Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:4695

2026-05-28 Bestuursrecht 25/6720
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-05-28
Publicatiedatum
2026-05-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
25/6720
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA)

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.094 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Middelburg


Bestuursrecht


zaaknummer: BRE 25/6720 WVW


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen



[eiser] , uit [plaats] , eiser


en




de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder.





Samenvatting


1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het beroep van eiser tegen het besluit van 7 november 2025 (bestreden besluit), waarbij verweerder de oplegging van een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) aan eiser heeft gehandhaafd. Eiser voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de EMA aan eiser mocht opleggen. Eiser krijgt geen gelijk. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.




Inleiding


2. Eiser is op 17 mei 2025 door de politie aangehouden op verdenking van rijden onder invloed van alcohol. Verweerder heeft met een besluit van 18 juli 2025 (primaire besluit) aan eiser een EMA opgelegd.



2.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.



2.2.
Met het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.



2.3.
Eiser heeft hier beroep tegen ingesteld.



2.4.
Op dit beroep heeft verweerder gereageerd met een verweerschrift.



2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en, namens verweerder, [vertegenwoordiger] .



Beroepsgronden




3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte het vermoeden in de zin van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) heeft vastgesteld. Volgens eiser heeft hij geen auto bestuurd. Verder stelt eiser dat hem niet is medegedeeld welke consequenties de weigering van een bloedonderzoek heeft. Eiser verzoekt hem een LEMA cursus te laten volgen.





Beoordeling door de rechtbank


4. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit de getuigenverklaringen en het proces-verbaal van de politie het vermoeden voort dat eiser onder invloed heeft gereden en niet langer beschikte over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die vereist is voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor zijn rijbewijs is afgegeven. Daarnaast volgt naar het oordeel van de rechtbank uit het proces-verbaal dat eiser heeft geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek en aan hem is verteld dat een educatieve maatregel kan worden opgelegd.



4.1.
Verweerder was gelet op artikel 131, eerste lid, aanhef en onder a, van de WVW, gelezen in verbinding met artikel 11, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 gehouden aan eiser een EMA op te leggen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:177) volgt dat de toepasselijke bepalingen uit de WVW en de Regeling geen ruimte laten om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Een rechter kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, maar daarvan is in dit geval niet gebleken. Voor zover eiser heeft verzocht hem een LEMA cursus te laten volgen overweegt de rechtbank dat de regelgeving daartoe geen mogelijkheden biedt.




Conclusie


5. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen proceskostenvergoeding.






















Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 28 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.












griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.