Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:4600

2026-05-20 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/02/436311 / HA ZA 25-338 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-05-20
Publicatiedatum
2026-05-26
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/02/436311 / HA ZA 25-338 (E)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Facturen stallingskosten. Eindvonnis.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.017 tekens)
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant


Civiel recht



Zittingsplaats Breda



Zaaknummer: C/02/436311 / HA ZA 25-338




Vonnis van 20 mei 2026




in de zaak van





[persoon 1]
, handelend onder de naam [bedrijf 1],
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon 1],
advocaat: mr. J. van Dooren,



tegen





1
[persoon 2],

te [plaats 2],
hierna te noemen: [persoon 2],2. [bedrijf 2] B.V.,
te [plaats 2],
hierna te noemen: [bedrijf 2],
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
advocaat: mr. R.F. de Jong.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 25 februari 2026 met de daarin genoemde stukken;- de akte van uitlating van [persoon 1];- de antwoordakte van [persoon 2].




1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De verdere beoordeling



in conventie





De facturen




2.1.
De rechtbank heeft in het vonnis van 25 februari 2026 geoordeeld dat [persoon 2] [persoon 1] moet betalen voor het stallen van de paarden en voor de werkzaamheden, zoals het beslaan van de paarden. Het deel van de vordering van [persoon 1] dat ziet op de factuur met nummer [nummer 10] ter hoogte van € 17.365,29, moet echter worden afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat niet vast is komen te staan dat een prijsverhoging is afgesproken voor de stallingskosten in 2025. [persoon 1] heeft zich daarom mogen uitlaten over de hoogte van zijn vordering indien uitgegaan wordt van de prijzen uit 2024.



2.2.

[persoon 1] stelt dat hij – uitgaande van de prijzen van 2024 – het volgende van [persoon 2] te vorderen heeft:










Factuur




Bedrag




Aanpassing?






[nummer 1]


€ 3.748,-


Prijzen volgens 2024





[nummer 2]


€ 3.220,-


Prijzen volgens 2024





[nummer 3]


€ - 3.220,-


Prijzen volgens 2024





[nummer 4]


€ 2.752,-


Prijzen volgens 2024





[nummer 5]


€ 3.220,-


Prijzen volgens 2024





[nummer 6]


€ 1.780,-


Prijzen volgens 2024





[nummer 7]


€ 1.440,-


Prijzen volgens 2024





[nummer 8]


€ 1.440,-


Prijs aangepast naar tarief 2024: Stalling boxverhuur € 107,- per paard + voer en gelegenheid bieden tot sportbeoefening à € 110,- per paard + diensten à € 110,- per paard





[nummer 9]


€ 1.440,-


Aangepast. Zie r.n 2





[nummer 10]


€ 17.365,29


r.o. 5.6





[nummer 11]


€ 1.440,-


Aangepast. Zie r.n 2





[nummer 12]


€ 1.440,-


Aangepast. Zie r.n 2





[nummer 13]


€ 1.440,-


Aangepast. Zie r.n 2





[nummer 14]


€ 1.190,05


Blijft hetzelfde





[nummer 15]


€ 1.440,-


Aangepast. Zie r.n 2





[nummer 16]


€ 1.440,-


Aangepast. Zie r.n 2





[nummer 17]


€ 500,02


Blijft hetzelfde





[nummer 18]


€ 1.440,-


Aangepast. Zie r.n 2





[nummer 19]


€ 1.440,-


Aangepast. Zie r.n 2





[nummer 20]


€ 1.440,-


Aangepast. Zie r.n 2





[nummer 21]


€ 1.440,-


Aangepast. Zie r.n 2





[nummer 22]


€ 500,02


Blijft hetzelfde





Totaal




€ 48.335,38












2.3.

