schooljaren 2025-2026 en 2026-2027 kent het college eiseres ten behoeve van [dochter] een vergoeding van de kosten van leerlingenvervoer toe op basis van de kosten van taxivervoer. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep van eiseres van rechtswege mede betrekking op het besluit dat ziet op het schooljaar 2024-2025.
1.9.
Naar aanleiding van de twee nieuwe besluiten heeft eiseres het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek het college te veroordelen tot vergoeding van haar proceskosten.
1.10.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
1.11.
Het college heeft de rechtbank verzocht het verzoek van eiseres af te wijzen voor zover het ziet op de verletkosten.
1.12.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Overwegingen
2. Eiseres heeft het college verzocht om een vergoeding voor reiskosten ter hoogte van € 6,72 en voor verletkosten ter hoogte van € 196,-. De verletkosten zijn als volgt opgebouwd. Eiseres heeft een vergoeding gevraagd van € 96,- in verband met het bijwonen van de zitting en een vergoeding van € 100,- vanwege de tijd die eiseres in deze procedure heeft gestopt (lees: het schrijven van brieven en e-mails). Alleen de verletkosten worden door het college betwist.
2.1.
Zoals in de toelichting bij het door eiseres ingevulde formulier proceskosten staat vermeld, komen de kosten voor het doorlezen van de stukken e.d. niet in aanmerking komen voor een vergoeding. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat eiseres niet in aanmerking komt voor een vergoeding van € 100,- voor de tijd die eiseres aan het schrijven van brieven en e-mails voor de procedure heeft besteed.
2.2.
Eiseres is ervan uitgegaan dat het bijwonen van de zitting vier uur heeft gekost. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiseres uit is gegaan van een uurtarief van € 24,-. De rechtbank stelt vast dat ze de hoogte van dit uurtarief niet heeft onderbouwd, terwijl in de toelichting bij het formulier proceskosten staat vermeld dat het uurtarief onderbouwd dient te worden met bijvoorbeeld een kopie van een loonstrookje of een kopie van een verlofkaart. Dit heeft eiseres niet gedaan. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat in dat geval voor het bepalen van de hoogte van de verletkosten moet worden uitgegaan van het minimale uurtarief dat is genoemd in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dat is een tarief van € 9,- per uur. Op basis hiervan stelt de rechtbank de hoogte van de vergoeding voor verletkosten vast op € 36,- (4 x € 9,-). Het college zal daarnaast de door haar opgegeven reiskosten van € 6,72 moeten vergoeden.
2.3.
De rechtbank wijst erop dat het college op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door eiseres betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden. Eiseres zal zich hiervoor dan ook tot het college moeten wenden.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 42,72,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 4 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Op grond van artikel 10 en artikel 11, eerste lid en onder b, van de Verordening.
Volgens het college wordt namelijk niet voldaan aan één van de voorwaarden uit artikel 12, eerste lid, van de Verordening.
Zie de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 december 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9114.