Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:4846

2026-01-14 Civiel recht 11373174 CV EXPL 24-3590 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-01-14
Publicatiedatum
2026-06-01
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
11373174 CV EXPL 24-3590 (E)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

inning dwangsommen, verjaring

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.408 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht
Kantonrechter


Zittingsplaats Bergen op Zoom



zaak/rolnr.: 11373174 / CV EXPL 24-3590




vonnis d.d. 14 januari 2026




in de zaak van





[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. W.G.N.M. van Caam,



tegen



de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ROOSENDAAL,
gevestigd te Roosendaal,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Roosendaal,
gemachtigde: [gemachtigde] .





1De procedure


1.1.
De verdere procesgang blijkt uit de volgende stukken:


het tussenvonnis van 30 april 2025 en de daarin genoemde stukken;


het bericht van Roosendaal van 25 augustus 2025 met producties;


de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de mondelinge behandeling van 5 december 2025.





1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
Roosendaal heeft op 7 januari 2015 een dwangbevel uitgevaardigd tegen [eiser] voor een bedrag van € 46.354,00 aan verbeurde dwangsommen.


2.2.
Op 2 april 2015 is executoriaal derdenbeslag gelegd op het loon van de echtgenote van [eiser] .


2.3.
In de periode april 2015 tot en met augustus 2016 heeft Roosendaal steeds maandelijks inhoudingen op het salaris van de echtgenote van [eiser] geïnd.


2.4.
Op 15 juni 2017 heeft zijn gemachtigde namens [eiser] een brief gestuurd aan Roosendaal waarin staat dat hij niet in staat is het gevorderde bedrag te betalen en waarin hij Roosendaal verzoekt (nog) geen executiemaatregelen te nemen.


2.5.
Per september 2016 is het onder de echtgenote van [eiser] gelegde beslag geëindigd door het aflopen van haar dienstverband.


2.6.
Roosendaal heeft op 28 juni 2021 beslag gelegd op de AOW-uitkering van [eiser] .




3Het geschil


3.1.


[eiser] vordert bij vonnis, na wijziging van eis, uitvoerbaar bij voorraad:
al hetgeen door gedaagde na 1 april 2016 door middel van de in het lichaam van de dagvaarding vermelde beslagen van 2 april 2015 en 28 juni 2021 ten laste van eiser is ingehouden, te weten een bedrag van € 4.547,75 alsmede een nog nader te bepalen bedrag betreffende de middels het beslag van 28 juni 2021 gedane inhoudingen, aan hem terug te betalen als zijnde onverschuldigd betaald, vermeerderd met de wettelijke rente over het terug te betalen bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van de algehele en volledige voldoening, met veroordeling van gedaagde in de kosten van dit geding.




3.2.

[eiser] stelt dat na de beslaglegging op 2 april 2015 er geen stuitingshandelingen meer zijn verricht door Roosendaal waardoor de rechtsvorderingen verjaard zijn op 2 april 2016. Roosendaal was na die datum niet gerechtigd om over te gaan tot invordering van de dwangsommen waardoor de inhoudingen op het loon van de echtgenote van [eiser] in de periode april 2016 tot en met september 2016 terugbetaald moeten worden. Dat gaat om een bedrag van € 4.547,75. Daarbij heeft Roosendaal vanwege bovenstaande verjaring ten onrechte beslag gelegd op de AOW-uitkering van [eiser] op 28 juni 2021 waardoor alle inhoudingen sinds die datum ook terugbetaald moeten worden aan [eiser] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] subsidiair aangevoerd dat, indien de vordering niet verjaard is op 2 april 2016 vanwege de inningen van het beslag, de vordering verjaard is op 29 augustus 2017 omdat hij betwist dat de door Roosendaal in het geding gebrachte sommaties van 2 mei 2017 en 6 juni 2017 en de brief van 15 juni 2017 stuitingshandelingen zijn.



3.3.
Roosendaal concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser] met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Primair stelt Roosendaal dat [eiser] de waarheidsplicht, de substantiëringsplicht en de bewijsaandraagplicht heeft geschonden doordat hij een groot aantal relevante feiten en omstandigheden niet heeft genoemd in zijn dagvaarding. Subsidiair stelt Roosendaal dat er geen sprake zou zijn van verjaring omdat met de maandelijkse inning van het executoriaal beslag er iedere maand sprake was van een daad van rechtsvervolging als bedoeld in artikel 3:316 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) c.q. artikel 4:105 Algemene Wet Bestuursrecht (hierna: Awb). Daarmee was er sprake van doorlopende stuiting in de periode april 2015 tot en met augustus 2016 en weer opnieuw met de beslaglegging op de AOW uitkering van [eiser] . Hierdoor is volgens Roosendaal de vordering nooit verjaard omdat in de periode tussen de twee beslagen steeds minstens één keer per jaar er een stuitingshandeling heeft plaatsgevonden. Meer subsidiair stelt Roosendaal zich op het standpunt dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Roosendaal stelt dat als er al een overschrijding is geweest van een verjaringstermijn, dat dat een zeer beperkte overschrijding zou zijn. Daarbij zou het steeds duidelijk moeten zijn geweest voor [eiser] dat Roosendaal de vordering nog steeds wil innen.