Omdat het deel van de vordering ter hoogte van € 17.365,29 wordt afgewezen, is een bedrag van € 30.970,09 toewijsbaar. [persoon 2] betwist in zijn antwoordakte dat hij andere kosten dan stallingskosten verschuldigd is. Deze betwisting heeft [persoon 2] pas voor het eerst bij antwoordakte naar voren gebracht. De betwisting is daarmee in strijd met de goede procesorde en dus te laat. [persoon 1] heeft steeds gesteld dat hij ook diensten, zoals het beslaan van paarden, in opdracht van [persoon 2] heeft uitgevoerd. [persoon 1] heeft daarnaast gesteld dat hoefverzorging noodzakelijk is om de paarden in goede gezondheid te houden. [persoon 2] heeft dat eerder nooit betwist, zoals ook is overwogen in r.o. 5.5 van het tussenvonnis. In het dossier zitten bovendien verschillende (app-)berichten van [persoon 2] waarin hij [persoon 1] vraagt om paarden te beslaan. Ook is op zitting een discussie gevoerd over hoe frequent paarden dienen te worden beslagen. De betwisting van [persoon 2] is gelet hierop – naast te laat –
ook onvoldoende gemotiveerd. De verdere betwisting van [persoon 2] die inhoudt dat er maximaal vier paarden gestald zijn geweest en dat de kosten per maand dus steeds maximaal € 1.440,00 kunnen zijn, slaagt ook niet. Op het moment van dagvaarding stonden er nog vier paarden bij [persoon 1]. [persoon 1] heeft gesteld en [persoon 2] heeft niet betwist dat er in het verleden meer/andere paarden dan wel pony’s bij [persoon 1] hebben gestaan. In productie 20 van [persoon 1] is weergegeven op welke paarden/pony’s de facturen zien. [persoon 2] is daar niet inhoudelijk op ingegaan, terwijl dat wel had gekund.




2.4.
De rechtbank zal het bedrag € 30.970,09 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover zoals is overwogen in r.o. 5.18 van het tussenvonnis.



Buitengerechtelijke incassokosten





2.5.

[persoon 1] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [persoon 2] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [persoon 1] heeft aan [persoon 2] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom. Dat is het gevolg van een omstandigheid die zich na het versturen van de aanmaning heeft voorgedaan. De rechtbank zal de gevorderde vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom. Daarom zal een bedrag van € 1.084,70 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Omdat [persoon 1] niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.



Overige vorderingen





2.6.
De overige vorderingen van [persoon 1] worden toegewezen dan wel afgewezen zoals overwogen in het tussenvonnis van 25 februari 2026 en zoals hierna in de beslissing is vermeld.



Proceskosten





2.7.

[persoon 2] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [persoon 1] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


123,16







- griffierecht


€


1.374,00







- salaris advocaat


€


2.090,00


(2,5 punten × € 836,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


3.776,16











2.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



in reconventie





2.9.
In het vonnis van 25 februari 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat de vorderingen in reconventie moeten worden afgewezen. Dat zal de rechtbank in dit vonnis doen.



2.10.

[bedrijf 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [persoon 1] worden begroot op:









- salaris advocaat


€


836,00


(2 punten × factor 0,5 × € 836,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.025,00











2.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





3De beslissing


De rechtbank




in conventie




3.1.
ontbindt de tussen [persoon 2] en [persoon 1] gesloten overeenkomst van opdracht per heden,



3.2.

veroordeelt [persoon 2] om aan [persoon 1] te betalen een bedrag van € 30.970,09, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over:
- het bedrag van € 12.940,00 (aan facturen opeisbaar per 16 december 2024), met ingang van 30 december 2024,- het bedrag van € 4.320,00 (aan additionele facturen opeisbaar per 20 maart 2025),met ingang van 5 april 2025,- het bedrag van € 4.070,05 (aan additionele facturen opeisbaar per datum dagvaarding),met ingang van 5 juni 2025,- het bedrag van € 9.640,04 (aan additionele facturen opeisbaar per datum eisvermeerdering),met ingang van 3 december 2025,telkens tot de dag van volledige betaling,




3.3.
veroordeelt [persoon 2] om aan [persoon 1] te betalen een bedrag van € 275,00 per paard per maand voor het stallen en verzorgen van de paarden vanaf de datum van dit vonnis tot en met de datum dat de paarden uit de stal van [persoon 1] worden opgehaald dan wel verwijderd,



3.4.
veroordeelt [persoon 2] om aan [persoon 1] te betalen een bedrag van € 1.084,70 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,



3.5.
veroordeelt [persoon 2] in de proceskosten van € 3.776,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [persoon 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.6.
veroordeelt [persoon 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



3.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



3.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,



in reconventie





3.9.
wijst de vorderingen van [bedrijf 2] af,



3.10.
veroordeelt [bedrijf 2] in de proceskosten van € 1.025,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [bedrijf 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.11.
veroordeelt [bedrijf 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



3.12.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.




Productie 8 bij dagvaarding.


R.o. 5.12 en 5.14.