Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:4834

2026-05-27 Bestuursrecht; Belastingrecht 26/2493
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-05-27
Publicatiedatum
2026-06-01
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
26/2493
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NLF 2026/1120

Inhoudsindicatie

VOVO

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.683 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 26/2493


uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 mei 2026 in de zaak tussen



[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker,


en




de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.




Inleiding


1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.



1.1.
Aan verzoeker is over het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. Verzoeker heeft verzocht om ambtshalve vermindering van de aanslag, welk verzoek is afgewezen. Tegen de afwijzingsbeschikking heeft verzoeker bezwaar gemaakt, waarna de inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Tegen die uitspraak op bezwaar heeft verzoeker beroep aangetekend bij de rechtbank.



1.2.

Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter om:
- schorsing van de invordering van de aanslag;
- te bepalen dat geen verdere invorderingsmaatregelen genomen mogen worden;
- een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht, totdat op het beroep in de hoofdzaak is beslist;
- vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de procedure;
- restitutie van reeds (door verrekening) op de aanslag betaalde bedragen, onder vergoeding van invorderingsrente; en
- directe afdoening van de hoofdzaak, met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).





Karakter voorlopige voorziening


2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, ook wel bodemprocedure genoemd, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Daarbij gelden als voorwaarden dat tegelijkertijd tegen hetzelfde besluit een bezwaar- of beroepsprocedure loopt (vereiste van connexiteit) en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet.



2.1.
De voorzieningenrechter kan uitspaak doen zonder partijen uit te nodigen voor een zitting, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.




Beoordeling door de voorzieningenrechter


3. Verzoeker stelt dat sprake is van onverwijlde spoed omdat de ontvanger de invordering onverkort voortzet, waaronder het nemen en aankondigen van dwangmaatregelen, waardoor verzoeker wordt geconfronteerd met directe financiële druk en dreigende verdere invordering. Volgens verzoeker leidt dit tot aanzienlijke en mogelijk onomkeerbare financiële schade, terwijl de rechtmatigheid van de aanslag nog niet door de rechter is beoordeeld. Verder zouden verzoeker en zijn gezin stress, spanning en psychische druk ervaren door de hoogte van de aanslag en de dreigende invordering daarvan.



3.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is, voor zover het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zou strekken tot (tijdelijke) schorsing van de aanslag, gelet op de in 1.1 bedoelde beroepsprocedure, voldaan aan het vereiste van connexiteit.



3.2.

Voor zover verzoeker verzoekt tot schorsing van de aanslag, dient hij aannemelijk te maken dat en in hoeverre de aanslag onmiskenbaar lichtvaardig of onrechtmatig is opgelegd.
Verzoeker heeft gemeld dat hij zijn werkzaamheden in 2018 volledig in Brazilië heeft verricht, waarbij het economische werkgeverschap in Brazilië lag en het heffingsrecht aan Brazilië toekomt.
De voorzieningenrechter acht het door verzoeker aangevoerde geen reden de aanslag als apert lichtvaardig of onrechtmatig te beoordelen. In het kader van deze voorlopige voorziening is een verdergaande beoordeling van de aanslag niet mogelijk. De voorzieningenrechter zal het verzoek tot schorsing van de aanslag, als kennelijk ongegrond, afwijzen.




3.3.
Een deel van de verzoeken van verzoeker zien op de rechtmatigheid van eventueel te nemen invorderingsmaatregelen dan wel de terugbetaling (onder vergoeding van invorderingsrente) van reeds (door verrekening) op de aanslag betaalde bedragen. De rechter in belastingzaken is onbevoegd daarover te oordelen. Vragen over de rechtmatigheid van invorderingsmaatregelen dienen te worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter. De voorzieningenrechter zal zich in zoverre dan ook onbevoegd verklaren.



3.4.
De voorzieningenrechter oordeelt dat een verzoek tot vergoeding van immateriële schade, evenals een verzoek tot vergoeding van invorderingsrente, pas in de bodemprocedure ter beoordeling voorligt.



3.5.
De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen reden tot het onmiddellijk doen van uitspraak in de hoofdzaak.




Beslissing


De voorzieningenrechter:



wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af voor zover verzoeker vraagt om schorsing van de aanslag, vergoeding van immateriële schade en het onmiddelijk doen van uitspraak in de hoofdzaak;


verklaart zich onbevoegd voor zover het verzoek ziet op de (eventuele) invorderingsmaatregelen betreffende de aanslag.





Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.














griffier


voorzieningenrechter








Uitgesproken op 27 mei 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.



Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open

Artikel 8:81 van de Awb.


Artikel 8:83, derde lid, van de Awb.


Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:983, r.o. 3.6.


Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 juni 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB1981, r.o. 4.6.