4De beoordeling



Waarheidsplicht, substantiëringsplicht en bewijsaandraagplicht




4.1.
Het verweer van Roosendaal dat [eiser] zijn waarheidsplicht en de substantiëringsplicht heeft geschonden, wordt door de kantonrechter verworpen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] voldoende feiten en omstandigheden gesteld om zijn stelling dat de vordering van Roosendaal op 2 april 2016 is verjaard te onderbouwen. De omstandigheid dat [eiser] in de dagvaarding niet is ingegaan op feiten en omstandigheden waar geen stuitingshandelingen uit blijken en op stuitingshandelingen die hebben plaatsgevonden na 2 april 2016, levert naar het oordeel van de kantonrechter geen schending van de waarheidsplicht op.



Is de vordering verjaard op 2 april 2016?





4.2.
Artikel 4:105 lid 1 Awb verwijst voor stuiting van de verjaring naar artikel 3:316 BW. Dit artikel bepaalt dat de verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt. Deze regeling met betrekking tot de stuiting van de verjaring is van overeenkomstige toepassing op dwangsommen.



4.3.
Partijen verschillen van mening over of het door Roosendaal gelegde executoriale loonbeslag op het loon van de echtgenote van [eiser] , waarbij iedere maand een bedrag wordt geïnd, als een maandelijks terugkerende stuitingshandeling moet worden beschouwd. [eiser] verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2222). In dat arrest oordeelt de Hoge Raad dat het leggen van een executoriaal beslag niet kan worden beschouwd als, of op een lijn worden gesteld met, stuiting van een rechtsvordering ‘door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd’ als bedoeld in artikel 3:319 lid 1 BW. Dat betekent dat het enkele leggen van een executoriaal beslag geen voortdurende stuitende werking heeft. In die zaak is er echter na het leggen van het executoriaal beslag geen uitvoering gegeven aan het beslag. In de onderhavige zaak is wel uitvoering gegeven aan het executoriaal beslag na het leggen daarvan, namelijk door het maandelijks innen van de schuld. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter een maandelijkse daad van rechtsvervolging waardoor de vordering doorlopend is gestuit in de periode april 2015 tot en met augustus 2016. De vordering is om die reden niet verjaard op 2 april 2016.



Is de vordering verjaard op 29 augustus 2017?





4.4.
Voorts verschillen partijen van mening over of er in de periode tussen 29 augustus 2016 en 29 augustus 2017 stuitingshandelingen hebben plaatsgevonden. Op 15 juni 2017 is er namens [eiser] een brief naar Roosendaal gestuurd waarin [eiser] stelt niet te kunnen betalen. In die brief wordt verzocht om geen executiemaatregelen te nemen in afwachting van een oplossing en wordt de juistheid van de vordering niet betwist. De kantonrechter is van oordeel dat dit een erkenning is aan de zijde van [eiser] (artikel 4:105 lid 2 Awb). Een erkenning kan namelijk ook besloten liggen in een gedraging, zoals aanbieden om te betalen of vragen om uitstel van betaling, tenzij de schuldenaar daarbij verklaart dat uitstel wordt gevraagd om te onderzoeken of de vordering juist is. Dit betekent dat de lopende verjaringstermijn door erkenning aan de zijde van [eiser] is gestuit op 15 juni 2017 waarna een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen. De vordering is om die reden naar het oordeel van de kantonrechter niet verjaard op 29 augustus 2017.



Conclusie





4.5.
Concluderend is de kantonrechter van oordeel dat de vordering van Roosendaal betreffende de inning van verbeurde dwangsommen zowel op 2 april 2016 als op 29 augustus 2017 niet is verjaard. Om die reden zal de vordering van [eiser] worden afgewezen.



Proceskosten





4.6.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van Roosendaal worden vastgesteld op € 678,00 aan salaris gemachtigde (2 punten).





5De beslissing


De kantonrechter:



5.1.
wijst de vordering af;



5.2.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Roosendaal begroot op € 678,00.


Dit vonnis is gewezen door mr. Mulders, en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.